Skip to main content

Full text of "Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië"

See other formats


'■'•■••-'•• 



Kg ra 



• kSKb 

'■■■■: : : : "v.- 



■■■■■ 



: ' •■•• ;; .* 










2 li , f,6y 



W/VMPS 






. — . . _ . 






REVUE DES DEUX MONDES. 1852. 



Ondanks de groote uitbreiding welke dit Tijdschrift 
in de jongste jaren ondergaan heeft, ziet de Direklie 
daarvan tegen geene opofferingen op, om het belang 
daarvan te verhoogen. 

Kosteloos zal op nieuw een Annuaire aan de in- 
teekenaren op den vollen jaargang worden toegezon- 
den, die in belangrijkheid niet zal behoeven onder 
te doen voor het voor geschiedenis , statistiek, enz., 
zoo omvattende Jaarboek over 1850 — 1851. 

Bovendien zullen, in de Revue zelve, portretten 
en geographische kaarten worden gevoegd; die gra- 
vures zullen door den beroemden Hetnriquel Dupont 
en de graveurs der Fransche marine worden uitge- 
voerd, en niet weinig tot verfraai] ing van den ech- 
ten druk der Revue verstrekken. Trouwens ook 
voor degelijkheid van den inhoud zal voortdurend 
de meeste zorg worden gedragen. Wetenschappen en 
letteren zullen in hare ontwikkeling binnen- en bui- 
ten 's lands gezet worden bijgehouden ; staatkunde , 
handel en nijverheid steeds door gezaghebbende schrij- 
vers vertegenwoordigd en de aardrijkskundige kennis 
door regtstreeksche verbindtenissen met onderscheidene 
werelddeelen bevorderd worden. 

De inhoud van elke aflevering staat gelijk met een 
gewoon boekdeel van 500 bladz. De prijs van den 
jaargang der Revue met bijvoeging van de gravures, 
portretten en den Annuaire is in Nederland, bij 
Gebr. Beliinfante, te 's Gravenhage, ƒ20. — ; te Ba- 
tavia bij Lange & Go. f 83. — met vooruit betaling 
van het jaar. Elke jaargang bestaat uit 24 afleve- 
ringen. Behalve den meerderen spoed en de volle- 
digheid van dezen oorspronkelijken druk, hebben de 
inschrijvers daarop het gevaar niet te beloopen, dat, 
bij het sluiten van overeenkomsten tot handhaving 
van den letterkundigen eigendom, de nadruk in het 
midden van den jaargang zou kunnen worden ge- 
staakt. 



4 -3o. 



NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



I 



VOOR 



NEDERLANDSCHINDIE. 



UITGEGKVKN DOOR 



DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 



IN 



NEDERLABiDSCH IN Dl E. 



Afleveriias I. 






BATAVIA. 

LAIGË & Co. 

1 S&X 



ALGEMEEN VERSLAG 

DEK 

WERKZAAMHEDEN 

VAN DE 

NATUURKUNDIGE VEREENIGING 

IN NEDERLANDSCH INDIÈ'. 

OVER HET JAAR 18 5 1, 

voorgelezen in de 2de algemeene vergadering, gehouden den 
4den februarij 1852 te batavia; 

door 

Dr. P. Off, IE KM EK, 

President der V 'er e enig ing , R. O. N. L., 

Lid der Keizerlijke Akademie van Natuuronderzoekers enz, 



Ton tweeden male valt mij de eer te beurt, namens het 
bestuur der Vereeniging, verslag te doen van hetgeen tot bloei 
der Vereeniging en tot uitbreiding der natuurwetenschappen 
in Nederlandsch Indie is verrigt. 

Deze taak wordt gemakkelijk gemaakt, omdat het in het 
pas vervlogen jaar niet heeft ontbroken aan veelzijdige werk- 
zaamheden van de leden en aan toenemende belangstelling van 
buiten, terwijl de Vereeniging met rassche doch vaste schreden 
in bloei is vooruitgegaan. En te meer is deze taak ligt te 
vervullen, omdat ik voor het grootste gedeelte slechts heb te 
verwijzen, naar hetgeen reeds door de Vereeniging tot alge- 
mcene bekendheid is gebragt. Daaruit is voldoende na te 
UI. 1 



2 



gaan het voornaamste, wat de Vereeniging in den afgeloopen 
jaarkring voor de wetenschap heeft gedaan. 

Alles duidt in Nederlandsen Indie op vooruitgang. De ver- 
schijnselen daarvan zijn voor eiken opmerker duidelijk waar- 
neembaar. De koelheid van vroeger dagen voor verbeteringen 
in zedelijkheid, opvoeding, onderwijs, maatschappelijke regten, 
heeft plaats gemaakt voor eene opgewektheid voor het goede 
in alles, welke niet zal nalaten, hare vruchten in nog ruimere 
mate af te werpen, dan tot heden reeds is geschied. En deze 
heilrijke, levendmakende en de maatschappij verjeugende adem 
omvat niet slechts de dadelijke behoeften der Indisch- Europe- 
sche maatschappij , maar ook die der inlandsche bevolkingen 
en de hoogere wetenschappen. 

Overal ter wereld, waar de maatschappij in ontwikkeling 
groote voortschreden maakt, uit zich de volheid, de overvloed 
van haar leven door weldadige uitstrooming naar bui- 
ten, door zucht en streven naar hoogere doeleinden, dan 
voldoening van stoffelijke behoeften. Waar men dit streven 
waarneemt, kan men zeker zijn, dat de maatschappij een 
tijdperk van hoogeren bloei te gemoet gaat. De voorspelling 
voor Nederlandsen Indie is alzoo niet twijfelachtig. 

Gaan wij eenige oogenblikken terug M. H. , niet in het ver- 
ledene, maar tot den toestand der Indisch-Europesche maat- 
schappij, nog geene twee tientallen jaren geleden. Welke 
blijken van leven hebben de eerste decenniën dezer eeuw hier 
in het zedelijke en wetenschappelijke nagelaten? Te vergeefs 
zoeken wij naar die vertegenwoordigers van vooruitgang in de 
kunsten en wetenschappen, welke wij gewoon zijn tijdschriften 
te noemen. Tot op pas 13 jaren geleden bestond in Neder- 
landsen Indië nog geen enkel bepaald periodiek orgaan voor 
eenig vak van wetenschap of kunst, en thans reeds is het 
10de Tijdschrift in zijne geboorte, terwijl twee Jaarboekjes 
voor de fraaije letteren, als liefelijke sterren, aan den Java- 
schen hemel hunnen zachten glans hebben medegedeeld. Wel 
is waar is een dier jaarboekjes en zijn de „Kopiist'', het 
„Natuur- en Geneeskundig Archief," het „Indisch Archief" 



3 



en het „ Tijdschrift ter bevordering van Christelijken zin 1 ' weder 
te niet gegaan en is het „Tijdschrift voor Nederlandsen Indië" 
op den bodem van het moederland overgeplant, doch verheu- 
gen mogen wij ons, dat thans nog 3 tijdschriften gelijktijdig 
hier bloeijen en de aanstaande bloei van het opgerigt wordende 
4de tijdschrift niet twijfelachtig is. 

Die gelijktijdige bloei van verschillende tijdschriften, het 
eene vertegenwoordigende de regtswetenschappen, het andere 
de geneeskundige en het derde de natuurkundige wetenschap- 
pen, allen bestaande naast de aan inhoud steeds rijker wor- 
dende Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen, is een van de sprekendste blijken 
der ontwikkeling van den wetenschappelijken zin in Neder- 
landsen Indië. 

Te midden van deze wetenschappelijke werkzaamheid is onze 
Vereeniging in het leven getreden, en thans, naauwelijks 18 
maanden na hare oprigting, kan van haar gezegd worden, 
dat zij rang begint te nemen tasschen de instellingen van der- 
gelijken aard in Europa. De blijken daarvan zijn nedergeïegd 
in hare openbaar gemaakte werkzaamheden. De laatste afle- 
vering van den 2den jaargang van haar tijdschrift ligt hier 
ter tafel, en deze tweede jaargang overtreft in gehalte aan- 
merkelijk den eersten. Deze wel gewenschte en min of meer 
voorspelde, maar niet bepaald verwachte gunstige uitkomst is 
te danken aan de levend makende kracht, welke onze Veree- 
niging en haar orgaan hebben geoefend op de natuurkundigen 
in deze' gewesten, aan welker kiemende of teruggehoudene 
werkzaamheid de weg werd geopend, om de vruchten van 
hunne nasporingen spoedig tot algemeene bekendheid te doen 
geraken. Die gunstige uitkomst is tevens en niet minder te 
danken aan de belangstelling van velen onzer leden, die, 
hetzij door eigen onderzoekingen, hetzij door toezending van 
belangrijke voorwerpen of verzamelingen , de direktie in de 
gelegenheid hebben gesteld, daarmede de wetenschap te ver- 
rijken. 

De direktie vervult daarom gaarne de taak, hare erkente- 



h 



lijkheid te betuigen aan de HH. leden G. F. de Bruijn Kops, 
S. Binnendijk, J. Groll, J. Hageman Jgz., C. Hergt , C. F. A. 
Schneider, J. E. Teijsbiann en G. Wassink, die zich jegens de 
Vereeniging hebben verdienstelijk gemaakt door het inzen- 
den van schriftelijke bijdragen; alsmede aan de heeren J. G. 
X. Broekmeijer, Mr. A. G. Brouwer, G. F. de Bruijn Kops, 
D. Buijn, G. C. Daum, Dr. J. Einthoven, J. M. van Leer, 
J. E. van Leeuwen, M. ï. Beiche, D. F. Schaap, H. W. 
Schwanenfeld en J. Wolff , die min of meer belangrijke ver- 
zamelingen van naturaliën der Vereeniging hebben aangeboden. 

Niet minder aangenaam is de taak der direktie, hier den 
dank der Vereeniging uit te drukken aan het Gouvernement 
dezer gewesten, voor de welwillendheid en bereidvaardigheid, 
waarmede het der bereiking van de bedoelingen der Vereeni- 
ging bij voortduring bevorderlijk is, door het aanbieden ter 
opname in het tijdschrift der Vereeniging van belangrijke 
stukken, welker publiekmaking tot den werkkring onzer in- 
stelling behoort. Aan dezen verlichten zin der regering is het 
te danken onder anderen , dat de geographische, statistische en 
geologische verhandelingen van de HH. Corns. de Groot, Mr. D. 
W. C. Baron van Lijnden, H. von Gaffron en van wijlen H. 
L. Osthoff en handelende over Bawean, Solor, Allor, Rotti , 
Savoe, Borneo en Sumatra, ter kennis van het wetenschappe- 
lijke publiek gebragt zijn kunnen worden. 

Evenmin als in het eerste algemeen verslag van de verrig- 
tingen onzer instelling, zal de direktie zich veroorloven, een 
oordeel over den 2den jaargang des tijdschrifts uit te spreken, 
welk oordeel behoort te worden gelaten aan het wetenschap- 
pelijke publiek buiten haar. 

Wel echter verdient hier vermelding, dat de werkzaamheden 
onzer Vereeniging zich geenszins hebben bepaald tot de uitgave 
slechts van haar tijdschrift. De vergaderingen der direktie 
hebben minstens tweemaal 's maands plaats en strekken niet 
slechts ter bespreking van de belangen des tijdschrifts, maar 
hebben tevens het doel, de behandeling van die onderwerpen, 
welke in het natuurwetenschappelijke nog onbesliste punten 



zijn, alsmede te beraadslagen over die middelen, welke dien- 
stig kunnen zijn, om den wetenschappelijken zin in Neder- 
landsen Indie op te wekken en den bloei der natuurweten- 
schappen en dien onzer instelling te verhoogen, terwijl daarin 
tevens worden ter tafel gebragt en besproken de naturaliën , 
welke der Vereeniging van elders worden aangeboden. 

Het ligt in den aard onzer instelling, dat, behalve de ver- 
gaderingen der direktie, nog gehouden worden gewone verga- 
deringen, tot welker bijwoning alle te Batavia aanwezige leden 
worden uitgenoodigd. Deze vergaderingen hebben ten doel, 
het houden van bepaalde wetenschappelijke voordragten en 
mededeelingen, zoowel door de leden des bestuurs als door 
de gewone leden. Van deze vergaderingen hebben er in den 
loop van het vorige jaar drie plaats gehad, allen ten huize 
van ons honorair lid Z. H. K. B. Hertog van Saksen Weimar 
Eisenach, die daartoe met welwillendheid zijne woning heeft 
afgestaan. Deze vergaderingen hebben de belangstellende bij- 
woning van de ter hoofdplaatse aanwezige leden mogen on- 
dervinden en zijn zonder twijfel den daarbij tegenwoordig 
geweest zijnde leden nog aangenaam in het geheugen. Volgens 
een in de eerste maanden van het vervlogen jaar genomen 
besluit zijn de notulen dezer vergaderingen in het tijdschrift 
opgenomen. 

De toevloed van schriftelijke bijdragen is van dien aard 
geweest, dat de direktie heeft moeten besluiten, aan het tijd- 
schrift een' grooteren omvang te geven dan aanvankelijk was 
bepaald. Terwijl toch in het prospectus van het tijdschrift 
was gezegd, dat één jaargang uit ongeveer 30 vellen druks 
zou bestaan, is reeds de tweede jaargang tot een volumen 
van 43 vellen geklommen en dus meer dan y 3 in omvang 
toegenomen, zonder dat evenwel de inteekeningsprijs is ver- 
hoogd geworden. En thans, nu de tweede jaargang is vol- 
tooid, zal de direktie tot eene nieuwe uitbreiding moeten 
overgaan , indien niet geldelijke bezwaren zich daartegen ver- 
heffen. 



6 



Thans zijn reeds beschikbaar voor den derden jaargang de 
volgende bijdragen. 

Geognostisch uitstapje naar de zuidkust van Ceram, door C. 

F. A. Schneider. 
Over minerale wateren van Java, door Dr. P. W. Korthals. 
Waarnemingen voor de astronomische plaatsbepaling van 

Batavia, door S. H. de Lange. 
Bijdrage tot de geologische kennis \an Blitong, door Corns. 

de Groot. 
Nog iets over de Manihot utilissima of Maniok en Cassave 

in Amerika (Obi dangdur op Java), door J. E. Teijs- 

MANN. 

Rapporten over de drooging met ondergrondsleiding en op 

Java, door Dr. P. F. H. Fromberg en P. Diard. 
De zoogenaamde witte stof, afgescheiden door het Kochenille- 

insekt, scheikundig onderzocht door D. W. Rost van 

Tonningen. 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Singa- 
pore , door referent. 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Suma- 

tra, door referent. 
Scheikundig onderzoek van het minerale water Banjoe assin, 

door P. J. Maier. 
Bijdrage tot de kennis der zoetwater fauna van Blitong , door 

referent. 
Bijdrage tot de kennis der ichthxjologische fauna van Timor , 

door referent. 
Bijdragen tot de flora van Nieuw-Guinea, Banda, Amboina, 

Timor en Celebes, nagelaten door Zippelius. 
Over de oorzaken van de mislukking der koffijkultuur in 

Kadoe, door Dr. P. F. H. Fromberg. 

Evenzeer als wij ons mogen verblijden over deze mede- 
werkende deelneming in ons tijdschrift, hebben wij ook re- 
den , om ons te verheugen over de onverwachte ondersteuning 
daarvan door betrekkelijk talrijke inteekeningen. In het vo- 



rigo algemeen verslag is mededeeling gedaan , dat toen (Fe- 
bruarij 1851) ruim 100 inteekeningen het tijdschrift hadden 
vereerd. Sedert is het aantal inteekeningen tot ruim 170 
geklommen en houdt zich sedert eenige maanden op dat ge- 
tal staande, niettegenstaande enkele inteekenaren voor verdere 
deelneming daaraan hebben bedankt en anderen zijn overleden 
of naar Europa vertrokken. Dit aantal is te meer opmerke- 
iijk, omdat de HH. leden van het Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen in Nederlandsen Indië , wegens 
de aan het tijdschrift verleende en hier nogmaals dankbaar 
erkende geldelijke ondersteuning van dit Genootschap , elk 
een exemplaar van het tijdschrift gratis ontvangen en overi- 
gens het Indische publiek, van hetwelk deelneming verwacht 
kon worden, nog weinig talrijk is. Deze ruimere deelneming 
dan vermoed was, heeft er toe geleid, de oplage van het 
tijdschrift van 500 op 600 exemplaren te brengen, zijnde 
van den eersten jaargang reeds geene exemplaren meer be- 
schikbaar. 

Het is u reeds bekend M. H. , dat 50 exemplaren van het 
tijdschrift geregeld werden gezonden aan den boekhandelaar 
Van Heijningen te Utrecht. Van dezen boekhandelaar is echter 
tot nog toe geen berigt ontvangen, omtrent hetgeen hij in 
Nederland tot verbreiding van het tijdschrift heeft gedaan of 
niet gedaan, en daar in Nederland geklaagd wordt over de 
niet- of moeijelijke verkrijgbaarheid van hetzelve, heeft de di- 
rektie besloten , de aan den heer Van Heijnlngen gezondene 
exemplaren terug te verzoeken en ze te doen geworden aan 
den boekhandelaar Van der Post te Utrecht, met uitnoodi- 
ging om ze verder in den boekhandel in Nederland te bren- 
gen. 

Overeenkomstig de bepaling , vermeld in het vorige algemeen 
verslag, zijn exemplaren van het tijdschrift verzonden aan de 
voornaamste wetenschappelijke genootschappen in Nederland 
en het overige Europa , alsmede aan de Asiatic Society te- 
Calcutta. 



8 



Ik moet thans overgaan tot de vermelding van eenige an- 
dere verrigtingen en besluiten der Vereeniging gedurende het 
afgeloopen jaar. Deze hebben betrekking tot 

a. De herziening van het reglement der Vereeniging. 

b. De oprigting van eene bibliotheek en museum. 

c. Het tot stand brengen van eene tentoonstelling te Batavia 
van de produkten der natuur en der industrie van den 
Indischen Archipel. 

d. De benoeming van Korresponderende en Gewone leden. 
In artikel 37 van het reglement der Vereeniging is bepaald, 

dat het reglement aan eene herziening zal onderworpen worden 
tegen het einde van het jaar 1851. — Gedurende het in werking 
zijn van het reglement is gebleken, dat het eenige wijzigingen 
behoeft, en in opvolging van gezegd artikel heeft de direktie 
een ontwerp opgemaakt van nieuwe wetten, hetwelk zoo aan- 
stonds aan de beoordeeling der Vergadering zal worden onder- 
worpen. 

Wat de oprigting van eene bibliotheek en museum betreft, 
hiervoor zijn de eerste grondslagen gelegd. Reeds is de Ver- 
eeniging vereerd met eenige boekgeschenken en met verschil- 
lende naturalien, door hare leden en deels door buiten Indische 
geleerden aangeboden. Daar evenwel de Vereeniging tot nog 
zonder geldelijke kontributie der gewone leden bestaat, zijn 
geene fondsen beschikbaar tot spoedige en krachtige uitbrei- 
ding van de boekerij en verzamelingen der Vereeniging; doch 
de direktie, vertrouwende op de belangstelling van het weten- 
schappelijke publiek, noodigt een ieder uit, tot die uitbreiding 
bij te dragen, door het aanbieden van boekwerken of natura- 
lien, zullende daarvan in het tijdschrift dankbaar melding wor- 
den gemaakt. 

Eene andere verrigting onzer Vereeniging in het belang der 
wetenschap en der industrie is geweest, de benoeming eener 
Eommissie uit haar midden voor het tot stand brengen te Ba- 
tavia van eene Tentoonstelling van produkten der natuur en der 
industrie van den Indischen Archipel. Het denkbeeld daarvan 
heeft zich ontwikkeld uit een voorstel van onzen sekretaris , 



9 



den heer H. D. A. Smits, ten doel hebbende, hier eene kom- 
missie daar te stellen ter verzameling van voorwerpen van 
Indischen volksvlijt voor de in Julij dezes jaars te houden 
tentoonstelling te Arnhem. Dit voorstel, hetwelk door de 
direktie gereedelijk werd toegejuicht , heeft aanleiding gegeven 
jothet raadplegen over deze aangelegenheid van eenige voorna- 
me ingezetenen ter dezer hoofdplaatse, met name de HH. L. M. F. 
Plate , P. van Rees, E. W. Cramekus, A. A. Reed en R. J. Weijmar 
en eene bijeenkomst , met deze heeren gehouden, heeft geleid tot 
eene wijziging in het voorstel van den heer Smits, hierop neder- 
komende , dat men zou trachten , in plaats van voorwerpen 
bijeen te brengen voor de bedoelde expositie te Arnhem , 
eene tentoonstelling ter dezer hoofdplaatse zelve in het leven 
e roepen. Tot deze wijziging werd men geleid door de over- 
weging, eensdeels dat de nog beschikbare tijd voor het ver- 
zamelen van voorwerpen voor de aanstaande Arnhemsche ten- 
toonstelling tekort zou zijn, en ten andere, dat eene tentoonstel- 
ling ter dezer hoofdplaatse geheel zou wezen in het belang der 
industrie in Nederlandsen Indië en krachtig tot de ontwikke- 
ling daarvan zou kunnen bijdragen. De Vereeniging is omtrent 
deze, in haar oog belangrijke, aangelegenheid getreden in 
briefwisseling met het gouvernement en het is der direktie 
een genoegen, te kunnen mededeelen, dat haar plan bij de 
regering weerklank heeft gevonden en dat het gouvernement 
de toezegging heeft verleend , om de verrigtingen ten onder- 
werpelijke zake der Vereeniging krachtdadig te ondersteunen. 
De direktie heeft voorts gemeend, zich te moeten vereeni- 
gen met het gevoelen der regering, dat, zal de onderwerpe- 
lijke tentoonstelling beantwoorden aan hare bedoeling, eene 
tijdruimte moet gelaten worden, voldoende, om ook de bui- 
tenbezittingen er behoorlijk vertegenwoordigd te kunnen heb- 
ben , en zij heeft daarom besloten, de expositie vast te stellen 
tegen de maand September 1853. Na deze vooiioopige regeling is 
de direktie verder te rade geworden , om te trachten , in het 
belang der zaak, te geraken tot de vorming eener Algemeene 
Kommissie, zamengesteld uit de kommissie uit den boezem der 



10 



Vereeniging, bestaande uit de heeren Corns. de Groot, P. J. 
Maier, P. Baron Mklvill van Carnbee en H. D. A. Smits; 
voorts uit de vijf heeren, hierboven genoemd; alsmede uit de 
heeren S. D. Schiff , direkteur der kultures, W. J. van de 
Graaff, direkteur der middelen en domeinen, Dr. W. Bosch, 
Chef der Geneeskundige dienst en president van het Bataviaasch 
Genootschaf) van Kunsten en Wetenschappen, D. van Schreven, 
president der Afdeeling Batavia van de Maatschappij tot nut 
van het algemeen, J. Tromp, hoofd-ingenieur van den wa- 
terstaat, E. A. Schill, ontvanger der inkomende en uitgaande 
regten te Batavia, G. Denninghoff, rijtuig-fabrijkant, A. Fraser , 
koopman, J. T. Bik, landeigenaar, en uit nog eenigen der 
voornaamste vertegenwoordigers van de industrie en landbouw 
in deze gewesten. Het is het voornemen der direktie om , 
na tot stand koming dezer algemeene kommissie, het verdere 
beleid dezer aangelegenheid aan haar over te dragen. 

Ik kan thans gevoegelijk overgaan tot de vermelding der 
sedert de laatste algemeene vergadering plaats gehad hebbende 
benoemingen. 

Blijkens het vorige algemeen verslag was het voornemen 
der Vereeniging, om niet tot de verkiezing van Korresponde- 
rende leden over te gaan, dan nadat de 1ste jaargang van het 
tijdschrift in Europa bekend zou zijn en de Vereeniging vas- 
ter gevestigd. Er bestaan sedert eenige maanden geene rede- 
nen meer, om die benoemingen niet te doen plaats hebben 
en de direktie heeft daarom in hare vergadering van 13 Ja- 
nuarij j. 1. uit eene opgemaakte lijst van kandidaten tot Kor- 
r esp onderende leden verkozen de HH. 

C. L. Blumk, Hoogleeraar te Leiden, R. O. N. L. enz. 

S. G. van Breda, Hoogleeraar, Sekretaris van de Holland- 

sche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem , enz. 
J. van der Hoeven, Hoogleeraar te Leiden, R. O. N. L. enz. 
F. Kaiser , Hoogleeraar te Leiden , enz. 
R. Lobatto, Hoogleeraar te Delft, R. O. N. L., enz. 

F. A. G. Miquel, Hoogleeraar te Amsterdam, enz. 

G. J. Mulder, Hoogleeraar te Utrecht, Komm. O. N. L., enz. 



11 



R. van Rees, Hoogleeraar te Utrecht, R. O.N. L. , enz. 
G. Simons, Direkteur der Koninklijke Akademie te Delft, enz. 
C. J. Tehtminck, Direkteur van 's Rijks-Museum van Natuur- 
lijke geschiedenis te Leiden, R. O. N. L. , enz. 
W. Vkolik, Hoogleeraar te Amsterdam, R. M. W. O., enz. 

Voorts is sedert de jongste algemeene vergadering het Ge- 
woon lidmaatschap aangeboden aan de volgende HH. 

A. J. Andresen , Majoor der infanterie, kommandant der 

troepen in Westelijk Rorneo , R. M. W. O. 
T. AitRièNS, Kontroleur iste kl. te Magelang. 
S. Rinnendijk, Adsistent hortulanus bij 's lands plantentuin 

te Ruitenzorg. 
S. L. Rlankenburg, Officier van gezondheid 1ste kl. te Rata- 

via. 
J. G. X. Rroekmeijer , Officier van gezondheid 2de kl. te 

Pasoeroean. 
Mr. A. G. Brouwer, te Batavia. 

G. G. Daum, Adjunkt-administrateur bij Z. M. marine. 
H. von Dewall , Civiel-gezaghebber ter zuidoostkust van 

Rorneo. 
H. von Gaffron , Direkteur der steenkolenmijnen te Oranje 

Nassau (Borneo). 
Jkhr. ï. J. H. Gevers, Kapitein der genie te Willem I. 
J. Hageman Jcz. , Ambtenaar te Soerabaja. 
Dr. J. Hartzfeld , Officier van gezondheid 1ste kl. te Am- 

boina. 
C. Hergt, Sekretaris van Z. H. K. R. Hertog van Saksen 

Weimar Eisenach. 
P. Jakles , Officier van gezondheid 2de kl. ter Sumatra's 

Westkust. 
J. M. van Leer, Officier van gezondheid 1ste kl. te Palem- 

bang. 
J. E. Van Leeuwen, Kontroleur 1ste kl. te Patjitan. 
Mr. D. W. J. G. Raron van Lijnden, Resident van Timor. 



12 



H. Ravenswaaij, Administrateur van 's Rijks magazijn van 

geneesmiddelen te Batavia. 
M. ï. Reiche, Officier van gezondheid 2de kl. te Batavia. 
D. F. Schaap, Resident van Banka. 
A. Scharlee , Apotheker 3de kl. bij het groot hospitaal te 

Weltevreden. 
S. D. Sciiiff , Direkteur der kultures , R. O. N. L., te Batavia. 
Dr. F. C. Schmitt, Officier van gezondheid 2de kl. te Pa- 

dang. 

F. Scimitt , Officier van gezondheid 1ste kl. te Batavia. 

C. F. A. Schneider, Officier van gezondheid 3de kl. bij Z. 
M. marine. 

C. H. G. Steuerwald , Luitenant kolonel der artillerie , R. 
O. N. L. en Ridder der Zwaardorde van Zweden en 
Noorwegen, te Batavia. 

V. Baron van Tuijll van Serooskerken, Kamerheer van Z. M. 
den Koning der Nederlanden , tijdelijk te Batavia. 

D. J. Uoxenbeck:, Kapitein der genie, R. M. W. O., te Padang. 

G. Wassink, Dirigerend officier van gezondheid 1ste kl. , 
R. M. W. O. , te Batavia. 

D. F. Wolfson , Luitenant ter zee 2de kl., R. O. N. L. 

Overeenkomstig artikel 15 van het reglement der Vereeni- 
ging zijn de President , Sekretaris en Hoofdredakteur der Ver- 
eeniging op het einde van het vorige jaar afgetreden. Bij de 
nieuwe verkiezingen zijn de keuzen voor die betrekkingen bij 
akklamatie op dezelfde personen uitgebragt en hebben zij de 
nieuwe verkiezingen aangenomen, zoodat in de leiding der 
Vereeniging en de redaktie van het Tijdschrift geene veran- 
dering is gekomen. 

Der direktie is een gevoelige slag toegebragt door het over- 
lijden van den heer Schwaner , die in den bloei zijner jaren 
van haar is weggenomen en van wien zij regt had nog veel 
te verwachten. De Vereeniging heeft hulde gebragt aan. zijne 
nagedachtenis in het levensberigt , voorkomende in de 2de 
aflevering van den 2den jaargang van het tijdschrift. 



n 



Voorts hebben de volgende bewegingen in de direktie plaats 
gehad. 

Teruggekomen te Batavia , de heer Corns. de Groot , van 
onderzoekingsreizen in Oost-Java , op Madura , Bawean en 
Blitong (sedert weder vertrokken naar Soerabaja). 

Vertrokken naar Padang, de heer J. C. R. Steinmetz. 

Gekozen tot lid der direktie de heer S. H. de Lange. 

Vertrokken naar Menado, de heer S. H. de Lange. 

Overigens heeft de Vereeniging zich te verheugen, dat geen 
der gewone leden haar in het afgeloopen jaar door den dood 
ontvallen is. 

Het is echter niet dan met een smartelijk gevoel, dat de 
direktie hier melding moet maken van eene voor de Veree- 
niging te betreuren omstandigheid. Ik bedoel het vertrek naar 
Europa tot herstel van gezondheid van ons honorair lid Z. H. 
K. B. Hertog van Saksen Weimar Eisenacii. Heeft onze Ver- 
eeniging veel van hare kracht ontvangen door den onvermoei- 
den ijver harer leden, véél heeft zij ook te danken aan den 
opwekkenden en beschermenden invloed, welke Z.H. op haar 
had en ten haren nutte gedijen deed. Terwijl de direktie de 
verpligting op zich voelt rusten, zulks hier met erkentelijkheid 
te gedenken, drukt zij den wensch uit, welke gewis die van 
ons allen is, dat de zoo zeer geschokte gezondheid van den 
edelen vorst spoedig moge herstellen en hij moge behouden 
blijven voor alle gewigtige belangen, welke aan zijn kostbaar 
leven zijn verbonden. 

Vier onzer gewone leden, de HH. G. M. Bleckmann, C. Hergt, 
P. F. Uhlenbeck en H. A. Modderman zijn naar Nederland terugge- 
keerd. Vleijen wij ons , dat deze heeren , in het moederland 
aangekomen, voor de Vereeniging werkzaam zullen blijven en 
hare belangen aldaar bevorderen. 



Ten opzigtc van de (manuele aangelegenheden der Vereeni- 
ging acht de direktie zich gehouden , de volgende opmerkingen 
onder de aandacht der vergadering te brengen. 



14 



Gedurende het thans anderhalfjarig bestaan onzer instelling 
Ss geene kontributie, van welken aard ook, van de gewone 
leden noodig geoordeeld. Tot nu toe zijn alle kosten door 
de leden van het bestuur gedragen. De vergaderingen der 
direktie hebben bij afwisseling plaats gehad ten huize van een 
der leden des bestuurs en voor de gewone vergaderingen heeft 
ons honorair lid Z. K. K. B. Hertog van Saksen Weimar Ei- 
senach telkenmale met welwillendheid zijne woning geopend 
niet alleen , maar ook met vorstelijke gulheid getracht, die 
vergaderingen den leden in alle opzigten aangenaam te maken. 
Bij het ontwerpen der nieuwe wetten is op nieuw ter sprake 
gebragt , de noodzakelijkheid of niet noodzakelijkheid voor de 
Vereeniging van gelden , voortspruitende uit eene bij de wet 
te bepalen of vrijwillige bijdrage, en, hoezeer voor het jaar 
1852 geene geldelijke belemmeringen van eenig belang in de 
handelingen der Vereeniging zijn te vreezen, is de wensche- 
lijkheid blijkbaar geworden , dat de Vereeniging over eenige 
vaste inkomsten zou kunnen beschikken , om hare werkzaam- 
heden uit te breiden en in sommige zaken van geldelijke ge- 
volgen het initiatief te kunnen nemen. De direktie gaat echter 
ongaarne tot zoodanig voorstel aan de vergadering over en 
heeft het beter geoordeeld, de behandeling van dit punt tot 
het jaar 1853 te verschuiven en voor het tegenwoordige slechts 
aan de HH. leden en het belangstellende publiek kenbaar te 
maken, dat donatiën van gelden met erkentelijkheid zullen 
worden ontvangen en dat daarvan onder dankbetuiging melding 
zal worden gemaakt in het tijdschrift der Vereeniging, terwijl 
jaarlijks openlijk verantwoording der ontvangen gelden zal 
worden gedaan. 



Ik heb thans gemeld het belangrijkste, wat door onze Ver- 
eeniging is verrigt en wat in haren boezem is voorgevallen. 

Vragen wij thans , of zij aan het doel harer instelling heeft 
beantwoord , dan mogen wij gerustelijk het antwoord van het 
publiek te gemoet zien. Want al is het waar, dat het veld, 
in deze gewesten te beploegen, onafmetelijk is, aan de andere 



13 



zijde is het even waar, dat het aantal arbeiders daarop niet 
met zijnen omvang in evenredigheid staat; dat alzoo nog veel 
gronds braak moet blijven liggen; maar ook, dat de betrek- 
kelijk weinige arbeiders niet nagelaten hebben te ontginnen , 
wat zij ontginnen konden. Moge dat aantal arbeiders steeds 
toenemen. Mogen ook velen, die tot nog toe uit eene minder 
goed geplaatste zedigheid zich hebben laten terughouden , om 
zelfstandig in de wetenschap op te treden , hunne talenten en 
kennis niet onnut voor de wetenschap en de menschheid laten 
verloren gaan. Mogen ook andere mannen van kennis en 
talent, wie het welligt slechts aan opgewektheid ontbreekt, 
door de pogingen der Vereeniging worden aangespoord , om 
het hunne bij te dragen tot uitbreiding onzer kennis. 

De groote bewegingen dezer eeuw in het maatschappelijke 
hebben hunnen grond in de verbazende ontwikkeling, welke 
de jongste halve eeuw in de kennis van de natuur der dingen 
heeft aangebragt. Waarheen gij den blik rigt , op handel, 
industrie of landbouw , overal ontwaart gij de uitgebreidere 
kennis der natuur en harer voortbrengselen als grondslag van 
die onmetelijke vooruitgangen in alles, welke in eene vroegere 
eeuw als hersenschimmig zouden zijn uitgekreten. 

Wij zijn in een gewest MEL, waar de wetenschap, nog meer 
dan in andere beschaafde landen , geroepen is , de natuurlijke 
rijkdommen op te sporen en de eigenschappen der natuur op 
groote schaal aan de belangen der menschheid dienstbaar te 
maken. Wij zijn bovendien gelukkig in een' tijd , waarin po- 
gingen ten algemeenen nutte en ter uitbreiding van kennis, 
bij het gouvernement dezer gewesten w r eerklank vinden. Wat 
den omvang en keuze der nasporingen betreft , kunnen alzoo 
voor praktische wetenschappelijke mannen naauwelijks gunsti- 
gere omstandigheden bestaan; — en, alhoewel hier een groote 
hinderpaal in de praktische beoefening der natuurwetenschap- 
pen gelegen is in de ambtelijke betrekkingen van de meesten 
onzer, die daardoor veelal aan eene bepaalde standplaats ge- 
bonden zijn, en andere bezwaren gelegen zijn in de kostbaar- 
heid van het reizen en in de onvolledigheid van letterkundige 



16 



hulpmiddelen, zijn die belemmeringen niet onoverkomelijk en 
bestaan reeds de voorbeelden , dat het tegenwoordige gouver- 
nement genegen is , gedeeltelijk daarin te gemoet te komen , 
door de reizen van natuuronderzoekers , al zijn die reizen niet 
in dienst ondernomen, gemakkelijker en minder kostbaar te 
maken. 

Dat alzoo geen van ons alle stilsta en het over een jaar te 
geven verslag te vermelden hebbe, den steeds toenemenden 
vooruitgang op den door de Vereeniging en hare leden inge- 
slagen weg. 



NOTULEN VAN DE ALGEMEENE VERGADERING DER 

NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER- 

LANDSCH INDIË, 

GEHOUDEN OP DEN 4DEN FEBRUARIJ 1852, IN DE VERGADERZAAD VAN 
HET BATAVIAASCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 



De vergadering heeft plaats des avonds ten 8 uur. 
Tegenwoordig zijn de 

Dirigerende leden: 

De HH. Dr. P. Bleeker , President. 

„ P. Baron Melvill van Carnbee. 

„ D. W. Rost van Tonningen. 

„ H. D. A. Smits , Sekretaris. 
zijnde de heer P. J Maier door ziekte verhinderd de vergade- 
ring bij te wonen en de overige leden der direktie, de HH. 
J» H. Croockewit, Corns. de Groot, S. H. de Lange en J. 
C. R. Steinmetz van Batavia afwezig. 

Het Honorair lid 

Dr. W. Bosch, vereert de vergadering met zijne tegenwoor- 
digheid. 
Voorts nemen deel aan deze vergadering de 

Gewone leden : 
De HH. L. W. Beijerinck. 

}) J. MUNNICH , 

„ M. T. Reiche. 
„ A. Scharlëe. 

„ S. D. SCHIFF, 

„ C. H. G. Steuerwald. 

„ V. B\RON VAN TüIJLL VAN SEROOSKERKEN. 

, ; G. Wassink. 
III. 2 



18 



Als gasten waren tegenwoordig 

De HH. E. W. Cramerus. 

„ Mr. L. W. C. Keuchemus. 
„ P. Munmgh. 

„ E. Netscher. 
„ B. M. Phlippeaü. 

„ H. A. SCHREÜDER. 

„ D. van Schreven. 

„ J. Tromp. 

„ T. J. Willek. 

De President , de vergadering geopend hebbende, verwel- 
komt de nieuw benoemde leden en de gasten, welke, tot het 
bijwonen dezer bijeenkomst uitgenoodigd , haar met hunne te- 
genwoordigheid vereeren. 

Hij deelt voorts mede, dat deze vergadering, wegens om- 
standigheden, onafhankelijk van de direktie, niet heeft kunnen 
plaats hebben in de maand Januarij , zooals bij het reglement 
der Vereeniging is bepaald. 

Daarop leest hij voor het Algemeen verslag van de werk- 
zaamheden der Vereeniging gedurende het jaar 1851. Het 
besturend lid de heer Corns. de Groot , had het voornemen 
gekoesterd, in deze vergadering mededeeling te doen van de 
resultaten zijner onderzoekingen naar de geognostische en mi- 
neralogische gesteldheid van het eiland Blitong(Billiton), waarin hij 
echter verhinderd is geworden, doordien zijne reis naar Soera- 
baja niet tot na de vergadering vertraagd kon worden. 

Evenzoo had het lid de heer Dr. O. J. G. Mohxike toege- 
zegd, in deze vergadering ter tafel te zullen brengen de verza- 
meling van mineralen, welke hij van Japan heeft medegebragt 
en daarbij te spreken over de resultaten zijner natuurkundige 
onderzoekingen in gezegd rijk. Eenige uren voor de vergade- 
ring deelde de heer Mohnike mede, dat hij door ongesteldheid 
verhinderd was aan zijne toezegging gevolg te geven. 

Na mededeeling hiervan vertoont de President eene verza- 



19 



meling pelrefakten , door het lid den lieer J. E. van Leeuwen 

bijeengebragt en afkomstig van de kalkbergen van Pangool 
in Patjitan, waar zij in groote menigte nabij de oppervlakte, 
400 tot 600 voeten boven de zeevlakte, voorkomen. Deze 
petrefakten , meestal molluskenschalen en echinodermen uit de 
tertiaire formatie, zijn een bewijs te meer van de uitgebreidheid 
der sedimentformatiën, waaraan Java vroeger gemeend werd 
zeer arm te zijn , doch waarvan in de laatste jaren uit zeer 
verschillende streken van Java zeer belangrijke specimina zijn 
bekend geworden uit zuidelijk Bantam, uit de kalkbergen op 
de grenzen van Bandong en Tjandjor , uit de zuidoostelijke 
distrikten van de Preanger Regentschappen, uit de kalkbergen 
van Cheribon, uit die van Grobogan en uit de zuidelijke dis- 
trikten van de residentie Bezoeki. Voor de geognosie en ge- 
ologie van Java is het thans nog een der voornaamste gege- 
vens, de palaeontologische verhoudingen op te helderen; doch 
zulks is vooreerst op Java zelf nog moeijelijk uitvoerbaar, daar 
wegens gemis eener voldoende literatuur over de Palaeontolo- 
gie , de bepaling der soorten van planten en dieren uit de 
vroegere scheppingsperioden grootendeels ondoenlijk is. 

Hierna wordt het ontwerp van de Nieuwe w r etten der Ver- 
eeniging voorgelezen door den sekretaris. Niemand der te- 
genwoordig zijnde leden daarop eenige aanmerking makende, 
worden deze wetten met algemeene stemmen aangenomen, 
terwijl tevens wordt bepaald , dat zij in het tijdschrift der 
Vereeniging zullen worden opgenomen. 

De heer H. D. A. Smits vertoont eenige afdrukken van 
platen, welke gevoegd zullen worden bij het in een der eer- 
ste nummers van den derden jaargang van het tijdschrift der 
Vereeniging op te nemen verslag van den heer Corns. de 
Groot over het eiland Blitong (Billiton). Hij maakt daarbij 
opmerkzaam op den aanmerkelijken vooruitgang der lithogra- 
phie in Nederlandsen Indie en deelt voorts mede, dat ook 
eene nieuwe kaart van het thans zoo belangrijke eiland Blitong 
ter perse is en insgelijks binnen kort zal worden openbaar 
gemaakt. 



20 



Geen der leden verder het woord verlangende f sluit dó 
President de vergadering, onder dankbetuiging aan de tegen- 
woordig zijnde heeren voor hunne belangstelling, betoond door 
het bijwonen dezer algemeene bijeenkomst. 

Batavia, 4 Februarij 1852. 

Mij bekend: 

De SekretariSy 

H. D. A. Smits. 



N A A M L IJ S T 



LEDEN VAN DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER- 
LANDSCH INDIË, OP DEN 4den EEBRUARIJ 1852. 



Besturende leden. 



Datum van Benoeming . 



Dr. J. H. Croockewit Cz. 

Corns. de Groot, Ingenieur -van het mijnwezen 

in N.I. 
P. J. Maier , Apotheker 1ste klasse. 
P. Baron Melvill van Carnbee , Luit. ter zee 

lste kl. R. O. N. L. , R. Leg. van Eer. 
H. D. A. Smits , Sekretaris , Luit. ter zee lste 

kl. R. O.N.L. 
J. C. R. Steinmetz , Majoor der genie. 
D. W. Rost van Tonnikgen , Apotheker 2de klasse 
S. H. de Lang*; , Geographisch ingenieur v. N. Indië. 

Honoraire leden. 

Z. H. K. B. Hertog van Saksen "Weimar Eisenach , 
Generaal der infanterie , Kommandant van het In- 
disch leger, Grootkr. M. W. O. , Grootkr. ü. N. L. 
Groolkr. der Badorde, Grootkr. 0. Leg. van Eer, 
enz. enz. enz. ....... 

Dr. W. Bosch, Chef der geneesk. dienst in Nederl. 
Indië, President van het Batav. Gen. van Kunsten 
en Wetenschappen , R. ü. N. L. enz. 

Kor responderende leden. 

C. L. Blume , Hoogleeraar te Leiden , R. 0. N. L. enz. 

S G. van Breda, Hoogleeraar , Sekretaris van de Hol- 
landsche Maatschappij van Wetenschappen te Haar- 
lem enz. 



Oprigters der 
Vereeniging. 



31 Oktober 1850. 
27 December » 
13 Mei 1851. 



6 Februarij 1851. 



13 Januari) 1852. 



13 



S>2 



Korresponder ende Leden. 



Datum mtn Bejioeming . 



J. van der Hoeven , Hoogleeraar te Leiden , R. ü N. L. 
enz. ......... 

F. Kaiser , Hoogleeraar te Leiden enz. 

R. Lobatto , Hoogleeraar te Delft , R. 0. N. L. , enz. 

F. A. G. Miquel , Hoogleeraar te Amsterdam, enz. . 

G. J. Mulder, Hoogleeraar te Utrecht, Komm. Ü.N. L. enz. 13 
R. van Rees , Hoogleeraar te Utrecht , R. 0. N. L. , enz. 13 
G. Simons , Direkteur der Koninklijke akademie te 

Delft, enz. 13 

C. J. Temminck, Direkteur van 's Rijks museum van 

natuurl. historie te Leiden, R.O.N. L. enz. . 13 

W. Vrolik , Hoogleeraar te Amsterdam , R. M. W. 0. 

enz. ......... 13 

Geiuone leden. 



13 Januarij 


13 


» 


13 


» 


13 


» 


13 


» 


13 


» 



1832. 



19 


» 


19 


» 


19 


» 


19 


» 


22 Oktober 



ü. F. W. J. IIuguenin , Ingenieur van het mijnwezen 

in Ned. Indië, te Batavia. . . . . .15 Augustus 1850. 

G. M. Bleckmann , Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland . 19 Septemb. » 
C. G. van DENTSCn , Majoor der artillerie, te Soerabaja 

R. O.N. L 

J. A. Krajenbiunk , Ingenieur, te Cheribon. 

J. E. Teijsjiann, 1ste Hortulanusbij 'slands plantentuin, 

te Buitenzorg. ....... 

F. F. C. Yreede , Kapitein der artillerie, te Soerabaja. 
Z. H. Akwasi Boachi, Prins van Ashantee , Ingenieur 

van het mijnwezen in N. I., te Soerabaja. 
Dr. P. F. H. Fromberg , Landbouwkundig chemist, te 

Buitenzorg. ........ 22 

F. E. H. Liebebt , Ingenieur van het mijnwezen in 

Ned. Indië, te Muntok 22 

F. D. J. van der Pant , Adsistent bij het landbouw- 
scheik. laborator. , te Buitenzorg. . . . .22 

S. Schreuder , Ingenieur van het mijnwezen in N. I., 
te Makassar 22 

Dr. J. R. A. Bauer , Ome. van gezondheid 2de kl., ter 
Sumatra's Westkust. . . . . . .31 

G. F. de Bbuijn Kors , Luit. ter zee 2de kl. . . 31 
Dr. J. Einthoven , Üffic. van gez. 2de kl., te Sambas , 

R.M.W. 31 

H. W. Schwanenfeld , Offic. v. gez. 2de kl. , ter Su- 
matra's Westkust 31 



2S 



Gcivone leden. Datum van Benoeming. 

J. Wolff , Offic. v. gez. 2de kl., te Bandjermassing. . 31 üktobef 1850. 

F. F. G. Kreijenberg , Apotheker 2de kl., te Soerabaja. 7 Novemb. » 

F. H. W. Kuijpers , Majoor der artillerie , te Padang. 7 » » 
Dr. O. G. J. Moiinike, Ome.fr. Gez. 2de kl., te Bata- 
via , R. 0. N. L 7 » » 

G. Stomt-endissel , Apothek. 2de kl , te Willem I. . 7 » » 
Mr. J. H. Graaf van den Bosch, te Pondokh Gedeh, 

Resident toegevoegd voorde kochenilleteelt op Java, 

R. ü. N. L 12 December » 

H. Glabbeek van der Does, Luit. ter zee 1ste kl. . 12 » » 

J. Groll , Luit. ter zee 1ste kl. , R. M. W. 0. , R. O. 

St. Anna ode kl., te Batavia, ..... 12 » » 

L. W. Beijef.inck , Majoor, adjudant van Z. H. den 
Hertog van Saksen Weimar Eisenach, R. O.N. L. , 
R. Orde v. d. Witten Talk, te Batavia ... 27 » » 

H. A. Modderman, Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland). 27 » » 

J. Münnich , Offic. v. gez. 2de kl., te Batavia. . .27 » » 

Dr. P. L. Onnen , Stadsgeneesheer, te Soerabaja. . 27 » » 

Dr. A. J. D. Steenstra Toussaot , Praktiserend ge- 
neesbeer te Batavia. ...... 27 -» » 

P. F. Uhlenbeck, Luit. ter zee 1ste kl. R. M. W. Ü. 

(naar Nederland . ....... 27 » » 

H. von Gaffron , Direkteur der Steenkolenmijnen te 

Oranje Nassau. . . . . . . .13 Maart 1851. 

Dr. J. Hartzfeld, Offic. v." gez. lste kl f , te Amboina . 13 » » 

P. Jarles, Offic. v. gez. 2de kl., ter Sumatra's westkust. 13 » » 

Dr. F. C. Sciimitt , Offic. v. gez. 2de kl., ter Sumatra's 

Westkust 13 » » 

H. von De wall , Civiel gezaghebber van Borneo's 
zuidoostkust. ........ 13 

D. L. Wolfson, Luit. ter zee 2de kl. R. O.N. L. 

A. J. Andresen , Majoor der infanterie, te Sambas , R. 
M. W. 

Mr. A. G. Brouwer, te Batavia. .... 

S. L. Blankenburg, Offic. v. gez. iste~kl., te Batavia. 

Mr. D. W. C. Baron van Lijnden , Resident van Timor. 

C. F. A. Schpïeider , Offic. v. gez. 3de kl. bij Z. M. 
marine. ...... ... 

F. Sciimitt, Offic. v. gez. lste kl., te Batavia. 

J. Hageman Jcz. , Ambtenaar, te Soerabaja. 

C. IIergt , Sekretaris van Z. H. den Hertog van Sak- 
sen Weimar Eisenach (naar Nederland'. 



lü » 


» 


13 » 


» 


3 April 


» 


3 » 


?■ 


17 » 


» 


17 » 


» 


17 » 


» 


13 Mei 


» 


2 Junij 


» 



24 



Gewone leden. 



Datum van Benoeming. 



Y. Baron van Tuijll tan Serooskerken , Kamerheer 
Tan Z. M. den Koning der Nederlanden , tijdelijk te 
Batavia. ......... 

J. G. X. Broekmeijer, Offic. v. gez. 2de kl., te Pasoeroean. 

J. M. van Leer , Offic. v. gez. 1ste kl. , te Palembang. 

M. Th. Reiche , Offic. v. gez. 2de kl. , te Batavia. 

C. H. G. Steuerwald , Luit. kolon. der artillerie, R. 
O. N. L. , R. der Zwaardorde van Zweden en Noorwe- 
gen, te Batavia. ....... 

D. J. UnLENBECK , Kapitein der genie, te Padang , R. 
M. W. O 

G. Wassink , Dirig. offic. v. gez. 1ste kl. , te Batavia, 
R. M. W. O. enz 

H. Ravenswaau , Administrateur van 's rijks magazijn 
van geneesmiddelen , te Batavia. .... 

S. Binnendijk, Adsistent hortulanus van 's lands plan- 
tentuin te Buitenzorg. ...... 

Jkhr. T. J. H. Gevers, Kapitein der genie, te Wil- 
lem I. ........ 

G. C. Dauai , Adjunkt-administrateur bij Z. M. marine. 

D. F. SciiAAr , Resident van Banka, te 3ïuntok. 

A. Scharlee , Apotheker 3de kl. bij het groot hospi- 
taal te Weltevreden. ...... 

T. Arricns , Konlroleur der 1ste kl., te Magelang, 

J. E. van Leeuwen, Kontroleur der lste kl., te Patjitan. 

S. D. Scoiff , Direkteur der kultures , te Batavia , R. 
O. N. L 



2 


Junij 


1851 


10 


Julij 


» 


24 


» 


» 


24 


» 


7> 


24 


» 


» 


14 


Augustus 


» 


14 


» 


» 


28 


» 


» 


9 


Oktober 


» 


23 


» 


» 


13 Novernbei 


» 


13 


» 


» 


13 


December 


» 


13 


» 


» 


13 Januarij 


1852. 



WETTEN 



NATUURKUNDIGE VEREENIGING 



NEDERLANDSGH IN DIE, 



OPGERIGT TE BATAVIA DEN 19DEN JULIJ 1850. 



Art. 1. 

Het doel der Natuurkundige Vereeniging is , werkzaam te 
zijn tot bevordering der natuurkundige wetenschappen in den 
uitgebreidsten zin, zoowel door eigen vlijt, als door de zorg, 
die zij zal aanwenden , om de natuurkundige .nasporingen en 
ontdekkingen , die in Nederlandsen Indië gedaan worden , te 
verzamelen, in het licht te geven en door alle in haar bereik 
vallende middelen aan te moedigen. 

Art. 2. 

De zetel der Vereeniging is te Batavia. 

Art. 3. 

De leden zijn: Honoraire-, Dirigerende-, Korresponderende- 
en Gewone leden. 



26 
Aut. 4. 

Dirigerende leden zijn: de oprigters der Vereeniging en zij 
die , bij vertrek van Batavia of bij aftreding van één of meer 
hunner, uit de gewone leden gekozen worden. 

Art. 5. 

Het aantal dirigerende leden is bepaald op acht, doch kan, 
wegens bijzondere omstandigheden, vermeerderd worden. 

Art. 6. 

Dirigerende leden, van Batavia naar eene andere standplaats 
in Nederlandsen ïndie vertrekkende, behouden dien titel. 

Art. 7. 

De benoeming tot dirigerend lid geschiedt in de vergadering 
der direktie, uit de op dat tijdstip te Batavia aanwezige ge- 
wone leden , zullende het te benoemen lid op zich moeten 
vereenigen twee-derden der stemmen van de op Java aanwe- 
zige dirigerende leden. 

Art. 8. 

Een dirigerend lid treedt als zoodanig af, bij vertrek uit 
Nederlandsen Indie. 

Art. 9. 

Tot gewone leden zijn benoembaar, alle personen in Neder- 
landsen Indië, die geacht worden in staat te zijn , het doel der 
Vereeniging te bevorderen , en van hunnen wensen daartoe 
hebben doen blijken, hetzij door het uitgeven van geschriften 
of door het inzenden van bijdragen voor het tijdschrift , hetzij 
door het toezenden van belangrijke voorwerpen. 



Ti 

Art. 10. 

Tot honoraire leden kunnen worden benoemd de wegens 
vertrek uit Nederlandsen Indië aftredende dirigerende leden. 
Voorts zijn als zoodanig verkiesbaar, alle in deze gewesten 
woonachtige personen, aan of van welker maatschrappelijken 
invloed en zucht tot bevordering der natuurkundige weten- 
schappen, de Vereeniging bescherming en ondersteuning te 
danken of te verwachten heeft. 

Akt. 11. 

Tot Korresponderende leden zijn verkiesbaar, alle na- 
tuurkundigen, buiten Nederlandsen Indië wonende, die zich 
eenen gevestigden naam in de natuurkundige wetenschappen 
hebben verworven, en welker benoeming voor den bloei der 
Vereeniging belangrijk te achten is. 

Art. 12. 

De benoeming tot gewoon lid heeft plaats in de gewone 
vergaderingen, op voordragt der direktie, en bij meerderheid 
van stemmen der tegenwoordige leden. 

Art. 13. 

Een gewoon lid iemand tot lid der Vereeniging wenschende 
aangenomen te zien, doet daartoe een gemotiveerd voorstel 
aan de direktie, die het, wanneer zij zich daarmede ver- 
eenigt, in de eerstvolgende gewone vergadering ter tafel 
brengt. 

Art. 14. 

De benoeming tot honorair- en tot korresponderend lid 
heeft plaats op dezelfde wijze, als die tot gewoon lid. 



28 
Art. 15. 

Een gewoon lid , Nederlandsen Indië verlatende , blijft het 
idmaatschap behouden , indien hij zich daartoe genegen ver- 
lklaart. 

Art. 16. 

Door alle op Java zich bevindende dirigerende leden worden 
uit de te Batavia aanwezige met meerderheid van stemmen 
gekozen een Voorzitter, een Sekrelaris tevens penningmeester 
en bibliothekaris , en een Hoofd -redakteur voor het tijd- 
schrift. 

Deze treden met den lsten Januarij van elk jaar af, doch 
zijn terstond weder verkiesbaar. 

Art. 17. 

Bij tijdelijke afwezigheid van den voorzitter worden de ver- 
gaderingen bestuurd door den oudste in jaren , van de aan- 
wezige dirigerende leden, met uitzondering van den Sekre- 
taris. 

Bij tijdelijke afwezigheid van den Sekretaris zullen zijne 
betrekkingen waargenomen worden door het jongste lid in 
jaren der direktie. 

Art. 18. 

Bij ontstentenis van den President, Sekretaris of Hoofd-re- 
dakteur, zal ten spoedigste in de opengevallen plaats voorzien 
worden. 

Art. 19. 

De voorzitter leidt de orde der werkzaamheden van alle 
vergaderingen. Hij brengt gedane voorstellen in omvraag en 
handhaaft ten allen tijde de wetten der Vereeniging. 



29 
t 

Art. 20. 

Geene besluiten kunnen genomen worden , wanneer de ver- 
gadering minder dan vijf personen telt. In geval van staking 
der stemmen beslist de voorzitter. 

Art. 21. 

De Sekretaris voert de korrespondentie en houdt de notu- 
len van alle vergaderingen. 

Alle gewigtige stukken worden door den President en den 
Sekretaris, namens de direktie, onderteekend. 

Art. 22. 

Onder het beheer van den Sekretaris zijn alle de der Ver- 
eeniging toebehoorende memoriën, verhandelingen, boekwerken, 
naturaliën, enz. 

Art. 23. 

i 

V 

Hij heeft het beheer over de geldmiddelen, waarvan hij jaar- 
lijks verantwoording doet. De betalingen geschieden op mag- 
tiging der direktie. 

Art. 24. 

Overeenkomstig het slot van artikel 1 , wordt door de Ver- 
eeniging een Tijdschrift uitgegeven, waarin zullen worden 
opgenomen de bij de direktie ingekomene memoriën, verhan- 
delingen, enz. op de natuurkundige wetenschappen betrekking 
hebbende en waarvan door haar de bekendmaking nuttig en 
wenschelijk wordt geacht. 

Art. 25. 

Van dit tijdschrift zullen jaarlijks zes nummers verschijnen, 
elk inhoudende minstens vijf vellen druks. 



so 

Art. 26. 

De ingekomen verhandelingen zullen in de eerstvolgende 
vergadering der dirigerende leden ter tafel gebragt worden. 
De direktie beslist omtrent de opneming dezer stukken in het 
tijdschrift. 

Art. 27. 

De stukken, waarvan de plaatsing niet geschiedt, blijven ter 
beschikking van den inzender. 

Art. 28. 

De verantwoordelijkheid voor de in het tijdschrift opgeno- 
men stukken wordt gelaten voor rekening van den schrrijver. 

Art. 29. 

De stukken waarvan de plaatsing in het tijdschrift door de 
direktie is goedgekeurd, worden aan den Hoofd-redakteur ter 
hand gesteld, aan wien is opgedragen ze voor de pers gereed 
te maken. 

Art. 30. 

De dirigerende leden zijn gehouden, den Hoofd-redakteur 
in de redaktie bij te staan, zoo dikwijls hij het verlangen 
daartoe zal te kennen geven. 



O' 



Art. 3i. 

De dirigerende leden houden minstens één maal 's maande 
vergadering ter bespreking van de belangen der Vereeniging 
en van het Tijdschrift. 

Tot het bijwonen dezer vergaderingen kunnen ook andere 
personen worden uitgenoodigd, welker tegenwoordigheid in het 
belang der Vereeniging wenschelijk geacht wordt. 



81 

Art. 32. 

Behalve deze vergaderingen heeft minstens éénmaal in de 
drie maanden plaats eene gewone vergadering, waartoe alle 
leden der Vereeniging toegang hebben. 

Hiervan zal de eerste, als algemeene vergadering, in Januarij 
gehouden worden. 

Art. 33. 

s De President maakt jaarlijks een verslag op der verrigte 
werkzaamheden, welk verslag van wege de direktie in de 
eerste gewone (algemeene) vergadering voorgelezen en in het 
eerste nummer van eiken jaargang des tijdschrifts opgenomen 
wordt. 

Art. 34. 

Het is wen schel ij l^, dat dirigerende en gewone leden, buiten 
Batavia gevestigd, gewone vergaderingen houden, in den geest 
der Vereeniging en van het verhandelde in deze vergaderingen 
mededeeling doen aan de direktie te Batavia. 



'ö 



Art. 35. 

In de "wetten der Vereeniging kunnen geene veranderingen 
gebragt worden ten zij in de eerste gewone vergadering van elk 
jaar. 

De voorstellen, daartoe strekkende, behooren^voor den Isten 
December aan de direktie te worden ingezonden en zullen in de 
bovengenoemde vergadering in beoordeeling worden gebragt. 

Voor de aanneming van eenige verandering worden twee- 
derden der stemmen vereischt. 



32 

Additioneel artikel 

Art. 36. 

Voorloopig worden alle geldelijke kosten van de Vereend 
ging door de dirigerende leden gedragen. 



SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 

VAN 

EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN, 

DOOR 
W. J. ME AI E R. 



Mineraalwater Banjoe assin in het regentschap 
Poerworedjo , residentie Bagelen. 

De heer Kinder, kontroleur der 1ste klasse heeft de bron 
van dit water ontdekt, en daarvan volgende beschrijving ge- 
geven. 

„ De bron is gelegen op ongeveer 8 palen afstands in n. o. 
„ rigting van de hoofdplaats Poerworedjo , in de nabijheid der 
„ dessa Banjoe assin (1) midden in een rijstveld en slechts 



(1) „Van hoeveel nut voor den natuur- en oudheidkundige op Java 
„de kennis der volkstaal is, hiervan strekke het volgende ten bewijze. 
„Bij mijne togtjes, welke ik ambtshalve onderneem, is het mijne ge- 
„woonte, door middel der benamingen van dessa's, bergtoppen, rivieren 
„enz. nasporingen in het werk te stellen omtrent wetenswaardige bijzon- 
„derheden der tot mijne afdeeling behoorende lokaliteiten. Niet zelden 
„is mij de etymologie van soortgelijke benamingen een zekere gids ge- 
„weest tot belangrijke ontdekkingen. Zoo ook in dit geval. 

„Mij onlangs op reis bevindende in het oostelijke Bageleensche grens-, 
„gebergte, werd mijne aandacht getrokken door den naam der dessa Ban- 
„joe assin, twee zuiver Javaansche woorden, zout water beteekende. 
„ Op die wijze raakte ik bekend met het hier bedoelde minerale water. 
„Zoo kan men eveneens verzekerd zijn , op alle plaatsen, Assinan geheeten, 

on tv 

III. 



84 



„ weinige passen verwijderd van eene in de nabijheid stroo- 
„ mende rivier. 

„De kom afgesloten zijnde, bezit eene lengte van 10 en 
„eene breedte van 6 rijn], voeten: de diepte bedraagt 2 voeten. 

„Het water welt uit den grond op, die daar ter plaatse 
„uit trachietbrekcie bestaat. Het omliggende terrein behoort 
„ echter geheel tot de tertiaire formatie. De kleur van het wa- 
„ter, in de kom gezien, is ligt geel, bij sommige zonnestanden 
„groenachtig, in een glas witachtig troebel. Aan de opper- 
„ vlakte vertoonen zich eenige olieachtige vliesjes. De reuk 
„ onderscheidt zich niet merkbaar van gewoon water. De 
„temperatuur des waters in de kom was 's middags 4 uur 
„ 86° F. bij eene luchttemperatuur van 89° F. De opene vrije 
„ligging der bron in een rijstveld en in steenachtigen grond 
„ draagt zeker veel bij tot den hoogen graad van verwarming 
„ des waters. De smaak heeft veel overeenkomst met dien 
„van zeewater d. i. zout en eenigzins bitter. Gasontwikkeling is 
„ in de bron niet te bespeuren. 

„ Naar schatting ligt de bron op ongeveer 700 voeten boven 
„ zee (Minoren op 964 en de pas Toenggangan in het Tja- 
„ tjabangsche gebergte op 1680 voeten stellende). De afstand 
„ van de Zuiderzee (Indische Oceaan) zal p. m. 20 palen be- 
„ dragen. 

„ Na afsluiting der bron leverde zij in 5 minuten eene 
„ Ned. kan mineraalwater of 300 kannen daags. De inlanders 
„verklaarden mij, dat in de oost- en westmoesson de hoe- 
„ veelheid water dezelfde bleef. De Javanen bedienen zich 
„ niet van het water tot geneeskundige doeleinden. De die* 
,, ren handelen in dit opzigt anders. In den geheelen omtrek 
„is de bron bij alle buffels, runderen, paarden, wild, voge- 
„ len enz, bekend, die allen met graagte het water opslur- 
„ pen. 

„ Zooals men bijna overal op Java voor een merkwaardig 
„ natuurverschijnsel een of ander fabelachtig verhaal heeft , 
„ bestaat ook eene legende omtrent den oorsprong der 
„bron Banjoe assin. Pangeran Bi-;nnowo, zoon des laat- 



„ sten Padjangschen sulthans , na de verwoesting des kratons 
„ van Padjang vlugtende , bezocht ook dit gedeelte van Bage- 
„ len. In de nabijheid van Banjoeassin uitrustende, om zijn 
„middagmaal te nemen, hadden zijne volgelingen vergeten zout 
„mede te nemen. Pangeran Bennowo dit vernemende, deed 
„ de zoutwel ontstaan. Eene bamboezen omheining wijst nog 
„ de rustplaats aan van den prins en de mede in het gebergte 
„ gelegene dessa Bennowo vereeuwigt insgelijks zijne nage- 
„ dachtenis." 

In de maand Augustus 11. ontving ik te Batavia 4 goed 
gekurkte en gevulde flesschen van bovenbedoeld water, waar- 
mede de volgende scheikundige analyse bewerkstelligd is. 

Het water heeft eenen onaangenamen bitter- zoutachtigen , 
eenigzins zwavelwaterstofgasachtigen, naderhand een weinig zoet- 
achtigen smaak, zwavelwatcrstofgasachtigenreuk en een soortelijk 
gewigt van 1,01517 bij 28° G. temp. Reaktie naauwelijks 
zigtbaar alkalisch. IJet is helder , doch tevens eenigzins wit- 
achtig, hetwelk bij het staan in de lucht wat toeneemt en na 
verloop van eenige dagen zich als sporen van een eenigzins 
geelachtig praecipitaat afzondert ; het water is daarna ge- 
heel helder en vrij van elk spoor eener verbinding van 
ijzer. 

Bij verwarming ontwikkelt het water slechts enkele gasblaas- 
jes ; de dampen, door barietwater geleid, vormden sporen van 
koolzure barietaarde. Het kwalitatief onderzoek heeft de vol- 
gende bestanddeelen er in doen onderkennen. 

In weegbare hoeveelheid voorhanden: Zwavelzuur; Chlorium; 
Kiezelaarde; Potassa; Soda; Kalkaarde; Bitteraardo en Aluin- 
aarde een spoor van IJzeroxyde bevattende , hetwelk in het 
water als Koolzuurijzerprotoxyde bevat is. 

In onweegbare hoeveelheid: Koolzure kalkaarde; Chloor- 
ammonium; Joodmagnium; Zwavelwaterstofgas ; Koolzuurgas 
en Org. zelfstandigheden. 



36 

Kwantitatieve analyse. 

1. Bepaling der Vaste deelen. 

132,246 grm. water uitgedampt, het zout sterk verhit tot 
dat eenige zure dampen begonnen te ontwijken, gaven 2,585 
grm. Zout sa 1,9547 ten honderd water. 

2. Bepaling van het Chloor. 

132,246 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzil- 
ver , wegende 6,083 grm. 

100 grm. water dus 4,5998 grm., waarin 1,1371 grm. 
Chloor. 

3. Bepaling van het Zwavelzuur. 

132,246 grm. water gaven bij 100° C. gedroogde zwavelzure 
barietaarde , wegende 0,1737 grm. 

100 grm. water dus 0.13135 grm., waarin 0,04513 grm. 
Zwavelzuur. 

h. Bepaling der Kiezelaarde. 

Van het in de 1ste bepaling verkregene zout, verkreeg men 
0,001 grm. gegloeide kiezelaarde. 

100 grm. water dus 0,000756 grm. Kiezelaarde. 

5. Bepaling der Aluinaarde met sporen van IJzeroxyde. 

Uit het zoutzure nitraat der kiezelaarde verkreeg men op 
bekende wijze 0,0008 grm. gegloeide Aluinaarde , een spoor 
ijzeroxyde bevattende. 

100 grm, water dus 0,00061 grm. 

6. Bepaling der Kalkaarde. 
Het nitraat der aluinaarde met oxalas ammoniae behandeld, 



U7 



gaf bij 100 C gedroogde oxalas calcis, wegende 1,053 grm., 
waarin 0,40585 grm. Kalkaarde (1). 

100 grm. water dus 0,30689 grm. Kalkaarde. 

7. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde, 

100 grm. water bevatten 0,045131 grm zwavelzuur 
gevende met 0,031591 „ kalkaarde 
en 0,020307 „ water. 



0,097029 „ Zwavelzure kalkaar- 



de (gips; 



8. Bepaling van het Chloor calcium. 



100 grm. water bevatten 0,30689 grm. kalkaarde; aan bet 
zwavelzuur is gebonden 0,03159 grm.; afgetrokken, blijft 
0,2753 grm., beantwoordende aan 0,54525 grm. Chloorcalcium, 
waarin 0,34861 grm. chlorium. 

9. Bepaling van het Chloormagnium. 

Het filtraat van den oxalas calcis met phosphas ammoniae be- 
handeld, gaf 0,049 grm. bij 100° G. gedroogde phosphorzure 
biüeraarde-ammonia, na gloeijing 0,0345 grm. phosphorzure 
bitteraarde gevende, waarin 0,01265 grm. bitteraarde. 

100 grm. water 0,0096 grm., beantwoordende aan 0,0223 
grm. Chloormagnium, waarin 0,01645 grm. chlorium. 



(1) Toen ik ongeveer 16 dagen later den oxalas calcis wederom 
woog, had hij eenig water aangetrokken; zijn gewigt bedroeg nu 1,071 
grm. Ik nam hiervan 1,037 grm. en brandde deze hoeveelheid tot kool- 
zure kalkaarde, die, alvorens gewogen te zijn, met eene genoegzame 
hoeveelheid koolzure ammonia behandeld was ; zij woog 0,702 grm. 

1,071 grm. oxalas calcis zouden dus 0,72502 grm. koolzure kalkaarde 
gegeven hebben, waarin o> 4 °601 grm. kalkaarde. 

Hieruit blijkt, dat de berekening der kalkaarde uit de bij 100° C. ge- 
droogde oxalas calcis, juiste uitkomsten levert, en dat het overbodig is^ 
den oxalas calcis te branden, ten einde uit de verkregene hoeveelheid 
koolzure kalkaarde de kalkaarde te berekenen. 



88 



10. Bepaling van het Chloorpotassium. 

264,492 grm. water met barietwater enz. behandeld, gaven 
0,056 grm. bij 100° C. gedroogd chloorplatina-chloorpotassium, 
bevattende 0,017125 grm. Chloorpotassium. 

100 grm. water dus 0,0065 grm., waarin 0,00308 grm. 
chlorium. 

11. Bepaling van het Chloor sodium. 

100 grm. water bevatten 1,1371 grm, chlorium. 

Hiervan is gebonden aan het potassium tz 0,00308 grm. 

„ „ „ , „ ,» calcium ^ 0,34861 ,, 

„ „ „ „ „ magnium s 0,01645 „ 

te zamen 0,36814 „ # 
afgetrokken van de geheele hoeveelheid chlorium , blijft 
0,76896 grm., gevende 1,2738 grm. Chloorsodium. 







Resultaat. 




100 grm. water 




bevatten 


grm. 


Chloorpotassium 


• 


• » • . 


0,0065 


,, sodium 


. 


. 


1,2738 


„ calcium 


. 


• . . • 


0,54525 


,, magnium 


. 


. 


0,0223 


Zwavelzure kalkaarde 


• 


0,09703 


Kiezelaarde 


. 


. 


0,00075 


Aluinaarde met 


een spoor ijzeroxyde 


0,00061 



Totaal der vaste deelen 1,94624 
en de volgende niet kwantitatief bepaalbare stoffen 
Koolzure kalkaarde. 
Chloorammonium. 
Joodmagnium. 
Koolzuurgas. 
Zwavel waterstofgas. 
Organische zelfstandigheden. 



DE ZOOGENAAMDE WITTE STOF, AFGESCHEIDEN DOOR 

HET KOGHENILLE-INSEKT, SCHEIKUNDIG 

ONDERZOCHT 

DOOR 
B*. W. ROST VM TO^WIWGEl. 



Het is bekend, dat zich tijdens het leven van het Koche- 
nille-insekt, eene witte stof afzondert, welke vooral na het 
dooden der insekten , bij de zuivering door middel van zifting, 
in tamelijk groote hoeveelheden kan worden verzameld. 

Volgens den heer L. Monod de Froideville (zie Tijdschrift 
voor N. I. jaarg. 9, deel 2 pag. 237 en verder) zijn ge- 
noemde insekten reeds terstond bij hunne geboorte of ook 
8 a 10 dagen daarna, met deze witte stof voorzien en ver- 
nieuwt zij zich zelfs telkens weder binnen de drie a vier dagen, 
wanneer zij door regen of andere oorzaken is afgespoeld of 
verloren gegaan. In den handel is men gewoon, bij de be- 
oordeeling der kochenille , de meerdere of mindere hoeveel- 
heid witte stof, welke het insekt bedekt, in aanmerking te 
nemen en haar in het eerste geval zelfs eenige hoogere waar- 
de toe te kennen, terwijl uit een wetenschappelijk oogpunt be- 
schouwd, reeds voor jaren Berzelius aannam, dat het uit acidum 
margaricum bestond. Naar hetgeen mij de heer Dr. Steen- 
stra Toussalnt alhier meldt , bedroeg volgens zijne ten dezen 
aanzien reeds gedurende ettelijke jaren gedane waarnemin- 
gen, de grootste opbrengst aan witte stof 8| a 9 f / en de 
kleinste nog 4% der verkregene zuivere kochenille en is zij 
tot heden toe beschouwd geworden als niet de minste waarde 
hebbende. 



40 



Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat alleen in Euro- 
pa jaarlijks een millioen ponden kochenille van verschillende 
landen wordt ingevoerd en Engelands kochenille-handel in het 
jaar 1844 aan in- en uitvoer reeds ruim anderhalf millioen 
ponden bedroeg, dan is het duidelijk, dat, volgens dezen grond- 
slag, minstens £0,000 ponden elk jaar van deze witte stof 
worden voortgebragt, en het zal dan ook wel geene bevreem- 
ding verwekken, dat ik gaarne het aanbod van Dr. Steenstra Tous- 
saint aannam, om mij door het toezenden van eene genoeg- 
zame hoeveelheid dezer witte stof, tot een onderzoek in staat 
te stellen. Hetzij mij vergund , dien heer mijnen dank te be- 
tuigen, zoowel voor dat aanbod als voor de vele inlichtingen , 
welke mij door hem te dien aanzien met de meeste bereid- 
willigheid geschonken zijn. 

Hetgeen mij toegezonden werd, was een grof, wit en op 
verschillende plaatsen met roode stippen bedekt poeder. Dit 
poeder met water gekookt zijnde, verkreeg men eene schoone roo- 
de oplossing, welke zeer spoedig tot verrotting overgaat, iets wat 
geene geringe zwarigheid bij het onderzoeken er van oplevert; 
het afkooksel, met wijngeest van 70 a 80°/ , was zuiver oranje- 
rood, terwijl de koking met alkohol volstrekt geene kleurstof 
uittrok. In de teruggeblevene in water niet oplosbare en 
geleiachtige zelfstandigheid, bemerkt men, met het bloote 
oog, duidelijk kleine insekten of gedeelten daarvan, vooral van 
diegenen welke in den handel onder den naam van Zaccatillo 
bekend zijn: bij de verbranding verspreidt zich sterk de reuk, 
aan brandende dierlijke stoffen eigen; hierbij wordt eenige 
olie uitgescheiden, welke spoedig vuur vat en met eene sterke 
walmende vlam verbrandt; na afloop dezer verbranding blijft 
eene gele asch terug, welke aan de lucht blootgesteld snel 
vochtig wordt en waarover nader wordt gehandeld. 

Wanneer ik hier eenige kwantitatieve bepalingen aangaande 
de bewuste witte stof mededeel, houde men in het oog, dat 
deze geene absolute maar slechts eene betrekkelijke waarde 
kunnen hebben, daar het als van zelf spreekt, dat zij ver- 
schillen moeten voor iedere witte stof in het bijzonder , al 



h\ 



naardat zij meer of minder met kleine kochenille-insekten is 
bedeeld. Verder was het, behalve een onderzoek der stof 
in het algemeen, ook mijn doel om na te gaan, of er, op wel- 
ke wijze dan ook , nog eenige bruikbare kleurstof uit te trek- 
ken zoude zijn, en ten einde de hoeveelheid hiervan te weten 
te komen , was het noodig, eenige kwantitatieve bepalingen in 
het werk te stellen, welke hier volgen. 

Bepaling van het water. 

3,554 grm. verloren op 100° C. gedroogd 0,515 grm. =} 

14,491°/ . 

Bepaling van de onverbr andbare deden. 

0,830 grm. lieten bij verbranding 0,165 grm. asch terug es 
19,879%. 

Deze asch is ligt bruin gekleurd , trekt zooals reeds is op- 
gemerkt snel de vochtigheid der lucht tot zich en vervloeit, 
is in water slechts gedeeltelijk doch in salpeterzuur volkomen 
onder sterke opbruising van koolzuur oplosbaar; zij bevat 
zeer vele chloruren en sulphaten van aluinaarde, kalk, mag- 
nesia en potassa benevens eenig ijzeroxyde ; de eerstgenoemde 
basis heeft echter verre weg de overhand. 

Bepaling van hetgeen in ether oplosbaar is. 

7,990 gr. werden eenige dagen met ether bij de gewone 
temperatuur getrokken, daarna afgeflltreerd en het doorgeloo- 
pene vocht verdampt; hetgeen terugbleef woog 0,190 grm. s 
2,377%. 

Het in ether oplosbare is een vast, neutraal reagerend, 
bruinachtig, naar acidum butijricum riekend vet; het verzeept 
zich met loogen zeer gemakkelijk, uit welker oplossing in 
water, door zuren witte praecipitaten van vetzuren worden 
gevormd: op platinablik verhit, verbrandt het met eene veel 
roetgevende vlam en eenen prikkelenden reuk: in kokenden 
alkohol is het oplosbaar. 



42 



Bepaling van hetgeen in kokenden alkohol oplosbaar is. 

50 gr. werden, na vooraf met ether, zooals boven, uitgetrok- 
ken te zijn, met kokenden alkohol behandeld en afgefiltreerd; 
nadat de doorgeloopene naauwelijks zigtbaar geel gekleurde 
oplossing was koud geworden , scheidde zich eene menigte groo- 
te, vlokachtige kristallen af, welke werden verzameld en ge- 
droogd; zij wogen 1,772 gr. s 3,544°/ . 

Het is bij de gewone temperatuur eene broze, helder 
witte en ligter dan water zijnde stof, welke eerst op het 
kookpunt van water smelt; is in kouden ether onoplosbaar, 
wordt in kokenden evenwel opgenomen, doch bij de minste 
bekoeling weder afgezet ; verzeept met alkaliën zeer on- 
volkomen ; het grootste gedeelte blijft bij de behandeling met 
eene loog op de oppervlakte der vloeistof onverzeept terug; 
afgefiltreerd en bij het filtraat een zuur gevoegd zijnde wordt 
een wit nederslag gevormd. Ik meen vele redenen te hebben 
om deze in kokenden alkohol oplosbare stof, als eene het 
bijenwas zeer nabijkomende te mogen beschouwen. 

Bepaling van hetgeen in konden alkohol oplosbaar is. 

Nadat de vermelde hoeveelheid was uit de alkoholische op- 
lossing was verwijderd, dampte men deze laatste tot droogwor- 
dens toe uit; zij woog 1,523 gr. s 3,046°/ . 

Het is eene bruine, vloeibare, zuur reagerende, vetachtige 
massa, welke op een filtrum gebragt en met wijngeest van 
70°/ o afgewasschen, spoedig in twee ligchamen werd ge- 
scheiden ; het eene bruin en in den wijngeest oplosbaar, reageert 
zuur en wordt door toevoeging van water volkomen geprae- 
cipiteerd, doch is niet verder onderzocht; het andere is een 
zuiver wit, half vloeibaar vet, dat even als het vorige onvol- 
komen verzeept, maar zich door zijne vloeibaarheid kenbaar 
genoeg van dit laatste onderscheidt. 

Bepaling van hetgeen in kokend water oplosbaar is. 

Dezelfde hoeveelheid, welke met ether en alkohol was behan- 



JtZ 



deld,werd met water zoolang gekookt, tot dat dit laatste niet 
meer gekleurd werd; vervolgens de afgefiltreerde vloeistoffen 
verzameld zijnde, werden deze op een waterbad uitgedampt 
en op 100° C. gedroogd; het ^teruggeblevene woog 1*2,3 ;= 
24,6%. 

De op deze wijze verkregene massa is donkerrood ; eene 
groote hoeveelheid water wordt door slechts zeer weinig hier 
van sterk rood gekleurd; aan de lucht blootgesteld trekt 
zij spoedig de vochtigheid daaruit aan; door zwavelzuur wordt 
alle kleurstof uit de oplossing in water gepraecipiteerd ; met 
wijngeest van 80°/ gekookt, wordt er eene schoone oranje- 
roode oplossing gevormd , terwijl eene zwartbruine stof terug- 
blijft; uit deze oplossing zetten zich na eenigen tijd zeer kleine 
stukjes van dezelfde kleur af. 

Het spoedig aantrekken der vochtigheid van deze in water 
oplosbare kleurstof is alleen toe te schrijven aan sommige chlo- 
ruren, die in hare asch voorkomen, zijnde de hoeveelheid van 
deze laatste door eene kwantitatieve bepaling op niet minder 
dan 33,501% bevonden: wanneer de witte stof met water 
gekookt wordt, zonder dat zij te voren met ether en alkohol 
behandeld was, dan gaf de op 100° C. gedroogde kleurstof, 
welke even zoo de vochtigheid snel tot zich trok , een asch- 
gehalte van 27,076% te kennen. 

Bepaling van hetgeen in potassa caustica oplosbaar is. 

De met kokend water, behandelde kochenille-stof werd nu 
met eene zeer verdunde potassa-oplossing bij matige warmte 
getrokken en daarna van de teruggeblevene vezelstof afgefil- 
treerd ; in de doorgeloopene vloeistof werd door zeezoutzuur 
eene geleiachtige , bruingele zelfstandigheid nedergeslagen , wel- 
ke op een filtrum gebragt, goed uitgewasschen en op 100° 
C. gedroogd is; zij woog 2,175 gr. a 4,35%. 

Wanneer deze stof verbrand wordt, doet zij zulks onder 
verspreiding van den reeds vroeger aangehaalden reuk naar 
verbrandende dierlijke ligchamen, terwijl slechts een onbedui- 
dend spoor van asch terugblijft; zij is in water en alkohol 



u 



onoplosbaar, korrelig en moeijelijk tot poeder te brengen ; 
salpeterzuur kleurt haar geel, terwijl zij door toevoeging van 
ammonia oranjegeel wordt. 

Bepaling van het dierlijke weefsel. 

Ik geef dezen naam aan de met ether, alkohol, water en 
potassa uitgetrokkene stof, welke goed uitgewasschen en op 
100% G. gedroogd, terugblijft; zij woog 21,161 gr. s 42,322°/* 

Bij verbranding op een platinablik blijft er nog een weinig 
asch terug, terwijl tevens hierbij bleek, dat er nog een weinig vet 
in was achtergebleven; zij is graauw wit en lost in sterke 
potassa caustica niet geheel op; ik geloof de waarheid het 
meest nabij te komen, als ik haar analoog aan het kraakbeen 
beschouw. 

Bepaling der hoeveelheid kleurstof, welke in de kochenille-stof 

bevat is. 

50 gr. werden zoolang met water gekookt, als zich de vloei- 
stof nog rood kleurt, deze van het onopgelost geblevene afgezon- 
derd en bij de oplossing zooveel verdund zwavelzuur gevoegd, 
tot al de kleurstof was gepraecipiteerd, welke vervolgens op 
een filtrum gebragt, afgewasschen en gedroogd werd; daarna 
werd zij met ammonia getrokken, welke een groot gedeelte 
onopgelost terugliet, terwijl de kleurstof zelve met eene schoo- 
ne violet-roode kleur werd opgenomen; afgefiltreerd zijnde, 
w r erd de doorgeloopene oplossing op een waterbad uitgedampt 
en op 100° C. gedroogd; zij woog 4,606 s 9,212%. 

Het was te voorzien, dat deze kleurstof nog eenige anorga- 
nische stoffen zoude bevatten, zoodat van haar eene aschbe- 
paling is gedaan. 

0,442 gr. gaven bij verbranding 0,048 gr. asch =3 10,86%, 
zoodat het cijfer der bovengemelde kleurstof op de volgende 
wijze moet veranderd worden 

van 9,212°/ kleurstof 
gaat af 1,000 asch. 



blijft over 8,212°/ 



Uo 



Doch ook dat cijfer is slechts als benaderend te beschou- 
wen, want met kokenden wijngeest van 8ö°/ o behandeld, 
wordt wel is waar het grootste gedeelte als eene uiterst schoo- 
ne oranjeroode kleurstof opgelost, maar blijft ook nog een 
weinig van eene donkerroode gekleurde massa over , zoodat 
men haast zoude kunnen vermoeden dat in de witte koche- 
nille-stof twee kleurstoffen aanwezig zijn en bovengenoemde 
hoeveelheid, door ammonia uitgetrokken, als een mengsel van 
beiden te beschouwen is. 

Verzamelen wij nu alle de hoeveelheden, verkregen door bo- 
vengenoemde wijzen van behandeling, dan blijkt de witte ko- 
chenille-stof op 100 deelen te bestaan, uit 

2,377 in kouden ether oplosbaar vet. 

3,544 „ kokenden alkohol oplosbare soort van was. 

3,046 „ kouden alkohol oplosbaar met eenig orga- 
nisch zuur verontreinigd vet. 

4,350 „ potassa caustica oplosbare dierlijke stof. 

8,212 kleurstoffen. 
14,491 water. 
19,879 asch en 
42,322 dierlijk weefsel. 



te zamen 98,221 
verlies a 1,779 



100,000 



Het was thans de vraag, of van deze stof gebruik kon ge- 
maakt worden tot afscheiding eener kleurstof, welke gemak- 
kelijk en op min kostbaren weg te verkrijgen was en tevens 
in schoonheid van kleur, het karmijn of karmijnlak nabij kwam; 
dezelfde zwarigheden staan hier evenwel in den weg , welke 
veelal ontmoet worden, wanneer men zich op technisch terrein 
bewegen zal. Berzelius zegt aangaande den aard der berei- 
ding van het karmijn en lak het volgende, „indien ik hier 
„eenige algemeene opgaven mededeel omtrent de daarstelling 
„ dezer verwen , kan het geenszins mijne bedoeling zijn, tech- 



46 



„nische voorschriften voor de juiste bereiding derzelve te ge- 
„ven," en later. „Ik geef hier verder niets daaromtrent aan, 
„omdat het voorschrift daartoe niet naauwkeurig is; de be- 
,. handeling zelve moet, zal de verw dien hoogsten graad van 
„schoonheid erlangen, welke haar eigenlijk de hooge waarde 
„geeft, van in de kunst bedrevenen geleerd worden." Dewijl 
mij nu goede voorschriften tot de bereiding van karmijn enz. 
ontbraken, onderzocht ik eerst de hoeveelheid organische en 
anorganische deelen , waaruit het karmijn en karmijn- of flo- 
rentijnsch lak van den handel bestaan, en zulks ten einde eenig 
overzigt aangaande de verhouding van deze beiden te verkrijgen. 
Door de goedheid van den heer stadsapotheker N. L\nge 
werd ik in het bezit gesteld van twee soorten zeer schoon 
karmijn eneven zoovele van karmijnlak; van alle deze deed ik 
aschbepalingen, welke hier volgen. 

Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. 1. 

0,660 grm. karmijn gaven bij verbranding 0,059 gr. asch, 
s 8,939v^ anorganische en 
91,061 „ organische deelen. 



100,000 

Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. 2. 

0,401 gr. gaven bij verbranding 0,031 gr. asch, 
s 7,561% anorganische en 
92,439 „ organische deelen. 

100,000 

Bepaling der asch van eene soort karmijnlak No. 1 
(Van eene schoone roode kleur). 

0,711 gr. gaven bij verbranding 0,087 gr, asch, 
— 12,236°/ anorganische en 
87,764 „ organische deelen. 



100,000 



47 



Bepaling der asch van eene soort karmijnlak No. 2. 
(Van eene veel minder schoone roode kleur dan de eerste). 

1,325 gr. gaven bij verbranding 0,035 gr. asch, 
S3 2,642% anorganische en 
97,358 „ organische deelen. 



100,000 



NB. Dewijl deze soort van lak veel ligter gekleurd was 
dan de vorige, had ik veel meer anorganische deelen in haar 
verwacht dan in de eerste. Om zeker te wezen , deed ik eene 
tweede aschbepaling tot kontrole , doch deze gaf nagenoeg de- 
zelfde resultaten (namelijk 2,577°/ ), zoodat een groot verschil 
in het aschgehalte van sommige karmijn-laksoorten schijnt te 
bestaan. 

Uit deze bepalingen blijkt dus , dat ook het schoonste kar- 
mijn en karmijnlak, welke fabriekmatig bereid en in den han- 
del gebragt w T orden, nog eene aanmerkelijke hoeveelheid 
anorganische stoffen bevatten, welke voornamelijk uit aluin- 
aarde bestaan. Om nu dadelijk uit de witte stof te beproeven 
karmijn te bereiden, werd het door kokend water verkregene 
donkerroode aftreksel met verschillende, doch altijd kleine hoe- 
veelheden ijzervrijen aluin gekookt, vervolgens na bezinking 
het heldere vocht in eene porceleinen schaal gegoten en aan 
zich zelf, goed bedekt, overgelaten. Bij de bereiding van het kar- 
mijn laat men de met aluin behandelde vloeistoffen eenige da- 
gen lang staan, doch het is zeker, dat eene dergelijke metho- 
de hier geene gepaste aanwending vinden kan, daar èn door 
de vele vetachtige en dierlijke stoffen, welke in het afkooksel 
opgenomen zijn, èn door de steeds hooge temperatuur der keer- 
kringsgewesten , reeds na verloop van een' dag de vloeistof 
aan dusdanige verrotting onderhevig is, dat men zich genood- 
zaakt ziet haar weg te werpen. Op direkten weg laat zich dus 
uit deze stof geen karmijn afscheiden. 

Ik beproefde thans, om het door water verkregen afkooksel 
der kochenille-stof met verschillende hoeveelheden aluin te be- 



•48 



deelen en daarna met een alkali al de kleurstof, gebonden aan 
de aluinaarde, te praecipiteren; deze op een filtrum te brengen, 
uit te wasschen en te droogen; de verwijdering der kleurstof 
gelukt op dusdanige wijze volkomen, doch de vele verbindin- 
gen, welke ik met aluin heb bereid, bezaten door dezelfde ver- 
ontreinigingen als waarvan bij de proef om karmijn te verkrij- 
gen is gewaagd, niet die eigenschappen, welke noodig zijn om 
als handelsartiKel op te treden ; zij misten de zachtheid en zui- 
verheid der gewone laksoorten , maar stemden overigens in 
kleur genoegzaam overeen , welke laatste trouwens naar verkie- 
zing meerder of minder donker kan verkregen worden, al naar- 
dat men bij eene gegevene hoeveelheid van het afkooksel, ver- 
kregen van te voren afgewogene deelen der bewuste stof, groo- 
tere of kleinere gewigten aluin voegt en dan met een alkali 
praecipiteert. Verschillende laksoorten, welke ik meteene ver- 
houding van 10 tot 40 aluinaarde ten honderd lak heb bereid, 
hadden zeer uiteenloopende sterkte in kleuren , van het ligt 
roode tot het nagenoeg zwart-roode toe. 

Wanneer , zooals ik reeds in den aanvang dezer bijdrage ge- 
legenheid had op te merken , de kochenillestof met wijn- 
geest van 70 a 80 % gekookt is, wordt eene hoeveelheid kleur- 
stof door dezen opgelost, vermengd met verschillende vetsoor- 
ten , welke laatste evenwel bij bekoeling van den wijngeest 
voor het grootste gedeelte zich kristalvormig uitscheiden en dus 
door filtrering gemakkelijk kunnen worden verwijderd ; de ver- 
kregene vloeistof daarna tot op de helft verdampt zijnde, zet 
schoone oranjeroode stippen af, terwijl zij tot droogwordens 
verdampt, daarna in water opgelost en met aluin en een al- 
kali, zooals boven aangegeven is, behandeld, oneindig schoonere 
verwen geeft dan uit de oplossing door enkele koking met 
water kunnen verkregen worden. Dewijl deze methode evenwel 
naar mijne wijze van zien niet genoegzaam technisch is om met 
vrucht op Java zelf te kunnen worden aangewend, zoo zal ik 
er hier niet verder over uitweiden. 

Volgens mijne overtuiging zoude het niet overtollig wezen, de 
volgende hoogst eenvoudige en onkostbare proef in het werk te 



49 



stellen. Men make door uitkoking met water een afkooksel der 
witte kochenille-stof, filtrere dat door eenen doek van de onopge- 
lost geblevene dierlijke zelfstandigheden af en voege onmiddellijk 
zooveel verdund zwavelzuur (namelijk een deel zwavelzuur uit den 
handel met vijf deelen water) bij liet afkooksel, tot al de kleur- 
stof is nedergeslagen geworden , iets , dat men ligt bemerkt , 
dewijl het gevormde nederslag tamelijk snel bezinkt en men 
dan natuurlijk aan de bovendrijvende vloeistof gemakkelijk zien 
kan, of zij nog kleurstof bevat of niet. In het laatste geval 
filtrere men nogmaals, spoele eenige malen het op het filtrum 
teruggeblevene met water af en drooge de gansche massa, welke 
nu al de kleurstof, gebonden aan eenig zwavelzuur, bevat, in de 
zon , of ook in denzelfden oven waarin en dezelfde tempera- 
tuur waarbij de kochenille-beestjes worden gedood. In Euro- 
pa fabrrfkmatig door deskundigen bewerkt wordende, was het 
te verwachten, dat aan deze stof welke tot heden toe volstrekt 
geene waarde had , eenige waarde zoude worden toegekend en 
zij eene plaats zoude innemen tusschen de vele met haar ge- 
lijke voortbrengselen, welke voorheen als onnut weggeworpen , 
doch thans reeds lang eene nuttige toepassing in het dagelijk- 
sche leven gevonden hebben. Het spreekt overigens van zelf, 
dat, wil men deze laatste wijze niet volgen, men even goed de 
gansche oorspronkelijke witte stof ter verwerking naar Euro- 
pa zenden kan. Zulks is nog gemakkelijker ; alleen neemt zij 
in dit laatste geval veel meer scheepsruimte in en zal dus 
eenige meerdere kosten na zich slepen. 

Vatten wij alle de resultaten van dit onderzoek te zamen , 
dan blijkt het, dat de witte kocheniüe-stof gedurende het le- 
ven van het insekt afgescheiden en welke vooral bij zijne zui- 
vering verkregen wordt, is eene massa, bestaande uit kleine 
insekten en gedeelten daarvan, vermengd met de exkrementcn 
dezer diertjes, in welke beiden zijn aangetoond minstens drie 
goed gekenmerkte en van elkander verschillende vetsoorten, 
eene in kouden ether, eene andere in kokenden alkohol en de 
laatste in kouden alkohol oplosbaar, welke en om het groote 
gehalte dat gerust op 8% mag gesteld worden, èn het volsla- 

III. 4 



50 



gen gemis aan overeenstemming met het door meerdere schrij- 
vers beschrevene coccus-vet (welk laatste trouwens ook meer 
van coccus polonicus en veel minder van coccus cacti afstamt) 
wel verdienden, uit een meer wetenschappelijk oogpunt te wor- 
den beschouwd ; dat voorts in deze stof is bevat eene kleurstof 
gelijk aan die, welke in het kochenille-insekt voorkomt, doch welker 
bereiding in den vorm van karmijn of karmijn-lak op de gewone 
wijze, wordt verhinderd door de groote hoeveelheid vet en 
dierlijke zelfstandigheden welke haar vergezellen , zijnde dit 
laatste tevens de oorzaak van de snelle ontbinding harer af- 
kooksels met water, vooral in het Indisch klimaat en dat nog 
wel daar, w^aar minstens over eenige dagen tijds ter goede vol- 
eindiging moest kunnen worden beschikt. 

Ik behoud mij voor , om na afloop van meerdere onderzoe- 
kingen nog eens op dit onderwerp terug te komen. 



Weltevreden, den 6den Februarij 1852. 



B IJ D R A G E 

TOT DE KENNIS DER 

ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN SINGAPORE, 



DOOR 

»r. P. BLEEHER, 



In mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van 
Riouw (Natuurkundig Tijdschrift voor Ned. Ind. Jaarg. II, 1851), 
gaf ik eene opsomming van de door den heer Th. Cantor van 
Singapore bekend gemaakte vischsoorten, ten getale van 122, 
Ik vermoedde toen niet , dat ik spoedig in de gelegenheid zou 
zijn, zelf de kennis der zeefauna van Singapore aanmerkelijk 
te verrijken. 

In November en December 1851 ontving ik belangrijke ver- 
zamelingen van Singapore, welke ik heb te danken aan den 
wetenschappelijken ijver van den heer Dutronquoi te Singa- 
pore , alsmede aan de welwillendheid van den heer G. G. 
Daum, die zich wel met de overbrenging daarvan heeft willen 
belasten. De bedoelde verzamelingen bevatten de hieronder 
genoemde soorten. Van de reeds door mij beschrevene is de 
plaats van beschrijving achter de namen gevoegd. 

4. Labrax waigiensis CV. Nat. Tijdschr. N. I. Jaarg, II p. 479. 

2. Apogon rhodopterus Blkr. nov. spec. 

o. „ glaga Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

4. Serranus crapao CV. ibid. 

5. „ altivelis CV. ibid. 

6. Plectropoma maculatum CV. ibid. 



52 



7. Mesoprion annularis CV. ibid. 

8. „ chrysotaenia Blkr. Nat. Tijdsein*. N. I. II p. 170. 

9. Myriodon scorpaenoïdes Bris. d. Barnev. ibid. p. 480. 
40. Therapon theraps CV. Verh. Bat Oen. XXII Percoïd. 
44. Helotes sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N. I. II p. 171. 

42. Holocentrum oriëntale CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

43. Sphyraena jello CV. ibid. 

44. „ obtusata CV.? ibid. 

45. Polynemus telradactylus CV. ibid. 

46. Upeneoïdes variegatus Blkr. ibid. 

47. „ sulphureus Blkr. a Upeneus sulphareus CV. 

ibid. 

48. „ vütatus Blkr. ss Upeneus vittatus CV. ibid. 

7#. Platycephalus isacanthus CV.? Nat. Tijdschr. N. I. II p. 

481. 
20. Prislipoma nageb Büpp. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaenoïd. 
24. Diagramma punctalum Ehr. ibid. 

22. „ plectorhynchus CV. ibid. 

23. Scolopsides Vosmeri CV. ibid. 

24. „ margarüifer CV. ibid. 

j$. „ monogramma K. v. H. ibid. 

26. Girella sarissophorus Blkr. zs Crenidens sarissophorus 

Cant. 

27. Heter ognatho don bifasciatus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIII 

Sciaenoïd. 

28. Dentex tolu CV. ibid. Sparoïd. 

29. Lethrinus rhodopterus Blkr. nov. spec. 

30. Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. I. II p. 175. 
34. Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXUI Maenoïd. 
32* „ erythrog aster K. v. H. ibid. 

33. Scatophagus argus CV. ibid. Chaetodont. 

34. Chelmon rostratus CV. ibid. 

35. Holacanthus annularis CV. ibid. 

36. „ sexstriatus K. v. H. 

37. Platax gampret Blkr. ibid. 

38. „ teira CV. ibid. 



53 



39. Psettus rhombens CV. ibid. 

40. Cybium guttatum CV. ibid. XXIV Makreel. Vissch. 

41. Chorinemus sancti Petri CV. ibid. 

42. Trichiurus savala CV. ibid. 

43. „ haumela CV. ibid. 

44. Megalaspis Rottleri BIkr. s Caranx Rotleri CV. ibid. 

45. &/ar ffuMtf Blkr. ibid. 

4tf. Carangoïdes atropus Blkr. =s Caranx nigripes CV. ibid. 

47. Stromateus niger BI. CV. =j Apolectus stromateus CV. 

45. Stromateoïdes cinereus Blkr. s Stromateus griseus CV. 

4#. Equula dacer CV. ibid. 

50. Amphacanthus guttatus BI. Schn. ibid. XXÏV Teuthid. 

5/. „ virgatus CV. ibid. 

52. „ yawws CV. ibid. 

53". „ chrysospilos Blkr. nov. spec. 

54. Pomacentrus prosopotaenia Blkr. nov. spec. 

55. Glyphisodon bengalensis CV. Verh. Bat. Gen. XXI Labroïd. 

Ctenoïd. 
5tf. „ coelestinus CV. ibid. 

57. „ plagiometopon Blkr. nov. spec. 

55. Cossyphus macrodon Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gladsch. 

Labroïd. 

59. Tautoga melapterus CV. ibid. 

60. Crenüabrus oligacanthus Blkr. Nat. ïijdschr. N. I. II p. 

489. 

61. Scarus micrognathos Blkr. Verh. Bat. Gen. XXÏI Gladsch. 

Labroïd. 

62. „ rivulatoïdes Blkr. ibid. 

63. „ aeruginosus CV. ibid. 

64. „ Aand Forsk. ibid. 

£5. „ singaporensis Blkr. no^v. spec- 

tftf. Gobius chlorostigma Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioïd. 

67. Apocryptes changua CV. ibid. 

68. Batrachus grunniens CV. Nat. Tijdschr. II p. 487. 

69. Echeneis neucrates L. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. Lutod. 

70. Machaerium nebuïatum Blkr. nov. spec. 



54 



71. Arius leiotetocephalus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI, Siluroïd. 

batav. 

72. >, macruropterygius Blkr. ibid. 

73. Plolosus unicolor K. v. H. ibid. 

74. „ albilabris CV. 

75. Chirocentrus dorab CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Chiroc. 

Lutod. 
76'. „ " hypselosoma Blkr. 

77. Belone caudimacula Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV. Snoek. 

78. „ melanotus Blkr. ibid. 

79. „ leiuroïdes Blkr. Nat. ïijdschr. N. I. I. p. 479. 

80. Hemiramphus Quoiji CV. ibid. II p. 491. 

81. „ Dussumierü CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Snoek. Vissch. 

82. Pellona Russellii Blkr. ibid. Haring. Vissch. 

83. Alausa ctenolepis Blkr. ibid. 

84. Engraulis Brownii CV. ibid. 
8o. „ Dussumierü CV. ibid. 

86. Saurida tombil CV. ibid. Chir. Lutod. 

87. Eippoglossus erurnei Cuv. ibid. Pleuronect. 

88. Synaptura aspilos Blkr. nov. spec. 

89. „ zebra Cant. Verh. Bat. Gen. XXIV, Pleuronect, 

90. Plagusia brachyrkynchos Blkr. ibid. 

91. Conger talabon Cuv. 

92. „ singaporensis Blkr. nov. spec. 

93. Balistes stellatus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIV, Balistin. 

94. Monacanthus Cantoris Blkr. ibid. 

95. Triacanthus Blochü Blkr. 

96. Tetrabdon Kunhardtii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV. Blootk. 

Visschen. 

97. „ testudineas BI. ibid. 

98. „ lunaris Cuv.^bid. 

99. Hippocampus kuda Blkr. nov. spec. 

400. Ginglymostoma Rüppellii Blkr. 

401. Rhinobatus ( Bhinobatus) armatus Gr. Hardw. Verh. Bat. 

Gen. XXIV Plagiost. 

402. Taeniura lymma MH. ibid. 



S5 



Van deze soorten zijn slechts 29 vermeld door den heer 
Cantor. Het geheele aantal mij bekende species van Sin- 
gapore stijgt daardoor van 122 tot 195, zoodat ik de ken- 
nis der vischfauna van dit eiland , met die van niet minder 
dan 73 species heb kunnen verrijken. 

Vergelijkt men voorts de van Riouw bekende vischspecies 
met die van Singapore, dan blijkt het, dat van de 75 bekende 
Riouwsche soorten 38 of ongeveer de helft ook te Singapore 
zijn aangetroffen en dat het geheele aantal van den Archipel 
van Riouw en Singapore bekende species 232 bedraagt. 

De bedoelde 195 species van Singapore zijn de volgende. 

/. Lates nobilis CV. 

2. Labrax waigiensis CV. ' 

3. Apogon rhodopterus BIkr. 

4. „ poecilopterus K. v. H. 

5. „ quadrifasciaius CV. 

6. „ glaga Blkr. 

7. Serranus crapao CV. 

8. ,, horridus K. v. H. 

9. „ suillus CV. a Serranus coioïdes Cant. 
40. „ altivelis CV. 

//. Plectropoma maculatum CV. 

42. Mesoprion rangus CV. 

43. „ chrysotaenia Blkr. 

44. „ annularis CV. 

45. Myriodon scorpaenoïdes Bris. de Barnev. 

46. Therapon puta CV. a Therapon trivittatiis Cant. 

47. „ theraps CV. 

48. Helotes sexlineatus CV. 

49. Holocentrum oriëntale CV. 

20. Sillago acuta CV. s Sillago malabarica Cant. 

21. Sphyraena jello CV. 

22. „ obtusata CV. 

23. Polynemus tetradactylus Shaw. 

24. „ uronemus CV. a Polynemus indicus Shaw. 



86 



2Ö. 


Upeneoïdes sulphureus Blkr. 




26. 


?> 


viUatus Blkr. 




27. 


ff 


variegatus Blkr. 




28. 


Platycephalus isacanthus CV. 




29. 


Apistus 
Cant. 


trachinoïdes CV. s: 


Prosopodasijs trachinoïdes 


30. 


Otolithus biaurüus Cant. 




31. 


** 


rwöer CV. 




32. 


5> 


argenteus K. v. H. 




33. 


)» 


maculatus K. v. H. 




34. 


Corvina 


Dussumierü CV. 




35. 


ij 


Belengeri CV. 




36. 


■>> 


catalea CV. 





37, Umbrina Russellii CV. 

£#. Pristipoma kaakan CV. 

£#. „ wa#e& Rüpp. 

40. Diagramma punctatum Ehr. S P lector chynchus batteatus 

Cant. 
4/. „ plectorhynchos CV. 

4#. Girella sarissophorus Blkr. a Crenidens sarissophorus Cant, 
43". Lobotes erate CV. 

44. Scolopsides Vosmeri CV. 

45. „ margariti/er CV. 

4tf. „ monogramma K. v. H. 

47. Heter ognatho don bifasciatus Blkr. 

45. Dento foto CV. 

4#. Lethrinus rhodopterus Blkr. 

£tf. Pentapus setosas CV. 

5/. Caesio coerulaureus Lac. 

S2. „ erythrogaster K. v. H. 

&T. Chelmon rostratus CV. 

&£. Heniochus macrolepidotus CV. a Diphreates macrolepido- 

tus Cant. 
55. Ephippus orbis CV. =J llarches orbis Cant. 
££. Drepane longimana CV. s Harpochiras punctatus Cant. 
£7. Scatophagus argus CV. ö Cacodoxus argus Cant. 



$8. Holacanthus sexstriatus K. v. H. 

59. „ annularis CV. 

60. Platax Blocïüi CV. =3 Platax vespertüio CV. 

61. „ teira CV. 

#2. „ gampret Blkr. 

63\ „ arthriticus CV. 

#4. „ ocellatus CV. 

#5. Psettus rhombeu? CV. s Monodactylus rhombeus Caut. 

#£. Toxotes jacidator CV. 

#7. Cybium guttatum CV. 

#5. „ Commersonii CV. 

tf#. „ Hneolatum CV. 

70. Trichiurus hawnela CV. 

7/. „ savala CV. 

7j?. Elacate bivittata CV. 

73". Chorinemus sancti Petri CV. 

74. „ Commersonianus CV. 

75. „ fo/ CV. 
7tf. Stromateus niger BI. 

77. Megalaspis Rottleri Blkr. 

75. Se/ar JKiiftJït Blkr. 

7#. Carangoïdes talamp ar ah Blkr. S Caranx malabaricusCV. 

80. „ atropus Blkr. s Caranx nigripes CV. 

5/. „ c/^/a Blkr. ö Caranx citula CV. 

52. „ gallichthys Blkr. a Gallichthys major CV . 

5£. Selaroïdes leptolepis Blkr. s Caranx leptolepis K. v. H. 

54. Gnathanodon speciosus Blkr. s Caranx speciosus CV. 
5£. Seriola binolata CV. 

5£. Lactarius delicatulus CV. 

57. Stromateoïdes atoukoia Blkr. S Stromateus atous CV. 

55. „ cinereus Blkr. 
5#. Kurtus indicus BI. 

50. Equula caballa CV. 
0/. „ j%era CV. 
02. „ dacer CV. 
0£. „ longimana Cant. 



58 



94. Equula insidïatrix CV. 

95. Gazza minuta Blkr. 

96. Amphacanthus javus CV. èl Teuthis javus Cant. 
#7. „ chrysospilos Blkr, nov. sp. 

#£. „ guttatus BI. Schn. 

PP. „ virgatus CV. 

^00. Mm0ï7 cephaïotus CV. 
/0/. „ cunnesius CV. 
^02. Gobius chlorostigma Blkr. 
^0J. Apocryptes changua CV. 
/0^. Periophthalmus Neklossen CV. 
y#£. Petroshirtes variabilis Cant. 
^00. Echeneis neucrates L. 

/07. Antennarius hispidus Cant. 3 Chironectes hispidus CV. 
^tf#. „ Commersonii Cant. ss „ Commersonü CV. 

y##. Batrachus grunniens CV. 
y/0. Glyphisodon bengalensis CV. 
///. „ rafai CV. 

ƒ/#. „ coelestinus CV. 

/ƒ£. „ plagiometopon Blkr. nov. spec. 

^/4. Pomacentrus prosopotaenia Blkr. nov. spec. 
//5. Cossyphus macrodon Blkr. 
//#. Crenilabrus oligacanthus Blkr. 
^y7. Tautoga melapterus CV. 
^/£. Scarus micrognathos Blkr. 
<//#, ,, aeruginosus CV. 
^20. „ /mnd Forsk. 
^/. m rivulatoïdes Blkr. 
ƒ#£. „ singaporensis Blkr. 
^5. ^4rm5 anws CV. 
^24. „ macruropterygius Blkr. 
ƒ 2S. „ leioletocephalus Blkr. 

/2tf. Osteogeneiosus militaris Blkr. -3 ilriMS müitaris CV. 
Ü7. Plotosus lineatus CV. 3 Plotosus anguülaris Cant.. 
^2£. „ unicolor K. v. H. 
^20. „ albilabris CV. 



S9 



450. Chirocenlrus dorab CV. 

454. „ hypselosoma Blkr. 
452. Dussumicria acuta CV. 

455. Belone caudimacula Cuv. 
454. „ leiuroïdes Blkr. 
45Ö. „ melanotus Blkr. 

/£#. Hemiramphus Dussumierii CV. 

/37. „ £wo^" CV. 

y££. Pellona Russellii Blkr. 

#30, „ Grayana CV. a Pellona affinis Cant. 

#40. Raconda Russelliana Gray. 

/4/. Clupeonia perforata Cant. 

/42. Alausa toli CV. 

74 J. ,, ctenolepis Blkr. 

/44. Coi'/i'a Reijnaldi CV. 

/4£. Engraxdis Brownii CV. 

f££. „ mystax CV. 

/47. „ Dussumierii CV. 

f£#. Saurida tombil CV. 

f£#. Sauras ophiodon CV. 

/5tf. Platessa Russellii Gray. 

/&/. Eippoglossus erumei Cuv. 

/52. Sijnaptura aspilos Blkr. nov. spec. 

/5#. „ jseöm Cant. 

/54. „ Commersoniana Cant. 

Zoo. Plagusia quadrilineata K. v. |H. ~ Plagusia bilineata Cant. 

/S£. „ potous Cuv. 

/57. „ brachyrhynchos Blkr. 

/5£. Machaerium nebulatum Blkr. nov. spec. 

/5#. Conger talabon Blkr. 

7£tf. „ 6a^'o Cant. 

W* „ singaporensis Blkr. 

^#2. Ophiurus baccidens Cant. 

/££. Balistes stellatus Lacép. 

/£4. „ conspicillum BI. Schn. 

/#5. Monacanlhus geographicus Cuv. 



60 



466. Monacanthns Cantoris Blkr. 

467. „ penicüligerus Cuv. 

468. Pogonognathus barbatus Blkr. s Alutarius barbatus Cant. 

469. Triacanthus Russellii Blkr. ** Triacanthus biaculeatus Cuv. 
^70. „ Blochii Blkr. 3 Triacanthus biaculeatus BI. 
J7/. Tetraödon Eunhardtii Blkr. 

^72. „ testudineus BI. 

/75. „ simulans Cant. 

^7^. „ lunaris Cuv. 

^75'. Ostracion cornutus L. 

^7£. Syngnathoïdes Blochii Blkr. a Syngnathus biaculeatus Bi. 

477. Hippocampus ïcuda Blkr. nov. spec. 

^7£. Scyllium maculatum MH. 

-/7P. Ginglymo stoma Riippellii Blkr. 

^#0. Carcharias (Scoliodon) acutus MH. 

^£/. Sphyrna zygaena Rafin. 

y&2. „ Z?/oc/m MH. 

ƒ53". Pristis semisagittatus Lath. 

^#£. Rhynchobatus laevis MH. 

/£5. Rhinobatus (RMnobatus) armatus Gr. Hardw. 

ƒ£#. „ f „ J ligonifer Cant. 

/#7. Phtyrhina sinensis MH. 

^##. Astrape dipterygia MH. 

y#0. Temera Eardwickii Gray. 

^P0. Trygon uarnak Rüpp. 

/#/. „ imbricata MH. 

/##. Pteroplatea micrura MH. 

/#£. Hypolophus sephen MH. 

704. Taeniura lymma MH. 

7#ö. Aetobatis narinari MH. s Stoasodon narinari Cant. 

Van deze 195 species zijn 28 door mij ontdekt of voor het 
eerst beschreven. Meerderen dier nieuwe soorten heb ik ech- 
ter reeds vroeger bekend gemaakt , zooals Apogon glaga, 
Mesoprion chrysotaenia, TJpeneoïdes variegatus, Platax gam- 
pret, Selar Kuhlii, Gobius chlorostigma , Crenilabrus oligacan- 



61 



thus , Scarus micrognathos , Scarus rivulatoïdes , Arius leiotcto- 
cephalus , .4 hm* macruropterygius , Belone leiuroïdes , Belone 
melanotus , Alausa ctenolepü , Plagusia brachyrhynchos , Xe- 
traödon Kunhardtii, Monacanthus Cantoris. 

In deze bijdrage worden voor het eerst beschreven Apogon 
rhodopterus , Lethrinus rhodopterus^ Amphacanthus chrysospüos, 
Glyphisodon plagiometopon , Pomacentrus prosopotaenia , Sca- 
rw* singaporensis , Chirocentrus hypselosoma, Synaptura a- 
spilos, Machaerium nebulatum , Conger singaporensis, Hippo- 
campus kuda. De beschrijvingen van enkele soorten, voorko- 
mende in het nog niet in het licht verschenen 24ste deel der 
Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en Wetenschappen , heb ik hier teruggegeven , als aan het 
wetenschappelijk publiek nog onbekend. 

Van andere reeds min of meer bekende soorten heb ik nieuwe 
beschrijvingen ontworpen en daarbij de noodige toelichtingen 
gevoegd. 



DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. 

PERGOÏDEI. 

Apogon rhodopterus Blkr. 

Apog. corpore oblongo compresso , altitudrae 3i in ejus longitudine , 
latitudine 2 et paulo in ejus altitudine ; capite 3£ in longitudine corpo- 
ris, paulo longiore quam alto; oculis diametro 3 et paulo in longitudine 
capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; praeoperculo rotundato 
fortiter dentato ; maxilla superiore sub oculi limbo posteriore desinente ; 
squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 9 p. m. in serie ver.tï- 
calij linea laterali subarborescente; dorso elevatoj pinna dorsali spinosa 
radiosa multo humiliore, spinis validis, spina 2" ceteris longiore; dorsali 
radiosa et anali rotundatis, dorsali anali altiore; pectoralibus et ventrali- 
bus longitudine aequalibus, analem non attingentibus, 5 circiter in longi- 
tudine corporis; caudali emarginata lobis obtusis 4£ in longitudine corpo- 
ris ; colore corpore aureo-viridi ; dorso fasciis 2 transversis , 1» sub initio 
pinnae dorsalis spinosae, 2 a sub fine pinnae dorsalis radiosae; cauda ma- 
cula rotunda nigra; pinna dorsali spinosa fuscescente nigro marginata; 
pinnis ceteris rubris et aurantiacis; caudali membrana fusca. 

B. 7. D. 6-1/9 vel 1/10. P. 2/12. V. 1/5. A. 2/S vel 2/9. C. 17 + 
spinul. lateral. sup. 5 infr. 4. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 132'". 

Deze soort staat in verwantschap tusschen Apogon trimacu- 
latus CV. van Boeroe en China en Apogon bifasciatus Rüpp. 
van de Roode zee. Aan laatstgenoemde beantwoordt zij zelfs 
ten opzigfe van de plaatsing en gedaante der rugbanden en 
staartvlek, maar zij verschilt er van door ligte wijzigingen 
in de overige kleuren en voornamelijk door spitser, niet bol 
profiel, langwerpiger ligchaam, grootere bekspleet, één doorn 
minder in de 1ste rugvin, die aanmerkelijk lager is dan de 
2de rugvin, en door afgeronde 2de'rugvin en aarsvin. 

Van de 18 mij thans bekende soorten van Apogon van den 
Indischen Archipel bevinden er zich 12 in mijne verzameling, 



63 



t. w. Apogon hyalosoma Blkr. (Apogon thermalis Blkr. nee 
CV.) van Java, Sumatra, Sumbawa ; Apogon quadrifasciatu's 
CV. van Java, Singapore, Pinang; Apogon novemfasciatus CV. 
(Apogon balinensis Blkr. olim) van Bali, Sumatra ; Apogon mul- 
titaeniatus Ehr. van Sumbawa ; Apogon macropterus K. v. H. 
van Java, Sumatra; Apogon glaga Blkr. van Java, Singapore; 
Apogon chrysotaenia Blkr. van Java; Apogon melas Blkr. van 
Sumbawa; Apogon Cantoris Blkr. van Biouw; Apogon rosei- 
pinnis CV. en Apogon Hartz / 'eldiï Blkr. van Amboina en de bo- 
venbeschrevene. De overige bekende soorten van den Archipel 
zijn Apogon nigripinnis CV. van Java, Celebes; Apogon fu- 
catus Cant. van Pinang; Apogon poecilopterus K. v. H. van Java , 
Singapore, Pinang; Apogon orbicularis K. v. H. van Java, 
Amboina , en Apogon trimaculatus CV. van Boeroe. 

SGLEROPAREI. 

Platycephalus isacanthus CV.? 

Ik beschreef deze soort in mijne bijdrage tot de kennis der 
Ichthyologische fauna van Riouw naar 2 specimina van 220"' 
en 230'" lengte. Mijn specimen van Singapore is 290'" lang 
en heeft alle vinnen fraai met geel gemarmerd en de meeste 
vinnen tevens met bruine of zwartachtige vlekjes geteekend. 

SCIAENOÏDEI. 

Girella Blkr. 

Dentes maxillares pluriseriati tricuspidati. Apertura bran- 
chialis sub angulo praeoperculi desinens. Pori mentales plures 
conspicui. Membrana branchiostega radiis 6. Pinna dorsalis 
unica. Spina dorsi prima procumbens. 

Aanm. De bovenstaande diagnose komt in de hoofdkarak- 
ters overeen met die van Girella Gray, Richards. De heer 
Cantor brengt de soort, welke mij aanleiding geeft tot 
voorstelling van dit geslacht, tot Crenidens CV. en onder 
dit geslacht tot het subgenus Girella, hetwelk gekenmerkt 



64 



wordt als van Crenidens te verschillen , doordien alle kaaktan- 
den driepuntig zijn. Het komt mij evenwel voor, dat Girella 
tot een eigen geslacht behoort verheven te worden, verschil- 
lende van Crenidens niet alleen door de afwezigheid van kor- 
relachtige kaaktanden , maar ook door zijne zes kieuwstralen, 
vertikale spleetvormige kieuwopening, getand praeoperkel, 
liggenden doorn voor de eerste rugvin enz. Het getand zijn 
van het praeoperkel doet dit geslacht zelfs uit de familie der 
Sparoïden verwijderen. Blijkbaar echter is dit kenmerk van 
zeer ondergeschikte waarde ten opzigte van de onderscheiding 
van familiën, . gelijk ik zulks reeds in eene vroegere bijdrage 
heb aangemerkt. Evenzeer als het getand zijn des praeoper- 
kels de groote verwantschap niet verbreekt tusschen Girella en 
Crenidens , evenmin verbreekt zulks de groote overeenkomst 
tusschen Heter ognathodon en Pentapus , welke evenzeer volgens 
de Cuviersche diagnose in twee verschillende familiën zouden 
behooren plaats te nemen. 

Ik kan den heer Richardson niet bijstemmen, wanneer hij 
de Melanichthys der Fauna japonica tot Crenidens CV. terug- 
brengt. Het geslacht Melanichthys verschilt toch niet alleen 
van Crenidens door algemeenen habitus , maar ook door zijn 
tandenstelsel en van Girella insgelijks door beide momenten. 
Van de bekende geslachten van Sciaenoïdcn heeft Girella het 
meest van Diagramma en Pristipoma. 

Girella sarissophorus Cant. 

Girell. corpore oblongo compresso , altitudine 2| ad 2|. in ejus longi- 
tudine , latitudine 2-J ad 2.* in ejus altitudine; capite obtuso, convexe-, 4 
circiter in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo ; oculis dia- 
metro 4* ad 4|. in longitudine capitis; rostro convexo oculo longiore , 
ante os prominente; osse suborbitali oculi diametro altiore; maxillis den- 
tibus pluriseriatis omnibus tricuspidatis serie externa majoribus; mento 
poris 10 valde conspicuis; praeoperculo obtusangulo rotundato postice den- 
ticulato; operculo medio alepidoto ; dorso elevato ; squamis ctenoïdeis, 
lateribus 46 p. m. in serie longitudinali ; spina procumbente ante pinnam 
dorsalem; pinna dorsali spinam ultimam et penultimam inter usque ad basin 
fere incisa, spina 4 a maxime elongata, parte radiosa ut et pinna anali 
squamulosa antice angulata postice rotundata ; pinnis pectoralibns acutis 



65 



4£ ad 5 , caudali subtruncata non emarginata , maxima parte squamosa", 
5£ circiter in longitudine' corporis; ventralibus acutis, spina valida, radio 
1° flligero anum attingente ; colore corpore supcrnc pinnisque verticalibns 
fuscescente-viridi, inferne argenteo , pinnis pectoralibus ventraJibusque vi- 
ridi-aurantiaco. 

B. 6. D. 1 procumb. -h 10/16. P. 2/18. V. 1/5. A. 3/15. C. 17 et laf, 
brev. 

Synon. Crenidens sfarissophorus Cant. Catal. Mal. Fish. p. 52 tab. 1 fig. 
1-4. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 275'" et 325'". 

Aanm. De heer Cantor ontdekte deze soort op Finang in 
1845 en gaf daarvan eene afbeelding en uitvoerige beschrijving 
in zijne „ Catalogue of Malaijan Fishes." Ik vind er echter 6 
kieuwstralen en niet 5, zooals de heer Cantor aangeeft. De 
soort is zeer kenbaar door haren zeer verlengden 4 n rugdoorn. 

SPAROÏDEI. 

Lethrinus rhodopterus Blkr. 

Lethrin. corpore oblongo compresso , altitudine 3£ in ejus longitudine , 
ïatitudine 2|. circiter in ejus altitudine; capite»acuto, 3|. circiter in longi- 
tudine corporis , paulo longiore quam alto ; oculis diametro 3£ in longi- 
tudine capitis ; linea rostro-frontali concaviuscula; fronte convexa; nucha 
nongibbosa; rostro acuto oculo duplo circiter longiore; maxillis aequalibus, 
superiore ante oculum desinente ; dentibus utraque maxilla serie externa 
antice caninis 4 magnis curvatis, lateribus antice conicis postice globosis , 
seriebus internis minimis; labiis crassis; osse suborbitali angulo oris oculi 
diametro altiore; praeoperculo rotundato ; operculo postice spina unica 
plana; linea dorsali rotundata; squamis ciliatis, lateribus 48 p. m. in se- 
rie longitudinali; pinna dorsali spina 5 a spinis ceteris longiore, parte ra- 
diosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 3.|, ventralibus acutis 5|., cau- 
dali emarginata lobis acutis 5 circiter in longitudine corporis; anali spina 
3t spinis ceteris longiore; parte radiosa postice angulata paulo humiliore; 
colore corpore superne olivaceo-viridi inferne argenteo ; lateribus sub linea 
laterali macula diffusa nigricante magna; pinnis rubris vel aurantiacis. 

B. 6. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/8. vel 3/9. C. 17 et 
lat. brev. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 342'". 

III. 5 



66 



Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Lethrinus 
harak Uüpp, welke echter korter van ligchaam is , stomperen 
kop en ander profiel , kortere borstvinnen en , de staartvin 
uitgezonderd, witachtige vinnen heeft. Ik kan de bovenstaande 
beschrijving tot geene der mij bekende terugbrengen. De 
karakteristiek der soorten van Lethrinus is moeijelijk, wegens 
de groote overeenkomst van vele soorten onderling en door 
het onvoldoende van meeste bestaande beschrijvingen. 

TEUTHIDES. 

Amphacanthus chrysospilos Blkr. 

Amphac. corpore oblongo compresso , altitudiae 2* in ejus longitudine , 
latitudine 3|. in ejus altitudine; capite obtuso 5 in longitudine corporis, 
aeque alto circiter ac longo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula ante 
oculos convexiuscula; linea rostro-pectorali convexa; oculis diametro 3*. 
in longitudine capitis; osse subovbitali supra angulum oris altitudine oculi 
diametrum subaequante ; operculo , praeoperculo et osse scapulari valde 
striatis; squamis minimis; pinna dorsali partem spinosam inter et radio- 
sam vix emarginata, spinis mediocribus, mediis ceteris majoribus, 1* ce- 
teris breviore, parte radiosa parte spinosa altiore rotundata; pinnis pecto- 
ralibus obtusis capite br^ioribus ; ventralibus pectoralibus brevioribus; 
anali spinis validis postica ceteris longiore, parte radiosa parte spinosa 
altiore rotundata; caudali profunde semilunariter emarginata, lobis acutis 
4 circiter in longitudine corporis; colore corpore coeruleo , guttis valde 
confertis aureis «vel aurantiacis ; pinnis dorsali et anali spinosis nigricante 
nebulatis, dorsali et anali radiosis nigricantibus; pectoralibus radiis viri- 
di-fuscescentibus ; ventralibus violaceis ; caudali nigricante-viridi. 

B. 5. D. 1 procumb. 4- 13/10 vel 13/11. P. 2/15. V. 1/3/1. A. 7/9 
vel 7/10. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Singapore , in mari. 

Longitudo speciminis unici 292"'. 

Aanm. Amphacanthus chrysospilos heeft in habitus en kleur- 
teekening het meest van Amphacanthus guttatus BI. Schn. doch 
verschilt daarvan ten duidelijkste door minder bol profiel van 
den kop, sterk gestreept zijn der operkels, hoogeren nek, 
sterk uitgeronde tweekwabbige staartvin , korteren laatsten 
rugdoorn en zeer digt bijeenstaande goud- of oranjekleurige 
vlekjes. Deze vlekjes strekken zich bij mijn specimen uit tot 






67 



op de doornachtige rugvin en de basis der staartvin. liij Am- 
phacanthus guttatus BI. Schn. zijn de vlekjes grooter en ver- 
der vaneenstaande. 

LABROIDEI CTENOÏDEI. 

Glyphisodon plagiometopon Blkr. 

Glyphis. corpore oblongo eompresso , altitudine 2* in ejus longitudine, 
latitudine §£. in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis , aeque 
alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali capite valde obliqua convexius- 
cula; oculis diametro 4 in longitudine capitis; rostro oculo longiore; osse 
suborbitali angulo oris altitudine oeuli diametrura aequante; praeoperculo 
subrectangulo angulo rotundatoj dentibus maxillis apice vix emarginatis , 
cuneiformibus ; squamis lateribns 26 p. m. in serie lon^itudinali; pinnis 
dorsali et anali rotundatis , dorsali spina ultima spinis ceteris longiore; 
pectoralibus obtusis et ventralibus non productis capite paulo brevioribus, 
longitudine aequalibus; caudali vix emarginata angulis obtusa, 5 fere in 
longitudine corporis; colore toto corpore fusco; capite coeruleo punctato ; 
squamis lateribus vitta transversa coerulea ; pinnis fuscis , dorsali et anali 
radiosis basi coeruleo guttatis. 

B. 6. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/15. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 
et lat. brev. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unicï 164'". 

Aanm. Men kan deze species bij den eersten oogopslag 
herkennen door haar zeer schuinsch profiel en kleuren. 

Pomacentrus prosopolaenia Blkr. 

Pomac. corpore oblongo compresso , altitudine 3 in ejus longitudine , 
latitudine 2£ in ejus altitudine; capite obtuso 4§. in longitudine corporis, 
aeque alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali vertice convexa, rostro 
et ante oculos declivi-rectiuscula; oculis diametro 4 circiter in longitudine 
capitis; rostro oculo vix longiore; osse suborbitali angulo oris oculi dia- 
metro bumiliore , postice valde dentato; praeoperculo rotundato dentibus 
valde conspicuis; operculo spina unica parva plana; squamis lateribus 29 
p. m. in serie longitudinali ; pinnis dorsali et anali angulatis rotundatis, 
dorsali spinis gracilibus postica spinis ceteris longiore ,* pinnis pectoralibus 
obtusis et ventralibus acutis longitudine subaequalibus , capite paulo bre- 
vioribus; caudali emarginata lobis obtusis rotundatis 4 et paulo in longi- 
tudine corporis; colore corpore- aureo-viridi vel fuscescente-viridi ; vittis 



60 



interoculari et oculo-maxillaribus gracilibus coeruleis; ossibus opercularibus 
coeruleo guttulatis et naaculatis; squarais lateribus plurimis vittula transversa 
coerulea; pinnis fuscescente-violaceis vel viriclibus, dorsali et anali mar- 
ginem versas vitta longitudinali coerulea, basi coeruleo guttatis. 

B. 5. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/14 vel 2 / 15 - C ' 15 
et lat. brev. 

Habit. Singapore , in mari. 

Longitudo speciminis uniei 140'". 

Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Pomacentrus 
trimaculatus CV. doch verschilt daarvan door andere kleuren 
en 1 straal minder in rug- en aarsvin. « 

LABROÏDEI CIJGLOÏDEI. 

Crenilahrus oligacanthus Blkr. (descriptio emendata). 

Crenil. corpore obïongo compresso, altitudinc 3». ad 3» in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 ad 2* in ejus altitudine; capite obtuso 4 in longitudine 
corporis, vix longiore quam alto; linea rostro-frontali junioribus con- 
vexiuscula, adultis convexa; oculis diametro 3£ ad 5 et paulo in longi- 
tudine capitis; rostro convexo; osse suborbitali junioribus altitudine ocu- 
lum aequante, adultis oculi diametro duplo altiore; maxillis subaequali- 
bus, dentibus , caninis exceptis, uniseriatis , ex parte graniformibus ex 
parte conicis obtusis; maxilla superiore angulo oris dentibus angularibus 
2 conicis prominentibus ; dentibus caninis magnis curvatis utraque maxilla 
4; caninis intermaxillaribus internis caninis ceteris majoribus, externis 
ceteris minoribns; caninis inframaxillaribus subaequalibus , externis diver- 
gentibus, internis convergentibus ; praeoperculo rectangulo angulo rotun- 
dato, margine posteriore denticulato; dentibus pbaryngealibus graniformi- 
formibusj osse pbaryngeali inferiore crista dentibus 3 conicis majoribus; 
squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali; linea laterali singulis 
squamis arborescente; pinna dorsali radiosa dorsali spinosa altiore , rotun- 
data; pinnis pectoralibus obtusiusculis 5 in longitudine corporis, ventralibus 
adultis radiis 2 anticis productis pinnam analem attingentibus, junioribus 
analem non attingentibus; anali junioribus obtusa, adultis postice angulata; 
caudali truncata 6 circiter in longitudine corporis; colore corpore virides- 
cente ; marginibus squamarum aurantiacis; linea laterali supra pinnas pec- 
torales macula magna fusca; lateribus vittis longitudinalibus coerulescen- 
tibus; capite viridi vittis oculo-maxillaribus et opercularibus coeruleis et 
rubris; dentibus viridibus; pinnis junioribus aurantiacis; dorsali radiosa 
et caudali ocellis flavescentibus, anali vittis obliquis margaritaceis ; adultis 
pinnis dorsali et anali coerulescentibus maculis numerosis oblongis et 



09 



rotundis rubris; pectoralibus viridescente-rubris ; ventralibus coerulescen- 
tibus radio 1° rubro-violaceo ; caudali rubva coerulescente guttata. 

B. G. D. 13/7 vel 13/8. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/10 vel 3/11. C 12 et 
lat. brev. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo 5 speciminum 98'" ad 260"'. 

Aanm. Ik gaf van deze soort eene beschrijving naar h jeug- 
dige specimina in mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyolo- 
gische fauna van Riouw (Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 489). Se- 
dert ontving ik van Singapore een specimen van 260 1 " lengte, 
hetwelk door vormen van kop en door kleuren zoodanig van 
de jongere specimina verschilt, dat ik gemeend heb, eene 
nieuwe beschrijving der soort te moeten ontwerpen. Bij het 
oudere specimen is de kop veel stomper , het onderoogkuils- 
been betrekkelijk veel hooger , zijn de buikvinnen veel meer 
verlengd , de aarsvin hooger en hoekiger en de kleuren , vooraj 
die der vinnen veel fraaijer en duidelijker. Het volwassen 
specimen heeft in habitus veel van Cossyphus macrodon Blkr. 



Scarus singaporensis Blkr. 



Scar. corpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, la- 
titudine 2£ circiter in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis, 
paulo altiore quam longo ,• vertice elevato; linea rostro-dorsali ante oculos 
leviter eoncava; oeulis diametro 7 circiter in longitudine capitis ; rostro 
convexo oculo triplo longiore; maxillis viridi-coeruleis ; dentibus 2 angula- 
ribus prominentibus supramaxillaribus exceptis, externe glabris, margine libero 
denticulatis ; squamis longitudinaliter striatis , lateribus 22 p. m. in serie 
longitudinali; linea laterali ramosa ; pinna dorsali spinis flexilibus ; pinnis 
pectoralibus ventralibusque acutis, pectoralibus longitudine caput aequan- 
tibus , ventralibus 1|. in longitudine capitis; caudali postice eoncava radiis 
externis valde productis ; colore corpore rufescente et flavescente-fusco; 
labiis rubris; squamis lateribus ex parte guttis dilutioribus; pinnis radiis 
rubris vel aurantiacis coeruleo? marginatis. 

B. 5. D. 9/10 vel 9/11. P. 2/13. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 13 et 
lat. brev. 

Habit. Singapore , in mari. 

Longitudo speciminis unici 480'". 

Aanm. De bepaling der soorten van Scarus behoort tot de 



70 



mocijelijke punten der Ichthyologie, wegens de onzekerheid 
der kenmerken , welke men als soortelijke gemeend heeft te 
moeten bezigen. Weinigen dier kenteekenen zijn bruikbaar 
ter bepaling der soorten, en hunne aan- of afwezigheid afhan- 
kelijk van leeftijden als anderzins. Zulks is van toepassing op 
de hoektanden der kaken, de gedaanten der staartvin, den vorm 
des kops enz. Meer vertrouwen verdienen de kleur en op- 
pervlakte der kaken , het aantal schubben op eene overlangsche 
rei , de betrekkelijke lengte der borst- en buikvinnen. 

Bovenbeschreven specimen heeft groote verwantschap met 
Scarus limbatus CV. en Scaras nuchipunctatus CV. Het be- 
hoort tot een dier van zeer gevorderden leeftijd , wat in re- 
kening gebragt moet worden bij zijne kleuren (die misschien 
aanmerkelijk anders zijn dan bij de jonge specimina) , bij zijne 
verlengde staartvinstralen en hooge kruin. Ik heb het voor- 
loopig een' nieuwen soortnaam gegeven, zonder stellig te dur- 
ven beweren, dat het niet tot eene der reeds bekende soorten 
terug te brengen is. 

SILUROÏDEL 

Plotosus albilabris CV. Poiss. xv p. 316. 

'- Plotos. corpore elongato compresso, altitudine 6£ in ejus longitudine; 
capite 6 in longitudine corporis ; latitudine capitis \\ circiter, altitudine 
1-| ad 1|. in ejus longitudine; oculis diametro 51. circiter in longitudine 
capitis, diametro 1|. circiter a se invicem distantibus; rostro convexo 
oculo duplo longiore, antice acute rotundato ; labiis crassis; dentibus 
maxillis conicis acutiusculis, vomerinis subgraniformibus ; cirris crassis, 
nasalibus spinam dorsalem, labialibus opercula, inframaxillaribus externis 
basin pinnae pectoralis, inframaxillaribus internis opercula attingentibus; 
spinis dorsali pectoralibusque acutissimis utrinque serratis, dorsali pinna 
minus duplo humiliore et spinis pectoralibus paulo longiore, 2 in longi- 
tudine capitis; pinnis ventralibus rotundatis pinnis pectoralibus rotundatis 
paulo brevioribus; caudali rotundata; appendice anali biloba lobis arbo- 
rescentibus vel digitatis; colore corpore pinnisque nigro, ventre dilutiore; 
labiis albis. 

B. 10 vel 11. D. 1/4-104 p. m. P. 1/13. Y. 13. A. 95 p. m. C. 9. 

Synon. Plotose a lèvres blanches CV, Poiss. XV p. 31G. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 210'". 



71 



Ik bezit thans 5 soorten van Plotosus van den Jndisclien 
Archipel t. w. Plotosus Uneatus CV., Plotosus macrophthalmus 
Blkr. , Plotosus unicolor K. v. H. , Plotosus castaneoïdes Blkr. 
en de bovenbeschrevene. In mijne bijdrage, getiteld: „Silu- 
roideorum bataviensium conspectus diagnosticus" beschreef ik 
nog als afzonderlijke soorten Plotosus viviparus Blkr., Ploto- 
sus horridus Blkr. en Plotosus multiradiatus Blkr. , doch 
latere onderzoekingen en de vergelijking van talrijke specimina 
van zeer verschillenden leeftijd hebben mij overtuigd, dat de in 
die beschrijvingen opgesomde verschillen niet van soortelijke 
waarde zijn en dat het aantal kieuw- en vinstralen bij ver- 
schillende specimina en op verschillenden leeftijd zelfs vrij 
aanmerkelijk kan verschillen, dat ook de lengte der cirri niet 
standvastig is en dat de kop en bekspleet en lippen bij toe- 
nemenden leeftijd steeds betrekkelijk breeder worden. Deze 
drie laatstgenoemde soorten breng ik thans allen terug tot 
Plotosus unicolor K. v. H. 

Plotosus albilabris CV. is het eerst bekend geworden van 
Batavia, waar ik haar echter tot nog toe niet heb aangetrof- 
fen. De heer Cantor vermeldt haar ook als bij Poeloe Pi- 
nang voorkomende, doch het zou wel kunnen zijn, dat de 
door dezen verdienstelijken ichthyoloog als Pi albilabris CV. 
beschrevene soort tot eene andere species behoort , daar hij 
als borstvinstralen opgeeft 1/9 en als kieuwstralen 12 en de 
buitenste onderkaakscirri beschrijft als korter dan de boven- 
kaakscirri enz. 

CHIROCENTROIDEI. 

Chirocentrus hypselosoma Blkr. 

Chiroc. corpore elongato compresso, altitudine 6£ circiter in ejns lon- 
gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine j capite 6*. circiter in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis 1|. circiter in ejus longitudine; oculis 
diametro 5 circiter in longitudine capitis; rostro oculo non longiore; 
maxilla superiore sub oculo desinent e ; raaxilla inferiore maxime adscen- 
dente et ante maxillam superiorem prominente; ore simo; maxilla supe- 
riore dentibus conicis mediocribus, antice caninis 2 longis horizontalibus 
convergentibus ; maxilla inferiore dentibus elongatis, lateralibus mcdiu 



72 



maximis; dentibus palatinis et pterygoïdeis minimis in vittas graciles 
dispositis; dentibus liyoïdeis valde conspicuis; squamis parvis deciduis; 
dorso rotundato; vcntre cultrato; axillis squamis elongatis; pinna dorsali 
parti analis anteriori opposita, corpore plus duplo humiliorc et anali 
paulo plus duplo breviore; pectoralibus acutis 1| circiter in longitudinc 
capitis ; ventralibus oculo brevioribus; anali capite vix longiore et corpore 
plus duplo hurniliore; caudali lobis acutis 5* circiter in longitudinc cor- 
poris; colorc corpore dorso coeruleo, latcribus inferneque argenteo; pinnis 
hyalinis vel viridescentibus ; caudali nigro marginata. 

B. 8. D. 16 vel 17. P. 14. V. 1/6. A. 34. C. 19 et lat. brev. 

Synon. Wahlah Russ. Cor. Fi«h. II p. 78 fig. 199. 
Ucan Terak Indig. Samar. 

Habit. Singapore, Samarang, in man'. 

Longitudo speciminis unici 415'". 

Aanm. Deze soort onderscheidt zich van Chirocentrus dorab 
CV. voornamelijk door hooger en korter ligchaam, hoogeren kop 
en langere borstvinnen en staartvin. Rij exemplaren van gelijke 
grootte dezer beide soorten vallen deze verschillen terstond 
in het oog. Bij een specimen van Chirocentrus dorab CV. 
van dezelfde lengte als het bovenbeschrevene, gaat de hoogte 
des ligchaams meer dan 8 maal in zijne lengte , de hoogte 
van den kop 1 2 / 3 maal in zijne lengte en de borstvinnen 1 'A, 
maal in de lengte van den kop , terwijl er de; kaakslanden 
aanmerkelijk kleiner zijn. 

Het komt mij voor, dat de Wahlah van Bussell (Corom. 
Fish. fig. 199) meer te brengen is tot Chirocentrus hypselo- 
soma dan tot Chirocentrus dorab CV. De heer Cantor , in 
zijnen Catalogue of Malaijan Fishes p. 277 , heeft reeds te 
regt de Wahlah met zekeren twijfel onder de synonymen van 
Chirocentrus dorab CV. opgebragt. 

CLXJPEOÏDEI. 

Pellona Russellii Blkr. Bijdr. tot de kerm. der Har. V. 
Verh. Bat. Gen. xxiv p. 23. 

Pellon. corpore oblongo compresso , altitudine 3§ ad 4 in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 in ejus altitudine; capite subrhomboïdeo , 4*. circiter 



73 



in longitudine corporis, longiorc quam alto; linea rostro-frontali dcclivi 
rectiuscula; oculis diametro 3 ad 3£ in longitudine capitis; rostro oculo 
breviore; ore simo; maxilla superiore sub medio oculo desinente, anticc 
et postice denticulata; maxilla inferiore valde adscendentc et ante ros- 
trum prominente; dentibus intermaxillaribus, supramaxillaribus , infra- 
maxillaribus , palatinis, pterygoïdeis et lingualibus bene conspicuisj ossi- 
bus intermaxillaribus antice ligamento cum osse supramaxillari unitisj praeo- 
perculo subrectangulo angulo vix rotundato; operculis et ossibus subor- 
bitalibus striatis; lineis dorsali et ventrali convexis, ventrali dorsali 
multo convexiore; ventre cultrato spinis 28 ad 30 serrato, convexitate 
maxima ante pinnam dorsalem; squamis vulgo transversim striatis, late- 
ribus 45 ad 50 in serie longitudinali ; axillis inguinibusque squamis 
elongatis; pinnis , dorsali maxima parte ante pinnam analem sita, radiis 
posticis radiis analibus anticis oppositis, corpore duplo circiter humiliore; 
pectoralibus capite brevioribus sed ventrales attingentibus ; ventralibus 
lateraliter ante initium pinnae dorsalis insertis , lineam ventralem maxima 
parte superantibus , oculo vix brevioribus ; anali 3| circiter , caudali lobis 
acutis 4£ circiter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo- 
flavescente inferne argentco ; rostro nigro; pinnis flavis, dorsali et caudali 
fusco marginatis. 

Synon. Jangarloo Russ. Corom» Fish. II p. 73 fig. 191. 

Pellona Leschenaultii Blkr. Jchth. M. O. Java p. 11. 
Ikan Mata besar et Ikan Bulan bulan Mal. Batav. 
Ikan Bulan Indig. Samaraug. 
Ikan Mata leber Indig. Pasur. 

Habit. Java, Madura, Pasuruan , Singapore, in mari. 

Longitudo 5 speciminum 143'" ad 310'". 

Aanm. Deze soort beantwoordt genoegzaam volkomen aan 
de afbeelding en beschrijving der Jangarloo van Russell. 
Eene nadere studie dezer soort heeft mij overtuigd, dat zij 
niet met Pellona Leschenaultii CV. Poiss. XX p. 226 mag 
vereenigd worden. De heer Valenciennes toch vermeldt van 
zijne Pellona Leschenaultii 21 rugvinstralen , ongestreepte schub- 
ben, waarvan er 70 op eene overlangsche rei zich bevinden , 
terwijl de buikvinnen er veel verder voor de rugvin zouden 
liggen. Clupea melastoma ï. Schl. der Fauna japonica is eene 
geheel andere soort als Russell's Jangarloo , is aanmerkelijk 
langwerpiger , heeft langere aarsvin , de rugvin geheel voor 
de aarsvin gelegen, 48 buikdoornen enz. 

III. 6 



74 



Alausa ctenolepis Blkr. Bijdr. t. d. kerm. der Haring. 
V. van den Ind. Arch. Verh. Bat. Gen. vol. xxiv. 

Alaus. corpore oblongo compresso , altitudine 4 ad 3-| in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 fere in ejus altitudine; capite triangnlari , acuto, 5 in 
longitudine corporis, paulo longiore quam alto; vertice convexo ; linea 
rostro-frontali rectiuscula; oculis diametro 4£ ad 5 in longitudine capitis; 
rostro oculo non breviore; inaxillis denticulis vel asperitatibus nullis, su- 
periore symphijsi valde emarginata, sub oculi parte posteriore desinente; 
maxilla inferiore symphysi tuberculo praedita; praeoperculo rotundato; 
lineis dorsali et ventrali convexitate subaequalibus ; ventre cultrato , den- 
tibus 28 vel 29 serrato; squamis valde ciliatis, 'parte basali transversim 
striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitudinali ; axillis inguinibusque 
squamis elongatis; pinnis, dorsali acuta corpore plus dnplo humiliorc, 
emarginata, antice in 2» tertia parte corporis sita; pectoralibus acutis 
capite brevioribus ventrales non attingentibus; ventralibus dorsali mediae 
circiter oppositis, pectoralibus duplo circiter brevioribus; anali humili 
paulo emarginata, pectoralibus breviore; caudali lobis acutis inferiore lon- 
giore 4 in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo, inferne 
argenteo; dorso singulis squamis macula difFusa coerulea; pinnis flaves- 
centibus, caudali margine posteriore violascente. 

B. 6. T>. 17 vel 18. P. 15 vel 16. V. 1/7 vel 1/6. A. 18 ad 20. C. 19 
vel 21 et lat. brev. 

Synom Ikan Bulan bulan Mal. Batav. 

Habit. Batavia, Muntok, Singapore, in niari. 

Longitudo 3 speciminum 290'" ad 420'". 

PLEURONEGTEÖÏDEI. 

Synaptura aspilos Blkr. 

Synapt. corpore oblongo-ovali, altitudine 2| circiter in ejus longitudine; 
capite obtuso, rotundato 5*. circiter in longitudine corporis, altiore quam 
longo ; oculis dextris, diametro 1 circiter approximatis , superiore ante 
ïnferiorem prominente, diametro 7 circiter in longitudine capitis; rostro 
paulo ante os prominente, fimbriato; ore subantico, rictu curvato sub 
oculi inferioris margine anteriore desinente; labiis mentoque fimbriatis; 
denttbus maxillaribus pluriseriatis , parvis, subaequalibus; linea laterali 
capite flexura valde convexa, corpore ad media latera decurrente; squa- 
mis ciliatis, lateribus 115 p. m. in serie longitudinali usque ad aperturam 
branchialem; pinnis dorsali, caudali et anali non distinctis, radiis fissis ; 
caudali obtusa rotundata; dorsali ante oculum superiorem incipiente; pec- 
torali sinist-ra pectorali dextra breviore, dextra 4 circiter in longitudine 



75 



capitisj vcntvali d extra- vcntrali sinistra majore 3 in longitudine capitisj 
corporc dcxtro latere nigro immaculato, sinistro latere alboj pinni.s dex- 
tro latere nigris, verticalibus aurantiaco raarginatis. 

B. 6. D. 70 + C. 12 + A. 55 = D. C. A. 137. P. 6. V. 4. 

Habit. Singapore , in man*. 

Longitudo speciminis unici 162"'. 

Aanm. Van het geslacht Solea Cuv. (Solea et Synaptura 
Cant.) bezit ik thans 6 soorten, en wel 5 van de afdeeling 
van dit genus met volkomen vereenigde vertikale vinnen '(Sy- 
naptura Cant.) t. w. Synaptura zebra Cant., Synaptura pan 
Cant. , Synaptura partoïdes Blkr. , Synaptura Russellii Blkr. en 
de bovenbeschrevene, terwijl Solea maculata Cuv. de eenige 
species is mijner verzameling van Solea in engeren zin (met 
vrije staartvin). Synaptura aspilos is gemakkelijk te onder- 
kennen; van Synaptura zebra Cant. en Synaptura ommatura 
(Solea ommatura Richards.) , door eenvoudige zwarte kleur van 
de regterzijde des ligchaams; van Synaptura pan Cant. door 
ongevlekt ligchaam en veel kleinere schubben; van Sijnap- 
tura ovalis (Solea ovalis Richards.), door langwerpiger on- 
gevlekt ligchaam; van Synaptura foliacea (Solea foliacea Ri- 
chards.) door dezelfde kenmerken; van Synaptura panoïdes 
Blkr. door breeder en ongevlekt ligchaam en veel minder tal- 
rijke vinstralen ; van Synaptura Russellii Blkr. door veel bree- 
der ligchaam , veel minder talrijke schubben op eene overlang- 
sche rei en rood gerande vertikale vinnen ; van Synaptura 
Commersoniana Cant. (Mal. Fish. p. 222) door grooteren kop, 
veel breeder ligchaam , minder talrijke vinstralen enz. ; van 
Synaptura plagiusa (Pleuronectes plagiusa Lacép.) door bree- 
der ligchaam en zwarte kleur; en van Synaptura argentea 
(Pleuronectes argenteus Lacép.) door breeder ligchaam en zwarte 
regterhelft des ligchaams. Beide laatstgenoemde soorten zijn 
door Lacépède slechts oppervlakkig vermeld en zijn nog bij- 
kans onbekend. 



76 

OPHIDINL 

Maghaerium Richards. Blkr. 

Pinnae dorsalis, caudalis et analis unitae, anacanthae, radiis 
iissis. Dentes intermaxillares et inframaxillares uniseriati , 
conici, aequales; palatini vel vomerini nulli. Cirri inframaxil- 
lares nulli. Mernbrana branchiostega radiis 6. Squamae cy- 
cloideae cutem totam tegentes. 

Machaerium nebulatum Blkr. 

Macliaer. corpore elongato compresso, altitudinc 10 in cjus longitudine, 
latitudinc antice 2 ferc , posticc plus quam 2 in ejus altitudine; capitc 
convexo , 8.| in longitudine corporis; altitudinc capitis 1|. in cjus longi- 
tudine; oculis diametro G circitcr in longitudine capitis, minus diametro 
1 a se inviccm distantibus; linea rostro-frontali convexa; rostro oculo 
longiore; Iabiis carnosis; maxillis superiore et inferiorc dentibus mcdio- 
cvibus obtusis, utroque latere p. m. 25; maxilla superiore rictuque sub 
oculo desinente; maxilla inferiore superiore longiore; capite genis oper- 
culisque superne tantum squamoso; squamis lateribus 200 p. m. in serie 
longitudinali; linea laterali anteriore latcrum partc tantum conspicua; 
pinnis verticalibus basi radiorum squamosis; dorsali supra apieem pecto- 
oalium incipiente, altitudinc maxima 1-*- in altitudinc corporis; pcctorali- 
bus rotundatis 2a. in longitudine capitis; anali postice in 2 a sexta corporis 
parte incipiente , altitudine maxima 2 in altitudine corporis ; caudali acuta 
rotundata; corpore pinisque pulcbre viridibus, fusco et nigricante nebu- 
latis et maculatis. 

B. 6. D. 77 -f- C. 10 + A. 65 = D. C. A. 152. P. 11. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 370'". 

Aanm. Dit geslacht is ontdekt door den heer Richardson. Hij 
maakte daarvan voor het eerst melding in Report of the Brit. 
Assoc. for 1842 p. 69; later in het 12de deel van de Annals 
of Nat. Hist. 1843 p. 175 in een artikel getiteld: „Description 
of the Lurking Machete (Machaerium subducens) from the nor- 
thern coast of New Holland" en later nog in de zoölogie van de 
reis der schepen Erebus en ïerror (Fish. p. 72 tab. 44 fig. 
1-6). Volgens den heer Richardson gaat bij Machaerium 
subducens de kop slechts 7 maal in de geheele lengte . is 



77 



de snuitlijn een weinig Iconknaf, slaat het oog verder achter- 
waarts , gaat de beksplcct niet tot onder het oog , zijn de 
kaken van gelijke lengte, de vinstralen = B. 6. D. 71. C. 10. 
A. 60. P. 10 , is de staartvin stomper en het ligchaam niet 
gevlekt , waarom ik de bovenbeschrevene soort beschouw als 
cene verschillende. 

De ingewanden van mijn eenig specimen bevinden zich in 
geen' voldoenden toestand van bewaring voor een naauwkeu- 
rig anatomisch onderzoek. Wat de spijsbuis betreft, kan ik 
mededeelen , dat de maag cylindervormig is en het grootste ge- 
deelte van de lengte der buikholte inneemt, dat zij zonder blinden 
zak in den zeer korten dunnen darm overgaat en dat de dikke 
darm, hoezeer een weinig langer dan de dunne darm, toch 
tweemaal korter is dan de maag. Lever bestaande uit twee 
kegelvormige lange kwabben. Geene poortieraanhangsels. Geene 
zwemblaas. Nieren zich langs de ruggegraat ter lengte van 
bijkans de geheele buikholte uitstrekkende. 

MURAENÖÏDEL 

Conger talabon Cuv. Règn. aiiim. 

Cong. corpore valde elongato, compresso, altitudine 18 ad 23 in 
ejus longitudine ; latitudine l£ ad 1| in ejus altitudine; capite acuto 5£ 
ad 6-§. in longitudine corporis; rostro acuto, apice carnoso, clavato, 4 ad 
3£ in longitudine capitis; linea rostro-frontali , apice rostri excepto, rec- 
tiuscula vel concaviuscula ; oculis diametro 9 ad 10 in longitudine capitis; 
naribus anticis tubulatis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus 
nasalibus pluribus x magnis; dentibus palatinis biseriatis, serie externa subgra- 
niformibus, serie interna conicis; vomere dentibus triseriatis , serie media 
magnis compressis, tricuspidatis vel simplicibus , seriebus externis co- 
nicis brevibus; maxilla inferiore antice dentibus aliquot elongatis , lateri- 
bus dentibus biseriatis , serie externa conicis brevibus , serie interna 
compressis majoribus; rictu longitudine 2 circiter in longitudine capitis, 
longe post oculum desinente; apertura branchiali lata; cute laevi; li- 
nea latcrali tubulosa; ano antice in 2 a tertia corporis parte sito; pinna 
dorsali supra aperturam branchialem incipiente, antice corpore du- 
plo vel plus duplo, postice corpore minus duplo humiliore; pectoralibus 
2£ ad 3£ in longitudine capitis, rotundatis; anali corpore plus duplo hu- 
miliore; caudali processubus 2 osscis inserta; colore corpore superne oli 



78 



vaceo-viridi infcrnc albo; pinnis ilavesccntibus vel viridibus, dorsali ana- 
liquc nïgro marginatis. 

B. 19. D. 232 ad 281. P. 15 vel 16. A. 188 ad 210. C. 10. 
Synon. Meer Ael Nieub. Gedenkw. Zee en Lantr. fig. 
Anguilla indica Willoughb. 
Talabon Russ. Corora. Eish I p. 27 fig. 38. 
Conger longirostris Benn. Life of Raffl. p. 692 ? 
Ikan Putje Icam'pa Mal. Batav. 
Ikan Remang Javan. Samar. 
Habit. Singapore, in mari. 

Batavia, Samararig, in mari. 

Pamangkat, Borneo occidentalis, in mari et ost. fluv. 
Longitudo 13 speciminum 270'" ad 830"'. 

Aanm. De heer J, Maccleland (Apodal Fishes of Bengal , in 
Calcutt. Journ. of Nat. Hist. vol. V.) noemt de Russellsche soort 
van zijn en Muranesox, M. serradentata en kenmerkt haar met 
de weinige woorden „ Vomerial teeth serrated." Bij geen mij- 
ner specimina ontwaar ik echter dat getand zijn van de ploeg- 
beenstanden en Russkll spreekt er ook niet van in zijne ove- 
rigens onvolledige beschrijving. Het schijnt alzoo, dat Murae- 
nesox serradentata J. M. tot eene eigene soort van Conger behoort. 

De twijfelachtige punten omtrent de soorten van Conger met 
groote ploegbeenstanden (Muraenesox J. M.) zullen eerst behoor- 
lijk kunnen worden opgehelderd , wanneer voldoende reijen van 
exemplaren der tot heden opgestelde soorten , mei elkander 
zullen kunnen worden vergeleken. Conger talabon wordt tot 
meer dan 1500"' lang en komt te Batavia bijkans dagelijks ter 
markt. Het vleesch is weinig gewild en wordt slechts door 
Inlanders en Chinezen genuttigd. 

GYMNODONTES. 

Tetraödon testudineus BI. Ausl. Fish. tab. 1S9. 

Tetraöd. corpore oblongo antice circiter aeque alto ac lato, altitudine 
4i. ad 4| in ejus longitudine; capite obtuso 3£ ad 3| in longitudine cor- 
poris; linea rostro-dorsali convexa; oculis superis , diametro 7 ad 8». in 
longitudine capitis, diametris 4f circiter a se invicem distantibusj papillis 
nasalibus utroque latere 2 conicis oblongis ; maxilla superiore prominente; 



79 



capite corporcque totis spinulis scabris; rostro, labiïs basibusquc pinna- 
rum laevibus ; linea laterali inconspicua ; pinnis dorsali et anali flabelli- 
formibus rotundatis, caudali convexa; corpore supcrne nigricante-viridi* 
raaculis rotundis numerosis lutcscentibus, inferne argentco; regïonè oculo- 
pectorali fasciis pluribus nigricante-viridibus curvatis parallelis ; pinnis 
viridibus, caudali maculis rotundis lutescentibus. 
D. 2/9. P. 2/16. A. 1/9. C. 8 et lat. brev. 
Synon. Bonlvisch Nieuh. Ged enk-w. zee- en Lantr. lig. p. 278. 
Schildkrötenfisch Bloch. Ausl. Fisch. tab. 139. 
Toadfish Bloch. ibid. 

Tetrodon perroqnet Lacép. Poiss. I p. 477. 
Arothron Ustudineus J. Müll. 
Noidin platld Incol. Pondic. 
llcan Buntah kalappa Mal. Batav. 
Habit. Singapore, Batavia, in mari. 
Longitudo 5 speciminum 270'" ad 420'". n 

Aanm. De afbeelding van Nieudof is duidelijk herkenbaar. 
Die van Bloch is vrij goed, doch daarop zijn 2 neusgaten 
afgebeeld , welke niet in de natuur bestaan. De vinnen zijn 
er verkeerdelijk rood gekleurd, terwijl er van de vlekken 
der staartvin niets te zien is. Deze soort is langs de noord- 
kust van Java als giftig bekend en mag op de markten niet 
verkocht worden. * 

Teiraödon Kunhardtii Blkr. (diagnosis emendata). 

Tetr. corpore oblongo antice cylindraceo postice compresso, altitudine 
4 ad 5 in ejus longitudine; capite 4 circiter in longitudine corporis; linea 
rostro-frontali convexa vel declivi rectiuscula; oculis superis diametro 3 
ad 6 in longitudine capitis, diametris 1 ad 3 a se invicem distantibus; 
papillis nasalibus oblongis utroque latere 2 basi unitis; maxilla superiorc 
prominente; vertice, dorso antice ventreque spinulis scabris; rostro et 
cauda maxima parte vel totis glabris; lateribus junioribus glabris aetate 
provectioribus spinulis scabriusculis ; linea laterali vix conspicua; pinnis 
dorsali et anali altioribus quam latis , caudali convexa; corpore superne 
nigricante-viridi, inferne albo; lateribus junioribus maculis diffusis viri- 
descentibus, aetate provectioribus maculis nullis; pinnis viridescentibus , 
caudali postice nigra. 

D. 2/8 vel 2/9. P. 2/15. A. 2/6 vel 2/7 vel 2/8 vel 1/8. C. 8 vel 9 
et lat. brev. 

Habit. Singapore et Padang, in mari. 

Longitudo 7 speciminum 60"' ad 270'". 



80 



Aanm. Mijne vroegere diagnose dezer soort kon ik slechts 
nemen naar zeer jeugdige individu's. Het Singapoersche spe- 
cimen heeft mij sedert doen zien , dat de soort veel grooter 
wordt en dat ook hier de huiddoorntjes zich verder over het 
ligchaam uitbreiden , naarmate het dier ouder wordt. 

BALISTINI. 

Monacanthus Cantoris Blkr. Verh. Bat. Gen. xxiv, 
Balist. p. 17 tab. 1 %. 2. 

Monac. corporc oblongo compresso, diametro dorso-anali 2$. ad 2*. in 
corporis longitudine , latitudinc 4 circiter in diametro dorso-anali ; capitc 
acuto 4 et paulo in longitudine corporis, multo altiore quam longo; ocu- 
lis diametro 4 circiter in longitudine capitis ; linea rostro-frontali valde 
concava; rostro acuto oculo triplo fere longiore ; dentibus utraque maxilla 
6 acutis apice obliquis vel emarginatis, dentibus maxilla superioro exter- 
nis autem rotundatis; apertura branchiali ante pinnam pectoralem desi- 
nente ; squamis spinula armatis , parvis sed bene conspicuis , caudalibus 
cetcris majoribus; cauda spina magna nulla sed spinulis parvis omnibus 
postrorsum spectantibus tota scabra; dorso elevato valde angulato; spina 
dorsali supra oculum inserta, rostro longiore, postice dentibus magnis 
armataj pinnis dorsali radiosa, pectoralibus et anali obtusis angulatis ra- 
diis omnibus simplicibusj dorsali radiosa et anali diametro dorso-anali 
quadruplo fere ad quintuplo humilioribus; ventrali flabelliformi , sulcosa, 
spina 1» scabra apice dentata, radiis numerosis filiformibus; caudali radiis 
divisis, postice convexa, 4-f. circiter in longitudine corporis j corpore fla- 
vescente-griseo vel flavescente-fusco nebulato ; spina dorsali fusco annulata; 
pinnis pectoralibus flavis; dorsali radiosa et anali flavescentibus; anali 
basi leviter fusco reticulata; ventrali fusca coeruleo guttulata; caudali 
viridescente vittis numerosis transversis fuscis et nigricantibus. 

D. 1-28 ad 1-30. P. 12. A. 28 vel 29. C. 12. 

Synon. Ikan Eajam Mal. Batav. 

Habit. Batavia, Singapore, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 135"' et 140'". 

Aanm. Ik beschreef deze soort, hoezeer naar slechts een 
enkel specimen, in mijne Bijdrage tot de kennis der Balistini 
en Ostraciones van den Indischen Archipel. Het specimen van 
Singapore is iets langwerpiger dan het Bataviasche en heeft 
2 stralen meer in de rug- en 1 straal meer in de aarsvin en 



81 



vertoont geeno drupvormige bruine vlekjes, welke het Bata- 
viasche specimen bezit. Ik heb hiernaar de diagnose thans 
gewijzigd. Ik heb deze gemakkelijk herkenbare soort ge- 
noemd naar den heer Dr. Th. Cantor , die zich in de ichthy- 
ologie verdienstelijk heeft gemaakt, vooral door zijnen „Cata- 
logue of Malayan Fishes." 

Triacanthus Blochii Blkr. 

Triacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 3| in ejus longitudine, 
latitudine 2£ circiter iu ejus altitudine; capite acuto 4 circitcr in longitu- 
dine eorporis, aeque alto ac longo ; oculis diametro 3 circiter in longitu- 
dine capitis; linea rostro-frontali rostro concava fronte convexa; rostro 
acuto oculo duplo circitcr longiore vel altiore ; partc capitis praeoculari 
fere aeque longa ac altaj maxillis squamosis dentibus biseriatis , serie 
externa 8 vel 10 cuneiformibus , serie interna 2 ad 6 granulosis; apertura 
brancbiali subverticali ante pinnam pectoralem desinente; squamis parvis 
sed bene conspicuis , scabris j linea laterali conspicua ante spinam dorsa- 
lem l m cruciata; pinnis radiis, anterioribus exceptis, divisisj dorsali l a 
spinis 2 anterioribus (abruptis) , spinis 2 posterioribus oculo brevioribus , 
rnembrana bumili; dorsali radiosa humili obtusa rotundata; pectoralibus 
rotundatisj auali angulata vix emarginata; spina ventrali utroque latere 
unica 6 in longitudine eorporis; caudali biloba, lobis acutiusculis rotunda- 
tis 6 circiter in longitudine eorporis ; colore corpore superne griseo inferno 
flavescente vel argenteo; pinnis omnibus flavescentibus. 

D. 4-22. P. 13. V. 1. A. 16. C. 12. 

Synon. Balistes biaculeatus BI. Ausl. Fiscb. tab 148 fig. 2. 
Zweistachelïchte Hornfisch BI. ibid. 
Baltste a deux piquants BI. ibid. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 130". 

Aanm. Thans zijn reeds verschillende soorten van Triacan- 
thus bekend. Nog slechts weinige jaren geleden bragten de 
ichlhyologen de soorten van Triacanthus, afgebeeld bij Nieuiiof, 
Bloch en Russell , tot eene enkele species , welke zij naar 
den Blochschen soortnaam Triacanthus biaculeatus noemden. 
In mijne Bijdrage tot de kennis der Balistini en Ostraciones 
van den Indischen Archipel heb ik aangetoond, dat de af- 
beeldingen dier drie schrijvers tot drie verschillende soorten 
behooren en ik noemde daar de soort yan Nieuhof Triacan- 

III. 7 



82 



thus Nieuhofii en die van Russell Triacanthus Russelhi, ter- 
wijl ik 2 nog geheel onbekende soorten Triacanthus rhodo- 
pterus en Triacanthus oxycephalus heb genoemd. De heer 
Cantor beschreef onlangs als eene nieuwe soort Triacan- 
thus strigilifer en de heeren Temïïinck en Schlegel Tria- 
canthus atiomalus, zoodat thans 7 soorten van dit geslacht 
vrij goed bekend zijn. De bovenbeschrevene soort is onge- 
twijfeld dezelfde als de door Dloch als Balistes biaculeatus af- 
gebeelde. Hare habitus beantwoordt volkomen aan die afbeel- 
ding , hoezeer de eerste rugvin er niet zwart is en ook de 
zwarte vlek voor de buikdoornen ontbreekt. Ter voorkoming 
van verwarring, heb ik gemeend den soortnaam biaculeatus, 
welke aan verschillende der bovengenoemde soorten gegeven 
is, te moeten veranderen en heb daartoe gekozen den naam 
van den ichthyoloog , aan welke men hare eerste kennis te 
danken heeft. 

LOPHOBRAJNCHII. 

Hippocampus kuda Blkr. 

Hippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 6£ ad 6*. in totius 
piscis longitudine, latitudine 1{. circiter in ejus altitudine,- cauda tetra- 
gona; capite 3». in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem cau- 
dae; rostvo longitudine capitis partem postocularem aequante, altiore quam 
lato, inferne cirris parcis brevibus, ante oculum tuberculo conico brevi ; 
oculis diametro 7 in longitudine capitis ; orbita superne tuberculo conico 
unico non clavato; occipite in processum obtusum quinquetuberculatum 
et fimbriatum exeunte; operculis valde striatisj pyxide corporis ex an- 
nulis 11 formata, cristis longitudinalibus tuberculatis tuberculis elevatis 
non ramosis sed ex parte fimbriatis; cauda annulis 35, carinis tubercula- 
tis, tuberculis carinis superioribus majoribus ex parte fimbriatis; pinnis 
dorsali pectoralibusque rotundatisj colore toto corpore viridescente-fusco , 
pinnis viridi. 

D. 17. P. 16. A. 4. 

Synon. Ikan Kuda Mal. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 95'" et 120'". 

Aanm. Deze soort laat zich van de bekende soorten onder- 
kennen door in een 5 knobbelig op een' hals staand uitsteek- 



m 



sel eindigend achterhoofd, door even langen snuit als achter- 
oogsgedeelte van den kop , waaijervormig gestreepte operkels , 
sterk knobbelachtige en hier en daar met franjes bezette lijf- 
kielen , groenachtig -bruine ligchaamskleur en 16 stralen in 
de rugvin. Zij is nog het naaste verwant aan Syngnathus 
hippocampus BI. (Ausl. Fisch tab. 109 fig. 3), alsmede aan Hip- 
pocampus comes Cant. (Mal. Fisch. p. 389 tab. 11 fig. 2). Deze 
laatste species laat zich echter bij den eersten oogopslag van 
de bovenbeschrevene onderscheiden, door de knodsvormige 
einden der oogkas- en achterhoofdknobbels, terwijl er de kop 
slechts weinig langer is dan V G van het geheele ligchaam. 

SGYLLIA. 

Ginxjlymostoma Rüppellii Blkr. 

Ginglymost. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso , 
altitudine 9 ad 10 in ejus longitudine , vix latiore quam alto; capite 7 
circiter in longitudine corporis, multo latiore quam altoj oculis diametro 
8 circiter in longitudine rostri, longioribus quam latis; foramine tempo- 
rali diametro oculi longitudinali 1 ab oculo remoto, vix conspicuoj rostro 
convexo latiore quam longo , subtruncato-rotandato , plus dimidia capi- 
tis longitudine efficiënte; rictu maxillari semilunari, labiali vix cur- 
vato rostri parte praeorali minus duplo longiore ; cirris nasalibus conicis 
labium inferiorem attingentibus; maxillis dentibus margine libero rotundato 
totis denticulatis, denticulo medio ceteris vix majore; spiraculis 2 posti- 
cis supra pinnam pectoralem sitis; cute toto corpore valde porosa, squa- 
mulis graniformibus postice non denticulatis; dorso non carinato; pinnis 
dorsalibus minus earum longitudine a se invicem distantibus, altioribus 
quam longis, acutis, apice rotundatis, leviter emarginatis, 1* 2* majore, 
ventralibus opposita, 2* ante analem incipiente et ante finem analis desi- 
nente, minus dimidio ejus longitudine ab initio caudalis remota ; pinnis 
pectoralibus capite non vel vix brevioribus, multo longioribus quam latis, 
acutis, emarginatis; ventralibus subquadratis paulo longioribus quam la- 
tis; anali altitudine dorsalem 2 ra aequante, caudali valde approximata, 
acuta, vix emarginata; caudali capite plus duplo longiore, 2|- circiter in 
longitudine corporis, lobo posteriore subquadrato postice emarginato , lobo 
anteriore lobo posteriore sextuplo longiore, antice plus triplo humiliore 
quam basi longa, emarginataj appendicibus genitalibus conicis sulcatis 
margine ventraiium interno multo brevioribus; colore corpore superne 
pinnisque griseo-aurantiaco , inferne griseo. 

Synon. Nebrias concolor Rüpp, N. W. F. Abyss. i 1 . B. M. p. 62 tab. 17 
fig. 2. 



84 



Ginylymosloma concolor Cant. (nee MTI.) Mal. Fisch. p. 395. 
Habit. Singapore, in mari. 
Longitudo speciminis unici masculini 730"'. 

Aanm. Inde „Systematische Beschreibung der Plagiostomen" 
zijn slechts 2 soorten van Ginglymostoma beschreven, t. w. 
G. concolor MH. en G. cirratum MH. 

De bovenbeschrevene soort heeft zeer groote verwantschap 
met Ginglymostoma concolor MH. doch kan deze niet zijn , 
vermits hare tanden een cirkelsegment vertoonen, hetwelk aan 
den vrijen rand met 6-10 tanden van nagenoeg gelijke groote 
gewapend is en de schubben korrelachtig, niet gekield en niet 
gekerfd zijn. Bovendien ook zijn de snuit en staartvin bij 
mijn specimen betrekkelijk langer dan op de afbeelding in 
genoemd werk van G. concolor aangeduid is , en is de alge- 
meene omtrek des snuits vierhoekig. Mijn specimen beant- 
woordt beter aan de afbeelding en beschrijving van Nebrius 
concolor Rüpp. en van Ginglymostoma concolor Cant. (necMH.), 
welke tot dezelfde species behooren en van Ginglymostoma 
concolor MH. soortelijk verschillen. Ik heb daarom gemeend, 
aan de Riippellsche soort een' nieuwen naam te moeten geven, 
om haar te onderscheiden van de soort, welke de heeren J. Mul- 
ler en Henle verkeerdelijk voor identisch met haar houden 
en Ginglymostoma concolor hebben genoemd. Ginglymostoma 
Rüppellïi Blkr. is tot heden toe aangetroffen in de Koode zee 
in Straat Malakka en Straat Singapore. 

Lever tweekwabbig, de kwabben van ongeveer gelijke lengle, 
de halve lengte der buikholte innemende. Eene dikwandige 
vrij groote galblaas is in de zelfstandigheid der regterkwab 
gedeeltelijk verborgen. Galbuizen zoowel in de maag -als dik- 
ken darm inmondende. Milt zeer lang en slank, het achterste 
gedeelte van de maag omringende. Pancreas veel kleiner dan 
de milt, langwerpig onregelmatig van gedaante. Maag cylin- 
dervormig, zich met het achterste gedeelte hoefijzervormig om- 
buigende. Dunne darm slechts eenige millimeters lang , maag 
en dikken darm als het ware slechts door een' engen hals van 
een scheidende. Dikke darm korter dan de maag. Maag ge- 



85 



vuld met resten van Loligo en andere Cephalopoden, yan 
Engraulis en van Atherina. Klapvlies van den dikken darm 
spiraalvormig met 24 windingen. Regte darm zonder klapvlies. 

SQUATINORAJAE. 

Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. Illustr. 
Irid. Zool. II tab. 99. MH. Plagiost. p. 119. 

Rhinob. corpore elongato depresso, latitudine supra pinnas pectorales 
3 in ejus longitudine; capite acuto 4 fere in longitudine corporis; rostro 
acuto 5|. in longitudine corporis, duplo longiore quani medio lato , pro- 
cessu a rostro distincto nullo, lateribus membranaceo, carina media gra- 
cili non spinulosa, latitudine minima 15 in ejus longitudine, non sulcata, 
apice clavata; oculis diametro 7|. circiter in longitudine rostri, diametris 
2 circiter a S3 invicem distantibus; foraminibus temporalibus oculis ap- 
proximatis et iis non vel vix majoribus, margine posteriore bituberculato; 
naribus minus dimidia earum longitudine a se invicem distantibus , pec- 
tine radiis plus quam 90, valvula anteriore gracili marginem riariüm in- 
feriorem vix superante ; sulco labiali superiore nullo, inferiore continuo; 
rictu tota fere ejus longitudine a margine rostro-pectorali remoto, recti- 
usculo ; squamis corpore parvis conspicuis , dorso majoribus , ex parte 
spinula brevi armatis; linea dorsi media et regione humerali spinulis ma- 
joribus armatis ; pinnis dorsalibus forma subaequalibus , non vel vix emar- 
ginatis, acutis, altioribus quam basi longis , dupla earum longitudine a 
se invicem distantibus, posteriore anteriore paulo altiore, vix tota ejus 
longitudine a caudali remota; pectoralibus latissimis rotundatis, ventrali- 
bus subrhomboïdeis antice obtusis rotundatis, postice acutis; caudali acu- 
ta, margine postero-inferiore convexa, 5^. circiter in longitudine corporis; 
colore corpore superne flavescente-fusco , inferne albescente; rostro parte 
membranacea subpellucida; pinnis fuscescente-viridibus. 

Synon. Indian Rhinobatus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoölog. II tab. 99. 
Rhinobatus typus Benn. Life of Raffl p. 694. 
Ikan Kelceh Javan. Samar. 

Habit. Singapore, Samarang, in mari. 

Longitudo speciminis unici feminini 504'". 

TRIJGONES. 

Taeniura lijmma MH. Plagiost. p. 171. Cant, Mal. 
Fish. p. k%\. 

Taeniur. corpore disciformi, disco longiore quam lato, antice laten- 



86 



busque rotnndato, postice apicibus pinnarum pcctoralium acutis; capite 
longitudine 3 fere, rostro 4£ fere ad 4JL in latitudine disci maxima; ocu- 
lis diametro 2 ad 2* in longitudine rostri, diametro 1 circiter a se in- 
vicem distantibus; foramine temporali sub oculo désinente, oculo non 
vel vix breviore: rictu flexuoso ; dentibus maxillaribus acutis; fundo ca- 
vitatis oris bipapillato; velo postmaxillari valvulisque nasalibus anteriori- 
bus firabriatis; cute toto corpore junioribus tota glabra, aetate provectio- 
ribus linea dorsi media spinis brevibus obsita; cauda disco longiore, 
radice depressa, postica parte spinis serratis arniata; colore corpore super- 
ne fuscescente-aurantir.co maculis numerosis rotundis pulchre coeruleis; 
cauda superne lateribus coeruleo longitndinaliter vittataj ventre albescente 
vel flavescente, marginem disci versus aurantiaco. 

Synon. Raja lymnxa Forsk. Descr. anim. 17 N°. 15 L. Gm. Syst. Nat. 
p. 1511. Lacèp. Poiss. I p. 119 tab. 4 fig. 2 , 3. BI. Scbn. 
Syst. posth. p. 364. Shaw Gen. Zool. V, p. 287. 
Raie torpille Lacép. Poiss. I p. 82. 
Trygon lymma Cuv. Règn. anim. Swains. II p. 319. 
Trigon lymma Rüpp. Atl. E. N. Afr. F.R. M.p. 51 tab. 13 Ag. 

1. N. AVirb. F. Ab. F.R.M. p. 69 tab, 19 fig. 4. (dentcsj. 
Trygon Halgani Less. Voyage de Duperrey, Zool. II p. 100 tab. 
Pastenaque de Halgan Less. ibid. 

Trygon ornatum Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zool. I. tab. 99. 
Lymma Arab. 
Pharr Indig. Nov. Hibern. 

Ucan Pareh Icumbang et Ikan Pek tjun Mal. Batav. 
Habit. Singapore, Batavia, in mari. 
Latitudo 3 speciminum femin. 165'" ad 215'". 

Aanm. Taeniura lymma MH. is niet alleen bekend van Ja- 
va, Celebes en Timor, maar ook van Singapore, Malakka, 
Pinang, de Indische- en Roode zee en Nieuw-Ieiiand. De 
soort is te Batavia niet zeldzaam en wordt tot meer dan twee 
voeten breed. 



Scripsi Batavia Calendis Decembris mdcccli. 



B IJ D R A G E 

TOT DE KENNIS DER 

ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN BLITONG (BILLITON), 

MET BESCHRIJVING VAN EENIGE NIEUWE SOORTEN VAN ZOETWATERVISSCHEN , 

DOOR 

É»r. P. BIL E Eli E IS» 



In het begin dezes jaars berigtte ik omtrent eenige Blitong- 
sche visschen, door den heer Dr. Croockewit tijdens zijn ver- 
blijf op dit eiland verzameld. Deze vischsoorten, allen in zee 
gevangen, zijn 10 in getal t. w. Mesoprion Russellii Blkr. , 
Mesoprion annularis Blkr., Helotes sexlineatus CV., Sïllago 
acuta CV., Platijcephalus insidiator BI., Bentex tambulus CV., 
Pentapus setosus CV., Platax bataviensis CV., Belone leiuroïdes 
Blkr en Sijnaptura pan Cant, (zie Natuurk. ïijdschr. v. Neêrl. 
Indie Jaarg I bladz. 478). 

Later vertrok naar Blitong mijn vriend, de heer Corns. de 
Groot, ingenieur van het mijnwezen, ten einde onderzoek te 
doen naar de geologische gesteldheid van dit eiland, en in 
het bijzonder naar zijnen tinrijkdom. Ik noodigde dezen ver- 
dienstelijken natuurkenner uit, op Blitong te trachten, de daar 
levende zoetwatervisschen te verzamelen en aan de welwil- 
lende voldoening aan dit verzoek heeft deze bijdrage haar ont- 
staan te danken. Is de ichthijologie van den Indischen Archipel 
in het algemeen zeer verwaarloosd geworden , vooral is zulks het 
geval ten opzigte der zoetwatervisschen en van talrijke aanzien- 
lijke eilanden van den Indischen Archipel is tot nog toe geene en- 
kele species van zoetwatervisschen bekend geworden , niettegen- 
staande deze studie voor de geographische zoölogie van meer 



88 



belang is, dan de studie der zeefauna, welker vertegenwoor- 
digers, uit den aard van de middenstof, waarin zij le- 
ven, aan minder beperkingen in hunne woonplaatsen onder- 
worpen zijn. De verzameling van den heer De Groot, hoe- 
zeer niet meer dan 15 soorten bevattende, is niet onbelangrijk 
en bevat eenige species, welke tot nog toe op geen der ove- 
rige eilanden van den Soenda-Molukschen Archipel zijn aange- 
troffen. 

De 15 boven bedoelde soorten zijn de volgende. 

/. Catopra Grootii Blkr. nov. spec. 

2. Nandus nebulosus Blkr. ca Beduia nebidosus Gr. Hardw. 

5. BePa anabatoïdes Blkr. 

4. Ophicephalus marulioïdes Blkr. 

5. ,, marginatus CV. 

6. Mastacembelus maculatus CV. 

7. Silurus phaiosoma Blkr. 

8. Bagrus micropogon Blkr. nov. spec. ? 

9. Pimelodus cyanochloros Blkr. 

40. Clarias punctalus CV. 

41. Barbus lateristriga CV. 

42. „ blitonensis Blkr. nov. spec. 

45. Leuciscus cephalotaenia Blkr. nov. spec. 
44. Hemiramphus phaiosoma Blkr. nov. spec. 

43. Luciocephahis pulcher Blkr. 

Vijf dezer soorten beschouw ik als nieuw voor de weten- 
schap, hoezeer Bagrus micropogon nog met eenigen twijfel, 
daar zij mogelijk den zeer jeugdigen leeftijd voorstelt van Ba- 
grus poecilopterus K.v.H. van Java. Voorts komen van de bo- 
vengenoemde soorten tevens op de fauna van Java: Ophicep- 
halus marginatus CV., Mastacembelus maculatus CV., Pimelo- 
dus cyanochloros Blkr., Clarias punctatus CV. en Barbus late- 
ristriga CV. ; — op de fauna van Borneo: Betta anabatoïdes 
Blkr. , Ophicephalus maridioïdes Blkr. , Silurus phaiosoma Blkr. , 
en Luciocephahis pulcherWkx.; — en op de fauna van Sumatra, 
Mastacembelus maculatus CV. en Pimelodus cijanochloros Blkr. 
Men mag hieruit opmaken, dat de zoetwatervischfauna van 



89 



Blitong, afgescheiden van de haar eigene soorten, in verwant- 
schap het midden houdt tusschen die van Java en Borneo. 

Allo 15 bovengenoemde species zijn gevangen in het stroom- 
gebied der ïjiroetjoep , in het westelijk gedeelte van het ei- 
land, nabij de plaatsen, waar door den heer De Groot vrij 
rijke tingronden zijn gevonden, met welker ontginning reeds 
een begin gemaakt is. In het geheel zijn mij thans de vol- 
gende 25 soorten van Blitong bekend. 

4. Mesoprion Russellii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

2. „ annularis Blkr. ibid. 

o. Heloles sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N. I. II p. 17 1. 

4. Sillago acuta CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

5. Catopra Grootü Blkr. 

6. Nandus nebulosus Blkr. 

7. Platycephalus insidiator BI. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 

8. Dentex tambulus CV. ib. XXIII Sparoïd, 

9. Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 175. 

40. Platax balaviensis CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetodont. 

41. Betia anabatotdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 269. 

42, Ophicephalus maruloïdes Blkr. ib. II p. 424. 

4o. „ marginalus CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Vissch, 

Doolhofv. Kieuw, 
44, Mastacembelus maculatus CV. 

43, Silurus phaiosoma Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 428, 

46. Bagrus micropogon Blkr. 

47. Pimelodus cyanochloros Blkr. Verh. Bat. Gen. XXÏ N. 

Bijdr. Silur. Jav. 

48. Clarias punctatus CV. ibid. Siluroïd. batav. conspect* 

49. Barbus lateristriga CV. 

20. „ blitonensis Blkr. 

21. Leuciscas cephalotaenia Blkr. 

22. Belone leiuroïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 47& 

23. Hemiramphus phaiosoma Blkr. 

24. Luciocephalus pulcher Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 273. 

25. Synaplura pan Cant. Verh. Bat. Gen. XXIII Snoek. Visscb. 



DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, 



NANDOIDEI. 



Catopra Grootii Blkr. 



Catopr. corpore oblongo compresso, altitudine 2£ fere in ejus longitu- 
dine, latitudine 2£ in ejus altitudine, capite obtuso convexo 3* circiter 
in longitudine corporis , aeque alto ac longo; oculis diametro 4 in lon- 
gitudine capitis; linea rostro-dorsali ante ocnlos convexa, supra oculos 
leviter concava; rostro convexo longitudine oculum aequantej maxillis 
aequalibus, superiore protractili sub oculi parte anteriore desinente j den- 
tibus maxillis pluriseriatis parvis , antice serie externa majoribus conicis, 
vomere parvis in thurmam oblongam transversam antice in palato collo- 
catis; dentibus palatinis parvis utroque latere in vittam gracilem obli- 
quam dispositis ; dentibus pterygoïdeis granulosis in laminam oblongam 
ovalem, lingualibus granulosis in laminam magnam lageniformem collo- 
catis; denticulis suborbitalibus vix conspicuis ; praeoperculo subrectan- 
gulo , angulo rotundato leviter tantum denticulato; interoperculo edentulo ; 
squamis ctenoïdeis ciliis minimis pluriseriatis , parte basali fiabelliforme 
striatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinali , 15 p. m. in serie ver- 
ticali; linea laterali singulis squamis tubulo simplice notata, sub pinnae 
dorsalis radiosae parte posteriore interrupta et infra sub parte ejus ante- 
riore reïncipiente ; pinnis basi squamosis , dorsali et anali radiosis rotun- 
datis caudalem attingentibus , dorsali spinosa spinis mediis ceteris lon- 
gioribu6 , parte radiosa humiliore; anali spina media ceteris longiorej 
pectoralibus obtusis ventralibus acutis vix longioribus, 4£ in longitudine 
corporis j caudali rotundata 4| in longitudine corporis; colore corpore 
pinnisque olivaceo-vir ; di. 

B. 6. D. 13/16 vel 13/17. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 
et lat. brev. 

Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 

Longitudo speciminis unici 184'". 

Aanm. Deze soort is de derde Catopra, mij van den Indi- 
schen Archipel bekend geworden. Java bezit Catopra nandoï- 
des , Borneo Catopra fasciata. Deze drie soorten hebben 



91 



groote verwantschap met elkander, doch laten zich door vol- 
gende kenmerken gemakkelijk van elkander onderscheiden. 
Catopra fasciata Blkr. 12 zwartachtige dwarsche banden 

over het ligchaam. D. 13/16 of 13/17. P. 2/14. 
Catopra nandoïdes Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 14/16 

of 14/17. P. 2/14. Snuit niet bol. 
Catopra Grootii Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 13/16 

of 13/17. P. 2/12. Snuit bol. 
Ik noem de bovenbeschrevene nieuwe soort naar den heer 
Corns. de Groot, aan wien de wetenschap de eerste kennis 
der zoetwaterfauna van Blitong te danken heeft. 

Nandtjs CV. 

Pinna dorsalis unica. Dentes maxillares, palatini, vomerini 
et linguales setacei, pterygoïdei granulosi in thurmam graci- 
lem collocati. Os suborbitale non denticulatum. Praeoper- 
culum denticulatum. Operculum spina unica. Membrana bran- 
chiostega radiis 6. Linea lateralis interrupta. Maxilla superior 
protractilis. 

Nandus is zeer na verwant aan Catopra (zie Nat. Tijdschr. 
Ned. Indie Jaarg. II) , doch verschilt er van , doordien er de 
tongtanden zeer dun zijn en op eene smalle plaat veree- 
nigd , wat ook met de vleugelbeenstanden het geval is. 
Voorts heeft Nandus de önderoogkuilsbeenderen ongetand en 
het operkel slechts met een' enkelen doorn gewapend. Catopra 
en Nandus zijn geslachten, welke in verwantschap bet midden 
houden tusschen de Chromides en de Percoïden en wel ligt te 
brengen zijn tot eene eigene familie. Het niet volkomen veree- 
nigd zijn der onderste keelgatsbeenderen sluit ze van de Labroïden 
uit, waarmede overigens hunne inwendige organisatie ze ver- 
want doet zijn. Zij schijnen voor de zoete wateren van Zuid- 
Azië en den Indischen Archipel te wezen, wat de Chromides 
zijn voor de zoete wateren van Zuid-Arnerika. Waarschijnlijk 
zullen latere nasporingen nog meerdere soorten van Nandus 
en Catopra in de zoete wateren dezer gewesten doen kennen. 



92 



Nandus nehulosus Blkr. 



N&nfl. corpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, 
latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 3| in longitudine 
corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 3|. circiter in longi- 
tudine capitis ; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; maxilla superiore 
valde protractili alepidota, ore clauso maxilla inferiore paulo breviore, 
sub oculi parte posteriore desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis, 
palatinis, pterygoïdes et lingualibus in vittas graciles dispositis ; osse sub- 
orbitali liumillima; praeoperculo rotundato, margine posteriore leviter 
emarginato denticulis vix conspicuis; interoperculo leviter denticulato ; 
spina operculari plana acuta; squamis ciliatis, lateribus 30 p. m. in serie 
longitudinali; linea laterali simplice sub pinnae dorsalis radiosae parte 
posteriore interrupta; pinna dorsali profunde emarginata, parte spinosa 
parte radiosa humiliore , spinis 3 a , 4 a et 5 a spinis cetcris longioribus, parte 
radiosa rotundato; pinnis pectoralibus rotundatis et ventralibns acutiusculis 
f>5. circiter in longitudine corporis; anali spina 2 a spinis V et 3 a longiore, 
parte radiosa rotundata , caudali convexa 5£ circiter in longitudine corpo 
ris; colore corpore snperne fusco, lateribus inferneque aurantiaco-rufo 
diffuse transversim fusco fasciato; pinnis dorsali spinosa fusca, pectorali- 
bus olivaceis, ceteris aurantiacis fusco maculatis et varicgatis. 

B. 6. D. 14/11 vel 14/12. P. 1/15. V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 14 
et lat. brev. 

Synon. Beduia nebulosus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zool. II Pisc. tab. 1 
fig. 2? 

Habit. P>litong, in flumine Tjirutjup. 

Longitudo speciminis unici 111'". 

Aanm. Deze soort verschilt van Nandus marmoratus CV. 
door sterken operkeldoorn , onder het oog eindigende boven- 
kaak, aanmerkelijk grootere borst- en buikvinnen, veel min- 
der schubben op eene overlangsche rei, ongeschubte boven- 
kaak enz. In habitus en kleurteekening heeft zij zeer groote 
overeenkomst met Bedula nebulosus van de Illustrations of 
Indian Zoölogy, met welke species ik geneigd ben haar voor 
identisch te houden. Is zulks het geval , dan is de aange- 
haalde afbeelding in meerdere opzigten onjuist, vertoonende 
zij het oog te klein, de onderkaak te ver voor de boven- 
kaak uitstekende, de bovenkaak te ver achterwaarts rei- 
kende, het praeoperkel ongetand, den operkeldoorn in het 
geheel niet, enz. Bovendien tel ik op die afbeelding slechts 



93 



13 rugvindoornen , wat zijne reden kan hebben in vecne indi- 
viduele verscheidenheid. De heer Cantor (Malaijan Fishes p. 
17) brengt Beduia nebulosus Gr. Hardw. tot Nandus marmo- 
ratus CV. even als Beduia Uamiltonii Gray (Illustr. Ind. zool. 
II Pisc. tab. 1 flg. 3). Ten opzigte van laatstgenoemde species 
stem ik den heer Cantor bij , maar Gray heeft mijns inziens 
zeer te regt beide afbeeldingen beschouwd als tot verschillende 
soorten te behooren. 

NOTACANTHIM. 

Blastacemhelus maculatus CV . Poiss. vin p. 340. Règn. 
an. éd. d. luxe tab. 55 fig. 3. 

Mastac. corpore elongato compresso, altitudine 10 circitcr in cjus longi- 
tudine; capite 7 circiter in longitudine corporis ; rostro 2A ad 2i. in lon- 
gitadine capitis , apice tcutaculis 2 trilobo , parte producta rictum longi- 
tudine aequante ; praeoperculo dentibus vel spinis nullis; linea laterali 
cauda inconspicua ; squamis parvis, totis stviatis, cycloïdeis, lateribus 180 
p. m. in serie longitudinali ; pinnis verticalibus unitis; appendice anali 
conica longa; caudali vix distincta rotundata; dorsali post apicem pinnae 
pectoralis incipiente , parte spinosa longitudine partem radiosam aequante, 
spina postice spinis ceteris multo majore; anali spina 2 a valida magna,, 
parte radiosa paulo ante pinnain dorsalem radiosam incipiente; pectorali- 
bus rotundatis; colore corpore superne viridescente-fusco, inferne virides- 
cente-flavo; lateribus fusco nebulatis; pinnis verticalibus flavo marginatis, 
dorsali viridi et fusco variegata , basi maculis nigricantibus; anali nigrieante- 
fusca. 

B. 6. D. 26-60 ad 30-70. P. 22 vel 23. A. 59 ad 69. C. 16 p. in. 
Synon. Rhynchobdella maculata Reinw. 

Mastacembh tacheté CV. Poiss. VIII p. 340. 
Mastacemble maculé CV. Règn. anim. éd. de luxe tab. 55 lig. 1. 
Ikan Arelüot Sundanens. 
Habit. Blitong, Java, Sumatra, in fluviis. 
Longitudo 16 speciminum 125'" ad 280'". 

Varictas: chrysogaster , ventre immaculato. Habit. Java (Buitenzorg, Tji- 
pannas), Sumatra (Pajacombo , Solok). 
dicty o gaster , ventre fusco reticulato. Hab. Blitong. 

Aanm. In mijne Bijdrage tot de kennis der Notacanthini 
van den Soenda-Molukschen Archipel (Verh, v. h, 15at. Gen. 



94 



v. K. en W. vol. XXIII) , heb ik de diagnose dezer soort ge- 
geven, volgens hare in de groote Histoire des Poissons voor- 
komende beschrijving. Sedert ben ik in het bezit gekomen 
van een aantal exemplaren van Java , Sumatra en Blitong , 
waardoor ik in staat gesteld ben, hare kenmerken naauwkeu- 
riger op te geven. Deze soort is vooral merkwaardig door 
haar ongewapend praeoperkel , en zou daardoor zelfs uit het 
geslacht Mastacembelus behooren weg te vallen, indien de 
praeoperkeldoornen , door Cuvier Valenciennes als generisch 
karakter beschouwd, zulks inderdaad waren, wat ik echter 
niet kan aannemen, omdat Mastacembelus maculatus overigens 
in de wezenlijke kenmerken met de andere soorten van Mas- 
tacembelus overeenkomt. 

SILUROÏDEI. 

Ba (/rus micropogon Blkr. 

Bagr. corpore elongato compresso, altitudine 8 circiter in ejus longitu- 
dine; capite acuto 4% circiter in longitudine corporis, duplo longiore 
quam alto sed minus duplo longiore quam lato; dorso humili ; linea ros- 
tro-dorsali declivi rectiuscula, vertice tantum convexiuscula; oculis dia- 
metro 6 circiter in longitudine capitis; rostro oculo duplo longiore, ante 
os prominente; scuto capitis cristaque interparietali glabris ; crista inter- 
parietali trigona aeque longa ac basi lata, tota conspicua, os interspino- 
sum glabrum non attingente; cirris 8 gracilibus, nasalibus oculum attin- 
gentibus, labialibus oculum superantibus, inframaxillaribus aperturam 
brancliialem non attingentibus ; labiis carnosis; maxilla superiore inferiore 
longiore ; dentibus maxillis setaceis pluriseriatis, voniero-palatinis plurise- 
riatis in vittam semilunarem simplicem dispositis; osse scapulari vix ru- 
goso acuto; pinna dorsali spina corpore paulo altiore postice dentata; 
dorsali adiposa tota ejus longitudine a dorsali radiosa remota, anali op- 
posita eamque postice superante, oblonga, rotundata; pinnis pectoralibus 
acutis capite multo brevioribus, spina crassa postice valde dentata; ven- 
tralibus capite duplo brevioribus ; anali rotundata corpore non humiliore; 
caudali valde excisa lobis acutissimis aequalibus 5 in longitudine corpo- 
ris; colore corpore fuscescente fusco profundiore nebulato; pinnis rufis 
nigro late fasciatis. 

B. 10. D. 1/7. P. J/8. V. 1/5. A. 4/12 vel 5/11. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 

Longitudo speciminis unici 79"'. 



95 



Aanm. Deze species behoort tot die soorten van Bagrus 
met 8 cirri en onafgebrokene rei ploegbeen-gehemeltetanden, 
bij welke de vetvin ongeveer dezelfde lengte heeft als de aars- 
vin en de achterhoofdskam niet tot aan het tusschendoorns- 
been reikt. Zij staat in verwantschap zeer nabij Bagrus poeci- 
loplerus K. v. H. van Java en heeft daarvan de dunne korte 
voeldraden, vooruitstekenden snuit en algemeene kleurteekening. 
Bagrus poecilopterus K. v. H. bevindt zich tot nog toe niet in mijne 
verzameling, doch ik bezit er eene fraaije afbeelding van, af- 
komstig uit de teekeningen der voormalige Natuurkundige 
Kommissie. Deze afbeelding wijkt in zooverre van de be- 
schrijving van Cüvier Valenciennes af, dat de rugdoorn er 
duidelijk getand is , de rugvin er 7 en de borstvin 8 stralen 
vertoont, even als bij bovenbeschrevene soort. Vergelijk ik 
echter mijn specimen met die afbeelding, dan blijkt het, dat 
het veel ranker van kop en ligchaam is, grootere oogen en 
zeer spits uitloopende staartvinkwabben heeft, minder regel- 
matig gekleurd is , en de lipdraden er tot achter het oog rei- 
ken. Ik houd mijn specimen daarom voor eene eigene soort, 
tot dat nadere waarnemingen kunnen doen blijken , dat deze 
verschillen slechts toe te schrijven zijn aan den leeftijd ,. be- 
dragende de lengte van mijn specimen nog niet de helft van 
die der bedoelde afbeelding, 

CIJPRINOÏDEI. 

Barbus lateristriga CV. Poiss. avi p. 120. 

Barb. corpore oblongo compresso, altitudiae 3i. ad 3i in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite 5 et paulo in longitu- 
dine corporis; altitudine capitis \\ ad 1£ in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 3 in longitudine capitis, diametro 1 a se invicem distantibus; rostro 
convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, vertica- 
liter deorsum protractili, ante oculum desinente; ore antico; cirris maxil- 
laribus labialibus brevioribus, maxillaribus oculi marginem anteriorem, 
labialibus praeoperculi partem posteriorem attingentibus,- dentibus pharyn- 
gealibus triseriatis conicis, serie externa 4 uncinatis et subuncinatisj osso 
scapulari trigono obtuso rotundatoj linea frontali declivi rectiuscula; 



96 



clorso elevato ventrc convexiore, linea dorsali vix angulata antice valde 
convexa; linea ventrali rotundata; linea laterali infra lineam rostro-cau- 
dalem descendente , concava; squamis radiatim striatis , lateribus 24 p. m. 
in serie longitudinali, 8 vel 9 in serie verticali ; inguinibus squamis elon- 
gatis ; pinna dorsali acutiuscula non emarginata, corpore minus duplo 
humiliore, spina denticulata capite breviore ventralibus opposita; pinnis 
pectoralibus et ventralibus acutis longitudine aequalibus capite brevioribus, 
pcctoralibus ventralcs non attingentibus; anali acutiuscula non emarginata, 
corpore plus duplo humiliore; caudali piofunde incisa lobis acutis 4A cir- 
citer in longitudine corporis; colore corpore snperne olivacco-viridi, late- 
ribus infcrncque flavescente-argenteo ; dorso latcribusque fasciis 2 trans- 
versis violaceo-nigricantibus, fascia anferiore dorso-pcctorali, fascia pos- 
teriore dorso-ventrali ; cauda fascia longitudinali violaceo-nigricante; pinnis 
flavcsccnte-roscis , dorsali analique marginem versus violasccntibus. 

B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/13. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. 
brev. 

Synon. Barbeau au trait latéral CV. Poiss. XVI p. 120. 
Ikan Dohlcum Sundan. 

Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 

Tjampea, Buitenzor^, Javae insulae, in flumine Tjidani. 

Longitudo 3 speciminum 80'" ad 95'". 

Aanm. Ik vond deze soort in 1850 , tijdens een verblijf te 
Tjampea en ontving haar in 1851 van den heer Teijsmann van 
Buitenzorg. Volgens de waarnemingen van Kühl en Van Has- 
selt komt zij ook te Sading wetan voor. De heer Valrivcien- 
nes heeft deze plaats van voorkomen verkeerdelijk gehouden 
voor den inlandschen naam der soort. Het Blitongsche specimen 
is 87"' lang en behoort tot eene variëteit met eene ronde vio- 
let-zwarlc vlek boven het begin van de basis der aarsvin. Bij 
dit specimen gaat ook de tweede dwarsband tot aan den 
anus en vereenigt zich daar met dien der tegenovergestelde zijde. 

Barhus hlitonensis Blkr. 

Barb. corpore oblongo compresso , altitudine 3| circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2| circiter in ejus altitudine; capite 5 in longitudine 
corporis; altitudine capitis 11 circiter in ejus longitudine ; oculis diametro 
3 circiter in longitudine capitis , diametro 1 a se invicem distantibus; 
rostro convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiorc vix longiore, ver- 
ticaliter deorsum protractili, ante oculurn desinente ; ore antico; cirris maxil- 
laribus cirris labïalibus brevioribus, maxillaribus pupillam, labialibus oper- 



97 



culimi attingentibus; dentibus pliaryngealibus fcriseriatis eonicis, serie ex - 
tcnia 4 vel 5 subuncinatis; osse scapulari trigono, obtuso, rotundato; linea 
frontali declivi convexiuscula; dorso elevato ventre convexiorc; linea dor- 
sali angulata, antice vix convexa; linea ventrali rotundata; linea laterali 
infra lineam rostro-caudalem descendente , concava; squamis radiatirn stri- 
atis, lateribus 24 p. m. in serie longitudinali , 8 vel 9 in serie verfcicali ; 
inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali acutiuscula , non emarginata, 
corpore minus duplo humiliore, spina denticulata capite breviore ventra- 
libus opposita; pinnis pectoralibus acutis ventralibus acutis paulo longio- 
ribus, capite brevioribus, ventrales non attingentibus; anali apice rectan- 
gula non emarginata, corpore triplo fere humiliore; caudali profunde 
emarginata lobis acutis, aequalibus, 4i. circiter in longitudine corporis,; 
colore corpore superne aureo-viridi, inferne viridescente-argenteo; dorso 
macula diffusa violaceo-nigra ad basin pinnae dorsalis; cirris labialibus 
nigricantibus; pinnis rubris , anali fusco marginata. 

B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat 
brev. 

Habit. Blitong, in rlumine Tjiruljup. 

Longitudo speciminis unici 117'". 

Aan. Deze species heeft groote verwantschap met Barbas 
lateristriga CV. doch onderscheidt er zich van, behalve door het 
gemis der dwarsche en overiangsche vioiet-zwarte banden , 
door ranker ligchaam , langere voeldraden , minder stompen 
snuit, minder bollen rug, één straal meer in de borstvin enz. 
Zij moet ook na verwant zijn aan Rarbus roseipinnis CV. 
van Pondicherij, doch deze mist de vioiet-zwarte rugvlek en is 
overigens in de groote Histoire naturelle des Poissons te onnaauw- 
keurig beschreven , om over de identiteit te kunnen oordeelen , 
eene identiteit welke, de woonplaatsen in aanmerking genomen , 
niet te verwachten is. 



Leuciscus cephalotaenia Blkr. 



Leucisc. corpore elongato compresso , altitudine 5 ad 5£ in ejus lc^ngitu- 
dinc , latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 circiter in 
longitudine corporis; altitudine capitis 1| ad 1| in ejus longitudine; ocu- 
lis diametro 3 ad 3i in longitudine capitis , diametro 1 et paulo a se in- 
vicem distantibus; rostro acuto oculo non vel vix longiore; maxilla su- 
perioro maxilla inferiore vix breviore , paulo protractili, ante oculum desincn- 
te; maxilla inferiore valdc adscendente, symphysi uncinata; dentibus pharyn- 
gealibus triscriaüs, serie externa 5 cnrvatis subuncinatis; osse scaptrïar 

III. 8 



98 



trigono apice rolundaio ; liuca rostro-dorsali capite declivi recta, dorso 
convexa; dorso ventre non vel vix convexiore; ventre obtuso non cari- 
nato; linea laterali valde concava, lineae ventrali valde approximata et 
parallela, basin pinnae caudalis attingentc; squamis parte libera et 
basali radiatim vel longitudinaliter striatis, lateribus 30 p. m. in serie 
longitudinali, 8 p. m. in serie verticali; pinna dorsali pinnas ventrales in- 
ter et analem sita, acuta, non cmarginata, corpore vix humiliorej pinnis 
pcctoralibus et vcntralibus acutis, pectoralibus ventralibus longioribus sed 
ventrales non attingcntibus, ventralibus analem non attingentibus; anali 
acuta, vix cmarginata, dorsali vix longiore et humiliorej caudali pro- 
funde cmarginata, lobis acutis 4i circiter in longitudinc corporisj colore 
corpore supernc yirïdi inferne dilutiore ; capite fascia rostro-operculari 
coerulea; lateribus guttis profunde coeruleis in series 2 vel 3 longitudinales 
dispositis; pinnis virideseentibus, caudali medio vitta longitudinali coerulea. 

E. 3. D. 2/7 vel 2/3. P. 1/14 vel 1/15. V. 1/3. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 
et lat. brev. 

Habit. Blitcng, in flumine Tjirutjup. 

Longitudo 8 speciminum 85"' ad Ï03'". 

Aanm. De Indische Archipel bezit vrij talrijke soorten Leu- 
ciscus met lang slank ligchaam , spitsen kop , zeer korte aars- 
vin en gehaakte onderkaak , de rugvin geplaatst tusschen buik- 
vinnen en aarsvin , en met groote schubben , — zooals Leuciscus 
cijanotaenia Bikr. , Leuciscus kalochroma Blkr. , Leuciscus du- 
sonensis Blkr. , Leuciscus Einlhovenii Blkr. , en andere nog 
onbeschrevene species, welke in mijne groote verhandeling o- 
ver de Cyprinoïden van den Indischen Archipel gepubliceerd 
zullen worden. Van alle die soorten laat zich de bovenstaan- 
de bij den eersten oogopslag onderkennen door den donker- 
blaauwen snuitoperkelband en door de reijen blaauwe vlekken 
langs de zijden. Bij Leuciscus daniconius (Cyprinus daniconi- 
us H. Buch.) , gaat ook de kopband tot aan den snuit , maar 
deze soort is korter van ligchaam dan Leuciscus cephalotaenia , 
mist de reijen zijvlekken en zou (wat ik echter betwijfel,/ 
de zijlijn regt over het midden der zijden hebben. Nog groo- 
ter schijnt de verwantschap te zijn van Leuciscus cephalotaenia 
met Cyprinus anjona H. Buch. van Bengalen , welke lang- 
werpiger is dan Leuciscus daniconius, twee reijen zwarte zij- 
vlekjes heeft , doch den snuit slomp , de o ogen hoog en het 



99 



profiel van den rug sterk naar den nek dalende, terwijl er 
van geen snuitoperkeiband gesproken wordt. 

LUCIOCEPHALOiJDEI. 

Luciocephalus pulcher Blkr. 

Ik beschreef deze soort reeds in mijne Bijdragen tot de ken- 
nis der ïchthijologische fauna van Borneo, De heer Corns. dk 
Groot verzamelde op Blitong 4 exemplaren van 76"' tot 180"' 
lengte en de grootste alzoo 60 v ' langer dan het grootste mij- 
ner Borneosche specimina en dan de afbeelding in de Ulustrati- 
ons of Indian Zoölogij. Deze uiterst merkwaardige soort, wel- 
ke aan het hoofd eener afzonderlijke familie behoort te staan , 
waarvan zij tot nog toe de eenige bekende representante is , on- 
dergaat met toenemenden leeftijd aanmerkelijke wijzigingen in hare 
kleuren , zoodat de donkerbruine kaakstaartband ligter wordt en 
zich over het geheele ligchaam en de vinnen zwartachtige ron- 
de vlekjes vertoonen. Bij de anatomische aanteekeningen, vroe- 
ger medegedeeld, kan ik nog voegen , dat er geene zwemblaas 
aanwezig is. In de maag van een der grootste specimina vond 
ik een twintigtal zeer jonge vischjes , met den dojerzak nog 
ver buiten de buikholte uitpuilende, in welke ik Leuciscus 
cephalotaenia meen te herkennen. 

ESOGES. 

Hemiramphus phaiosoma Blkr. 

Hemiramph. corpore elongato compresso , altitudine et paulo in ejus 
longitudine ; dorso rectiusculo; ventre prominente; capite 3*. circiter, ros- 
tro 5*. circiter in longitudine corporis ; maxilla superiore longiore quam 
lata lanceolata; dentibus maxillaribus minimis aequalibus; oculis diametro 
1-*- circiter in capitis parte postoculari, diametro 1 a se invicem distanti- 
bus; membrana submaxillari humili ; squamis lateribus 70 ad 80 in serie 
longitudinali j pinna dorsali anali plus duplo longiore, radio 1° longc 
ante analem inserto; pectoralibus acutis capitis parte postoculari et 
ventralibus multo longioribus ; ventralibus antice in 4* sexta corporis 
parte jitis radio postico ceteris non longiore; anali dorsali humiliore 



100 



radiis tumefactisj caudali integra, convexa, 6£ circiter in longitudine totius 
corporis; colore toto corpore pinnisque fusco. 

B. ? D. 1/20. P. 1/9? V. 1/5. A. 1/8? C. 16 et lat. brev. 

Habit. BlitoDg, in flumine Tjirutjup. 

Longitudo speciminis unici 52'". 

Aanm. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk van alle be- 
kende onderscheiden door haar bruin ligchaam , korte onder- 
kaak , lange rugvin , bolle staartvin en kleine schubben . Het 
eenige specimen, naar hetwelk bovenstaande beschrijving geno- 
men is, heeft mij niet duidelijk genoeg het aantal kieuw- , borst- 
vin-en aarsvinstralen laten herkennen. 



Scripsi Batavia Calendis Decembris mdcccli. 



GEOGNOSTISCH UITSTAPJE 

NAAR DE 

ZUIDKUST VAN CERAM. 

DOOR 
€. F. A. iCHIVEIDKR. 



Door de welwillende ondersteuning van den gouverneur der 
Moluksche eilanden in de gelegenheid gesteld zijnde, een geo- 
gnostisch uitstapje naar een gedeelte van Ceram's zuidkust, ge- 
naamd Batoe tambaga , te doen, wil ik, nopens het resultaat 
van dit reisje , het navolgende kort mededeelen. 

Ceram vormt aan zijne westzijde een schiereiland, dat zich 
van het n. n. o. naar het z. z. w. uitstrekt, en doorsneden wordt 
van eene in dezelfde rigting loopende bergketen, welke als 
een zijdelijke tak van de grootere bergketen van Ceram's 
centraal-gebergte moet beschouwd worden. Een andere en 
kleinere tak loopt in z. z. o. rigting naar het strand en stelt 
aldus, met den bovengenoemden tak eenen driehoekigen berg- 
ketel daar, welke zich als laag land (Niederung), met eene 
uitgestrektheid van ongeveer 1| n m. voordoet, en van eenige 
kleine rivieren doorsneden is. In deze uitgestrektheid liggen 
de negorijen Iha, Loehoe, Lahat, Kahila, Hoelang en Lokki. 



102 



Tot beter overzigt zal ik het zoo even beschreven gedeelte 
van Geram's kust, bepaaldelijk tot onderwerp mijner naspo- 
ringen gediend hebbende , verdeelen in drie distrikten , te 
weten. 

1. Het distrikt van af lha tot Loehoe. 

2. Het distrikt van af Loehoe tot halfweg tusschen Kahila 
en Hoelang, of het gedeelte van het laag land, en 

3. van daar af tot Batoe mas bij Lokki, welke uitge- 
strektheid gewoonlijk Batoe tambaga genaamd wordt. 

1. Het eerste dezer distrikten is van wege de geringe mid- 
delen , welke ter mijner beschikking stonden , slechts opper- 
vlakkig kunnen worden onderzocht. Het doet zich voor als 
een afgebroken bergwand , welks bovenste gedeelte uit met 
berggruis vermengde kleiaarde bestaat, terwijl aan het onder- 
ste gedeelte de kleiaarde , in lei overgaande , tot aan zee toe^ 
bestaat uit lagen blaauwe ijzerleiaarde en aluin of brandlei 
van afwisselende gedaante. 

In de nabijheid van Loehoe zijn eenige kleine rivieren, in 
welke zich meer of minder groote steenen bevinden , uit 
kwarts, brekciènkalk , ijzerkwarts, lei, leiporphier, graauwakke, 
stukken aluinlei , en pechsteen bestaande. Dezelfde steenen 
vindt men met kwartskiezel aan het strand. Het water is hel- 
der en zuiver van smaak. 

Aan het oosteinde van de negorij Loehoe begint het tweede 
distrikt. Het strand is hier laag, begroeid met roangi-mangi 
boomen (Rhizophoren). De zeegrond is vast en bestaat grooten- 
deels, even als het sfrandgesteente , uit glimmende brandlei en 
kolenletten. Van het strand naar het binnenland toe wordt de 
grond meer of min moerassig en is begroeid met sagobosschen , 
eenige klapperboomen en moerasstruiken, bewoond doormoe- 
rasvogels, terwijl in de rivieren van dit gedeelte zich kroko- 
dillen ophouden. 

Aan de oevers van een dezer rivieren , welke ik een eind wegs 
opging, bestond het land uit kleiaarde met berggruis, stukken 
van kwarts en brandlei, terwijl ook de bodem der rivier 



10S 



meest uit kleine stukken dezer lei, met stukken van liout- 
linsteen en zand zamengesteld was. In dit gedeelte zijn den- 
kelijk de kolenlagen het naast aan de aardoppervlakte; mis- 
schien liggen zij zelfs nader aan den oorsprong der rivier, 
waar deze meer kracht heeft om de hoogere stukken weg te 
spoelen geheel bloot. 

Nadat deze streek laag land verscheidene hoeken heeft ge- 
vormd, wordt het strand hooger en er vertoonen zich weder 
de muurachtige afsnijdingen. Het bovenste gedeelte van dezen 
muur is kleiaarde met losse steenen, onder welke weder ho- 
rizontale lagen van ijzerlei, ijzerklei, aluinlei , brandlei houdend 
komisch tin afwisselen. De ijzerleiaarde is rijk aan zwavel- 
zuur ijzer, zwavelijzer en aluin. 

Bij dit eerste gedeelte, waarmede het derde distrikt eenen 
aanvang neemt, liggen twee kleine eilanden, welke afgespoeld 
van de vaste kust en van dezelfde formatie zijn, schijnbaar 
daarstellende den romp van een schip met eene kleine sloep 
op sleeptouw en daarom Batoe kapal genaamd. Hierachter 
begint het tweede gedeelte van het derde distrikt en valt de 
voet van de eenen bergketel vormende bergketen als eene 
steile afhelling in zee, waardoor het gezigt op deze plaats zeer 
belemmerd wordt; de bovenste laag echter bestaat, even als 
de bovenste laag der genoemde muren, uit kleiaarde, of lie- 
ver berggruis. De losse steenen zijn stukken van kwarts , glim- 
mende brandlei, zuivere klompen zwavelkies, deeïs verweerd en 
dus met kristallen van zwavelzuur ijzer vermengd, gedeeltelijk als 
kristallen uit het gesmolten metaal afgezet en vermengd met zwa- 
vellood. Ik vermeen, dat deze laag zwavelijzer een nest vormt 
in de steenkolenbedding analoog aan de Waldenburger beddingen. 
Ook vindt men er stukken van leisteen en graauwakke. Het 
strand is bedekt met kiezel. Hier staat het huis van ee- 
nen Arabier, een hadji , welke vergunning heeft gekregen, 
daar ter plaatse goud te zoeken. Het huis, ongeveer 10 
schreden van het strand verwijderd, was gesloten; in de 
voorgaanderij echter zag men eenige kisten met verweerd zwa- 
velijzer. Voor dit huis was een tweede 9 waar zich de mijn 



104 



bevond, waaruit doze Arabier het zwavelijzer groef. Deze 
mijn was, naar opgave van den orang toewah , welke mij 
vergezelde ,' 5 vademen diep en had van boven eenebemetselde 
opening van omtrent k Q voet; zij was met naar ijzer sma- 
kend water opgevuld. De naast deze mijn liggende uitge- 
worpen grond bestond uit kies , ijzerlei en plastische thoon ; 
buiten haar had men nog eene put gegraven, waarvan het 
water ook een' ijzersmaak had , terwijl in den omtrek van 
het huis randjoes geplaatst waren. 

Dit tweede gedeelte is van eene geringe uitgestrektheid , en 
achter hetzelve begint het derde of laatste gedeelte, alwaar de 
muurachtige , bij 100 voeten hooge bergafsnijdingen zich her- 
halen ; ook hier was de volgorde der lagen als vroeger en de 
stapeling horizontaal. Digt bij zee wordt het leigesteente vas- 
ter en in dit laatste lagen groote blokken leiporphier, ver- 
mengd met kristallen van kwarts, ijzerkwarts en de reeds 
vroeger genoemde metalen; dit gesteente wordt batoe mas , ook 
batoe tambaga genaamd, en de gehecle landstreek is hiernaar 
genoemd. 

Zeer wenschelijk is een nader onderzoek naar steenkolen , 
aangezien de brandlei toch gewoonlijk het dak uitmaakt der 
steenkolen , welke hier in het vlakke gedeelte zouden moeten 
opgespoord worden. 

Rivier van Bila. 

Terugkeerende van Loehoe, maakte ik een tweede uilstapje 
tan Hila langs de rivier, welke zich in de nabijheid van het 
lort met vele krommingen in noordwestelijke rigting in zee 
stort en met regt een bergstroorn genoemd mag worden, 
uithoofde, harer groote en plotselinge opzwellingen , waardoor 
reusachtige rolsteenen, die in sterke tegenstelling met de anders 
ondiepe rivier zijn, medegevoerd worden, De monding is wijd 
en sedert eenige jaren zeer vergroot, terwijl de werkelijke 
mond iets verlegd is. 

Terwijl het land aan de kust van Gerant door langzame 



10) 



bezinking ontstaan is, vertoont zich de omtrek dezer rivier 
integendeel plutonisch. In den mond dezer rivier en aan 
het strand bestond het gesteente uit porphier en trachiet. De 
groote stukken waren door tras verbonden. De oevers der 
rivier worden aan den mond gevormd door afgebrokene 
bergzijden van geringe hoogte, welke naar boven met steile 
bergafhellingen en naar hooge muren gelijkende bergafsnij- 
dingen, welker bovenste laag uit kleiaarde met berggruis be- 
staat , afwisselen. Onder deze lagen bevinden zich nu eens 
kalk- en dan weder leiformaties. De kalk vertoont zich als te 
zamen gehoopt kalkzand , mergel, druip-, en tufsteen, hier en 
daar eene grot vormende. De lei kwam altijd beneden het 
kleiachtige berggruis voor en zij maakt de gewone onderlaag 
van de door de rivier doorsnedene bergen uit. Daar waar de 
kleiaarde tot aan de rivierbedding nadert, was zij door ijzer 
rood gekleurd, meer of minder hard, met eene bijzonder 
groote hoeveelheid kristallen van metalen vermengd. Slechts op 
eene plaats heeft zij het voorkomen van zuiver ijzeroker. De 
lei was meer of min door de werking van het vuur veranderd , 
leiporphierachtig. Verder vond men blaauwe ijzerleiaarde , lei- 
steen, welke nu en dan met groote hoeveelheden van kwarts 
doordrongen was (leiporphier) , in zijne spleten en in de 
massa zelve tinsteen bevattende, welke met kristallen van 
eene als goud schitterende, purpere of zilverwitte kleur een 
prachtig aanzien aan dit gesteente gaf. Op de spleten der 
steenen zijn deze kristallen van 1 tot 2 strepen dik. Verweerd 
en met veel ijzer verbonden, doortrekt de tinsteen verder in 
dikkere aderen het overige leigesteente. De afhelling dezer aderen 
van erts was onder eenen hoek van omtrent 35 a 45 graden. 
Waar de lei meer met kwarts vermengd was, vertoonde zich op 
de breuk bismuthoker als een geel beslag en wel voornamelijk op 
lensvormige schubkristallen. Er kwamen ook groote stukken van 
roodijzerkwarts en zwarte amphibole voor. De door de rivier 
medegevoerde rolsteenen zijn aanvankelijk minder groot, maar 
worden naar boven toe reusachtig en het is vreemd, op welke 
wijze eene zoo ondiepe rivier zulke groote steenen heeft kun- 



ÏOG 



non medevoeren; de meesten waren rond, enkelen waren ba- 
zaltpilaren van 10 lot 15 voeten lengteen 2 a 4 voeten diame- 
ter. Dit gesteente behoorde grootendeels tot de leiformatie en 
was porphier- en trachietachlig. De kleinere leirolstcencn , in 
den mond van de rivier waren rijk bezet met bovengenoemde kris- 
tallen en geheel en al van dit metaal doordrongen; naar boven toe 
worden zij grooter en bevatten meer kwarts. Men vindt er 
stukken leisteen, graauwakke, kwarts en roodijzerkwarts, waar- 
op zich eene menigte kleine rooskleurige kristallen bevindt. 
Tegenover deze met kwarts doormengde lei liggen aan de oe- 
vers eenige stukken bolus. 

Hoe meer ik den oorsprong der rivier naderde, des te 
reusachtiger werden de amphibolische steenen , welke uit 
porphier- en trachietachtigen pechsteen bestonden , waarvan 
de kleinere stukken door een onzuiver en geel tras tot 
rolsteenen verbonden zijn, hebbende het tras zelf een zwa- 
velachtig voorkomen. Deze zwarte amphibole was nu eens meer 
porphier-, en dan weder meer trachietachtig , lava herin- 
nerende ; enkele stukken geleken op hoornblende , andere klei- 
neren op obsidiaan. Ook dit gesteente was met tinsteen door- 
drongen. 

De rivier is in den regel niet meer dan een halve el 
diep, maar rijst tot 4 en meer voeten, vooral op die 
plaatsen , waar door het reusachtige puimgesteente , natuurlijke 
sluizen en watervallen gevormd worden. De stroom is sterk 
en het water heeft eene blaauwgrijze kleur, is melkachtig, 
doch zuiver van smaak. ïn zijnen loop neemt deze rivier slechts 
eenige kleine kreken op, welke nu eens eenen waterval over 
hare rotsachtige wanden vormen , dan weder steil over rol- 
steenen zich daarin uitstorten; slechts eene enkele is van meer 
aanmerkelijke grootte. 

Het ware wenschelijk geweest , de rivier tot aan haren oor- 
sprong op te gaan , en wel des te meer, daar mij door eenige in- 
boorlingen werd kenbaar gemaakt dat er boven eene solfatara be- 
staat. Volgens beschrijving van den heer Roorda van Eisinga eene 
uitbarsting aldaar plaats gehad hebbende, is misschien deze sol- 



107 



fatara daardoor gevormd. Het was mij echter onmogelijk den 
ouden krater dien dag te bezoeken , aangezien deze te ver ge- 
vorderd was en ook de medegenomene gidsen verzekerden , dat 
de oorsprong der rivier voor den avond niet te bereiken zoude 
zijn. Dien tengevolge keerde ik, na van des morgens 7' tot des 
namiddags 3 uur de rivier te zijn gevolgd, naar Hila terug, 
waar ik ten 8 ure aankwam, zoodat het onderzochte gedeelte 
eene uitgestrektheid van 4 uren gaans zal bedragen. 

Door dit mijn eerste uitstapje overtuigd, dat het opsporen 
van den oorsprong der rivier meer hulpmiddelen dan de mijne 
vorderde, zag ik van eenen tweeden togt af en keerde naar 
Amboina terug. 

Ten slotte moet ik hier nog bijvoegen , dat ik bij het inzen- 
den dezer bijdrage aan de Natuurkundige Vereeniging, foutief 
had medegedeeld , dat het tingehalte van enkele tingronden 70 
tot 77 procent bedraagt. Deze opgave is overdreven en moet 
zoo verstaan worden, dat het moedergesteente ongeveer 10 
procent erts bevat , en de erts 70 tot 77 pCt. tin (vergelijk dit 
tijdschrift Jaarg. II p. 668). 



KWIKNIJNEN OP SUMATRA, 



DOOR 
O. WASSIXIt. 



Toen ecnige jaren geleden de rijkdommen van Californië en 
nu zeer onlangs van Sydney ontdekt werden, steeg er een kreet 
van verwondering op van zoodanig prikkelend en betooverend 
vermogen, dat duizenden uit alle deelen der wereld derwaarts 
snelden, en alles trotseerden om een' hartstogt te bevredi- 
gen of bot te vieren , die door de meestal overdrevene of 
ongerijmdste verhalen uit die landen tot eene ongehoorde 
hoogte was opgewekt. 

Onder zulke omstandigheden, waarin zelfs de bedaardste mensch 
niet dan van gouden bergen droomde, kon het niemand ver- 
wonderen , dat onze landgenooten door den handel eenig voor- 
deel zochten te trekken van den toestand waarin Californië zich 
bevond. Meer verwondering heeft het evenwel gebaard, te ver- 
nemen, dat sedert dien tijd de reeds zoo lang sluimerende Hol- 
landsche spekulatiegeest is beginnen te ontwaken en wat daarbij 
opmerkingsvvaardig is , ten voordeele onzer eigene bezittingen. 
Ik meen dezen gelukkigen ommekeer of beter verandering 
te mogen toeschrijven: 

1°. aan den geest des tijds, die thans meer dan ooit leert, om 
niet dan na rijp beraad, zelfs dan nog met de meest mo- 
gelijke voorzigtigheid, het zegel zijner bewondering te hech- 
ten aan hetgeen van verre en uit den vreemde komt , al 
heeft dit vreemde voor ons Hollanders nog zoo veel aan- 
lokkelijks , en derhalve tevreden te wezen , met datgene, 
wat voor de hand ligt. 



109 



2°. Aan het gouvernement van Indie, hetwelk met alle zijne 
beschikbare middelen het belang der partikuliere in- 
dustrie bevordert en ondersteunt. De koncessie tot het aan- 
leggen en bewerken van tinmijnen op het eiland Blitong aan 
partikulieren, is alleen het gevolg van een van gouvernements- 
wege bevolen onderzoek naar de geologische gesteldheid 
van dat eiland door den ingenieur van het mijnwezen den 
heer Corns. de Groot, terwijl verdere onderzoekingen door 
deskundigen naar den bodem van eenige plaatsen op Java, 
Borneo , Sumatra en Celebes zijn gelast. Onder een vrij- 
gevig gouvernement als het tegenwoordige , lijdt het geen' 
twijfel of de koncessie van Blitong zal een opwekkend voor- 
beeld zijn tot andere ondernemingen en exploitatien van 
schatten , die welligt weinig behoeven onder te doen voor 
die van Californië en Sydney. 
Is het ons niet reeds in jeugdigen leeftijd geleerd , dat het 
schoone, door de natuur zoo rijk bedeelde Sumatra schatten 
gouds, koper en ijzer , dit laatste gelijkstaande in hoedanigheid 
met het Zweedsche, bevat? 

De wijze les : „ zoekt en gij zult vinden ," wacht dus slechts 
op hare toepassing. Misschien dat het volgende berigt, het- 
welk mij door eene hooggeschatte hand is toegezonden , de ge- 
dachte toepassing eenigermate zal bespoedigen. 

„Dat Sumatra kwik produceerde, was sedert geruimen tijd 
„ bekend. De aderen , die den erts (natuurlijke -cinnaber) in het 
„ Maleisch „ lingam" genaamd , bevatten , zijn gelegen in dis- 
„ trikten , die direkt onder ons gezag behooren. Daaromtrent 
„ goede en zekere berigten in te winnen is bij de listige en 
„ wantrouwende geaardheid , die den Maleijer kenmerkt , aan 
„ zwarigheden onderhevig en vordert eene grondige kennis 
„ van het volk , veel geduld en overleg. Het mogt den resident 
„ der Padangsche bovenlanden , den onvermoeid werkzamen 
„en verdienstelijken luitenant-kolonel Van der Hart, geluk- 
„ ken , inlichtingen te erlangen, die aan een daarop in te 
„ stellen onderzoek eene goede uitkomst beloofden. Nu ver- 
„ zocht hij den heer Netscher, adsistent resident van Tanah Da- 



110 



„ tar, zich plaatselijk van de gesteldheid van zaken te overtui- 
„ gen. Aan de onderneming waren vele moeijelijkheden en ge- 
„ varen verbonden. Wilskracht en bekwaamheid waren onont- 
„ beerlijke vereischten om tot een welgelukken te geraken. Het 
„behoeft niet gezegd te worden, dat de heer Netscuer zijne 
„zending goed volbragt." 

„ In het kort zij hier medegedeeld , wat mij daarvan mogt 
,, ter oore komen." 

„ De bekende ader, die zeer uitgebreid en verscheidene palen 
„ lang is , wordt aangetroffen aan den voet van een' op zich 
„ zelven staanden berg Goenong Soempoeng genaamd. Deze is ge- 
degen in de III Koita's , welk distrikt, bij gelegenheid 
„ der invallen van de grensvolkeren op onze bezittingen in het 
? ,jaar 1848, bij 's vijands vervolging door onze troepen be- 
„ zocht, doch daarna weder verlaten werd. De cinnaber wordt 
„ niet alleen op de oppervlakte der aarde gevonden , doch bij 
„ingravingen verkrijgt men den rijksten erts. Op vijftien voet 
„ diepte (dieper is men nog niet gegaan) , treft men de lin- 
„gam, die tot nu toe door wassching verkregen is aan tot in 
„ stukken van 5 a 6 thails zwaarte." 

„De minst rijke grond, die aan de oppervlakte der aarde, 
„ geeft bij wassching op een' dag 6 en meer thails erts. Een 
,, dag werks van een' Maleijcr bestaat uit slechts weinige uren 
„ van middelmatige inspanning , terwijl de overige uren met 
„eten, drinken, rooken enz. gesleten worden. Hieruit is af te 
„ leiden, wat bij eene nijvere behandeling van eene rijkere grond- 
„ laag te erlangen zou zijn." 

„ In den handel komt de cinnaber en het kwik voor. Het 
„ laatste verkrijgen de Maleijers door verdamping. Deze be- 
„ werking is der vermelding waardig. De fijngemaakte lingam 
„doen zij in een' gewonen aarden pot, gewoonlijk p.m.acht 
„ thaüs , en daarover een aarden deksel. Om de ontsnapping 
„ van den damp langs de randen van het onvolmaakt sluiten- 
„ de deksel tegen te gaan , wordt daar langs eene soort van 
„ rijpe pisang , pisang-lidi genaamd , ingewreven. Hieronder 
„ nu wordt een lioutvuur gestookt on gedurende de bewerking 



111 



„ 3 a k malen het deksel afgenomen , waartegen het kwik zich 
„ heeft gezet en dit daarvan met een wollen lapje afgeveegd. 
„ In den pot blijft eene witte asch over. 

„Langs dezen zeer gebrekkigen weg, levert de erts 80°/ o 
„ zuiver kwik op. Dat eene betere bewerking meer opleve- 
„ ren zou , lijdt geenen twijfel. Opgaven daaromtrent geven 
„ volgens Guibourt 86,21 pCt en volgens Sefström 86,29 pCt. 

„ De omstreken der mijn zijn onbewoond ; de exploitatie is 
„ dan ook gering. De omstreken bevatten zeer rijke goudmij- 
nen, waardoor de Maleijer met den geringsten arbeid over- 
„ vloed kan hebben; iets, dat hij niet waardeert. De rijke 
„ kwikader kan dus als het ware beschouwd worden als nog in 
„ maagdelijken staat te verkeeren. Welke voordeelen aan eene 
„ goede exploitatie daarvan verbonden zouden zijn is ligt na te 
„ gaan/' 

„ Hoezeer de prijs van het kwik aan de Europesche markt niet 
„zeer hoog is en vele rijke kwikaderen te Idra, Carniola en 
„ Almaden in Spanje en ook in Californie ontgonnen worden , 
„schijnt het echter, dat de exploitatie toch aanzienlijke baten af- 
„ werpt. Ik herinner mij ergens het navolgende daaromtrent 
„ gelezen te hebben. 

„ In Californie werd eene kwikmijn geëxploiteerd» Eensklaps 
„ klinkt de verbazende goudmare, en er was bijna geen arbei- 
„ der meer te houden. Door het toeleggen van buitengewone 
„loonen werden zij echter overgehaald, het zekere boven het 
„onzekere te verkiezen. De ondernemers konkurreerden dus 
„als het ware tegen de rijke goudproduktie. Het mogt hun 
„gelukken, die konkurrentie volte houden en nog steeds aan- 
„ zienlijke winsten uit hunne ontginningen te trekken." 

„Uit het bovenstaande is dus gereedelijk af te leiden, dat 
„ de exploitatie van het kwik op Sumatra eene uiterst winst- 
„ gevende industriële onderneming zoude zijn. De natuur- 
„ lijke rijkdom is daar. Eenige Europesche en inlandsche 
„werklieden zouden voor zekere matige loonen der ondernc- 
„ ming wel hunne krachten leenen. Er blijft nu slechts één 
„ moeijclijkhcid en deze is van veel gewigt. Hoe namelijk het 



112 



„ kwik af te voeren? Eenige palen van de ader loopt de 
„ rivier Batang hari, die zich later met den Djambi-stroom veree- 
„nigt, geheel bevaarbaar is en in acht dagen (dit is de tijd, 
„die de Maleijers er voor bezigen) kon zonder moeite het pro- 
„ dukt langs dien weg te Moeara kompeh worden aangebragt. 
„ Het terrein tusschen de kwikader en de rivier biedt geene 
„ moeijelijkheden aan tot het daarstellen van eenen goeden weg. 
„ Het land echter tusschen de Batang hari en Djambi is niet 
„onder ons gezag, zoodat daardoor de afvoer zoude kunnen 
„ bemoeijelijkt worden." 

Ter voorkoming van verkeerde uitlegging of gevolgtrekkin- 
gen teeken ik evenwel aan , dat bedoelde moeijelijkheden vol- 
gens de meening van zaakkundigen behooren tot die, welke 
op eene gemakkelijke, niet kostbare wijze uit den weg te 
ruimen zijn. Uit de vermelde mijnen heb ik eene zekere hoe- 
veelheid kwikerts , en op de hiervoren genoemde wijze 
bereid kwik ontvangen, en het tot het doen van onderzoek 
in handen gesteld van den ijverigen en kundigen chemist, 
den heer Scharlee, die de goedheid zal hebben, het resul- 
taat zijner onderzoekingen zoo spoedig mogelijk bij wijze van 
aanhangsel op dit berigt openbaar te maken. 

Batavia, den Uden Maart 1852. 



B IJ D R A G E N 

TOT DE 

GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS 

VAN 

NEDERLANDSCH INDIË 

DOOR 
De Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsen Indië (1). 



II. 



CHEMISCH ONDERZOEK VAN ZWART ZAND EN EEN 

ZWART MINERAAL VAN DE ZUIDOOSTKUST VAN 

BORNEO EN POELOE-LAWUT. 



o. v. ü. jt. jr. HiiGiEiB. 



In den loop van de maand December 1850 werd mij door 
den heer Corns. de Groot eenig zwart zand, en eene zwarte 
vaste mineraalmassa ter onderzoeking overhandigd. Zand en 
mineraal waren hem aangeboden door den heer W. Ihne , 
welke het op het zeestrand te Pagattan en Poeloe Lawut had 
aangetroffen en verzameld. In een' brief, welke deze voorwer- 
pen vergezelde, deelde genoemde heer Iiwe mede, dat het 



(1) Onder dezen algemeenen titel zullen achtereenvolgens openbaar ge- 
maakt worden de resultaten der natuurkundige werkzaamheden van de heeren 
ingenieurs van het mijnwezen in Ncderlandsch Indië. De Bijdrage van den 
heer Couns. de Groot over Bawean, in den vorigen jaargang opgenomen, 
is als de eerste dezer verhandelingen te beschouwen. 

III. 9 



m 



sand, titaanijzerzand door hem genoemd, waarmede het in ui- 
terlijk aanzien vrij wel overeen kwam, zeer waarschijnlijk ont- 
staan was uit het verbrokkelen van den vasten erts door de gol- 
ven der zee. 

Ik heb ook inderdaad geen verschil hoegenaamd, behalve den 
aggregatie-toestand, tusschen het zand en den erts kunnen vin- 
den ; slechts waren meerdere zeezandkorrels bij het eerste ge- 
mengd. Beiden zijn afzonderlijk door mij kwalitatief onderzocht, 
en wat hieronder van het zwarte zand vermeld staat is ook 
op den erts volkomen van toepassing. 

Met het mikroskoop gezien , bestond het zand uit afgeronde 
gladde korrels van ongelijke gedaante en bruinachtig zwarte kleur 
met metaalachtigen vetglans; de korrels waren volkomen glanzend 
zwart, en onder de honderden, welke door mij naauwkeurig 
bezigtigd zijn , heb ik eene kristalachtige gedaante aan slechts 
twee korrels waargenomen, namelijk de octaëder. Zij waren te 
onvolkomen en de hoeken en kanten te veel afgerond om eenige 
bepaling van het stelsel , waartoe zij behoorden te veroorloven. 
Bij 29° C. was het spec. gewigt 4,561. 

Het zeer fijn gemaakte drooge poeder was bruinachtig zwart, 
waardoor het reeds dadelijk van titaanijzer afwijkt. Voor de 
blaaspijp in de oxydatievlam waren de korrels onveranderlijk, 
doch een hevig reduktie-vuur rondde de kanten eenigzins af. 

Het zeer fijne poeder met borax en phosphorzout in de oxy- 
datie-vlam behandeld , hadden de parels, warm zijnde, de beken- 
de ijzerkleur ; bij de bekoeling werden zij groenachtig , en 
geheel koud fraai groen. De kleur was bij de phosphorzout- 
parel helderder , dan die van de borax ; deze laatste was meer 
geelachtig. In de reduktie-vlam had men dezelfde verschijnse- 
len ; de geheel bekoelde parel bezat de intensief schoon groene 
kleur, welke zuiver chromiumoxijde aan de glasvloeden me- 
dedeelt. 

Alhoewel de groene kleur der borax-parel in de oxydatie- 
en reduktie-vlam allen twijfel omtrent het aanwezen van chro- 
mium weg nam, is ten overvloede een deel der zeer fijn 
gemaakte stof in een' platinalepel met soda en salpeter zamen- 



gesmolten. De gele zoutmassa, in water opgelost en gefiltreerd, 
liet op het filtrum een bruingeel poeder achter, dat zoowel 
voor de blaaspijp als langs den natten weg slechts dereaktiën 
van ijzer gaf. 

Volgens een kwantitatief onderzoek van den heer Rost van 
Tonningen, die binnen kort omtrent dezen erts meerdere berigten 
zal medcdeelen, is het op 100 deelen aldus zamengesteld, 
23,434 chroomijzer. 
63,550 ijzeroxyde en oxydule. 
9,771 zand en 
2,987 aluinaarde. 



Te zamen 99,742 

0,258 verlies. 



100,000; 



waaruit volgt, dat de gevonden erts een mengsel is van ijzer- 
zand met chroomijzer. 

De heer Ihne zegt betreffende de wijze van voorkomen het 
volgende : 

„ Aan de zuidoostkust van Borneo , en wel bepaaldelijk aan 
„het strand in de nabijheid van Pagattan, even als aan de 
„ tegenoverliggende kust van Poeloe Lawut, vindt men eene zeer 
„ aanzienlijke hoeveelheid zwart zand , hetwelk op het oog vol- 
„ maakt overeenkomt met het in de natuur zoo menigvuldig 
„voorkomende titaanzand. Het is niet algemeen langs het 
„strand verspreid, maar wordt meer plaatselijk, eenige ellen 
„ breed en een half el en meer dik opgehoopt , aangetroffen , 
„ en meestal uitgaande van een punt boven de hoogwaterlijn 
„ gelegen en breed op de grens van de laagwaterlijn ein- 
„ digende. Dit alles scheen mij bepaald aan te duiden , dat 
„ de erts , waarvan het zand afkomstig was , zeer nabij de 
„ vindplaats van hetzelve moest aanwezig zijn. Eenige gra- 
„ vingen op het strand te Pagattan leverden geen resultaat op. 
„ Aan de kust van Poeloe Lawut was ik gelukkiger." 



116 



„ Op deze merkwaardige kust vond ik weder eene groote 
„hoeveelheid van het bovengenoemde zwarte zand, en op de- 
„ zelfde wijze verspreid als te Pagattan het geval was. De 
„ oorsprong of aanvang van de zandmassa verloor zich in een 
„ naauw , in den kleiachtigen oever uitgespoeld hol , in het- 
„ welk ik dan ook bij nader onderzoek de vaste ertsmassa vond, 
„ welke met het boveneinde slechts weinig boven den kleibo- 
„ dem van het hol uitstak. Haar eenige voeten aan alle zijden 
„ ontblootende , bleek het ten duidelijkste een depot van zeer 
„ grooten omvang te zijn." 

Waarschijnlijk vindt men daar ter plaatse graniet, serpentijn 
of andere plutonische gesteenten als vaste bergmassa's en zul- 
len ook andere metalen en mineralen bijv. platina en goud niet 
afwezig zijn. De heer De Groot, die binnen kort deze streken 
zal bezoeken , zal daaromtrent zeker wel nadere berigten kunnen 
mededeelen. 






BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. 



Chronologisch overzigt der vulkanische verschijnselen 
op Java, gedurende het jaar 1851. 

Het volgende overzigt der aardbevingen op Java in 1851 , 
heeft de redaktie te danken aan den heer J. Hageman Jcz. Het 
sluit zich aan dat, voorkomende in het Natuurkundig tijdschrift, 
lste deel, bladz. 463, hetwelk loopt over het jaar 1850. 

De heer Hageman heeft slechts van twee aardslortingen in 
het jaar 1851, namelijk op den 13den en loden Januarij , 
melding gemaakt gevonden (Javasche Couranten N°. 11 en 14), 
en deze waren van weinig aanbelang. 



e 

« 


Aardbevingen. 


a 

6D 




G 

3 a 

es O 


c . 

O© 

. co 


P 




5 




cd 


24 Jan. 


Ter hoofdplaatse Ke- 
diri : drie kort op 
elkander volgende 
vrij hevige schokken, 
voorafgegaan door een 












onderaardsch ge- 


Z. 0. 


5 uur 


L. K. 


14 




druisch. 




namidd. 






4 Mei. 


Te Batavia : ligte 


Horizontaal. 


3*. uur 




Nat. Tijds. 




schokken, gedurende 




namidd. 




II. 180. 




eeniges konden. De- 












ze werden meer ge- 












voeld in de Lampongs 












gedurende 5 minuten 












op hetzelfde uur , bij 












windstilte en hooge 


Horizontaal. 


3u. 8m. 


N.M. + 4d. 


46 




zee. 89 gr. Fahr. 


Z.W.-N.O. 








29 Aug. 


Te Batavia : ligte 












schok. 


? 


2u.53m. 


N.M. + 3d. 


Nat. Tijds. 


29 Sept. 


In het zuiden van 
Banjoemas. Ook in 




namidd. 




II. 523. 




zee , in de nabijheid 


Z.O.-N.W. 


Vroegen 


3d. — E.K. 


83 




der kust. 


Vertikaal. 


morgen. 






3 Okt. 


In de residentie 
Banjoemas ; een vrij 












hevige schok. 


Horizontaal. 


&u. 's av. 


E.K. + ld. 


84 



118 



De heer Hageman drukt den wensen uit, dat de chronolo- 
gische overzigten mogen vervolgd worden van de vulkanische 
gebeurtenissen in de bezittingen buiten Java, die vroeger in 
het Tijdschrift voor Nederlands xh Indië , het Natuur- en Ge- 
neeskundig Archief voor N. Indië en het Indisch magazijn me- 
degedeeld zijn, welke wensch ook is die der redaktie. 



Aardbevingen in de Molukken in het laatst van 1851. 

Volgens de Javasche Courant van den Uden Februarij j. I. 
zijn op den 27sten Augustus en den 8sten Oktober 1851 to 
Ternate eenige schokken van aardbeving gevoeld. 

Te Amboina en in de afdeclingen Saparoea, Harocko, Hila 
en Larieke hadden, volgens dezelfde Courant van den 21 sten 
Februarij j. 1. , in den nacht van den 20sten November 1851 
twee schokken van aardbeving plaats, welke geene schade heb- 
ben aangerigt, De officier van gezondheid 1ste kl. te Amboina, 
de heer J. Hartzfeld, heeft aan den chef der geneeskundige dienst 
in Nederlandsen Indië , omtrent deze laatste aardbeving de vol- 
gende bijzonderheden medegedeeld. 

In den nacht van den 20sten op den 21 sten December 1851 
ten 11 ure 55 min., werd te Amboina eene hevige doch kort- 
durige aardbeving waargenomen , die alle gedurende dit jaar 
plaats gehad hebbende schokken in intensiteit overtrof en eene 
vertikale rigting scheen te hebben. Tien minuten later volgde 
een tweede, doch minder hevige schok. Beide schokken 
werden voorafgegaan door een duidelijk waar te nemen onder- 
aardsch geraas, veel overeenkomst hebbende met het geluid 
van den donder. Op de ziekte-konstitutie had dit natuurver- 
schijnsel , althans tot op den datum der mededeeling f29 Nov.), 
geenen merkbaren invloed gehad. Het volgende is een extrakt 
van het meteorologisch journaal, gehouden te Amboina op den 
Susten November 1851. 



219 



Differentiaal thermometer: 

's morgens ten 6 uur: droog 24.8; nat 2Ï.2 

„ 9 „ „ 28.8 „ 26.2 

's namiddags „ 3 „ „ 27.5 „ 25.7 

's avonds „ 10 „ „ 2i8 M 24.6 

Barometer 's nachts omtreeks ten 12 uur, 753 m. m.; wind- 

rigting den geheelen dag westelijk. 

Wolkformatie: 's morgens cumulus; 's middags nimbus; 's nachts 
stratus. 
Regen: van 's namiddags 3 tot 's nachts 11| uur stortregen. 
Onweder : 's namiddags 3 uur, matig onweder in het westen. 



Aardbeving in westelijk Java en zuidelijk Sumatra 
op den dden Januarij 1852. 

In de residentien Bantam en Batavia, deafdeeling Buitenzorg 
en in de Lampongsche distrikten zijn , in den namiddag van 
den 9den Januarij 11. , even na 6 uur , eenige schokken van 
aardbeving gevoeld , waaromtrent de volgende bijzonderheden 
zijn aangeteekend. 

Te Batavia hadden , met tusschenpozingen van verscheidene 
minuten , twee vrij zware en eenige minder sterke schokken 
plaats, welke echter, voor zoo ver bekend is, geene schade 
hebben te weeg gebragt. Een der schokken moet geweest 
zijn ten 6 uur 9 minuten, daar eene astronomische klok van 
Knjzbbl op dat tijdstip is stil blijven staan. Eene andere 
astronomische klok werd ook gestopt en de eerstgenoemde is 
niet zonder de hulp van den instrumentmaker weder aan den 
gang kunnen gebragt worden. De gang van eene derde as- 
tronomische klok, die van Hohwii N°. 12, is bij die gelegen- 
heid 3 sekonden versneld. Men meent uit het aangevoerde te 
mogen besluiten, dat de aardbeving in oostelijke en westelijke 
rigting heeft plaats gevonden. 



120 



Te Buitenzorg was de schudding ook vrij hevig, zonder even- 
wel schade aan te rigten. 

Te Tjiringin (Bantam) voelde men drie zeer zware schok- 
ken en vier ligtere, kort op elkander volgende, en een' circa 
twee minuten aanhoudenden. De rigting was van het oosten 
naar het westen, terwijl een zwaar onderaardsch gedruisch 
zich deed hooren. De eenige schade, door dit natuurverschijn- 
sel veroorzaakt, was het instorten van de kap van het dak van 
den ouden mohammedaanschen tempel. 

Te Serang (Bantam) is een vrij hevige schok waargenomen. 

Te Telok betong (Lampongs^/ had, volgens de opgave vanden 
militairen en civielen gezaghebber den heer J. E. H. Jüch, de aard- 
beving plaats omstreeks ten 6 u. 25 m. Het was stil, doch 
had des morgens een stijve n. o. en des middags een stijve 
n. w. wind gewaaid. Het weder was droog; de thermome- 
ter teekende 81 gr. Fahr. De aardbeving duurde ruim 3 mi- 
nuten. De schokken waren horizontaal en hevig, met twee 
kleine tusschenpozingen. De rigting scheen van het z. w. 
naar het n. o. te zijn. De gebouwen in het algemeen heb- 
ben geleden. Des avonds ten 8 ure ruischte de zee meer dan 
gewoonlijk, hoewel de vloed reeds een 7 aanvang had genomen. 
Het water steeg op eens zeer spoedig ; kleine vaartuigen , die 
niet vlot lagen , werden in beweging gebragt. De zee daalde 
daarop even spoedig en steeg vervolgens weder hooger en spoe- 
diger. Dit verschijnsel herhaalde zich eenige malen. De stij- 
ging der zee is echter niet hooger geweest dan de hoogste 
stand bij de hoogste vloeden. De thermometer was toen reeds 
gedaald tot 78° Fahr. 



Aardbeving in de residenti'ên Madioen en Kediri en in \ 
de af deeling Patjitan , den Olsten Januarij 1852. 

Te Kediri zijn op den 27sten Julij jl. des morgens ten zes 
ure, eenige schokken van aardbeving gevoeld, voorafgegaan door 
een onderaardsch gedruisch in de rigting van het zuidwesten» 



in 



en eindigende met een' zwaren schok, welke evenwel gcene 
schade aan de gebouwen heeft toegebragt. 

In de residentie Madioen werden op gezegden datum, des 
morgens ongeveer zeven ure, insgelijks eenige schokken van 
aardbeving waargenomen, in de rigtiug van het oosten naar 
het westen, en in de afdeeling Patjitan gingen zij verge- 
zeld van een dof onderaardsch geluid (Javasche Couranten van 
11 en 21 Februarij 1852). 



Koflij-thee. 

In de Astrea, Tijdschrift voor Schoone Kunst, Wetenschap 
en Letteren, 9de Aflev. bladz. 285, komt volgend artikel voor 
omtrent de in den laatsten tijd meer ter sprake gebragte kofjij- 
ihee , welke artikel hier eene plaats gegeven wordt, om de 
aandacht der belanghebbenden daarop meer algemeen te vestigen. 



„Wij gaven onlangs te kennen , dat het ons aangenaam zou 
zijn , nogmaals op het gewigtige onderwerp der koffij-thee terug 
te zullen kunnen komen. Dit is thans het geval , daar de ge- 
achte Leidsche hoogleeraar Blume ons ter plaatsing toezond 
den brief, door hem, reeds voor nagenoeg twaalf jaren, be- 
trekkelijk deze aangelegenheid, aan den toenmaligen minister 
van koloniën geschreven. 

Die belangrijke missive volgt alzoo hieronder. Overigens 
hebben wij nu ook het oorspronkelijk schrijven van den En- 
gelschen scheikundige Gahdner (Augustus 1845) onder het oog 
gehad, en daarin de voorstellen gevonden, door dien vreem- 
deling aan onzen vereerden landgenoot gedaan, doch door de- 
zen, geheel onbaatzuchtig, van de hand gewezen, als liggende 
het enkel in het plan van den hoogleeraar Blume, om zijn we- 
tenschappelijk denkbeeld uitsluitend ten voordeele van Nederland 
in praktijk te zien gebragt, zonder daarbij èenig persoonlijk 
belang, van welken aard ook, in te mennen. De brief, die 



122 



hier volgt , strekt daarvan ten overvloediger! bewijze. Jntussclien 
twijfelen wij niet, of de eer der uitvinding, welke de heer 
Gardnrr zich zoo roekeloos aanmatigde, zal hem wel spoedig 
ontvallen, nu het wetenschappelijk publiek met de juiste toedragt 
dezer opmerkelijke zaak alome meer en meer volledig bekend 
begint te worden*'. 

Leiden, den liden Maart 1840. 

Aan den heer staatsraad J. C. Baud, 
Minister ad interim van Koloniën. 

Het onderhoud, hetwelk ik de eer had, ongeveer acht da- 
gen geleden, met uwe excellentie over onderscheiden voor- 
werpen van kuituur op Java te voeren, noopt mij, om aan 
liet door uwe excellentie uitgedrukt verlangen te voldoen, en 
mijne denkbeelden over een en ander nader uit elkander te 
zetten. Ik doe dit des te liever, daar ik bij ondervinding weet, 
hoezeer de voortgang en uitbreiding der kuituur in de Neder- 
landsche bezittingen uwer excellentie ter harte gaan , en hoe 
groot het aandeel is, hetgeen haar aan den hierdoor thans zoo 
bloeijenden toestand onzer Oost-Indische koloniën , volgens 
mijne overtuiging , toekomt. 

Tot de takken van kuituur, welke in de laatste jaren op 
Java , voorzeker niet zonder een , van tien beginne af aan, veel 
belovend vooruitzigt gedreven , en diensvolgens van regerings- 
wege krachtdadig ondersteund zijn , behoort vooral die van de 
thee. Het is dan ook buiten twijfel , dat dit nieuwe produkt 
voor onze koloniën bij voortduring de meeste belangstelling 
verdient, omdat bijna geheel Europa en de Vereenigde Staten 
van Amerika daarvoor aan China, als het ware, cijnsbaar zijn 
geworden en jaarlijks onmetelijke schatten betalen, terwijl geen 
ander handelsartikel zooveel toebrengt, om den koophandel 
leven bij te zetten. Nogtans verschilt het klimaat en de ge- 
steldheid van den grond op Java en in andere gedeelten van 
den Indischen Archipel zoo zeer met die streken van China , 



n% 



waar deze belangrijke kultuur vooral te huis behoort, en van 
waar de beste theesoorten alleen afkomstig zijn, dat er bij mij 
groote twijfel bestaat , of men wel ooit er in zal kunnen sla- 
gen , om op Java eene soort van thee te produceren , die zich 
door hare goede hoedanigheid in den handel kan staande hou- 
den, en of die kultuur aan de van regeringswege daartoe be- 
steede sommen zal beantwoorden. Dan dit daargelaten zijnde, 
blijft het desniettegenstaande eene zaak van groot gewigt, zoo 
men in Nederlandsch Indië , al is het dan ook slechts eene 
mindere kwaliteit van dit produkt, in zeer groote hoeveelheid 
en tot een' bijzonder lagen prijs, kan aankweeken. Immers, 
de grootste konsumptie van dit artikel bepaalt zich juist tot de 
mindere en goedkoopere soorten. Nu hebben bij mij eenige, 
wel is waar slechts op eene zeer kleine schaal ondernomen , 
proeven genoegzaam de overtuiging doen geboren worden, dat 
wij tot de produktie van zoodanig eene mindere kwaliteit van 
thee , die evenwel nog voor den handel geschikt is, en daaren- 
boven veel goedkooper dan de minste soorten , die uit China 
worden aangevoerd , kan geleverd worden , het geschikte plant- 
gewas alreeds in de Nederlandsche koloniën, en dat wel in 
zulk een buitengemeen grooten overvloed bezitten, dat, zoo 
mijne waarnemingen bevestigd mogten worden, dan ook nood- 
wendig de voor het hemelsche rijk tot dusverre zoo voor- 
deelige produktie van thee tot in hare grondvesten zal worden 
geschokt. Dit zal bij uwe excellentie geen nader betoog be- 
hoeven, wanneer ik herhaal, dat de bladen van den Arabi- 
schen koffjhoom mij daartoe bijzonder geschikt voorkomen, van 
dien boom , waarvan de invoering op Java aanvankelijk zoozeer 
is tegengewerkt, en die thans de hoofdbron van den voorspoed 
èn der Nederlandsche koloniën, èn van den handel van het 
moederland geworden is. Ik ben tot deze waarneming ge- 
leid geworden door eene zeer belangrijke ontdekking van 
onzen bekwamen en verdienstelijken scheikundige, den heer 
G. J. Mulder, hierin bestaande, dat de eigenlijk werkza- 
me stof, die in de koffij en thee is hevat, niet, zoo als 
men tot dusverre geloofde, van elkander verschillend, maai 



124 



volkomen dezelfde is, en, voor zoover bekend, alleen in deze 
beide produkten , welke zoo algemeen onder alle beschaafde 
volkeren als dagelijksche drank zijn aangenomen, wordt aan- 
getroffen. Ik zou te wijdloopig worden, indien ik nu uwer 
excellentie uit een zetten wilde, hoc ik door deze ontdekking 
op het denkbeeld ben gebragt, dat hetzelfde werkzame beginsel, 
men moge het coffeïne of theïne noemen, ook in de bladeren 
van den koffijboom aanwezig kan zijn, zoo als zulks door de 
gemaakte proefnemingen buiten allen twijfel is gesteld. Alleen 
moeten deze proefnemingen, gelijk ik boven reeds aanmerkte, 
uit hoofde van de moeijelijkheid, om mij eene genoegzame hoe- 
veelheid koffijbladeren uit onze warme kasten aan te schaffen, 
nog als te ontoereikend beschouwd worden , om reeds nu da- 
delijk met zekerheid te bepalen, dat de thee, uit de bladeren 
van den koffijboom bereid, in alle opzigten voor den handel 
geschikt zal zijn. Dit moet door herhaalde, en vooral op eene 
grootc schaal aangestelde proefnemingen nog nader worden be- 
vestigd. Men mag evenwel uit de daadzaak , dat hetzelfde 
werkzame beginsel in de bladeren van den koffijboom , even 
als in die van de theeplant vervat is, a priori eene gunstige 
gevolgtrekking opmaken, ofschoon het niet te ontkennen valt, 
dat de bereiding van beide planten vermoedelijk zekere wijzi- 
gingen zal dienen te ondergaan, zoo als zelfs reeds het geval 
is met de verschillende soorten van thee, die in China van 
hetzelfde gewas gewonnen worden. 

Door al het gezegde geloof ik de bevreemding , die het door 
mij aangevoerde noodwendig bij uwe excellentie verwekken 
moest, eenigermate te hebben weggenomen, terwijl daaren- 
boven nog andere , meer of min algemeen op Java bekende 
daadzaken, strekken kunnen, om mijne vooronderstelling, dat de 
bladeren van den koffijboom ter bereiding van eene voor den 
handel geschikte theesoort kunnen dienen , te bevestigen , en 
daarom verdient hier kortelijk te worden aangestipt: 

1°. Dat de geringere klassen der Javanen algemeen de bla- 
deren van den koffijboom, even als wij de thee, tot drank 
gebruiken, en men niet kan vooronderstellen, dat zij daai 



125 



aan deze uitheemsche plant de voorkeur zouden geven, indien 
hun een daartoe geschikt gewas, dat op Java te huis behoort, 
bekend was. 

2°. Dat zelfs de tegenwoordig met de theekultuur belaste 
ambtenaar Jacobson, die, zoo ik mij niet vergis, in der tijd 
door de Nederlandsche handel-maatschappij als theeproever 
naar China is uitgezonden , zich door den resident van Kra- 
wang met thee , uit de bladeren van den koflijboom bereid , 
zoozeer liet misleiden , dat hij , Jacobson , verklaarde , dat de 
hem daarvan tot herhaalde beproeving voorgezette thee , voor- 
zeker tot de beste soort behoorde, die tot dusverre op Java 
gewonnen was, wel te verstaan van de uit China ingevoerde 
theeplant. 

Doordrongen van het gewigt eener zaak, waaruit, zoowel 
voor onze koloniën, als voor het moederland de gewigtigste 
uitkomsten kunnen voorspruiten , durf ik uwer excellentie des 
te meer aanraden , om haar tot het onderwerp van een 
.grondig onderzoek te maken, daar zulks zonder eenig bezwaar 
voor den lande zou kunnen geschieden. Daarbij komt het mij 
echter raadzaam voor, om de geheele zaak met de meest mo- 
gelijke geheimhouding te behandelen , zoowel hier te lande , 
als in Nederlandsch Indië , en de bereiding der thee uit koffij- 
bladeren op Java zelf aan zoodanige personen op te dragen , 
die tot de aldaar bestaande theekultuur volstrekt in geene be- 
trekking staan. Alhoewel dit onderzoek hier te lande alleen 
in het klein kan plaats hebben, zou het echter der moeite 
waard zijn , om het ook hier door eenige onbevooroordeelde 
personen te laten voorzetten, daar, in allen gevalle, deze proef- 
nemingen uitkomst kunnen geven , welke analogie er tusschen 
de thee, uit koffijbladeren bereid, en die van den Chineschen 
theeheester, bestaat; of die van het eerstgenoemde gewas in 
hare phijsische en chemische eigenschappen met de in den han- 
del voorkomende geringere soorten van China-thee genoegzaam 
overeenkomt, zoodat men gegronde hoop mag voeden, om 
daarvan partij te kunnen trekken. Het lijdt bij mij geen twij- 
fel, dat eenige kundige mannen, alleen om het belang der zaak, 



12(5 

en zonder op eenige belooning aanspraak te maken, van re- 
geringswege met deze taak zich gaarne zullen belast zien. 

Ik eindig met de verzekering , dat , zoo uwe excellentie 
daarin belang stellen mogt, ik gaarne mijne opmerkingen over 
eenige andere voorwerpen van kültuur, die, mijns erachtens, 
voor onze Oost-Indische bezittingen geschikt zijn , aan haar zal 
mede deelen, terwijl ik de eer heb, mij, met gevoelens van 
ware hoogachting , te noemen : 

C. L. Blume." 



Tentoonstelling te Batavia te houden ,in 1858. 

Ten vervolge op het voorkomende in het algemeen verslag, 
aan het hoofd dezer aflevering geplaatst kan medegedeeld wor- 
den, dat de Vereeniging, overeenkomstig haar plan, het be- 
heer der tentoonstelling overgedragen heeft aan de algemeene 
kommissie, welke het haar gelukt is zamen te stellen, en dat 
de regering deze handeling heeft goedgekeurd. Van de vor- 
deringen dezer tentoonstelling zal van tijd tot tijd , bij nog be- 
staand gebrek in Indië van een orgaan voor industrie en volks- 
vlijt, in dit tijdschrift melding gemaakt worden. 

Wij laten hier thans volgen het regeringsbesluit van 25 
Febr. 1852 No. 3, alsmede de cirkulaire van de kommissie 
tot het beheer der tentoonstelling van 6 Maart 1852. 



Esctrakt uit het register der beslui- 
ten van den gouverneur generaal 
van Nederlandsch Indië. 



Batavia, 25 Februarij 1852. 

Gelezen de missives : 
a. van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië, 



127 



van 15 en 22 December 1851 en van 17 Februarij 1852 
No. 3; 
b. van de Kommissie tot het beheer der tentoonstelling te 
Batavia, van 17 Februarij 1853 lett. K. F. No. 1; 
De Raad van Nederlandsen Indië gehoord ; 
Is goedgevonden en verstaan: 

Eerstelijk: Aan de kommissie tot het beheer der tentoonstel- 
ling te Batavia, te kennen te geven, dat er bij het gouverne- 
ment geene bedenkingen bestaan. 

1°. dat eene tentoonstelling van Voorwerpen van industrie en 
volksvlijt uit den Indischen Archipel worde gehouden te 
Batavia in September 1853 ; 
2°. dat door de kommissie worde rondgezonden eene intee- 
kenings-Iijst, ten einde de noodige gelden bijeen te bren- 
gen , tot bestrijding der uitgaven aan gezegde tentoonstel- 
ling verbonden; en dat, indien de tentoonstelling een ba- 
tig saldo overlaat , zulks worde aangewend tot eenig nuttig 
doeleinde. 
Ten tweede: Aan de kommissie voornoemd, toe te zeggen, 
zoodanige hulp als zonder geldelijke uitgaven, noch stoornis- 
sen in de dienst, kan verleend worden. 

Ten derde : De gouverneurs en residenten op en buiten Java 
aad te schrijven , om het plan en doel der in September 1853 
te Batavia te houden tentoonstelling van voorwerpen uan in- 
dustrie en volksvlijt uit den Indischen Archipel , aan de be- 
volking bekend te maken en deze aan te moedigen om bijdra- 
gen in te zenden, alsmede om te bevorderen de verzameling 
en verzending van al de voorwerpen, welke kunnen bijdragen, 
om de volksvlijt en de produkten van de onder hun bestuur 
of invloed staande gewesten te doen kennen. 

Ten vierde : Te bepalen , dat zal worden verleend vrijdom 
van in- en uitgaande regten voor de voorwerpen, bestemd voor 
de tentoonstelling , afkomstig van buiten. Java. 

Ten vijfde : Te bepalen , dat het plaatsen in de Javasche 
Courant van berigten betreffende de tentoonstelling kosteloos 
zal geschieden. 



128 



Ten zesde: Aan de kommissie voornoemd toe te staan, om 
met de respektive autoriteiten op en buiten Java, door tus- 
schenkomst van den direkteur der kultures , officieel te korres- 
ponderen. 

Ten zevende: Aan meergemelde kommissie te kennen te ge- 
ven, dat nadere voorstellen zullen worden afgewacht no- 
pens de verwezenlijking van het denkbeeld , om het reizen 
herwaarts en het verblijf alhier voor inlanders , die de ten- 
toonstelling willen bezoeken , van gouvernementswege te be- 
vorderen en gemakkelijk te maken. 

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den raad van 
Nederlandsch-lndie , tot informatie , en extrakt verleend aan 
den direkteur der produkten en civiele magazijnen , den direk- 
teur der middelen en domeinen , den direkteur der kultures , 
de algemeene rekenkamer , de gouverneurs en residenten op 
en buiten Java, de natuurkundige vereeniging in Nederlandsen 
Indië en de kommissie tot het beheer der tentoonstelling te 
Batavia , tot informatie en narigt. 

Akkordeert met voorschreven register. 
De eerste adjunkt-sekrelaris van het gouvernement , 
DE WAAL. 



Cirkulaire van de kommissie tot het 
beheer der Tentoonstelling, te hou- 
den te Batavia in de maand Sep- 
tember van het jaar 18o& 

Eenigen tijd geleden werd het denkbeeld geopperd om de 
tentoonstelling, die in den loop dezes jaars te Arnhem zal 
plaats vinden, te verrijken met eene verzameling van indische 
voorwerpen. Dat denkbeeld scheen echter minder voor ver- 
wezenlijking vatbaar te zijn, zoo uit aanmerking, dat de tijd, 



129 



die tot het verzamelen en verzenden dier voorwerpen beschik- 
baar bleef, te kort werd geoordeeld, als voornamelijk, om- 
dat men het eigenaardiger en beter achtte, eene tentoonstelling 
van indische industrie en volksvlijt in Indië zelf, en wel ter 
hoofdplaatse Batavia , tot stand te brengen. 

De verbazende ontwikkeling , welke de handel en alle tak- 
ken van nijverheid in Europa, gedurende deze eeuw hebben 
ondervonden , is voor een groot gedeelte te danken aan de 
veelvuldige gelegenheden , door de tentoonstellingen , in bijna 
alle landen van dat werelddeel , herhaaldelijk aangeboden, om 
de voortbrengselen van verschillende oorden , de behoeften , den 
smaak en de neigingen van vele natiën tot in de minste bij- 
zonderheden te leeren kennen. 

Ieder kunstenaar, ieder industrieel, nam gretig zulke gele- 
genheden te baat , om zijne schoonste kunstgewrochten of fa- 
brikaten ten toon te stellen voor een publiek , dat met opmerk- 
zaamheid de werken van gelijken aard , maar door verschillen- 
de personen of op onderscheidene wijzen voortgebragt , zou 
vergelijken en beoordeelen. 

Menige voortreffelijke en heilzame vinding werd langs dien 
weg spoedig wereldbekend en tot hoogere volmaaktheid ge- 
bragt, terwijl eene matige konkurrentie uit vreemde landen, 
door de tentoonstellingen opgewekt, zeer veel heeft bijgedra- 
gen tot veredeling van den smaak en tot ruimere, betere en 
goedkoopere voorziening in de behoeften der verschillende na- 
tiën. 

In weerwil van veler pogingen , om kennis te verspreiden 
van de landen en volken , die tot den Indischen archipel 
behooren , is die kennis nog uiterst beperkt : voor het minst 
zeer ver van algemeen. 

De ondergeteekenden , doordrongen van het groote belang 
eener meer algemeene bekendheid met den aard, den trap van 
beschaving, de vatbaarheid en de behoeften der indische be- 
volkingen en van den rijkdom dezer landen, hebben zich in kom- 
missie vereenigd, ten einde eene tentoonstelling van voorwer- 
pen van industrie en volksvlijt uit den Indischen archipel, in 



180 



de maand September 18o3, te Batavia tot stand te brengen en 
te besturen , in de overtuiging , dat dit middel het zekerst en 
snelst tot het voorschreven doel zal leiden. 

De indische regering heeft hun daartoe gereedelijk de ver- 
eischte magtiging en hulp verleend, bij besluit van den 25sten 
Februarij jl. no. 3, houdende onder anderen verlof,- om eene 
inteekeningslijst rond te zenden , ten einde de noodige gelden 
bijeen te brengen tot bestrijding der uitgaven aan gezegde ten- 
toonstelling verbonden; met vrijlating, om indien de tentoon- 
stelling een batig saldo over laat, zulks aan te wenden tot 
eenig nuttig doeleinde ; — aanschrijving aan de gouverneurs 
en residenten op en buiten Java, om het plan der tentoon- 
stelling aan de bevolking bekend te maken en deze aan te 
moedigen om bijdragen in te zenden , alsmede om de verza- 
meling en verzending te bevorderen van al de voorwerpen , 
welke kunnen dienen om de volksvlijt en de produkten van 
do onder hun bestuur of invloed staande gewesten te doen 
kennen; — voorts bepaling, dat vrijdom zal worden verleend 
van in- en uitgaande regten voor de voorwerpen , bestemd 
voor de tentoonstelling, afkomstig van buiten Java. 

De kommissie vleit zich, dat eene zaak, welke het algemeen 
welzijn geldt en getuigt van zucht naar vooruitgang en van be- 
langstelling in de Indische volken , ook algemeen zal worden 
toegejuicht en ondersteund. Zij heeft gemeend, dat eene zoo- 
danige zaak behoort te worden tot stand gebragt geheel buiten 
bezwaar van 's lands schatkist , de hoop koesterende , dat dit 
gevoelen bijval zal vinden. 

De regering heeft van hare zijde gereedelijk de bescherming, 
en ondersteuning verleend, welke door de kommissie is ver- 
zocht. Met grond durven dan ook de ondergeteekenden ver- 
trouwen, dat die milde beginselen van het bestuur zullen wor- 
den gewaardeerd , en dat allen , die daartoe in de gelegenheid 
zijn , door geldelijke bijdragen en verzending van voorwerpen , 
zullen willen medewerken om de tentoonstelling bevorderlijk te 
zijn of op te luisteren , opdat deze op eene ruime schaal kunne 



181 



plaats grijpen en de vruchten moge dragen , welke daarvan 
voor Nederland en Indié' in de toekomst te verwachten zijn. 

De Kommissie tot het beheer der tentoonstelling te Batavia. 

S. D. SCHIFF, President. 

P. VAN REES, Vice-PresidenU 

W. J. VAN DE GRAAFF. 

Dr. W. BOSCH. 

Jkiir. R. G. B. DE VAYNES VAN BRAKELL. 

L. M. F. PLATE. 

J. TROMP. 

B. J. WEIJMAR. 
E. A. SCHILL. 
A. A. REED. 

P. DIARD. 

Dr. P. BLEEKER. 

J. T. BIK. 

E. W. CRAMERUS. 

P. BARON MELVILL VAN CARNBEE. 

A. FRASER. 

P. J. MAIER. 

CORNS. DE GROOT. 

C. DENNINGHOFF. 
C. T. DEELEMAN. 
A. S. GABRIEL. 

H. L. DEELEMAN. 

H. D. A. SMITS, Selcrelaris. 



Geschenken van Boekwerken aan de Yereenujimj. 

Die Infusionsthierchen als volkommene Organismen. Ein Bliek in das tiefere 

organische Leben der Natur, nebst einera Atlas von 64 colorirten Kup- 

fertafeln von C. G. Ehrenberg. Leipzig 1338 fol. (aangeboden door 

den heer H. A. Sciireüder). 
The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia , edited by J. R. 

Logait. Vol. V. 1851. Singapore 8° (aangeboden door den heer J. 

B. Logan). 
Commentatio de Systemate uropoietico piscium auct. A. J. D. Steenstra 

Toüssaimt. Lugdun. Batav. 1835 4° (aangeboden door den heer Dfi. 

A. J. D. Steenstra Toussaint , Lid der Vereeniging), 



mi 



Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aardrijkskunde, fabelleer en 
tijdrekenkunde van Java , door J. Hagemaic Jcz. , deel I. Kort begrip 
der algemeene geschiedenis van Java. Batavia 1852 8° (aangeboden 
door den heer J. Hageman , Jez. , Lid der Vereeniging). 

De sterrekundige plaatsbepaling in den Indischen Archipel en de maatre- 
gelen op gezag van de minister van koloniën tot hare voorbereiding 
genomen , door F. Kaiser. Amsterd. 1851 8° (aangeboden door den 
heer S. H. de Lange, Besurend lid der Vereeniging). 

Tijdschrift voor de wis- en natuurkundige wetenschappen uitgegeven door 
de eerste klasse van het koninklijk JNederl. Instituut. DL IV 1851 8° 
(aangeboden door de klasse voornoemd). 

Bijdrage tot de kennis der Plagiostomen van den Indischen Archipel door 
Dr. P. Bieeker. Batavia 1852 4° (aangeboden door den schrijver). 

Bijdrage tot de kennis der Balistini en Ostraciones van den Indischen Ar- 
chipel door Dr. P. Bleeker. Batavia 1852 4° (aangeboden door den 
schrijver). 



ERRATA ïlde Jaargang pag. 521. 

141.23 lees : 14s.23. 

106 u. 56 m. 21 s. „ 106° 56' 51". 



IÜHOIID. 



Aflevering I. 

Bladz. 
Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkun- 
dige Vereeniging in Nederlandsen Indië, over het jaar 
1851, voorgelezen in de 2de algemeene vergadering, 
gehouden den 4den Februarij 1852 te Batavia; door 
Dr. P. Bleeker, president der Vereeniging. . . 1 

Notulen van de algemeene vergadering der Natuurkundige 
Vereeniging in Nederlandsen Indië, gehouden op den 
4den Februarij 1852 in de vergaderzaal van het Bata- 
viaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. . 17 

Naamlijst der leden van de Natuurkundige Vereeniging in 
Nederlandsen Indië, op den 4den Februarij 1852. . 21 

Wetten van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsen 
Indië. 25 

Scheikundig onderzoek van eenige op Java voorkomende 
minerale wateren, door P. J. Maier. 

Mineraalwater Banjoe assin in het regentschap Poer- 
woredjo, residentie Bagelen 33 

De zoogenaamde witte stof, afgescheiden door het koche- 
nille-insekt, scheikundig onderzocht, door D. W. Bost 
van Tonningen 39 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Sin- 
gapore, door Dr. P. Bleeker 39 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Bli- 
tong (Billiton), met beschrijving van eenige nieuwe soor- 
ten van zoetwatervisschen , door Dr. P. Bleeker. . 87 

Geognostisch uitstapje naar de zuidkust van Ceram, door 
C. F. A. Schneider 101 



Bladz. 

Kwikmijnen op Sumatra , door G. Wassink. . . .108 
Bijdragen tot de geologische en mineralogische kennis van 
Nederlandsen Indië, door de ingenieurs van het mijn- 
wezen in Nederlandsen Indië. 

II. Chemisch onderzoek van zwart zand en een zwart 
mineraal van de zuidoostkust van Borneo en Poeloe 
Lawut, door O. F. U. J. J. Huguemn. . .113 

Berigten van verschillenden aard. 
Chronologisch overzigt der vulkanische verschijnselen op 

Java, gedurende het jaar 1851 117 

Aardbevingen in de Molukken , in het laatst van 1851. . 118 
Aardbeving in westelijk Java en zuidelijk Sumatra op den 

9den Januarij 1852 119 

Aardbeving in de residentiën Madioen en Kediri en in de 

afdeeling Patjitan , op den 27sten Januarij 1852. . 120 

Koflïj-thee. . 121 

Tentoonstelling, te houden te Batavia in het jaar 1853 . 126 
Geschenken van boekwerken aan de Natuurkundige Ver- 
eenising in Nederlandsen Indië 131 




Cï>&~ 



NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 




VOOR 



NEDERLANDSCH 1ND1Ë. 

ÜITGKGKVMI DOOR jfy* \ &,«Z**i tl 



DE NATUURKUNDIGE VEREENIGiNG 



-V 



9 



NEDERLANDSCH INDIE. 



UUR»»] JAiRGAHT., 
Aflevering II & III. 



m 



** 




BATAVIA. 

ILAMI^E «& C . 

18 5 2. 



^jj^^v 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS 

VAN 

NEDERLANDSCH INDIË 

DOOK 
De Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsen Indië. 



in. 

EILAND BLITONG (BILIT'ON). 

DOOK 

CORIKS. BH GROOT. 

( Met kaarten en platen ). 



De weinige tijd, welke ter mijner beschikking blijft, alvo- 
rens eene nieuwe reis te ondernemen, mag ik geene oorzaak 
doen zijn, dat het publiek onbekend zoude blijven met het- 
geen ik van het eiland Blitong kan mededeelen. Ik heb even- 
wel gemeend, de vrijheid te mogen nemen, om den vorm, waar- 
in ik deze mededeeling lever, ondergeschikt te maken aan dien 
weinigen tijd. Tot mijn gemak zal ik daarom deze bijdrage in 
drieën verdeden, als volgt: 

a. Wat bepaald betrekking heeft op de aan mij door de re- 
gering opgedragene zending. 
III- 10 



1U 



b. Hetgeen ik in mijne aanteekeningen vind opgeleekend om- 
trent de geographie, en, 

c. Wat ik heb opgemerkt aangaande de geologische gesteld 
heid des eilands. 



Wat bepaald betrekking heeft op de aan mij door de regering 
opgedragene zending. 

Den 15den April 1851 kwam ik te Soerabaja van het ei- 
land Bawean terug en vond bij mijne aankomst eene oproeping 
naar Batavia, waar ik den 12den Mei, door het stoomschip Ko- 
ningin der Nederlanden overgebragt, aankwam. 

Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden (in Indië verte- 
genwoordigd door de heeren John F. Loudon en Vincrnt Baron 
van Ïüijll van Serooskerken) had toestemming gevraagd tot 
het ontginnen van het eiland Blitong. 

In het laatst der maand Mei werd door het gouvernement 
aan mij opgedragen, bijgestaan door den aspirant-ingenieur den 
heer Huguenin, het mineralogisch onderzoek van het eiland Bli- 
tong, ter voldoening aan het eerste lid van art. 3 van het ko- 
ninklijk besluit van 24 Oktober 1850 No. 45. 

Tot de uitvoering van het onderzoek naar de regten van de 
bevolking op de aangevraagde gronden en de daaruitvolgende 
aanspraak op schadeloosstelling, werd de resident van Banka 
aangeschreven, om een ambtenaar aan te wijzen, zoo mogelijk 
plaatselijk op Blitong bekend en in staat om dat qndcrzoek 
naar behooren te volbrengen. 

Den 12den Junij was ik met mijne uitrusting gereed en be- 
gaf mij dien dag met den heer Huguenin en de belanghebbenden, 
de heeren Loudon en Baron van ïüijll aan boord van Zr. Ms. 
stoomschip Etna , hetwelk 's middags van den 14den op de 
reede van Muntok, Banka's hoofdplaats, ten anker kwam. 

Van den tijd, dien de Etna in de wateren van Banka zich 
moest ophouden, maakte ik gebruik, om in de distrikten Soen- 
geislan en ïoboali eenige tinstroomwerken te bezoeken en 
daarvan de bijzonderheden op te nemen; waarbij ik veel hulp- 



183 



vaardigheid mogt ondervinden van den kant der administrateurs 
van die distrikten. 

Door den resident van Banka werd tot bovenvermeld onder- 
zoek aangewezen de administrateur van het distrikt Jeboes, 
de heer H. L. van Bloemen Waanders. 

Nadat deze zich mede aan boord van de Etna had begeven 
en van Banka het een en ander was ingescheept, verliet liet 
stoomschip in den vroegen morgen van den 27sten Junij de 
reede van Toboali, koers zettende naar de Tjiroetjoep op het 
eiland Blitong. 

Dien dag, 's middags ten 1^ uur, kregen wij de bergen en 
heuvels van Blitong in het gezigt en 's avonds ten 9| uur lag 
de Etna voor de Tjiroetjoep ten anker. 

Den 28sten Junij ontscheepten wij zeer vroegtijdig, doch de- 
wijl de Etna 6 Engelsche zeemijlen uit den wal lag, landden 
wij eerst ten 10 uur nabij de woning van den depati. Door 
dit inlandsch opperhoofd werden wij met beleefdheid ontvan- 
gen en geleid naar het fort (op de kaart aangegeven als fort 
Tandjong Goenoeng). 

Binnen dit fort bevindt zich een houten huis, waarin wij 
aanvankelijk onzen intrek namen en dat ons tot hoofdkwar- 
tier heeft verstrekt gedurende den tijd, welken wij op het ei- 
land doorbragten. 

Reeds op den dag onzer ontscheping werd door een' inlan- 
der het kerkhof te Tandjong Pandan aangewezen als tingrond 
te bevatten. Een onderzoek, in de nabijheid van dat kerkhof 
bewerkstelligd, bevestigde datberigt en den volgenden dag hadden 
wij daaruit een staafje tin gesmolten, dat wij nu met zeker- 
heid wisten, dat van Blitong afkomstig was. 

Tandjong Pandan behoort tot de vallei der Tjiroetjoep. 
Zulks gaf mij regt om te vooronderstellen, dat in die vallei 
| ook op andere plaatsen stroomtinerts zou zijn afgezet. 

Om dit uit te maken , heb ik van Tandjong Pandan in eene 
noordoostelijke rigting, dwars door, al wat zich voordeed heen, 
een pad laten hakken en daar op geschikte plaatsen door 
boringen en proefputten hel onderzoek aangevangen. 



1BP> 



Ik had daarbij het voornemen, om, zoodra mijne vooronder- 
stelling bewaardheid was, onmiddelijk eene reis door het ei- 
land aan te vangen ter onderzoeking, hoe de stroomtinerts was 
verspreid. 

De belanghebbenden zelven onderzochten die plaatsen , waar- 
van het gerucht zeide, dat zij tinerts bevatten. Tegen de helft 
der maand Julij was het genoegzaam zeker geworden, dat een 
deel der Tjiroetjoep-vallei zooveel stroomtinerts inhield , dat 
de mogelijkheid eener ontginning niet meer te betwijfelen 
viel. 

Het was toen, dat ik den belanghebbenden voorstelde, om, 
zoo het gouvernement daartoe magtiging wilde verleenen, voor 
hunne eigene rekening eene proefmijn te openen. 

Tot het openen dier proefmijn voor eigene rekening werd 
van hunnen kant besloten en verzoek gedaan aan het gouver- 
nement , hetwelk bij besluit daartoe de magtiging verleende. 

ïn de laatste dagen van Augustus kwamen 50 Chinezen als 
vrije werklieden, voor de tinontginning te Singapore gewor- 
ven, op Blitong aan. Slechts vijf weken na de bekomene 
magtiging werd het eerste tinstroomwerk, Prins Hendrik ge- 
naamd, geopend. Thans is het in volle werking. 

In het begin van September verliet de administrateur Van 
Bloemkn Waanders, wiens zending was afgeloopen, het eiland. 
Deze heer heeft, gedurende zijn verblijf op Blitong, zich steeds 
beijverd, om zooveel de 'aan hem opgedragene kommissie daar- 
toe tijd overliet, de belanghebbenden en dus ook het aan mij 
opgedragen onderzoek in het algemeen , van dienst te zijn. Het 
is mij eene aangename taak, die belangelooze medewerking on- 
der dankbetuiging hier te vermelden. 

Dewijl het meer en meer zich liet aanzien , dat de ontgin 
ning van Blitong in de vallei der Tjiroetjoep zoude aanvangen 
zoo had ik het hiervoren vermelde voornemen, om spoedig eene 
reis door het eiland te doen, vooreerst laten varen. 

De oostelijke lijn, waarvan, ik vroeger sprak, is door mij voort- 
gezet tot op Boekifc Rauwes , waar ik in tinlooze gronden 
kwam en mijne rigling veranderde in die van ongeveer zuid 



187 



()0° oost. Van die algemeene rigting hier en daar naar om- 
standigheden afwijkende, heb ik het onderzoek op en nabij die 
lijn voortgezet tot bezuiden Goenoeng Knmoeroekan. Daar ge- 
komen, was ik in zoo verre met de vorming van deze vallei be- 
kend geworden , dat ik , bij den weinigen tijd, welke mij over- 
bleef, niet verder doorging met het hakken van voetpaden vol- 
gens eene bepaalde rigting en verder gebruik maakte van de be- 
staande. Alleen waar het noodig was, deed ik, wat ik ook 
vroeger bovendien had moeten doen, langs de riviertjes zooda- 
nig pad openen. 

Tot het laten openhakken van al die voetpaden, welker geza- 
menlijke lengte niet minder dan 50 palen bedroeg, was ik ge- 
noodzaakt, doordien denaarde kampongs geleidende paden mij 
niet met de Tjiroetjoep-vallei konden bekend maken en het ter- 
rein, over het algemeen, sterk begroeid is met groot en klein 
houtgewas. In den laatsten tijd van mijn verblijf op Blitong, 
heb ik, meestal in het gezelschap van de belanghebbenden, 
eene reis om en door eenige deelen van het eiland gedaan , 
ten einde het aanwezen van stroomtinerts ook op andere 
plaatsen, zoo mogelijk te bevestigen. Met den heer Hugue- 
nin begaf ik mij van het fort ïandjong Goenoeng overland 
naar de, kampong Sidjoek, waar de Baron van ïüijll en de 
heer Loudon, die over zee waren gekomen, zich bij mij 
voegden. Van Sidjoek overland uitgaande , deden wij ge- 
zamenlijk eene reis door en gedeeltelijk langs het noorden 
van het eiland, vervolgens door een deel der oostelijke kust- 
landen tot bezuiden de Soengei Lolo en keerden over zee te- 
rug naar de Tjiroetjoep. 

Na ons voor een' tweeden togt te hebben uitgerust, onder- 
namen wij eene reis langs en door de wester-, zuider- en oos- 
ter - kustlanden. Deze reis ondernamen wij gezamenlijk , in 
vier praauwen , langs de kust en, waar het noodig was , de 
rivieren opvarende, de oevers onderzoekende en kleine togten 
te land doende. 

Toen wij het onderzoek tot den zuidwesthoek hadden uitge- 
strekt en de afdeeling Blantoe hadden opgenomen, stak de Baron 



138 



van Tuijll met een der praauwen over naar het distrikt Soen- 
geislan op Banka, welk distrikt en dat van Pankalpinang 
hij wenschte te bezoeken, in het belang der te aanvaar- 
den onderneming. De heer Huguenin , die aan koorts leed 
en daarom het overige der reis, waarvan het te voorzien 
was, dat het met vele ongemakken en ontberingen zoude ge- 
paard gaan en buitengewone inspanning zoude kosten, niet 
kon medemaken, ging van Tandjong Tambelan in eene sam- 
pang (klein visschersschuitje) terug naar Tandjong Goenoeng. 
Ik zette de reis verder alleen in gezelschap van den heer Loudon 
voort. Het doel van dien verderen togt was, om de Soengei 
Lingan en hare takken te onderzoeken en tevens om den 
vorm van de geheele. kust van Blitong op te nemen, waarom 
wij van de Soengei Lingan om de noordkust naar Tandjong 
Goenoeng zijn teruggekeerd. 

Dat deze reizen, welke ongeveer eene maand duurden, hun- 
ne ongemakken opleverden , zal de lezer kunnen nagaan, wan- 
neer ik mededeel, dat de door ons gebezigde praauwen geheel 
open waren en alleen eene tent , bestaande uit eene kadjang- 
mat, ons gedeeltelijk tegen den regen beveiligde, terwijl wij 
aan de nachtlucht geheel bleven blootgesteld. 

Op deze reis zijn noch boringen, noch proefputten gemaakt 
en heeft zich het onderzoek alleen bepaald tot den bovengrond. 

De uitkomsten van het onderzoek, zoo ver ik die voor het 
publiek wetenswaardig acht, zijn de volgende: 

a. Dat de hoofdvorming van het eiland Blitong, even als die van 
Banka, bestaat uit graniet en de geassocieerde bergsoorten. 

b. Dat, aangezien de hoofdvorming van Blitong graniet is en 
alzoo de begane grond over het algemeen uit graniet en 
de verweringsprodukten dier rotssoort bestaat, dit eiland 
een der onvruchtbaarste deelen uitmaakt van Nederlandsen 
Indië. 

c. Dat er veel en goede primaire ijzererts op dit eiland wordt 
gevonden en door de inlanders verwerkt; dat er ook 
kopererts op Blitong wordt aangetroffen, doch voor zoo 
ver mij bekend is, niet in eene noemenswaardige hoe- 



139 



veelheid, zijnde het mij slechts gelukt één geïsoleerd specimen 
te ontdekken op Tandjong Boeroengmandi; voorts, dat op het 
strand nabij Tandjong Boerongmandi, Tandjong Binga en 
Tandjong Tambelan, in groote hoeveelheid en in fijn verdeelden 
toestand, wordt aangetroffen , een mineraal, hetwelk mij voor- 
komt hoofdzakelijk uit ijzer en titanium -verbindingen te bestaan. 

d. Dat de stroomtinerts , afgezet op Blitong, afkomstig is van 
de heuvels van het eiland. 

e. Dat stroomtinerts in den bovengrond wordt gevonden, in 
het noorden bij Ajer Sinkeli en de Soengei Padang; in het 
oosten aan de Soengei Lingan, in het zuidwesten aan Ajer 
Mansira en in het westen aan de Soengei Doedat, Soengei 
Brang en Soengei Tjiroetjoep. 

f. Dat de stroomtinerts, op Blitong gevonden, van goede kwa- 
liteit is, zoomede het tin, daaruit verkregen. Eene uit- 
smelting, door den heer J. F. Loudon uitgevoerd (in eenen 
blaasoven met houtskolen op gelijke wijze als op Banka , 
doch op kleinere schaal, hetgeen de uitkomst iets te min 
doet zijn), heeft tot resultaat gegeven, voor den erts van Tan- 
djong Pandan 45% en voor de koeliterts van het stroomwerk 
Prins Hendrik 67°/ tin. 

Twee andere onderzoekingen geven, de eene 65°J en de 
andere 59,2°/ tin. 

Dat het tin van gelijke kwaliteit is, als dat van Banka, 
blijkt uit het onderzoek, verrigt door den hoogleeraar C. F. 
Donnadieu, op verzoek van Z. K. H. Prins Hendrik der Ne- 
derlanden. 

Dit onderzoek heeft doen zien, dat het specifieke gewigt 
was 7,27, terwijl de 1ste bepaling gaf 99,373 
„ 2de „ „ 99,361 

„ 3de „ „ 99,375 



dus gemiddeld 99,370 scheikundig 
zuiver tin. Het tin, dat tot dit onderzoek heeft gediend, was 
op gebrekkige wijze uitgesmolten ; er was in het geheel niet 
op gerekend, dat Prins Hendrik zulks scheikundig zou laten 
onderzoeken. 



uo 



Dat de stroomtinerts , zich in de vallei der Soengei Tjiröe- 
tjoep , op gelijke wijze heeft afgezet als op Banka en in de 
beddingen van vijf riviertakken , aan de belanghebbenden 
bekend gemaakt, in zoodanige hoeveelheid, dat zijne ont- 
ginning kan worden aanbevolen onder gunstige vooruit- 
zigten. 

Dat, zoo ver mij bekend is, over het algemeen, veel en 
goed water op het eiland wordt gevonden, makende alleen 
een gedeelte van de afdeeling Boeding daarop eene ongun- 
stige uitzondering. 

Dat op het eiland Blitong weinig zwaar houtgewas wordt 
aangetroffen , doch dat het overvloedig hout oplevert tot het 
branden van houtskolen voor de tinsmelterij ; waartoe ook 
de omliggende en bij Blitong behoorende eilanden groote- 
lijks kunnen bijdragen. 



Hetgeen ik in mijne aanteekeningen vind opgeteekend omtrent de 
geographie van het eiland. 

De kapitein Motte, in 1822 civiele en militaire kommandant 
van Blitong, heeft destijds een schetskaartje van het eiland ge- 
leverd, dat, wat den vorm der westkust betreft, vrij goed 
is en door dien officier naar zelf gedane opnemingen schijnt te 
zijn zamengesteld. De zuid-, oost- en noordkust en het bin- 
nenland met zijne rivieren en bergen, zijn blijkbaar daarop ge- 
bragt naar ingewonnen berigten. Tijdens mijn vertrek naar 
Blitong was dit kaartje, onverbeterd, het eenige, dat van het 
eiland bestond. 

De geologische kaart van het eiland Blitong, hierbij gevoegd, 
is vervaardigd naar de kaart, welke ik op het eiland zelf heb 
gemaakt. De lengteschaal dier originele kaart is zestien maal 
zoo groot als die van de hierbijgevoegde. 

De gekleurde gedeelten zijn die, waarvan de geologische ge- 
steldheid tijdens mijn verblijf is bekend geraakt. Wat ik niet 
heb onderzocht, heb ik ongekleurd gelaten, dewijl ik be- 
ter vond, dat mijn arbeid later door anderen of misschien door 



UI 



mij zelven zou worden aangevuld, dan dat ik, zulks doende naar 
ingewonnen berigten, mijn werk alleen in schijn meer volko- 
men aan het publiek zou aanbieden. 

Ik maak volstrekt geen aanspraak voor deze kaart op naauw- 
keurigheid, vooral niet voor wat de zuidkust aangaat tusschen 
Tandjong Penjabong en Tandjong Kemoedi, hoewel aan de opne- 
mingen en de zamenstelling , voor zooveel tijd, gelegenheid en 
middelen zulks toelieten , de meest mogelijke zorg is besteed. 
Het is de eerste kaart, die met eenige juistheid den vorm van 
het eiland Blitong doet kennen. 

De vorm van het eiland is, zoo als de kaart doet zien, regel- 
matig en bijna een regthoek , waarvan de twee lange zijden 
noord en zuid loopen , terwijl de twee korte zijden zich oost 
en west uitstrekken. De Tandjong Roe en Tandjong Sianto en 
de Telok Boeding en Telok Balokh verbreken eenigermate die 
regelmatigheid. 

De oppervlakte van het eiland heeft een' inhoud van onge- 
veer 100 vierkante geographische mijlen. 

Zoowel van uit zee gezien, als wanneer men zich in het 
binnenland bevindt , heeft het uiterlijke voorkomen van Blitong 
eene zeer sterke gelijkenis op dat van Banka. 

Over het algemeen is het kustland laag en het binnenland 
eenigzins verheven en zachtgolvend. Te midden daarvan verhef- 
fen zich plotseling vrij steile op zich zelve staande heuvels en 
bergen, die over het geheele eiland zijn verspreid. 

De belangrijkste der mij bekende bergen zijn de Tadjem 
laki en Tadjem parampoean, de Lian , de Badau, de Agong, 
de Koebing, de Beloeroe , de Loeday, de Tebalo en de Boe- 
roengmandi. Naar mijne gissing heeft geen dezer bergen 
eene hoogte van 1000 Ned. ellen. 

Het is op de hoogere deelen aan deze bergen en langs de 
rivieren , vooral aan hunnen oorsprong , dat men het weinige 
zwaar hout aantreft, dat het eiland oplevert. Van de door 
mij opgenomene rivieren zijn de Tjiroetjoep en de Lingan de 
voornaamste. Zooals op de kaart kan gezien worden, ontsprin- 
gen beide in het gebergte Tadjem, doch de Tjiroetjoep loopt 



H£ 



westwaarts en stroomt uit aan de westkust, terwijl de Lingan 
zich zuidwaarts rigt en aan de oostkust in zee valt. 

De ïjiroetjoep is over eene lengte van 10 palen en de Lin- 
gan over 12 palen , van de monding afgerekend , bevaarbaar 
voor praauwen van 13 el lengte, 3 el breedte en 6 a 7 palm 
diepgang. Beide rivieren hebben eenen zeer kronkelenden loop. 

De Tjiroetjoep heeft eene breede monding en behoudt over 
eene lengte van 5 a 6000 el eene breedte van meer dan 120 
el, doch heeft weinig diepte. De Lingan heeft een vernaauw- 
den , ondiepen ingang , blijft over eene lengte van 6000 el eene 
gelijkmatige breedte van 100 el behouden en heeft binnen hare 
monding en zoover zij bevaarbaar blijft, bij eb, meer dan 4 
el water. De twee rivieren verdeelen het eiland in twee dee- 
len , waarvan het noordelijke het kleinste en V 4 kleiner is dan 
het zuidelijke. 

De rivieren, welke in ïelokh Balokh uitloopen , heb ik niet 
kunnen opnemen , doordien de ingangen in vroegere jaren ver- 
sperd waren tegen het indringen der zeeroovers. 

Waar langs de kusten en rivieren de ware alluviale vor- 
ming is aangegeven , vindt men veelal mangleiboomen (rhizo- 
phoren). Voor zoover ik weet , bepalen zich de moerassige 
streken veelal tot de nabijheid der rivieren en hare takken. 

De kust van Blitong mag onherbergzaam worden genoemd; 
zij is omgeven door koraalriffen , zandbanken en klippen, waar- 
van sommigen zich vrij ver in zee uitstrekken. 

De stranden bestaan bij afwisseling uit rotsen, koraal, zand 
en modder. 

Door den luitenant ter zee den heer A. H. Modderman , des- 
tijds kommandant van Zr. Ms. schoener Aruba , welk vaar- 
tuig gedurende het onderzoek in de wateren van Blitong was 
gestationeerd, is de reede der Tjiroetjoep , met de aangren- 
zende kust en eilanden opgenomen en de door hem vervaardigde 
kaart bereids door het bureau der zeekaarten te Batavia ge- 
drukt en verkrijgbaar gesteld. Aan de aanteekeningen van ge- 
noemden officier , op zijne kaart gesteld, ontleen ik het volgende, i 



H3 



„ De kaart van de reede der Tjiroetjoep is trigonometriscli 
„ opgenomen. Om haar aan andere opnamen te verbinden 
dient de navolgende ware peiling. 

„O. hoek van het eiland Kalmambang z. 47° 30' o.; eiland 
„ Kelamoa z. 86° 30' o. ; w. hoek van het eiland Rotterdam 
„ z. 62° w. ; eiland Gaspar n. 53° w." 

„ De riffen zijn meestal steil en derhalve niet aan te looden ; 
„ daarbij zijn ze moeijelijk te zien. Hoewel de meeste zorg is 
„ aangewend , zou het om de aangehaalde redenen mogelijk 
„ kunnen zijn , dat er nog riffen waren overgeslagen, voor bin- 
„ nen de 12 vadem. 

„ Tijdens het verblijf van Zr. Ms. schoener Aruba in de 
„ oostmoesson , stond er met het hoogste water nooit meer 
„dan 10V 2 voet op het droogste der bank voor de rivier Tji- 
„ roetjoep ; er was dan 6 a 7 voet verval. Men heeft gedu- 
„ rende 3 a 4 dagen zulke getijden, waarop weder 8 a 10 da- 
, ; gen met doode getijden volgen , wanneer er niet meer dan 1 
„a 2 voet verval is. Het schijnt , dat de hooge getijden niet 
„juist op de dagen van volle of nieuwe maan voorkomen. De 
„ bank is rotsig met eene dunne laag zand er op. Het beste 
„ drinkwater wordt met laagwater gehaald achter het fort Tan- 
„ djong Goenoeng." 



De bewoners van Blitong kan men gevoegelijk in drieën ver- 
deden. 

1°. De bewoners van het binnenland , orang darat. Hun getal 
is met geene zekerheid op te geven ; het wordt geschat op 
5000 zielen. 
2°. De bewoners der vaartuigen, orang Iawut; deze worden ook 
wel orang sekah genoemd. Zij bewonen ongeveer 100 klei- 
ne praauwen en hun aantal bedraagt ruim 400 a 500 zielen. 
3°. Ongeveer 150 vreemdelingen, die uitsluitend in de kampong 
Pandan wonen en meestal kooplieden zijn. Zij bestaan uit 
Linganezen, Boeginezen , Borneoten, Javanen, Palemban- 
gers en andere Maleijers, benevens enkele Chinezen. 
Bij de vreemdelingen moeten nog gevoegd worden 250 Chi- 



144 



nezen, welke op dezen oogenblik reeds worden gebruikt tot 
het ontginnen van stroomtinerts. 

De orang darat zijn goedaardig, behulpzaam, gastvrij, eerlijk 
en nijver, als hun de gelegenheid wordt aangeboden om iets te 
verdienen. 

Zij bewonen op palen gebouwde woningen , waarin de vloer 
gewoonlijk meer dan 1 el boven den grond ligt. De wanden 
en het dak dezer huizen zijn veelal van boomschors vervaar- 
digd. Deze woningen zijn in kleine kampongs vereenigd , die 
van 2 tot 10 huizen tellen. 

Hunne taal is het Maleisch en hunne godsdienst de Moham- 
medaansche, met vele bijgeloovige begrippen vermengd. Men 
vindt bij hen dienzelfden eerbied voor de graven , welke de 
meeste inlandsche volken onzer bezittingen kenschetst. 

Bij de schetsen , hierbij gevoegd , bevindt zich die van 
een graf op den top van den Goenoeng Tadjemlaki. Dit 
graf is de laatste rustplaats van een' vorst , met zijne vrouw en 
zoon, terwijl ter zijde zijne kat ligt begraven. De naam van 
den zoon (zoo zegt de overlevering) , was ïadjem, en daarnaar 
zou de berg zijnen naam dragen. Deze begraafplaats staat bij 
den inlander in een' zeer sterken reuk van heiligheid; allen die 
met ons den berg, welke ongeveer 900 el hoog is, beklom- 
men , baden en offerden op het graf, waarheen zij, zoolang wij 
op den berg waren, hun gelaat onafgebroken hielden gekeerd. 

De orang lawut en een deel der strandbewoners, welke laat- 
sten meestal van den overwal afkomstig zijn , hebben een min- 
der goed karakter dan de orang darat. De orang lawut of orang 
sekah , brengen , evens als de hoklo's of waterchinezen , het groot- 
ste gedeelte van hun leven door aan boord van vaartuigen. De 
vaartuigen van de orang sekah, die zeer klein en niet zoo groot 
zijn als de gieken der Nederlandsche koopvaardijschepen, strek- 
ken aan een geheel gezin tot eenig verblijf. Het zijn kleine 
stevig gebouwde menschen, donkerder gekleurd dan de gewo- 
ne Maleijers. Zij hebben min of meer negertrekken in het gelaat 
en velen hebben eenigzins gekroesd haar. Zij spreken met eene 
rammelende vlugheid eene taal, welke, hoezeer eenige malei- 



H5 



sche woorden bevattende , echter alleen onder hen wordt ver- 
staan. Hunne gesprekken zijn brommend en onaangenaam voor 
het gehoor, hetgeen, gevoegd bij hunne groote praatzucht, hun 
gezelschap niet zeer aangenaam maakt. 

Zij zijn bekwame duikers en visschers, waartoe zeker veel 
bijbrengt dat schelpdieren en visch voornamelijk hun voedsel 
uitmaken. Ook maken zij jagt op wilde varkens en herten, 
mede voor hun levensonderhoud; rijst eten zij, als zij die kun- 
nen krijgen en zij kunnen zonder letsel brak water drinken. 

Zoo ver mij bekend is, wordt door de orang sekah geene 
godsdienst beleden. Hun bedrijf is de tripangvisscherij en 
het verzamelen van agar-agar. Meermalen hebben zij zich 
aan zeedieverijen schuldig gemaakt, welke zij evenwel veelal 
pleegden enkel uit gewoonte. Er bestaat bij mij dan ook geen 
twijfel, of deze menschen zijn zonder veel moeite tot het goe- 
de terug te brengen , waartoe de ontwikkeling van handel en- 
nijverheid, die Blitong te wachten staat, zeker veel zal bijdra- 
gen; want het ontbreekt hen voornamelijk aan geregelden arbeid, 
waardoor zij in bun onderhoud kunnen voorzien. 

De politie, thans in handen van het inlandsen hoofd, is door 
diens geringen invloed zeer gebrekkig. Zoo deze met verstand 
en bedaardheid, met het oog op de verbetering dezer menschen 
wordt gehandhaafd, zullen die orang sekah hunne dieverijen la- 
ten varen en zeer bruikbare menschen worden. 

Van de vele eilanden, welke Blitong omringen, is alleen Men- 
danau bewoond, door 40 a 50 zielen, welker aantal onder de 
orang darat van Blitong is opgenomen. 

Het eiland Blitong wordt bestuurd door den depati Tjikra. 
di ningrat, die sedert vele jaren van het gouvernement eene 
bezoldiging geniet. Persoonlijk houdt de depati het grootste 
deel des eilands onder zijn beheer, terwijl het overige onder 
hem wordt bestuurd door ingebefs. In het oostelijke gedeelte 
zijner landen heeft de depati eenen vertegenwoordiger, zijnde 
zijne volle neef Ki Agoes Loessoii; deze woont in eene 'kam- 
pong niet ver van de Boekit Poedas, nabij de Soengei Lingan. 
De depati en de ingebei's komen aan het bestuur bij erfop- 



U6 



volging. De depati wordt bevestigd door de hooge regering 
van Nederlandsch Indië en de ingebei's door het bestuur van 
Banka , onder welke residentie het eiland Blitong tot dus verre 
behoorde. 

Het eiland Blitong is dus , overeenkomstig het vermelde in- 
landsche bestuur, verdeeld in vijf afdeelingen: 

1ste af deeling, van den depati, 

2de „ „ „ ingebei van Sidjoek , 

3de „ „ „ „ „ Blantoe, 

4de „ „ „ „ „ Badau, 

5de „ „ „ „ „ Boeding. 

De depati woont in de hooldkampong Pandan en de in- 
gebei's bewonen in hunne afdeelingen kampongs, welke de na- 
men van hunne afdeelingen dragen. 

De kampong Pandan is de eenige, welke blijvend is. De 
kampongs Sidjoek, Blantoe, Badau en Boeding zijn het min 
of meer. Alle andere kampongs op het eiland hebben eene 
veranderlijke standplaats, te midden van het land (ladang), dat 
de inwoners der kampong bebouwen. 

De hoofdkampong Pandan is even binnen den mond der 
ïjiroetjoep, op haren regteroever, gelegen en bestaat uit eene 
vrij lange dubbele rei woningen, waarvan de meesten zeer slecht 
en onzindelijk zijn, zich in zoo ver ongunstig onderscheidende 
van de woningen in het binnenland. 

Op ïandjong Goenoeng feene tandjong door de rivier gevormd,', 
aan het einde der hoofdkampong, is op een uit ijzererts be- 
staanden heuvel het fort gelegen. Den top des heuvels heeft 
men tot den aanleg van het fort afgeplat en aan de rivierzijde 
eene borstwering laten staan, terwijl men den beganen grond aan 
de landzijde door palissaden heeft afgesloten. De wapening van 
het fort bestaat uit vier 'oude ijzeren kanonnen, met rottan op 
stukken hout vastgebonden, welke in betere dagen tot affuiten 
hebben behoord. Twee dezer stukken zijn door schietgaten in 
de palissadering op de kampong gerigt, terwijl de twee ande- 
ren, op de borstwering geplaatst, de rivier en hare monding 
moeten bestrijken. Het gezigt, hierbij gevoegd, zal mede een 



UI 



denkbeeld kunnen geven van deze wapening. Het fort bevat, 
behalve de vroeger door mij genoemde houten woning, welke 
voorheen door den depati werd bewoond, de woningen voor 
het garnizoen , dat tijdens mijn verblijf op het eiland bestond 
uit een Europeschen korporaal en twaalf Javaansche fuseliers; 
deze woningen waren in zeer slechten staat. 

Water is binnen het fort niet te krijgen en moet aan den 
voet des heuvels worden gehaald. 

Van den landbouw der Blitonezen valt weinig te zeggen. 
Hij bepaalt zich tot het teelen van rijst, oebi mengaloh en 
oebi ketejla. De rijstteelt is alleen de drooge; natte rijstvelden 
(sawah's) kent men op Blitong niet. Het te veld staande hout* 
gewas wordt neêrgehakt en genoegzaam droog zijnde verbrand , 
waarna men met een rond houtje openingen in den grond 
maakt, waarin eenige rijstkorrels worden geworpen. 

Naarmate de onvruchtbaarheid van den bodem grooter is, kan 
hetzelfde stuk grond slechts van eens om de acht tot eens om 
de twaalf jaren worden bebouwd, en dan nog is de opbrengst 
onaanzienlijk. 

De op Blitong geteelde rijst, kan dan ook niet voorzien in 
de behoefte der bewoners , welker aantal zoo gering is in verge- 
lijking der uitgestrektheid van het land. 

De bebouwde landerijen zijn allen door eene 1,5 a 2 el hooge 
heining omgeven, tot bescherming tegen de wilde varkens. 

De verscheidenheid van vruchten is op Blitong zeer gering. 
Zij bepaalt zich tot de kalapa, de pinang, de pisang, de doe- 
rian, de nangka en de papaja ; de hoeveelheid is mede zeer ge- 
ring. 

De gereedschappen, welke de Blitonezen gebruiken , zijn zeer 
weinig in aantal , zeer eenvoudig en worden bijna zonder 
onderscheid allen door hen zelven vervaardigd. 

Een groot deel der orang darat verstaat het bewerken van 
ijzer, van den erts af tot het afgewerkte voorwerp. 

Tot het herleiden van den ijzererts gebruiken de inlanders 
kleine blaasovens , waarin zij slechts eene geringe hoeveelheid 
te gelijk bewerken. Nadat de oven is ontstoken, laden zij dien 



Uö 



vol met houtskolen, waarop zij dan een paar handen vol ijzer- 
erts werpen , dat vooraf ter grootte van erwten is fijn ge- 
maakt. Vervolgens dekken zij de lading weder met houtskolen, 
voegen weder ijzererts toe en daarop weder kolen , naarmate 
zij veel of weinig ijzer noodig hebben voor hetgeen zij willen 
maken. Het ijzer halen zij met eene tang in een' half vloei- 
baren toestand uit het vuur (even gelijk zulks in de ijzer- 
werken uit een pudle furnace, poedeloven , komt). De lomp 
wordt eerst door zachte hamering tot een staafje gemaakt , 
dat een palm lang , een Ned. duim dik en ongeveer vijf Ned. 
duim breed is. Zoodra zij tot hun doel staafjes genoeg ijzer 
voorhanden hebben , brengen zij die twee aan twee weder in 
het vuur , waarna ze door hamering tot een staafje gewoon 
ijzer worden gemaakt. De aldus verkregen staafjes worden zoo 
noodig weder met twee of meer tot een gebragt en daaruit het 
verlangde voorwerp vervaardigd. 

De parong (hakmes) en de bliong (bijl) door hen gemaakt, 
zijn vooral van zeer goede kwaliteit. Ook maken zij zeer goe- 
de spijkers. Over het algemeen zijn de voorwerpen, door de 
Blitonezen vervaardigd, vrij goed afgewerkt, vooral als men 
in aanmerking neemt, hoe gering hunne hulpmiddelen zijn. In 
de nabijheid van het gebergte ïadjem worden gindies (water- 
kruiken) gemaakt, van een' bijzonderen vorm, die als uit de han- 
den van zulk een onbeschaafd volk komende, inderdaad fraai 
mogen worden genoemd. 

Verder levert het eiland voor den handel nog op: geel 
was, dammar en een weinig rottan; deze produkten, met het 
tin , de spijkers, de tripang en de agar-agar, zijn de artikelen, 
welke voor uitvoer kunnen dienen. 

De handel, welke op Blitong bestond, was zeer gering, doch 
zonder twijfel zal deze voor het vervolg geheel wat anders wor- I 
den, dan het tot nu toe was en zeer zeker gaat het eiland, 
ook in dezen, eene ongekende ontwikkeling tegemoet. De be- 
palingen, door de regering omtrent dit punt te maken, zullen 
tot die ontwikkeling grootelijks aanleiding geven. De reede 
der Tjiroeljoep is de eenige, waarbij de handel op dit 



H9 



oogenblik eenig belang kan hebben. Gelijk de boven ver- 
melde kaart van den heer Modderman doet zien, moeten sche- 
pen van aanmerkelijken diepgang nog al ver uit den wal blij- 
ven, en nabij het eiland Kalmambang ten anker komen; min- 
der diepgaande vaartuigen echter kunnen in de rivier komen. 
Zoo is onder anderen Zr. Ms. schoener Aruba , die naar ik mij 
herinner ruim acht voeten diep gaat, de rivier ingeloopen en heeft 
aan den voet van fort ïandjong Goenoeng ten anker gelegen. 
De gemeenschap te land tusschen kampong Pandan en de overige 
deelen des eilands is, gelijk men vroeger zag, bij het niet be- 
staan van wegen , zeer gebrekkig. Ook die toestand zal spoe- 
dig ophouden , daar met het aanleggen van wegen dwars door 
het eiland , tot vereeniging der voornaamste punten, onverwijld 
zal worden aangevangen. 

Door een' geachten vriend daartoe uitgenoodigd , laat ik hier 
volgen mijne herinneringen , van wat ik in het dierenrijk ont- 
moette en niet aantrof. 

Van de dieren welke voor het huisselijk leven van belang 
zijn, vindt men op Blitong niet: paarden, koeijen, karbouwen 
schapen en eenden. Daarentegen treft men er aan : honden, en- 
kele geiten, kantjil's , wilde varkens, kippen, snippen, poe- 
jokh's, poenei's (groene wilde duiven), zeeschildpadden, weinig 
riviervisch , veel en zeer smakelijken zeevisch, oesters, inkt- 
visch , krabben , garnalen , en hon bijen. 

Overigens heb ik er aangetroffen de rasse (Viverra rasse), zeer 
veel apen (waaronder den kleinen grijzen en den Ioetong), het 
spookdier (Tarsius spectrum), de topei (soort van Sciurus), 
tengiling, de bajan (perekiet), de serinditan, de tijong fGracula 
religiosaj, de helong fHaliaetus ponticerianus,! , krokodillen, le- 
guanen, gekko's, skinken, landschildpadden, verschillende soor- 
ten van slangen, witte, roode en andere mierensoorten (1), 



(1) Waaronder eene zwarte soort van buitengewone grootte. Deze mieren 
kwamen althans mij zeer groot voor. Sommigen, die ik zag, waren 3 centi- 
meters lang en hadden een' zeer breeden kop; zij maken zeer groote wo- 
ningen, wier vorm het segment van een' bol is, waarvan de koorde 4 a 
5 Ned. el en de pijl 1 Ned. el bedraagt. 

III. 11 



130 



duizendpooten , huis- en boschschorpioenen , vele sprinkha- 
nen, waaronder van buitengewone grootte, wespen, vliegen, 
vlinders, muggen en springbloedzuigers. Geen enkel slakken- 
hoorntje heb ik kunnen ontdekken. 



Wat ik heb opgemerkt aangaande de geologische gesteldheid des 

eilands. 

Wat ik omtrent de geologie van Blitong hier zal laten vol- 
gen , kan alleen bestaan in eene opsomming van wat ik heb 
opgemerkt , bij het doen van mijn onderzoek naar stroomtin- 
erts. Bet zal zich slechts bepalen tot die plaatsen, welke ik 
heb bezocht en van een groot gedeelte des eilands zal ik alzoo 
niets zeggen. Daar mij de geologische gesteldheid van ge- 
noegzaam den geheelen omtrek van het eiland bekend is , 
zoude het mij niet moeijelijk vallen , om uit hetgeen hier volgt 
een aantal gevolgtrekkingen te maken ; ik zal mij echter daar- 
van zooveel mogelijk onthouden , even als van het generalise- 
ren van verschijnselen; dewijl bij het weinige, dat van Blitong 
bekend is , die bespiegelingen, bij hunne gewaagdheid, in mijn 
oog toch zeer weinig waarde zouden hebben. 

Omtrent de physische gesteldheid des eilands en de hiernevens 
gevoegde kaart , is reeds het een en ander vermeld in het 
tweede gedeelte dezer bijdrage. 

De beteekenis der kleuren en teekens is op de kaart ken- 
baar gemaakt , waardoor de lezer op deze de belangrijkste daad- 
zaken kan vinden. 

Het valt al dadelijk in het oog , dat genoegzaam al het ge- 
kleurde de granietvorming aanwijst en deze is dan ook met 
kleine uitzonderingen , hierna te vermelden , de eenige vorming, 
door mij op het eiland aangetroffen. De kaart doet duidelijk 
zien , dat die granietvorming rondom het geheele eiland is 
gevonden en ik geloof dus met regt te hebben gezegd, 
„ dat de hoofdvorming van het eiland Blitong bestaat uit gra- 
„ niet en de geassocieerde bergsoorten." 






1S1 



In die granietvorming treft men veel jongere eruptive gesteen- 
ten aan , voornamelijk veldspaathporfier feiyanj en ook op 
een paar plaatsen groensteen. Zij wordt gesneden door ver- 
scheidene kwartsaders en bevat op vele plaatsen ijzererts ; 
ik ontdekte er ook twee tinvoerende aders. Even als in elk 
granietterrein, vindt men ook op Blitong , op vele plaatsen, 
de naakte onverweerde rots bloot liggende , meermalen in de 
zonderlingste vormen. Dit voorkomen ontstaat, doordien de za- 
menstelling van deze bergsoort , ongelijkmatig zijnde, zij hier 
meer daar minder voor verwering vatbaar is. Het gemak- 
kelijkst verwerende verliest zijnen zamenhang en wordt, zoo 
het bloot ligt, weggevoerd, terwijl harde kernen blijven 
staan. 

De hierbij gevoegde schetsen van den top van Boekit Melan- 
tin, van den top van Goenoeng Batoetoengal en van Goe- 
noeng Beginda , kunnen tot opheldering dienen van deze on- 
gelijke verwering van den graniet. De twee eerstgenoemde 
schetsen, vooral de eerste, illustreren tevens eene bijzonderheid, 
welke men in de granietvorming aantreft. Men vindt namelijk 
hier en daar , dat de graniet zich heeft gevormd in parallelo- 
pipeda , en dat de voegen zich hebben gevuld met een gra- 
nitisch cement, dat alhoewel, evenals de graniet, uit veld- 
spaath , kwarts en mica bestaande, niet dien grooten zamenhang 
heeft en niet zoo bestand is tegen de inwerking van de atmos- 
feer , als de graniet zelf. Algemeen gelooft men , dat dit 
voorkomen is toe te schrijven aan de krimping , welke heeft 
moeten plaats hebben bij de bekoeling ; terwijl men aanneemt, 
dat de voegen bij haar ontstaan van beneden op zijn aange- 
vuld. Wat van deze theorie ook juist of onjuist moge zijn , 
het verschijnsel bestaat , en men maakt daarvan in de graniet- 
groeven een zeer nuttig gebruik , om groote blokken te ver- 
krijgen ; waartoe men, bij het door middel van buskruid doen 
springen , de lading in de voegen aanbrengt. 

Op eiken heuvel en schier op elke hoogte is de graniet 
bloot liggende en wel in groote massa op ïandjong Pandan , 
Boekit Pajong, Boekit Rauwes, Goenoeng Batoe toengal, Boe- 



152 



kit Melantin , Goenoeng Kamoeroekan , Boekit Beganti , Boe- 
kit Goendoel , de heuvels welke den westelijken voet van het 
gebergte Tadjem vormen , Tandjong Binga en de voorliggende 
eilanden tot Tandjong Kelajan, Goenoeng Tebalo, Goenoeng 
Pramoean , Goenoeng Sekajoe, Goenoeng Moensang , Goenoeng 
Goentong , het voorgebergte Boeroengmandi , Boekit Poedas , 
de kust met de voorliggende eilandjes van Tandjong Selokkat 
tot Tandjong Kemoedi en van Tandjong Passang tot Tandjong 
Getah , de zuidwestkust van de afdeeling Blantoe , Poeloe Sari- 
boe , Poeloe Selio, Goenoeng Beloeroe, Goenoeng Beginda en 
Goenoeng Merantang. 

Zeer gewone graniet is die van Tandjong Pandan en Boekit 
Bauwes , terwijl die van Boekit Pajong, van Goenoeng Kamoe- 
roekan , van Boekit Begandi , Boekit Goendoel en de heuvels 
aan den westelijken voet van den Tadjem allen porfierische 
graniet zijn, met meer of min groote Yeldspaathkristallen, in 
den gewonen graniet besloten. 

De graniet van Goenoeng Batoe toengal, welke mede por- 
fierischis, bevat zeer fraaije, groote veldspaathkristallen , glas- 
achtig , grijsachtig wit gekleurd en half doorschijnend. Derge- 
lijken graniet vindt men ook op Boekit Melantin. In den gra- 
niet van Goenoeng Batoe toengal vindt men , hoewel zelden , 
ophoopingen van hornblende, hoewel ik dit mineraal buiten 
die ophoopingen niet heb kunnen ontdekken, bevattende de gra- 
niet altijd zwart gekleurde mica. Aan de zuidzijde van Goenoeng 
Batoe toengal vond ik, op eene plaats, dat de porfierische 
graniet was overgegaan in een uit nagenoeg gelijke deelen chlo- 
riet en veldspaath, met zeer weinig kwarts, bestaand gesteente 
fprotogine?); de gewone mica ontbrak daarin geheel. 

In eene put (nabij de kampong Paripin), ten westen en niet i 
ver van Boekit Begandi gemaakt , bestond de onverweerde 
rots nagenoeg uit enkel veldspaath; het kwarts, dat zjj bevatte, 
was onbeduidend en mica ontbrak geheel. 

Toen ik tot op 15 Ned. duimen in dat gesteente was gekomen , I 
werd het minder veldspaathhoudend en trad de mica, doch in I 
zeer geringe hoeveelheid, te voorschijn. Weinige Ned. duimen 1 



1SS 



dieper was dit gesteente vloeijend overgegaan in porfierachtigen 
graniet. Dezen overgang heb ik later ook op andere plaat- 
sen waargenomen. 

. De graniet van Goenoeng Sekajoe is fijnkorrelig, op som- 
mige plaatsen ligt rood gekleurd , als wanneer er een mineraal 
in voorkomt , dat mij toescheen pijniet te zijn ; de kristallen 
van dat mineraal waren evenwel niet duidelijk genoeg , om met 
zekerheid te zeggen , dat het pijniet was. Nabij de kampong 
Goenoeng salak, ten noorden van Goenoeng Kamoeroekan, had 
ik eveneens eenigzins rood gekleurden graniet aangetroffen , doch 
deze bevatte geene vreemde mineralen. 

De graniet van het voorgebergte Boeroengmandi is voor 
een gedeelte porfierachtige graniet en voor een ander gedeelte 
fijnkorrelige sijeniet , met talrijke ophoopingen van hornblende. 
De graniet van Goenoeng Beloeroe is zeer fijnkorrelig, por- 
fierachtig en bevat ophoopingen van veldspaath en mica; terwijl 
die van Tandjong Tambelan zeer hard en grofkorrelig is en 
ophoopingen bevat van het mineraal , waarvan ik vroeger ver- 
meldde, dat het in fijn verdeelden toestand werd gevonden, 
onder anderen ook op het strand nabij Tandjong Tambelan 
en, naar het mij voorkomt , hoofdzakelijk uit ijzer en titanium- 
verbindingen bestaat. 

Met een enkel woord heb ik gemeld , dat er in den graniet 
van Blitong jongere eruptive gesteenten voorkomen en voorna- 
melijk veldspaathporfier (elvan) , van welk gesteente men op 
vele plaatsen aderen in den graniet aantreft, als: op Tandjong 
Tikar , Tandjong Binga, aan de Soengei Padang , Tandjong Boe- 
roengmandi , enz. 

De Goenoeng Tadjemlaki levert een' schoonen overgang Yan 
den porfierachtigen graniet , door veldspaathporfier , in kwarts- 
porfier, terwijl de top bijna geheel uit kwarts bestaat. De 
westelijke voet van dezen berg bestaat, zoo als gezegd is, uit 
porfierachtigen graniet. Deze gaat langzamerhand over in ligt 
rooden , fijnkorreligen graniet , welke op zijne beurt overgaat 
in een geelbruin gekleurd veldspaathporfier. Het geelbruine 
veldspaathporfier gaat over in een geel wit, minder digt; 



\u 



dit laatste in een wit , zeer broos, hetwelk zeer ruw op 
het gevoel is , en dit wederom in een bruin gekleurd kwarts- 
porfier, hetwelk nabij den top overgaat in een gesteente, dat 
genoegzaam geheel uit kwarts bestaat. 

Groensteen heb ik aangetroffen op Goenoeng Tadjemla- 
ki. Deze was zeer digt. Voorts op Boekit Poedas , waar 
hij pijriet inhield. De vindplaatsen van den ijzererts, door mij 
op Blitong opgenomen , zijn op de kaart aangewezen. Het is 
roodijzersteen (hematiet), van roodbruin tot zwartbruin gekleurd , 
soms zwak magnetisch ; het komt voor in aderen, waarvan ve- 
len zeer zwaar zijn. De ertsen zijn over het algemeen zeer rijk , 
vooral die van de ader op den westelijken voet van Goenoeng 
Tadjemlaki. 

Bezuiden ïandjong Binga, nabij Poeloe Kidjang, vindt men een 
konglomeraat van geringe uitgestrektheid , bestaande uit gerold 
kwarts, veldspaath, chloriet en ijzererts-fragmenten, de klein- 
sten te grootte van eene erwt , de grootsten als een duiven- 
ei. Op Tandjong Boeroengmandi, tegen over Poeloe Hendrik, 
treft men mede een konglomeraat aan , geheel verschillend van 
dat nabij Poeloe Kidjang. Voor een deel bestaat het uit zeer 
kleine gerolde stukjes kwarts, veldspaath en ijzererts , het ge- 
heel sterk door ijzeroxijde gekleurd; voor een ander deel dient 
het zoo even beschreven konglomeraat als cement, bevatten- 
de gerolde stukken zeer rijken roodijzersteen, waarvan de 
kleinsten ter grootte van eene vuist zijn, terwijl anderen ver- 
scheidene honderden Ned. ponden wegen. Op eene derde plaats 
eindelijk, dient mede het fijne konglomeraat als bindmiddel, 
doch de stukken hematiet zijn vervangen door groote brokken 
sijeniet, waarvan sommigen meer dan een kub. Ned. el meten. 



Er blijft mij thans nog over, met een enkel woord te spre 
ken van den stroomtinerts en de wijze, waarop dat mineraal 
voorkomt. 

De stroomtinerts komt op Blitong voor in de kleine valleijen 
waardoor de rivieren haren loop nemen; de afzetting heefl 



\ÏÏ6 



dus plaats gehad tijdens liet land , wat zijne hoogten en 
laagten aangaat , tamelijk gelijkvormig was met het geen wij 
nu zien. Men onderscheidt twee wijzen van voorkomen: 
1°, dat hij op eenige diepte onder den beganen grond in 
eene laag wordt gevonden ; 2° , dat hij in de koelit (den be- 
ganen grond) voorhanden is. De 2de wijze van voorkomen is 
alleen op sommige plaatsen oorspronkelijk; in de meeste ge- 
vallen is zij afkomstig van de 1ste en bijgevolg eene afzetting 
van lateren tijd. Dezelfde tinerts als die der stroombeddingen , 
is door mij gevonden in onverplaatsten grond (verweerden gra- 
niet) op den top van den Batoetoengal. 

De stroomtinerts op Blitong heeft, zoo als duidelijk zigtbaar 
is, aan den vorm van den erts , der veldspaath- en aderkwarts- 
fragmenten , welke met den erts van de stroombeddingen wor- 
den gevonden , slechts een gering vervoer ondergaan. De plaat- 
sen, waar de stroomtinerts wordt gevonden, zijn van elkander 
gescheiden door gronden , welke geen tinerts bevatten , waar- 
onder bergen van-ongeveer 900 Ned. el hoogte. 

Gelijk ik vroeger reeds meldde, heb ik op Blitong gevonden, 
dat de graniet op onderscheidene plaatsen , nabij den beganen 
grond, overgaat in een gesteente, dat bijna geheel uit veld- 
spaath bestaat en ik heb van dit veldspaath-gesteente in de 
stroomtinbeddingen stukken gevonden , waarin tinertskorrels 
waren bevat; geheel gelijk aan den stroomtinerts, welke in 
losse korrels wordt gevonden. 

De diepte waarop de stroomtinerts wordt gevonden is on- 
gelijk , doch niet aanmerkelijk , zijnde de diepstliggende tingrond 
aangetroffen op 5,05 Ned. el onder den beganen grond. 

Om een denkbeeld te geven van het terrein, waarin de stroom- 
tinerts wordt gevonden , Iaat ik hier volgen de grondlagen , 
in vier der proefputten aangetroffen. 

Ajer Makeling an. 

Ned. el. 
Zwarte tumaarde . •• .^ . * . 0,35. 



1S6 

Ned. el. 
Stukjes graniet, kaöline, kwartskorrels en stukjes 

onverweerd veldspaath. .... 1,50. 

ïingrond , bestaande uit korrels tinerts, kleine stukjes 

kwarts en een weinig kaöline. . . . 0,51. 

Doode grond. 

Ajer Jambingan. 

Ned. el. 

Zwarte tuinaarde, modder en zand. . • . 1,50. 

Taste, geelachtig-grijze klei. .... 0,40. 

Kaöline , met onverweerde stukjes veldspaath en 

kwartskorrels. 0,60. 

Tingrond, bestaande uit korrels tinerts, stukjes kwarts, 
een weinig kaöline en eenige scherpe stukken 
aderkwarts, kwarts met toermalijn , chloriet en 

veldspaath 0,30. 

Doode grond. 

Ajer Kloebi. 

Ned. el. 

Zwarte tuinaarde 0,60. 

Kaöline, met onverweerde stukjes veldspaath en 

kwartskorrels. 1,65. 

Tingrond; bestaande uit korrels tinerts, stukjes kwarts 

en een weinig kaöline. . . . . 0,16 a 0,22. 

Doode grond. 

Ajer Paripin. 

Ned. el. 
Zwarte tuinaarde, zand en modder. . . . 1,65. 

Vuil grof zand 1,25. 

Kaöline met onverweerde stukjes veldspaath en 

kwartskorrels. 2,25. 



157 



Tingrond ; waarvan de zamenstelling en zwaarte 
niet is op te geven , wegens het ontijdig instorten 
der put. 

De drie eerste putten waren , om zooveel mogelijk het 
water te vermijden , te zeer op de helling der kleine val- 
leijen gemaakt , om daaruit te kunnen besluiten tot de 
diepte, waarop de tingrond in den bodem zal liggen , zeker 
veel dieper , dan hij in die putten is gevonden. De put aan 
Ajer Paripin , meer in den bodem gemaakt, kan daartoe beter 
dienen. Naar mijne waarnemingen zal de grootste diepte, waar- 
op de tingrond op Blitong ligt , gesteld kunnen worden op 7 
tot 8 Ned. ellen. 

De doode grond , waarop de tingrond rust , wordt door 
de Chinesche stroomwerkers van Banka , „ kong'' genoemd. 
Hij bestaat voornamelijk uit kaóline , soms geheel zuiver, soms 
ook kwartskorrels en een weinig mica bevattende. Het komt 
mij voor, dat de kong niets anders is, dan het verwerings- 
produkt van het vermelde veldspaathgesteente, van het veld- 
spaathporfier of van den graniet , al naarmate een dezer drie 
gesteenten ter plaatse eenmaal den beganen grond uitmaakte , 
en dat die verweringsprodukten onverplaatst aanwezig zijn , 
waar het gesteente, dat ze opleverde, zich bevond. 

Omtrent den tinerts , welke in den bovengrond wordt ge- 
vonden , is niets bijzonder mede te deelen , als alleen dat al de 
koelit-erts van minder gehalte was dan de erts uit de laag van 
dezelfde vindplaats , en dat het uiterlijk voorkomen van den 
koelit-erts in zooverre van den erts uit de lagen verschilt, dat 
ik van mij onbekende ertsen altijd heb kunnen aanwijzen, 
welke uit de koelit en welke uit eene laag waren genomen. 
Misschien zijn deze opmerkingen alleen geldig voor den erts, 
door mij van Blitong gezien, en zullen zij later nietig worden; 
zijn zij daarentegen juist , dan zullen ze zeker ook eenig licht 
kunnen verspreiden oven de twee verschillende wijzen van voor- 
komen van den stroomtinerts. 

III. 12. 



158 



Den 29sten November begaven wij ons aan boord van Zr. 
Ms. schoener Aruba , welk vaartuig den volgenden dag de reede 
der Tjiroetjoep verliet en ons den 7den December te Batavia 
terug bragt. 

Hiermede is de togt naar het eiland afgeloopen, waaraan 
voor mij hoogstgelukkige , doch ook de droevigste herinnerin- 
gen mijns levens verbonden zijn. 



Soerabaja, den 9den Maart 1852. 



BUI) 11 A G E 



TOT DE KENNIS DEK 



CIITHYOLOGISCHE FAUNA VAN TIMOR, 



DOOR 



l»r. ï». BLEKEER, 



Deze kleine bijdrage heeft haar ontstaan te danken aan de 
welwillendheid van den heer C. F. Goldmann, gouvernements 
kommissaris voor Timor, die vóór zijne jongste reis naar Ti- 
mor, ter overname der onder het gezag van Nederland over- 
gegane Portugesche bezittingen in den oostelijker) Archipel , 
mij aanbood, te trachten op Timor eene verzameling van na- 
turalien voor mij te maken. Deze verzameling, in uitmuntend 
bewaarden toestand mij geworden, bevat 28 vischsoorten, 
welke voor verreweg het grootste gedeelte nog onbekend 
waren van Timor en voor een klein gedeelte nieuw zijn voor 
de wetenschap. 

Niettegenstaande Timor in deze eeuw door talrijke natuuron- 
derzoekers is bezocht geworden , heeft de ichthijologische 
kennis van dit belangrijke eiland slechts weinig daarbij ge- 
wonnen, en zelfs het nieuwere prachtwerk over de Nederland- 
sche overzeesche bezittingen, waarin uitvoerig over Timor ge- 
handeld wordt, heeft die kennis niet verrijkt. De tot heden 
bekend gemaakte opgaven omtrent Timorsche visschen heelt 
men voornamelijk te danken aan Quoy en Gaimaud, doch die 
opgaven omvatten naauwelijks 30 species, allen van zeevisschen, 



160 



terwijl men nog heden omtrent de stellig zeer merkwaardige 
vischfauna der zoete wateren in volstrekte onwetendheid ver- 
keert. 

De tot nu toe door verschillende schrijvers van Timor op- 
gegevene species zijn, voor zoover mij bekend is, de volgen- 
den : 

1. Apogon novemfasciatus CV. 17. Garangoïdes blepharis Blkr. 

2. Serranus merra CV. 18. Equula oblonga CV. 

3. ,, punctulatus CV. 19. Amphacanthus doliatus CV. 

4. Mesoprion Galveti Blkr. = Dia- 20. ,, nebulosus QG. 

cope Calveti QG. 21. Prionodon annularis CV. 

5. Cirrhites aprinus CV. 22. Salarias quadripïnnis CV. 

6. Therapon servus CV. 23. Periophthalmus Freycineti CV. 

7. Holocentrum diadema CV. 24. Dascyllus aruanus CV. 

8. Platycephalus titnoriensis CV. 25. Glyphisodon unimaculatus CV. 

9. Pterois volitans CV. 26. ,, azureus QG. 

10. ,, zebra CV. 27. ,, uniocellatus QG. 

11. Apistus marmoratus CV. 28. Plotosus macrocephalus CV. 

12. Dentex hexodon QG. 29. Saurida nebulosa CV. 

13. Ghaetodon virescens CV. 30. Oxybelus Homei Richards. 

14. ,, Sebanus CV. 31. Carcharias (Prionodon) mela- 

15. Holocanthus semicirculatus CV. nopterus QG. 

16. Platax punctulatus CV. 32. Taeniura lymma MII. 

De verzameling van den heer Goldmann bevat de hieronder 
genoemde soorten. Achter de systematische namen laat ik 
volgen de ïimoresche, waaronder zij te Timor koepang, hare 
vindplaats, bekend zijn. Slechts van 7 soorten waren de naam- 
briefjes losgeraakt, zoodat ik de namen niet meer met juist- 
heid tot de species heb kunnen terug brengen. 

1. Apogon novemfasciatus CV. 

2. Ambassis Dussumierii CV. = Kadir. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

3. Therapon servus CV. r: Samgeh. Ibid. 

4. Sphyraena jello CV. — Manira. Ibid, 

5. Polynemus -plebejus Brouss. Ibid. 

6. Sillago acut,a CV. = Tjiratjat. Ibid. 

7. Upeneoïdes bivittatus Blkr. = Banang. Ibid. 

8. Heterognathodon bifasciatus Blkr. — Mohung. Ibid. XXIII Sciaenoïd. 

9. Lethrinus opercularis CV. == Panan. Ibid. Sparoïd. 



161 



10. Gerres kapas Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 482. 

11. Chaetodon virescens CV. = Kelipik. Verh. Bat. Gen. XXIII ChaetoJ. 

12. Caranx Forsteri CV. =- Kawan. Ibid. XXIV Makreelacht. Vissch. 

13. Equula filigera CV. = Peperrek. Ibid. 

14. Amphacanthus dorsalis CV.*= Pahat. Ibid. XXIII Teuthid. 

15. Acanthurus matoïdes CV. Ibid. 

16. Mugil parsia HB. ? = Belanakh. 

17. Batrachus diemensis Richards. = Angik. 

18. Gobius phalaena CV. = Lapik. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. II p. 244. 

19. ,, Goldmanni Blkr. 

20. Plesiops melas Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII, Ichth. Bali. 

21. Pomacentrus katunko Blkr. — Katunko. 

22. Julis (Halichoeres) interruptus Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 252. 

23. ,, ( ,, ) miniatus K. v. H. 

24. ,, ( ,, ) Schwarzii Blkr. = Tombilang. Verh. Bat. Gen. 

XXII Ichth. Bali. 

25. ,, ( ,, ) binotopsis Blkr. = Lambuwon. 

26. ,, ( ,, ) kawarin Blkr. = Eawarin. 

27. ,, ( ,, ) timorensis Blkr. = Keilu moquas. 

28. Engraulis encrasicholoïdes Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. V. 

Slechts drie dezer soorten t. w. Apogon novemfasciatus CV. , 
Therapon servus CV. en Chaetodon virescens CV. behooren 
tot de vroeger reeds van ïimor bekende. 25 zijn alzoo 
nieuw voor de fauna van ïimor. Nieuw voor de wetenschap 
zijn daarvan slechts 4, t. w. Gobius Goldmanni , Pomacen- 
trus katunko, Julis (Halichoeres) timorensis en Julis (Halichoe- 
res) kawarin. Insgelijks 'door mij ontdekt, doch in vroeger 
uitgegevene verhandelingen reeds bekend gemaakt , zijn Gerres 
kapas , Plesiops melas , Julis (Halichoeres) interruptus , Julis 

: (Halichoeres) Schwarzii , Julis (Halichoeres) binotopsïs en En- 
graulis encrasicholoïdes. De verhandeling, waarin laatstge- 

\ noemde soort is beschreven, is reeds sedert lang afgedrukt, 
doch wordt eerst in het 2iste deel der Verhandelingen van 
het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en wetenschappen 

i publiek gemaakt. 

In het geheel ken ik thans alzoo de volgende 57 vischsoor- 
ten van ïimor. 



162 



1. 


Apogon novemfasciatus CV. 


32. 


2. 


Ambassis Bisssuxmerii CV . 


33. 


3. 


Serranus merra CV. 


34. 


4. 


,, pumctulatus CV. 


35. 


5. 


Mesoprion Calveti Blkr. 


36. 


6. 


Cirrhites aprïnus CV. 


37. 


7. 


Therapon servus CV. 


38. 


8. 


Holo centrum ds adem a CV . 


39. 


9. 


Sphyraena jello CV. 


40. 


10. 


Poïynemus plebejus Brouss. 


41. 


11. 


Sillago acuta CV. 


42. 


12. 


Upeneoïdes bivittatus Blkr. 


43. 


13. 


Platycephalus tsmoriensis CV r . 


44. 


14. 


Pterois volitans CV. 


45. 


15. 


,, zebra CV . 


46. 


16. 


Apistus marmoratus CV. 




17. 


Heterognathodon bifasciatus Bik. 47. 


18. 


Dentex hexodon QG. 


48. 


19. 


Lethrimis opercularis CV. 


49. 


20. 


Gerres kapas Blkr. 


50! 


21. 


Ghaetodon virescens CV. 


51. 


22. 


,, Sebanus CV. 


52. 


23. 


Kolocanthus semicirculatus CV. 53. 


24. 


Platax punctulatus CV. 


54. 


25. 


Garanx Forsteri CV. 


55. 


26. 


Garangoïdes blepharis Blkr. 


56. 


27. 


Equula filïgera CV* 




28. 


,, oblonga CV. 


57. 


29. 


Amphacanthus doliatus CV. 




30. 


,, nebulosus QG. 




31. 


,, dorsalis CV. 





Acanthurus matoïdes CV. 
Prionodon annularis CV. 
Mugil parsia HB. ? 
Salarias quadripïnnis CV. 
Batracbus dïemensisRichards. 
Gobius pbalaena CV. 

,, Goldmazmi Blkr. 

Periophthalmus Freycineti CV. 
Plesiops melas Blkr. 
Pomacentrus katunko Blkr. 
Dascyllus aruanus CV. 
Glyphisodon unimaculatus CV. 
,, azureus OG. 

,, uniocellatus OG. 

Julis (Halïchoeres) interruptus 
Blkr. 

,, ( ,, ) miniatus K. v. H. 

,. ( ,, ) Schwarzii Blkr. 

,, ( ,, ) binotopsis Blkr. 

,, ( ,, ) kawarin Blkr. 

,, ( ,, ) tirnorensis Blkr. 
Engraulis encrasicholoïdes Blkr, 
Plotosus macrocephalus CV. 
Saurida nebulosa CV. 
Oxybelus Homei Richnrds. 
Garcharias ( Prionodon ) mela- 

nopterus QG. 
Taeniura lymma MH. 



Het blijkt alzoo, dat zelfs thans nog, niettegenstaande ik 
de kennis der Timorsche vischfauna bijkans heb kunnen ver- 
dubbelen, van die fauna nog slechts zeer weinig bekend is. 
Ik hoop daaraan weldra meer te kunnen toebrengen, ver- 
mits mij nieuwe verzamelingen van Timor zijn toegezegd ge- 
worden. 



DESCRIPTIONES SPECIERÜM OIAGNOSTICAE, 



PERCOIDEI. 

Apogon novemfasciatus CV. Poiss. II p. Wh. 

Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine lf circiter in ejus altitudine; capite 3|. ad 3|. in longitu- 
dine corporis, longiore quam alto ; oculis diametro 2£ circiter in longitu- 
dine capitis; linea rostro-frontali convexa; praeoperculo rotundato, denti- 
culis conspicuis; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali, 9 p. m. 
in serie verticali; linea laterali arborescente ; dorso subelevato; pinna 
dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spina 3» spinis ceteris longiore; 
dorsali radiosa et anali angulatis; pectoralibus ventralibus paulo longiori- 
bus; ventralibus analem non attingentibus; caudali emarginata angulis 
acuta; colore corpore roseo-argenteo , dorso fascia media longitudinali 
fusca ; lateribus fasciis 4 longitudinalibus fuscis , 3 superioïibus in cauda- 
lem coeuntibus; operculo margine macula fusca profundiore; pinnis rubris, 
dorsali radiosa analique basi fascia longitudinali obliqua fusca. 

B. 7. D. 7-]/9 vel 1/10. P. 2/12. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 et 
lat. brev. 

Synon. Apogon a neuf rubans CV. Poiss. II p. 114, 

Apogon balinensis Blkr. Bijdr. tot de kennis der Percoïd. p. 28. 
Verh. Bat. Gen. XXII. 

Habit. Timor kupang, Padang Sumatrae occidentalis , et Boleling 
Bali septentrionalis, in mari. 

Longitudo 5 speciminum 55'" ad 70'". 

Aanm. Deze soort beschreef ik vroeger als eene nieuwe, 
doch eene nadere vergelijking mijner oudere en sedert nog 
van Sumatra en Timor ontvangene exemplaren, doet mij haar 
tot Apogon novemfasciatus terugbrengen. Cüvier spreekt in 
zijne k orte beschrijving niet van de bruine banden langs de 



164 



basis der 2de rug- en aarsvin en noemt de bruine ligchaams- 
banden zwart. 

SCOMBERÓÏDEÏ. 
Caranx Forsteri CV. Poiss. IX. p. 81? 

Car. corpore oblongo compresso , altitudine 3 ad 3§. in ejus longitudine, 
latitudine 3 ad 21. in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 ad 4*. in 
longitudine corporis, aeque alto ac longo vel (junioribus praesertim) paulo 
altiore quam longo; oculis diametro 3 ad 3-§. in longitudine capitis; osse 
subovbitali postice oculi diametro duplo circiter humiliore antice subra- 
diatim tubulato; maxilla superiore vix protractili sub oculi dimidio poste- 
riore desinente; maxilla inferiore prominente; dorso valde convexo, linea 
rostro-dorsali regulariter rotundata; ventre parum convexo; triangulis pec- 
toralibus lateralibus et inferiore totis squamosis; linea la^erali usque sub 
pinnae dorsalis radiosae la quinta parte curvata, postice scutis 28 ad 33, 
maximis latitudine 5|. ad 7% in altitudine corporis; pinnis acutis radio 
producto nullo; dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore; pectoralibus 
falcatis, junioribus capite non vel vix, aetatc media adultisque capite multo 
longioribus; ventralibus capite duplo vel plus duplo brevioribus; spinis 
analibus posteriore anteriore longiore ; caudali lobis acutis 5 ad 4* in lon- 
gitudine corporis; colore corpore superne junioribus coerulescente-, ado- 
lescentibus et adultis fuscescente-viridi , inferne junioribus flavescente, 
adultis argenteo; corpore junioribus fasciis 5 ad 7 transversis nigricanti- 
bus , aetate provectioribus fasciis nullis ; macula supraoperculari nigra punc- 
tiformi; pinnis, junioribus dorsali la nigricante, ceteris flavis, dorsali 2a 
apice nigra, caudali fusco marginata; adultis dorsalibus et anali violaceo- 
nigricantibus, dorsali 2a nigro marginata, anali apice alba, pectoralibus 
violascente-hyalinis, ventralibus albis, caudali violaceo-nigricante nigro 
marginata. 

B. 7. D. 1 proc. + 7 - 1/20 vel 7-1/21 vel 8 - 1/19 vel 8 - 1/20 P. 
2/17 ad 2/19. V. 1/5. A. 2- 1/15 ad 2- 1/17. C. 17 et lat. brev. 
Synon. Ikan Babara Valentijn Ind. Amb. III. p. 463 fig. 371? 
Babara Renard Poiss. Mol. II. tab. 29 fig. 141? 
Carangue de Forster CV. Poiss. IX. p. 1 1 ? 
Caranx sexfasciatus QGr. Zool. Voy. Freycin. tab. 65 fig. 4. 
Carangue a six bandes CV. Poiss. IV. p. 83. 
.Square mackerel Reeves. 
Tong tji et Tang tji Chinens. 
Ikan Kuweh Mal. Batav. 
Habit. Timor Kupang, Batavia et Padang, Sumatrae occidentalis, in man. 
Longitudo 32 speciminum. 80'" ad 305'". 



163 



Equula filigera CV. Poiss. X. p. 67 lab. 284. 

Equul. corpore oblongo compresso , altitudiDe 2£ ad 2*. in ejus longi- 
tudine; capite acuto 4 ad 4*. in longitudine corporis; fronte spinis 4 valde 
conspicuis armata; linea frontali concava; mento concavo; ore deorsum 
protractili dentibus parvis; oculis diametro 2£ ad 3 in longitudine capitis; 
praeoperculo obtusangulo inferne denticulato ; dorso elevato angulato ventre 
convexiore; spinis ad basin pinnae dorsalis et analis valde conspicuis; 
squamis corpore minimis sed conspicuis ; linea laterali ad pinnam cau- 
dalem desinente; pinnis acutis; dorsali spina 2a valde elongata flexili in- 
terdum pinnam caudalem attingente; pectoralibus capite multo brevio- 
ribus sed vcntralibus multo longioribus; anali spina 2a magna interdum 
filiforme elongata flexili; caudali profunde excisa lobis acutis; colore 
corpore argenteo; dorso lateribusque interdum maculis vel fasciis diffusis 
plumbeis quasi subcutaneis vix conspicuis; rostro fusco ; axillis nigris; 
linea laterali antice flava; pinnis immaculatis, dorsali et ventralibus hy- 
alinis, ceteris flavis. 

B. 4. D. 8/16 vel 8/17. P. 2/17 vel 2/18 V. 1/5. A. 3/14 vel 3/15. 

C. 17 vel 19 et lat. brev. 
Synon. Clitpeo Commers. man. inedit. 

Clupea fasciata Lacép. Poiss. V. p. 463. Cuv. Mem. du Mus. 

I. tab'. 23. fig. 2. 
Clupée a bandes Lacép.. ib. 
Karah Russell Corom. Fish. I. p. 51 fig. 66. 
Equula fasciata CV. Poiss. X. p. 70. 
Equula a bandes CV. ibid. 
Equula cara et karah CV. ibid. 
Equula longispinis CV. ibid. p. 69. 
Equula longue-épine CV. ibid. 
Equula porU-Jil CV. ibid. p. 67. 
Ikan Peperrek Mal. Batav. 
Ikan Pettah Jav. Jamar. 
Habit. Timor Kupang, Batavia et Samarang, et Padang, Sumatrae 

occidentalis, in mari. 
Longitudo 64 speciminum 65'" ad 105'". 

Aanm. Onder mijne talrijke exemplaren bevinden zich alle 
verscheidenheden, welke Cüvier als vier soorten, Equula fili- 
gera, Eq. longispinis, Eq. cara en Eq. fasciata heeft opgebragt. 
Het lijdt bij mij geen twijfel of deze 4 soorten behooren tot 
eene enkele teruggebragt te worden. 

De banden of vlekken bij deze soort, zoowel als bij eenige 



166 



hieronder nog te beschrijvene, zijn dof en onduidelijk, als hei 
ware onderhuidscli , en laten zich slechts waarnemen wanneer 
men den visch in zekere rigtingen tegen het licht houdt. 



MÜGILOIDEI. 

Mugil parsia Ham. Buch. Gang. Fish. p, 215 tab. 
17 1%. 21 CV. Poiss. XI p. 107? 

Mug. corpore oblongo-elongato val de compresso, altitudine 4£ ad 5 in 
ejus longitudine; capite obtusiusculo , convexo, 4|. ad ói. in longitudine 
corporis; altitudine et latitudine capitis 1£ ad 1|- in cjus longitudine; ocu- 
lis diametro 31. circiter in longitudine capitis, 1£ ad 1£ in capitis parte 
postoculari, 1| ad ]|- a se invicem distantibus; membrana palpebrali iridem 
non tegentc; linea rostro-dorsali vertice convexiuscula; rostro convexo oculo 
breviore; naribus anterioribus rotundis posterioribus subrimaefonnibus majo- 
ribus; osse suborbitali parum emarginato denticulis bene conspicuis; osse 
maxillari superiore ore clauso non conspicuo; labio superiore membranaceo 
non papillato; denticulis raaxillaribus inconspicuis ; maxilla superiore deorsum 
valde protractili; tuberculo inframaxillari quadrato; dentibus palatinis in 
tliurmas oblongo-rotundatas collocatis; lingua peripberia thurmis den- 
ticulorum parvis obsita; impressione praevoincrina profunda cordiformi; 
praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine posteriore obliquo e- 
marginato ; squamis lateribus 40 ad 45 in serie longitudinali , parte basali 
striis 4 ad 6; squamis axillaribus longis; pinnis dorsalibus minus longitu- 
dine pinnarum pectoralium a se invicem distantibus, altitudine subaequalibus, 
corpore multo bumilioribus; dorsali spinosa spinis gracilibus 1* ceteris longiore; 
dorsali radiosa acuta emarginata ; pinnis pectoralibus capite absque rostro lon- 
gioribus; ventralibus angulatis pectoralibus multo brevioribus; anali acuta, pau- 
lo emarginata, altitudine pinnam dorsali radiosam acquante, spina 3* radio 
1° duplo circiter breviore; caudali semilunariter emarginata 41 ad 4a. in 
longitudine corporis ; colore corpore superne viridi inferne argenteo ; pin- 
nis verticalibus viridescentibus , caudali postice nigro marginata; pectora- 
libus et ventralibus hyalinis vel fiavescentibus; pectoralibus supra basi 
macula nigra. 

B. 6. D. 4-1/8 vel 1/9. P. 2/15 vel 2/16. V. 1/5. A. 3/10 vel 3/11. 
C. 14 et lat. brev. 

Synon. Mug e parsia CV. Poiss. XI p. 107? 
Ucan Belanakh Mal. Batav. 

Habit. Batavia, Timor kupang, ïn man. 

Longitudo 4 speciminum 90'" ad 212'". 



167 



Annm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Mttgil 
cunnesius CV. doch laat er zich van onderkennen , doordien 
bij laatstgenoemde species minder schubben op eene ovcrlang- 
sche rei gaan, de uitgespreide staartvin afgeknot, het achter- 
ste gedeelte des oogs door een ooglidvlies bedekt is, de borst- 
vinnen en aarsvin een straal minder tellen enz. Bij de groo- 
te gelijkenis der soorten van Mugil op elkander en het wei- 
nig voldoende der bestaande beschrijvingen, is het dikwijls 
zeer moeijelijk, naar deze laatsten alleen de soorten te bepalen. 
In alle opzigten gelijken de bovenbeschrevene exemplaren 
het meest op de afbeelding en omschrijving van Mugil parsia 
H!*., zonder dat ik echter over de identiteit beslissend durf 
oordeelen. 

GOBIOÏDEI. 

Gobius Goldmanni Blkr. 

Gob. corpore elongato antice cylindraceo , postice compresso, altitudinc 
6 in ejus longitudine; capite obtuso convexo 4f in longitudine corporis; 
latitudine capitis 1», altitudinc If. in ejus longitudine; ocnlis diametro 4 
circiter in longitudine capitis, maxime approximatis, in anteriore dimidio 
capitis sitis; verticeusque ad oculos squamoso ; sulco temporali conspicuo ; 
rostro obtuso oculo breviore; maxilla Superiore inferiore paulo longiore, valde 
protractili; dentibus maxillis pluriseriatis serie externa majoribus; maxilla 
inferiore dentibus caninis 2 lateralibus divergentibus curvatis j rictu obliquo 
sub oculo desinente; squamis latcribus 28 p. m. in serie longitudinali; 
appendice anali conica; pinna dorsali spinosa corpore et pinna dorsali ra- 
diosa postica bumiliore , obtusa; dorsali radiosa postice angulata corpore 
altiore; pectoralibus et ventralibus longitudine subaequalibus, 5 circiter in 
longitudine corporis; anali angulata postice corpore non humiliore; cau- 
dali obtusa, rotundata, 4.| circiter in longitudine corporis ; colore corpore. 
superne olivaceo, inferne dilutiore; dorso lateribusque superne punctis ni- 
gris occllisque numerosis luteis ; lateribus inferne fasciis pluribus transver- 
sis luteis; pinnis dorsalibus rufescentibus punctulis nigris; pectoralibus, 
ventralibus caudalique rufescente-olivaceis; anali antice fusca postice flava 
nigro marginata. 

B. 4. D. 6-1/10 vel 1/11. P. 19. V. 1/5. A. 1/9 vel 1/10. C. 14 et 
lat. brev. 

llabit. Timor kupang, in mari. 

Longitudo speciminis unici 63"'. 



168 



Aanm. De rijkdom van den Indischen Archipel aan Gobioï- 
den schijnt onuitputtelijk. Ik ken er thans reeds 104 soorten 
van, terwijl in het groote vischwerk van de geheele bekende 
aarde in 1837 slechts 143 soorten beschreven zijn. Gobius 
timorensis behoort tot de groep van het geslacht Gobius met 
2 hondstanden in de onderkaak, stompen kop, stompe staart- 
vin en groote schubben, waarvan reeds elders talrijke Neder- 
landsen Indische soorten door mij beschreven zijn. 

PEDICULATL 

Batrachus diemensis Richards. Arm. Nat. Hist. X p. 
352. Zool. Ereb. Terr. Fish. p. 17 tab. 8. %. \, 2. 

Batrach. corpore antice cylindraceo , postice compresso, altitudine 5 in 
ejus longitudine; capite obtuso , convexo, 3*. ad 3£ in longitudine cor- 
poris; altitudine capitis l£ ad 2, latitudine IA ad \\ in ejus longitudine; 
oculis diamet.o 3 ad 6 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali 
convexa; cute orbitali , vertice, rostro et maxillis cirris pluribus ramosis et 
simplicibus obsitis; maxillis aequalibus; dentibus intermaxillaribns conicis 
parvis biseriatis; infraraaxillaribus anticis pluriseriatis, lateralibus uniseria- 
tis, conicis; vomerinis et palatinis bi- vel pluriseriatis, conicis; operculo 
spinis 2 superiore inferiore plus duplo longiore ; suboperculo operculo majore 
spinis 2 superiore inferiore duplo longiore; cute laevi squamis inconspicuis ; 
linea laterali utroque latere duplice , poris distantibus notata; pinna dor- 
sali spinosa parva, spina 2 a oculo non longiore , spina 3" cum dorsali ra- 
diosa unita; dorsali radiosa corpore vix humiliore ; pectoralibus rotundatis 
5 ad 5 et paulo, ventralibus acutissimis 4*. circiter in longitudine corpo- 
ris; anali rotundata dorsali humiliore; caudali obtusa, rotundata, 4A ad 5*. 
in longitudine corporis; colore corpore nigricante et fnsco vel viridi ne- 
bulato vel subreticulato; pinnis junioribus nigricante-viridibus , adultis 
fusco et nigro m^rmoratis vel reticulatis ; dorsali radiosa analique nigri- 
cante marginatis. 

B. 6. D. 3-20. P. 23^ad 25. V. 2. A. 16 C. 14. 

Synon. Batrachoïdes diemensis Lesueur Journ. Acad. Nat. Sc. Philad. 
p. 402. 
Batrachus quadrispinis CV. Poiss, XII p. 363. 
Batrachoïde a quatre épines CV. ibid. 

Habit. Timor kupang, et Wahai , Ceram septentrionalis , in mari, 

Longitudo 2 speciminum 65'" et 170'". 



169 



Aanm. Het grootste mijner twee specimina gelijkt volkomen 
op de afbeelding van den heer Richardson, boven aangehaald. 
Slechts is het gewolkt zijn van ligchaam en vinnen er niet zoo 
duidelijk waar te nemen. 

LABROÏDE1 GTENOÏDEI. 

Pomacentrus katunko Blkr. 

Pomocentr. corpore oblongo compresso , altitudine 2| in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 fere in ejus altitudine; capite obluso 4 in longitudine 
corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 in longitudine capitis; 
linea rostro-frontali declivi convexiuscula; osse suborbitali dentato vel 
potius quasi eroso ; dentibus maxillis aequalibus obtusis; praeoperculo 
subobtusangulo , angulo rotundato, margine posteriore obliquo, dentibus 
valde conspicuis ; operculo spinis 2 planis obtusis vix conspicuis ; squamis 
lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis 
rotundatis; dorsali spinosa radiosa humiliore, inter singulas spinas lobata, 
spina postica ceteris.longiore; ventralibus pectoralibus paulo longioribus, 
longitudine caput aequantibus; anali spina 2 a l a duplo longiore; caudali 
eraarginata lobis rotundatis, superiore inferiore longiore 4 in longitudine 
corporis; colore corpore olivaceo-viridi marginibus squamarum profundiore; 
cauda superne macula nigra; pinnis profunde viridibus; ventralibus apice 
nigricantibus. 

B. 5. D. 13/14. P. 2/15. V. 1/5. A. 2/14. C. 15 et lat. brev. 

Synon. Ikan Katunko Timorcns. 

Habit. Timor kupang, in mari. 

Longitudo speciminis unici 61'". 

Aanm. Deze soort zou eenigermate behooren tot het ge- 
slacht Pristolis van den heer Rüppell. De vergelijking mijner 
thans reeds vrij talrijke soorten van Pomacentrus heeft mij 
evenwel doen zien, dat de aan- of afwezigheid der operkel- 
doornen geen karakter van genoeg gewigt geeft, om de soor- 
ten van Pomacentrus , waar die doornen bestaan , onder een 
nieuw geslacht te brengen, zooals de heer Rüppell heeft ge- 
daan. Rij sommige soorten zijn namelijk die doornen zoo 
weinig ontwikkeld, dat men aan hun bestaan zou kunnen 
twijfelen of wel, dat men in verlegenheid zou zijn, ze met den 



170 



naam van doornen te bestempelen. Ik geloof daarom , dat 
het geslacht Pristotü behoort te vervallen en met Pomacentrus 
vereenigd te worden. 

De bovenbeschrevene soort heeft in habitus veel van Poma- 
centrus Uttoralis K. v. H. doch meer afgeronde vinnen , andere 
kleuren, talrijker vinstralen enz. 



LABROIDEI GIJCLOÏDEI. 

Julis (Halichoeres) hinotopsis Blkr. Verh. Bat. Gen. 
xxii Ichth. Bali (diagnosis emendata). 

Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 4£ f'erc in ejub 
longitudine, latitudine 2 in ejus altitudine $ capitc acuto 4 f'erc in longitu- 
dine Corporis; altitudine capitis IA circitcr in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 3 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi recti- 
uscula; labiis carnosis; dentibus maxillaribus mcdiocribus , caninis anticis 
et angularibus mediocribus, curvatis; linea laterali ramosa vel subramosa; 
squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali ; pinnis dorsali et anali 
basi glabris postice angulatis; ventralibus 2 circiter, pectoralibus 1 £ circi- 
ter in longitudine capitis; caudali integra postice convexa; corpore supcr- 
ne lateribusque violaceo-nigricante rufoque reticulatis , fasciis insuper 4 vel 
5 difFusis transversis profundioribus; capite vittis flexuosis rubro-violaceis; 
cauda superne ad basin piunae caudalis macula nigra rubro annulata ; 
veutre fiavoj pinna dorsali violascente ocellis numerosis rubris macülisque 
2 nigris, l a spinam lm inter et 2 m , 2* rubro eincta radium 1™ inter et 
3 m ; pinnis pectoralibus et ventralibus flavis, pectoralibus basi vitta trans- 
versa violascente; anali rubra ocellis aurantiacis ; caudali aurantiaca. 

B. 6. D. 9/11 vel 0/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et lat. brev. 

Synon. Ikan Lambuicon Timorens. 

Habit. Timor kupang, et Boleling Bali septentrionaiis, in rnari. 

Longitudo 2 specirainum 50'" et 60'". 

Aanm. Ik beschreef deze soort reeds in mijne Bijdrage tot 
de kennis der Ichlhijologische fauna van het eiland Bali. Thans 
heb ik echter de kleuren naauwkeuriger kunnen opgeven, 
zijnde die bij het Timorsche specimen zeer fraai bewaard ge- 
bleven. 



171 



Julis (Halichoeres) timor crisis Blkr. 

Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso , altittulinc 4 in ejus lon- 
gitudine , latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 4 in lon- 
gitudine corporisj altitudine capitis 1|- in ejus longitudinc; oculis diame- 
tro 3£ in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; labiis 
carnosis; dentibus maxillaribus mediocribus, caninis anticis et angularibus 
parvis, leviter curvatis; linea dorsali linea ventrali non convexiorc; linea 
laterali ramosa; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali ; pinnis 
dorsali et anali basi glabris postice angulatis ; pinnis pectoralibus 1§-, ven- 
tralibus 2 circiter in longitudine capitis; caudali integra postice convcax 
6A. in longitudine corporis; colore corpore margaritaceo-aurantiaco ; capite 
lateribusque vittulis serpentinis et maculis elongatis longitudinalibus pro- 
funde aurantiacis; lateribus insuper guttulis nigris sparsis irregulariter 
seriatis; pinnis verticalibus aurantiacis, ceteris flavis; dorsali vittis obli- 
quis rubris maculisque 2 nigris, l a punctiformi spinam l m inter et 2 m , 2" 
iride pellucida cincta radium l m inter et 3 m ; anali basi maculis rubro-vio- 
laceis. 

B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et 
lat. brev. 

Synon. Ikan Keüu moquas Timor. 

Habit. Timor kupang, in mari. 

Longitudo speciminis unici 68'", 

Aanm. De verscheidenheid in de kleurteekening der soor- 
ten van Julis schijnt oneindig. De bovenbeschrevene soort 
is een der sierlijkst geteekende en hare kleurteekening bij den 
eersten oogopslag herkenbaar even als die der meeste soorten 
van dit geslacht. De zwarte vlekjes der zijden staan in groep- 
jes van 2 tot 4 bij elkander. 

Julis (Halichoeres) miniatus K. v. II. Poiss. XII p. 
337 (diagnosis emendata). 

Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in 
ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 3.*. 
ad 4 in longitudine corporis; altitudine capitis 1§. circiter in ejus longitu- 
dine j oculis diametro 3-ï. circiter in longitudine capitis; linea rostro-fron- 
tali declivi rectiuscula; labiis carnosis; dentibus maxillis mediocribus, 
eaninis curvatis anticis magnis, angularibus mediocribus; linea dorsali li- 
nea ventrali convexiorc; linea laterali ramosa; squamis lateribus 23 p. m. 
in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angula- 



1712 



tis; pinnis pectoralibus 1§., ventralibus 2 in longitudine capitis; eaudali 
integra, leviter convexa, 6 in longitudine corporis; colore corpore superne 
rubro inferne flavo; dorso et lateribus superne maculis nigricantibus fascias 
transversas subsimilantibus ; lateribus striis flavis obliquis et macula maxi- 
ma carmosïna supra anum sita; capite vitta oculo-maxillari et postoculari 
transversa nigricantibus; pinnis rubris vel roseis; dorsali maculis rotundis 
nigris rubro annulatis 2 , anteriore spinam l m inter et 2 m , posteriore ra- 
dium lm inter et 3 m , vittis insuper pluribus violascente-nigris transversis 
obliquis; anali vittis pluribus transversis obliquis rubro-violaceis; eaudali 
radiis mediis guttulis rubro-violaceis. 

B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et 
lat. brev. 

Synon. Girelle rouge CV. Poiss. XIII p. 337. 

Habit. Timor kupang, Boleling Bali septentrionalis et Sibogha Su- 
matrae occidentalis, in mari. 

Longitudo 4 speciminum 45"' ad 83"'. 

Aanm. Ik beschreef deze soort kortelijk in mijne Bijdrage 
tot de kennis der Ichthijologische fauna van Bali. Mijn Timo- 
reesch specimen heeft de kleuren nog zeer frisch, zoodat ik 
die thans vollediger heb kunnen beschrijven dan vroeger. 

Julis (Halichoeres) kawarin Blkr. 

Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso , altitudine 4 fere in ejus longi- 
tudine, latitudine 2* circiter in ejus altitudine; capite acuto 4 et paulo in 
longitudine corporis; altitudine capitis 1-ï. en li- in ejus longitudine; oculis 
diametro 4 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; 
labiis carnosis; dentibus maxillis mediocribus caninis anticis angularibus- 
que mediocribus curvatis; linea dorsali linea ventrali non convexiore; 
linea laterali ramosa; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali ; 
pinnis dorsali et anali basi glabris postice angulatis; pinnis pectoralibus 
et ventralibus longitudine aequalibus, 1|. circiter in longitudine capitis; 
eaudali integra postice convexa 6£ in longitudine corporis; colore corpore 
superne viridi inferne flavo; dorso lateribusque superne maculis irregula- 
ribus violaceis et lateribus maculis irregularibus rubris subreticulatis ; 
capite, rostro , genis operculisque vittis rubro-violaceis; macula postoculari 
oblonga profunde coerulea fla-vo limbata; pinnis verticalibus rubris; dor- 
sali rubro dilutiore et profundiore ocellata et macula nigra spinam ulti- 
mam inter et radium 2 m ; anali basi maculis magnis rubro-violaceis, in- 
ferne guttulis violascentibus; eaudali postice violascente ; pectoralibus fla- 
vis radio 1° rubro. 



173 

B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et 

lat. brev. 
Synon. Ikan Kaxvarin Timore ns. 
Habit. Timor kupang, in mari. # 

Longitudo speciminis unici 91"'. 

Aanm. Deze soort is na verwant aan Julis miniatus K. v. H. 
doch er gemakkelijk van te onderkennen door hare enkele 
rugvinvlek , andere kleuren en grootere buikvinnen. 

In mijne verhandeling over de Gladschubbige Labroïden 
welke te Batavia voorkomen, beschreef ik 5 soorten van Ju- 
lis van den Indischen Archipel, dat is, alle soorten welke 
ik toen (1847) bezat. Sedert is mijn kabinet met talrijke soor- 
ten van Julis van deze gewesten verrijkt, zoodat ik er thans 
reeds niet minder dan 24 bezit, waarvan 22 behooren tot de 
afdeeling Halichoeres , dat is: die soorten, welke vooruitsteken- 
de hoektanden in den bek hebben en de rug- en aarsvinnen 
aan de basis onbeschubt. In het geheel bezit ik thans reeds 
nagenoeg 60 soorten van Gladschubbige Lipvischen , terwijl 
mijne verzameling in 1847 slechts 25 soorten daarvan telde. 

CLUPEOÏDEI. 

Engraulis encrasicholoïdes Blkr. Verh. Bat, Gen. XXIV 
Haring, p. 87. 

Engraul. corpore elongato compresso, altitudine 5 ad 5£ in ejus longi- 
tudine, latitudine 2£ circiter in ejus altitudine; capite convexo, acuto, 4£ 
ad 5 in Ibngitudine corporis; altitudine capitis 1£ ad 1|. in ejus longitu- 
dine ; oculis totis velatis, diametro 3£ ad 4 in longitudine capitis ; rostro 
ante maxillas prominente; convexo, acuto, oculo breviore; inaxilla supe- 
riore ante inferiorem prominente, postice acuta, ante aperturam brancbia- 
lem desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis palatinisque valde parvis, 
maxillis numerossimis vix conspicuis ; squamis transversirn striatis , lateri- 
bus 30 ad 35 in serie longitudinali; axillis inguinibusque squamis elon- 
gatis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali tota ante pinnam analem 
postice in anteriore dimidio corporis sita, acuta, corpore humiliore; pin- 
nis pectoralibus acutis , capite multo brevioribus, radio producto nullo ; 
ventralibus pectoralibus paulo brevioribus ; anali corpore duplo humiliore, 

III. 13. 






174 



longitudine 5£ circiter in longitudine corporis ; caudali profunde incisa 
lobis acutis 5 circiter in longitudine corporis j colore dorso griseo-coeru- 
lescente, capite, lateribus, ventre pinnisque flavescente. 

B. 12. D. 3/12. P. 1/13. V. 1/6. A. 2/24 ad 2/26. C. 19 et lat. brev. 

Synon. Ikan Tri Mal. Batav. 

Habit. Timor kupang, Batavia, Surabaja, Kammal, in mari. 

Longitudo 14 speciminum 86'" ad 120'". 

Aanm. Ik heb aan deze soort den naam gegeven naar hare 
verwantschap met de Ansjovis (Engraulis encrasicholis Cuv.) , 
welke echter ranker van ligchaam is, eene aanmerkelijk kortere 
aarsvin heeft enz. 

Scripsi Batavia Calendis Januarii mdccclii. 






SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 

VAN 

EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN. 

DOOR 
P. J. M1IK M. 



De warme bronnen te Tjipannas , nabij paal 64 in de 
'Preanger Regentschappen. 

Op den oostnoordoostelijken voet van den Pangerango, ter 
hoogte van iets minder dan 3400 rijnl. voeten, in de nabijheid van 
het buitenverblijf van den gouverneur generaal te Tjipannas (1), 



(1) Het buitenverblijf Tjipannas ligt gemiddeld 3404 rijnl. voeten boven 
de oppervlakte der zee, resulterende deze opgave uit 3 waarnemingen, 
•waarvan de eerste plaats had den 26sten Oktober 1851 's morgens 91. uur, 
de 2de den 27sten Oktober 's avonds 5 uur en de 3de den 28sten Oktober 
's morgens 6 uur. De barometer gedurende deze waarnemingen tot graad 
en den standaard herleid wees : 

lste waarneming 2de waarneming 3de waarneming 

te Weltevreden 762.34 m. m. 760.3 m. m. 761, m. m. 

teTjipannas 675.71 m. m. 673.17m.m. 674 , m. m. 

en de vrije thermometer 
te Weltevreden 28,6° C. 28,9° C. 23° C. 

teTjipannas 24,1 21,3» C. 19° C. 

Van de verkregene uitkomsten moesten 3 voeten worden afgetrokken, 
omdat de barometer te Tjipannas zoo veel voeten hooger geplaatst wasj 
vervolgens moest de hoogte van Weltevreden boven zee er worden bijge- 
voegd} de lste waarneming had te Weltevreden en te Tjipannas op het- 






176 



residentie Preanger Regentschappen, komen verscheidene war- 
me minerale bronnen te voorschijn. 

Een dier bronnen ligt noordelijk van een in de onmiddelij- 
ke nabijheid daarvan opgerigt badhuis; zij vormt eene , met 
trachietaehtige steenen belegde, ovale kom van 4,4 Ned. el. 
lengte, 2,8 el. breedte en 0,42 el. diepte. Met zeer geringe 
gasontwikkeling komt het water gedeeltelijk uit den bodem 
dezer kom, gedeeltelijk dient zij tot verzameling van het zuid- 
westelijk daarvan uit den grond komende water. De grond is 
daar week en aanmerkelijk verwarmd. Een thermometer, daar- 
in geplaatst, toont op verscheidene plaatsen 108° F., 112° F., 
120° F. Maakt men daar, waar men 120° F. warmte waar- 
genomen heeft, eene kleine opening, zoo is deze spoedig met 
mineraalwater van 12 r i,3° F. of 51,28° C. warmte aangevuld, 
waarbij men hier en daar ook sporen van aardolie waarneemt. 
De temperatuur van het in de vermelde ovale kom bevinden- 
de water was 113,5° F. en bij gevolg reeds aanmerkelijk ver- 
minderd. 

Het in de kom zich verzamelende water loopt in oostzuid- 
oostelijke rigting door eene tweede kleinere kom van onregel- 
matige gedaante en verliest zich, na eene genoegzame hoeveelheid 
water aan het badhuis te hebben afgegeven, inde omliggende 
rijstvelden. 

De hoeveelheid water, die deze kom oplevert, is aanmerke- 
lijk. Gemiddeld heb ik in 4 sekonden tijds 1 Ned. kan water 
verkregen, dat is 21600 N. kannen 's daags. 



zelfde tijdstip plaats. Bij de 2de en 3de waarneming moesten de barome- 
terstanden van Weltevreden, om reden deze 's morgens 9£ uur afgelezen 
waren, op het uur van waarneming te Tjipannas worden overgebragt, 
waartoe mij de 3 jaarlijksche waarneming te Weltevreden, in den Istenen 
2den jaargang van dit tijdschrift voorkomende, gemiddelde cijfers hebben 
gegeven; de op deze wijze niet te ontwijken fouten zijn klein en kunnen 
naauwelijks meer dan £ milimeter bedragen. 

de 1ste waarneming gaf 3413,3 rijnl. voeten hoogte. 

de 2de „ „ 3428,3 „ „ „ 

de 3de „ „ 3368,4 „ ,, ,, 

Dus gemiddeld 3404 rijnl. voeten. 



177 



In de kom was het water tijdens mijn bezoek den 26sten 
Oktober 1851 in gezelschap der heeren Blee&br en Van drjj 
Boogaard, bijna geheel met wieren bedekt. Deze weggenomen 
zijnde, vertoonde het water, in de kom gezien, eenen witach- 
tigen tint. In een glas gezien was het echter bijna geheel helder. 
Blijft het zoo eenigen tijd staan , dan vormt zich een gering 
praecipitaat. 

De smaak van het water is flaauw, weinig zuurachtig , iets 
adstringerend ; reuk zeer flaauw naar zwavelwaterstofgas; soor- 
telijk gewigt 1,00322, bij 28° C. temp. Blaauw lakmoespapier 
kreeg in de wel eene roode kleur; buiten haar werd het we- 
der blaauw. 

De kwalitatieve analijse heeft de volgende stoffen aangetoond 
Koolzuur, Zwavelzuur , Jodium, Chlorium , Polassa , Soda, 
Kalkaardc t , Bitter aarde, Yzerprotoxi/de, Kiezelaarde, Aluinaar- 
de, Zwavelwaterstofgas, sporen van Org. zelfstandigheden en van 
Mangaanprotoxijde. 

Gekookt zijnde, werd het water onder ontwikkeling van kool- 
zuurgas troebel ; er vormde zich een witachtig praecipitaat. 
Tot droogwordens toe uitgedampt en het zout met gedestilleerd 
water behandeld, bleek uit het onderzoek van het filtraat en 
van het onoplosbare gedeelte, dat de bitteraarde, het ijzerprot- 
oxijde en gedeeltelijk de kalkaarde als koolzure zouten in het 
water aanwezig zijn, waaruit de zamenstelling der overige be- 
standdeelen van zelf blijkt. 

Kwantitatieve analyse. 

1. Bepaling der Vaste deelen. 

195,651 grm. water uitgedampt, gaven na zacht gloeijen 
0,715 grm. zout. 

100 grm. water 0,36545 grm. 

2. Bepaling van het Zwavelzuur. 

195,651 grm. water gaven 0,192 grm. gegloeide zwavelzure 
barietaarde; 



178 



100 grm. water 0,09813 grm., waarin 0,03372 grm. zwa- 
velzuur. 

3. Bepaling van het Jodium. 

442,4 grm. gaven 0,0015 grm. gedroogd joodpalladium , be- 
vattende 0,00105 grm. jodium ; 

100 grm. water 0,000237 grm. jodium. 

4. Bepaling van het Chlorium. 

195,651 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzil- 
ver wegende 1,114 grm; 

100 grm. water 0,5694 grm. chloorzilver , waarin 0,00044 
grm. joodzilver, hetwelk afgetrokken 0,56894 grm. chloorzil- 
ver geeft, waarin 0,14064 grm. chlorium. 

5. Bepaling van het Potassium. 

257,41 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorplati- 
na-chloorpotassium , wegende 0,2385 grm. 

100 grm. water 0,0927 grm. , waarin 0,0283 grm. chloor- 
potassium, bestaande uit 0,01345 grm. chlorium en 

0,01485 „ potassium. 

0,0283 grm. 

6. Bepaling der Kiezelaarde. 

Het zout in de 1ste bepaling verkregen, bevatte kiezelaarde , 
gegloeid 0,019 grm. wegende. 
100 grm. water 0,009711 grm. 

7. Bepaling der Aluinaarde. 

Het filtraat der kiezelaarde met chloorammonium en ammo- 
nia behandeld, gaf 0,006 grm. gegloeid praecipitaat; wederom 
opgelost, is het door potassa-oplossing ontleedbaar in 0,0042 
grm. aluinaarde en 0,0018 grm. ijzeroxijde. 

100 grm. water bevatten dus 0,00215 grm. aluinaarde. 



179 



8. Bepaling van het Koolzuur ijzerprotoxijde. 

195,651 grm. water gaven volgens de 7de bepaling 0,0018 
grm. ijzeroxijde, voor 100 grm water 0,00092 grm. bedra- 
gende en beantwoordende aan 0,001334 grm. koolzuur ijzer- 
protoxijde , waarin 0,000506 grm. koolzuur. 

9. Bepaling der Kalkaarde. 

Het filtraat der aluinaarde gaf bij 100° C. gedroogde oxalas 
calcis wegende 0,266 grm. 

100 grm. water dus 0,13596 grm., waarin 0,05215 grm. kalk- 
aarde. 

10. Bepaling der Bitter aar de. 

Het filtraat der oxalas calcis gaf 0,0814 grm. gegloeide phos- 
phorzure bitteraarde. 

100 grm. water 0,0416 grm. bevattende 

0,01524 grm. bitteraarde, gevende met 
0,01626 „ koolzuur. 



0,03150 „ koolzure bitteraarde. 

11. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. (gips). 

100 grm. water bevatten 0,03372 grm. zwavelzuur, 
gevende met 0,0236 „ kalkaarde. 
en 0,01517 „ water. 



0,07249 „ zwavelzuur kalkaar- 
dehijdraat. 

12. Bepaling der Koolzure kalkaarde. 

100 grm. water bevatten 0,05215 grm. kalkaarde; 
aan het zwavelzuur is gebonden 0,0236 grm. ; afgetrokken , 
blijft 0,02855 grm., gevende met 
0,02243 „ koolzuur. 



0,05098 ,. koolzure kalkaarde. 



180 

13. Bepaling van het Joodpotassium. 

In 100 grm. water zijn 0,000237 grm. jodium. 

gevende met 0,000073 „ potassium. 

0,00031 „ joodpotassium. 

14. Bepaling van het Chloorpotassium 

100 grm. water bevatten 0,01485 grm. potassium; aan het 
jodium is gebonden 0,00007 grm.; afgetrokken, blijft 0,01478 
grm., gevende met 0,01339 grm. chlorium 0,02817 grm. chloor- 
potassium. 

15. Bepaling van het Chloor sodium. 

In 100 grm. water zijn 0,14064 grm. chlorium; aan het po- 
tassium is gebonden 0,01339 grm.; afgetrokken blijft 0,12725 
grm. chlorium, gevende met 0,08352 grm. sodium 0,21077 grm. 

chloorsodium. 

16. Bepaling van het Koolzuurgas. 

289,6 grm. water versch uit de bron genomen, met ammo- 
nia en chloorcalcium behandeld, gaven 0,424 grm. bij 100° C. 
gedroogde koolzure aarde, bevattende 0,1643 grm. koolzuurgas; 
voor 100 grm. water 0,05673 grm. bedragende ; hiervan is ge- 
bonden aan de kalkaarde 0,02243 grm. 
bitteraarde 0,01626 „ 



te zamen 0,03869 „ 
afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijft 0,01804 grm. 
= 9,105 kub. c.bij 0° temp. 0,76 meter druk of 12,16 kub. c. 
bij 51,28° C. en 0,6757 meter druk, (druk en temp. waarin de 
minerale bron verkeert.) 

17. Bepaling van het Zwavelwaterstof gas. 

3975 grm. uit de bron genomen water werden met amijlumpap 
en jodiumtinktuur behandeld; het benoodigde jodium woog 0,0612 
grm., beantwoordende aan 0,00826 grm. zwavelwaterstof gas. 



181 



100 grmi water dus aan 0,00021 grm.s 0,136 kub. c. bij 0° 
temp. en 0,76 meter druk of — 0,181 kub. c. bij den druk en 
temp. der bron. 

Resultaat. 



100 grm. water bevatten 

Koolzure kalkaarde 

„ bitteraarde 

„ ijzerpotoxijde 
Zwavelzure kalkaarde (gips) 
Joodpotassium 
Chloorpotassium 
Chloorsodium 
Kiezelaarde 
Aluinaarde 

Koolzuur (12,16 kub. c, 
Zwavelwaterstofgas (0,18 kub. c.) 

Koolzuur mangaanprotoxijde 
Org. zelfstandigheden (1) 



Totaal 



grm. 
0,05098 
0,03150 
0,001334 
0,07249 
0,00031 
0,02817 
0,21077 
0,009711 
0,00215 

0,407415 
0,01804 

0,00021 

0,425665 
sporen. 



(1) Toen het mij in het jaar 1844 toegestaan was, eenigen tijd tot her- 
stel van gezondheid te Tjipannas te vertoeven, heb ik gedurende dien tijd 
eenige aanteekeningen omtrent deze minerale bron gehouden en eenige 
flesschen water vergaderd, die kort daarna te Batavia tot een scheikun- 
dig onderzoek dienden en welk onderzoek opgenomen is in het Natuur- en 
geneeskundig archief voor N. I. 2den jaargang. Bij de berekening van het eind- 
resultaat daarvan zijn enkele fouten ingeslopen , namelijk wat aangaat de za- 
menstelling der zwavelzure zouten. Het zwavelzuur is met de kalkaarde en 
niet met de soda en potassa vereenigd. Alle bitteraarde is in het water als 
koolzure bittcraarde aanwezig, zoo als mij latere proeven geleerd hebben. 

Ik heb het daarom doelmatig beschouwd, de toen verkregen analytische 
uitkomsten op nieuw te berekenen; zij waren de volgende. 

1. Van 781,25 grm. water verkreeg men 2,830 grm. zout, 100 grm. wa- 
ter 0,36224 grm. 

2. Van 347,22 grm. water, 0,002 grm. joodzilver; 100 grm. water 0,000576 
grm., waarin 0,00031 grra.jodium. 



182 



Ongeveer 250 schreden zuidelijk van deze minerale bron, be- 
vindt zich eene tweede, westzuidwestelijk van het landhuis, in 
de nabijheid eener kleine beek gelegen. De bodem van een 
boven haar opgerigt badhuis is met houten planken belegd f 



3. Van 781,25 grm. water 4,26 grm. gesmolten chloor- en joodzilver ; 100 
grm. water 0.54528 grm.; afgetrokken het joodzilver, blijft 0,5447 grm., 
waarin 0,13438 grm. chlorium. 

4. Van 781,25 grm. water 0,699 grm. gegloeide zwavelzure barietaarde ; 
100 grm. water 0,08947 grm., waarin 0,03075 grm. zwavelzuur. 

5. Van 781,25 grm. water 1, = 0,192 grm. koolzure kalkaarde. 

2, = 0,4553 ,, 



0,6473 grm.; 100 grm. water dus 0,083 
grm. waarin 0,0464 grm. kalkaarde. 

6. In 100 grm. water zijn 0,03075 grm. zwavelzuur; 
gevende met 0,02153 „ kalkaarde 
en 0,01384 „ water. 



0,06612 grm. gips. 
'. In 100 grm. water zijn 0,0464 grm. kalkaarde; gebonden aan het 
zwavelzuur is 0,02153 „; afgetrokken. 

blijft 0,02487 grm. gevende met 
0,01954 „ koolzuur. 



0,04441 grm. koolzure kalkaarde. 

8. Van 781,25 grm. water verkreeg men 0,786 grm. chloorplatina-chloor- 
potassium; beantwoordende aan 0,24036 grm. cLloorpotassium; 100 
grm. water bevatten dus 0,03076 grm.; waarin 0,016137 grm. potassium. 

9. 100 grm. water bevatten 0,00031 grm. jodium , 

gevende met 0,00009 „ potassium. 






0,0004 grm. joodpotassium. 
10. 100 grm. water bevatten 0,016137 grm. potassium; 
aan het jodium is gebonden 0,00009 „, afgetrokken. 



blijft 0,01604 grm. , gevende 
met 0,01454 „ chlorium. 



0,03058 grm. chloorpotassium. 
11. 100 grm. water bevatten 0,13438 grm. chlorium; 
gebonden aan het potassium is 0,01454 „ afgetrokken, 



blijft 0,11984 grm. gevende 0,1985 grm. chloor- 
sodium. 



183 



tusschen welker spleten het minerale water met eene warmte 
van 125,8° F. opkomt en zich in een verzamelingsbak ter grootte 
van 2,7 Ned. el lengte , 2,4 el breedte verzamelt. De hoeveel- 
heid water, die daar verkregen werd, bedroeg in een half uur 
1036 Ned. kannen of 49728 N. kannen 's daags. 

Smaak en reuk van dit water zijn bijna evenzoo als die van 
het water der bovengemelde bron. Het kwam mij voor, dat de 
smaak iets meer adstringerend en minder zuurachtig was. 



12. Van 781,25 grm. water verkreeg men 0,520 grm. gegloeide phosphor- 
zure bitteraarde; 100 grm. water dus, 0,06656 grm., bevattende 0,01496 
grm. magnium, beantwoordende aan 0,05052 grm. koolzure bitteraar- 
de, waarin 0,02608 grm. koolzuur. 

13. Voor 100 grm. water verkreeg men 0,0005 grm. aluinaarde. 

0,00142 „ koolzuur ijzerprotoxijde 
0,01431 „ kiezelaarde. 

14. Van 781,25 grm. water verkreeg men 2,100 grm. zwavelzure bariet- 
aarde, welke aan de geheele in het water aanwezige hoeveelheid 
koolzuur beantwoordt; voor 100 grm. water 0,2688 grm. bedragende 
en beantwoordende aan 0,0507 grm. koolzuur; na aftrekking van het- 
geen aan de kalkaarde , bitteraarde en het ijzerprotoxijde gebonden is , 
blijft 0,00455 grm. of 2,32 kub. c. bij 0° temp. en 0,76 meter druk. 

Resultaat. 

100 grm. water van 1,00197 soortelijk gewigt bevatten. 

grm. 

Koolzure kalkaarde 0,04441 

„ bitteraarde 0,05052 

„ ijzerprotoxijde . . . . . . 0,00142 

Zwavelzure kalkaarde (gips) 0,06612 

Joodpotassium . 0,00040 

Chloorpotassium 0,03058 

Chloorsodium 0,1985 

Kiezelaarde 0,01431 

Aluinaarde , 0,0005 

0.40676 
Koolzuur . 0,00455 
Koolzuur mangaanprotoxijde sporen. 
Org. zelfstandigheden. 



184 



Voorts was het, in een glas gezien iets helderder, en hei 
praecipitaat, dat zich gedurende het staan aan de lucht vormde, 
scheen 'mij toe geringer in hoeveelheid te zijn. Scheikundig 
heb ik dit water niet onderzocht; de zamenstelling er van zal 
echter weinig Yan die der onderzochte bron verschillen. 

Eene derde, ongeveer 160 voeten oostelijk van de eerst ge- 
noemde wel liggende, heb ik deze keer niet kunnen zien, ver- 
mits al de omliggende rijstvelden onder water stonden. Wan- 
delt men langs de dijken dezer velden, dan ontwaart men op 
vele- plaatsen uitzijpelingen van mineraalwater, met sporen van 
aardolie bezwangerd. 

Deze bronnen zijn in het jaar 1744 ontdekt en door S. C. 
Kriel scheikundig onderzocht. Dit onderzoek gaf niet slechts 
opheldering omtrent de soort, waartoe dit water behoort, maar 
ook van de verhouding der in gedestilleerd water oplosbare 
en onoplosbare zouten der vaste bestanddeelen; zoo kwamen 
op 1 once , 1 drachme en 6 grein oplosbare zouten , 3 drach- 
men en 12 grein onoplosbare, eene verhouding, die slechts 
weinig verschilt van de thans waargenomen resultaten en welk 
verschil meer of min afhankelijk zal zijn geweest van het niet 
behoorlijk droogen van het zout, alvorens het gewogen werd. 
Zie Verhandelingen van het Bat. Genootschap van kunsten en we- 
tenschappen 8ste deel pag. 87. 



Warme minerale bronnen, voorkomende op de noordnoord- 
oostelijke helling van den Gedeh, ter hoogte van 6775 
rijnl. voeten. 

Op de noordnoordoostelijke helling van den Gedeh, ter hoog- 
te van 0775 rijnl. voeten boven de zee, 4 palen beneden den 
top van den Pangerango, langs den weg, dien men volgt om 
van Tjipannas (het buitenverblijf van den gouverneur generaal) 
den top van genoemden berg te bereiken, komt men bij deze 
warme bronnen, die uit 19 rotsgaten van verschillende groottej 
te voorschijn komen r eene beduidende hoeveelheid mineraal- 



las 



water opleveren, verscheiden kleine watervallen vormen en zich 
vervolgens in n. w. rigting in een diep, romanesk ravijn stor- 
ten, wolken van waterdamp verspreidende. 

Het mineraalwater komt daar uit eene poreuse, lavaachtige, 
echter harde trachietsoort, waarvan de buitenste korst zwart van 
kleur, gedeeltelijk dof is-, gedeeltelijk metaalglans bezit, week 
is en met een mes gemakkelijk afgeschrapt kan worden. Bij 
het medegebragt exemplaar had de korst gemiddeld de dikte van 
een millimeter en bestond uit de door het minerale water af- 
gezette deelen, betrekkelijk veel mangaanoxijdoxyduul bevatten- 
de, zoodat zij op verscheidene plaatsen eenen zwarten pollood- 
achtigen metaalglans en voorts de volgende eigenschappen be- 
zit. 

Zij geeft een zwartachtig-bruin poeder, wordt na gloeijing 
meer zuiver bruin en bezit eene zuiver bruine streek. Met 
soda in de oxijdatievlam behandeld, werd eene blaauw groe- 
ne, met phosphorzout eene amethistkleurige parel gevormd, 
de laatste in de herleidingsvlam de kleur verliezende. Het poe- 
der wordt door gekoncentreerd koud zwavelzuur gedeeltelijk met 
roode kleur opgelost; met gekoncentreerd zoutzuur werd het 
opgelost onder ontwikkeling van chlorium met bruine kleur, 
bij verwarming eene ongekleurde vloeistof gevende onder af- 
scheiding van kiezelaarde. De zoutzure oplossing met ammo- 
nia, chloorammonium en geel zwavelammonium behandeld, gaf 
een vleeschroodpraecipitaat van zwavelmangaan, in overmaat van 
zwavelammonium onoplosbaar. 

Het mineraalwater zelf is zonder reuk, van flaauwen smaak 
en 1,0013 soortelijk gewigt bij 27° C. warmte. De temperatuur 
heb ik wel aan de plaats zelve bepaald doch de aanteekening 
daaromtrent heb ik na mijne terugkomst te Batavia niet meer kun- 
nen vinden. Volgens den heer Hasskaul bedraagt zij 124° F. zz 
51,1° C. (1). De barometerstand tot 0° herleid bedroeg den 
27sten Oktober 's middags 2V 2 uur 596,35 mm. terwijl de temp. 
der lucht 17,3° C. toonde. 



(\) Zie Tijdschrift voor N. Indië 3deu jaargaag 2de deel pag. 341, 



186 



In een platinaschoteltje verwarmd , ontwikkelden zich slechts 
enkele gasblazen van koolzuur. Het water bleef aanvankelijk 
helder. Tot de helft uitgedampt, werd het troebel, terwijl een 
wit praecipitaat zich vormde; tot droogwordens toe uitgedampt, 
verkreeg men een wit, hijgroskopisch zout, gedeeltelijk van ku- 
bieken vorm, gedeeltelijk uit naaldvormige kristalletjes bestaande. 

Door behandeling met gedestilleerd water zonderde men de 
daarin onoplosbare deelen af, die uit kiezelaarde en weinig 
aluinaarde met sporen van ijzer oxvj de en mangaanprotoxijde 
bestonden. Het filtraat bevatte chlorium , zwavelzuur, potassa, 
soda, kalkaarde, bilteraarde en sporen van org. stoffen. 

Kwantitatieve analijse. 

1. Bepaling van het Chlorium. 

195,276 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzilver 
wegende 0,157 grm. 

100 grm. water 0,0804 grm; waarin 0,01987 grm. chlorium. 

2. Bepaling van het Zwavelzuur. 

130,184 grm. water gaven bij 100° C. gedroogde zwavelzu- 
zure barietaarde , wegende 0,227 grm. 

100 grm. water dus 0,17437 grm., waarin 0,059913 grm. 
zwavelzuur. 

3. Bepaling der Kiezelaarde. 

130,184 grm. water met zoutzuur uitgedampt , het zout zwak 
gegloeid enz , gaf 0,016 grm. gegloeide kiezelaarde; 
100 grm. water 0,01229 grm. 

4. Bepaling der Aluinaarde. 

Uit het filtraat der kiezelaarde verkreeg men 0,00125 grm. 
gegloeide aluinaarde , een spoor ijzeroxijde bevattende. 
100 grm. water dus 0.00096 grm. 

5. Bepaling der Kalkaarde. 

Het filtraat der aluinaarde gaf 0,112 grm. bij 100° C. ge- 
droogden oxalas calcis. 



187 

100 grm. water 0,08603 grm, waarin 0,033 grm. kalkaarde. 
6. Bepaling der Billeraarde. 

Het Altraat van den oxafas calcis gaf 0,064 grm. bij 100° C. ge- 
droogde phosphorzure bitteraarde-ammonia, na gloeijing 0,02976 
grm. wegende; 

100 grm. water 0,02286 grm, bevattende 0,00838 grm. bit- 
teraarde, 

7. Bepaling van het Koolzuur mangaanprotoxijde. 

259,5 grm. water met eenig salpeterzuur tot op een klein 
volumen uitgedampt, genoegzaam chloorammonium en koolzuur- 
vrije ammonia in overvloed bijgevoegd, onder afsluiting der 
lucht gefiltreerd, bij het filtraat geel zwavelammonium gevoegd, 
na eenige uren digestie op eene warme plaats gefiltreerd, het 
praecipitaat met zwavelammonium houdend water gewasschen, 
vervolgens met zoutzuur en gedestilleerd water behandeld, eeni- 
gen tijd verwarmd , het filtraat met overmaat van koolzure so- 
da ontleed, gaf koolzuur mangaanprotoxijde, op een filtrum 
verzameld en gebrand 0,0023 grm. mangaanoxijdoxijduul ge- 
vende, bevattende 0,00166 grm. mangaan. 

100 grm. water dus 0,00064 grm., gevende 0,001335 grm. 
koolzuur mangaanprotoxijde. 

8. Bepaling der Potassa. 

260,368 grm. water op de behoorlijke wijze behandeld , gaf 
bij 100° C gedroogd chloorplatina-chloorpotassium, wegende 
0,056 grm. 

100 grm. water dus 0,02151 grm, bevattende 0,00657 grm. 
clhoorpotassium , beantwoordende aan 0,00415 grm. potassa. 

9. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. 

100 grm. water bevatten 0,033 grm. kalkaarde, 
gevende met 0,04715 „ ^zwaveIzuur. 
en 0,02121 „ water. 



0,10136 grm. gips. 



188 



10. Bepaling der Zwavelzure potassa. 

In 100 grm. water zijn 0,00415 grm. potassa. 
gevende met 0,00352 „ zwavelzuur. 



0,00767 grm. zwavelzure potassa. 
11. Bepaling van de Zwavelzure soda. 

100 grm. water bevatten 0,05991 grm. zwavelzuur; 
aan de kalkaarde is gebonden 0,0572 grm, 
„ „ potassa „ „ 0,0035 „ 



0,0507 grm.; afgetrokken van de 
geheele hoeveelheid, blijft 0,0ü92i grm , gevende 0,01647 grm. 
zwavelzure soda. 

12. Bepaling van het Chloor magnium. 
100 grm. water bevatten 0,00838 grm. bitteraarde, 
beantwoordende aan 0,00512 grrn. rnagnium, 
gevende met 0,0144 „ chlorium. 



0,01952 grm. chloor magnium, 

13. Bepaling van het Chloorsodium. 

100 grm. water bevatten 0,01987 grm. chlorium; aan het 
rnagnium is gebonden 0,0144 grm ; afgetrokken blijft 0,00547 
grm , gevende 0,00906 grm. chloorsodium. 



100 grm. water bevatten 


grm. 


• 
Zwavelzure potassa. .... 


0,00767 


„ soda .... 


0,01647 


„ kalkaarde (gips) . 


0,10136 


Chloorsodium . 


0,00906 


Ghloormagnium 


0,01952 


Kiezelaarde 


0,01229 


Aluinaarde . 


0,00096 


Koolzuur mangaanprotoxijde 


0,00133 



0,16866 



89 



Koolzuurgas zeer geringe hoeveelheid 

Koolzuur ijzerprotoxijde- sporen. 

Org. zelfstandigheden „ 

Door het gehalte der mangaanverbinding is dit mineraalwater 
zeer belangrijk , voornamelijk door de vorming van het man- 
gaanoxijdoxjjduul, hetwelk zich in eenen meer aardachtigen vorm 
als eene korst op de steenen afzet Avaar het water te voor- 
schijn komt en waar het er over heen loopt, 



De ivarme bronnen Tjipannas bg Lembang in de Preanger- 
regentschappen. 

Om deze bronnen te bereiken , volgt men van het land- 
huis van den heer Phlipprau te Lembang, 3963 rijnl. voeten 
boven zee gelegen, in gemiddeld noordoostelijke rigting eenen 
weg door weelderig groeijende kofïïj tuinen, vervolgens in ge- 
middeld zuidelijke rigting een voetpad van ongeveer een paal 
lengte in een wild romaneskravijn, passeert de rivieren Tjiki- 
warin en Tjikidang (1). Na 597 rijnl. voeten gedaald te 
zijn, bevindt men zich bij deze bronnen. De afstand dezer 
bronnen van het landhuis Lembang bedraagt ongeveer 3V 2 
palen. 

Een der bronnen ligt een el verwijderd van den noordelij- 
ken oeverrand der rivier Tjikidang, die, verscheidene waterval- 
len vormende, zich eene bedding in de zuidelijke helling van 
den Tankoeban prahoe gegraven heeft, bestaande het terrein 
aldaar uit konglomeraatrotsen, trachietrotsen en uit lavaachti- 
gen trachiet, die allen de menigvuldigste ontledingsperioden 
doorloopende, een belangrijk geognostisch voorkomen hebben. 

Deze bron , door eenen steenen dam van de rivier geschei- 
den , en 3366 rijnl. voeten boven zee gelegen , is door de zorg 



(1) De rivier Tjikidang heeft verscheiden benamingen j daar waar zij in 
de nabijheid van Bandong den bekenden Avaterval vormt, is haar naam 
Tjikapoendoeng; meer naar haren oorsprong toe, heet zij Tjikoekoe. 

III. 14 



190 



van den heer kontroleur Van Rheede van Oudshoorn met bamboe 
afgeschut, van een afdak voorzien en de bodem met houten 
planken belegd, tusschen welker splelen het mineraalwater 
onder ontwikkeling van eene groote hoeveelheid koolzuurgas 
met eene warmte van 114,6° F. =:45,9 C. opborrelt. 

De wel stelt eene vierkante opening daarvan 2,2 el lengte, 
1,1 el breedte en 0,2 el diepte en levert eene zeer groote 
hoeveelheid water. Brengt men blaauw lakmoespapier in het 
water, dan wordt het onmiddellijk rood gekleurd; aan de lucht 
echter wederom blaauw. Rood lakmoespapier ondergaat, in 
de wel gehouden, geene verandering , doch wordt daarna buiten 
de wel blaauw. 

Het water is aan de bron zonder reuk en van prikkelend 
zuurachtigen eenigzins inktachtigen smaak. Bij 26,5° C. warmte is 
zijn soortelijk gewigt 1,00152. Tot droogwordens toe uitgedampt, 
ontwikkelt het rijkelijk koolzuurgas, w r ordt troebel, en einde- 
lijk verkrijgt men na drooging een wit een weinig geelachtig 
zout, gedeeltelijk van kristallijnen, gedeeltelijk van meer aard- 
achtigen vorm. Op platinadraad in de binnenste vlam gehou- 
den, kleurt het de buitenste geel; in gedestilleerd water is het 
zout gedeeltelijk oplosbaar; het filtraat reageert alkalisch , ont- 
wikkelt, met een zuur overgoten , weinig koolzuurgas en bevat 
voorts chlorium, soda en potassa in weegbare hoeveelheid, 
terwijl zwavelzuur en jodium slechts als sporen daarin bevat zijn. 

Het in gedestilleerd water onoplosbare gedeelte is tot op kiezel- 
aarde en organische zelfstandigheden na oplosbaar in zoutzuur. 
Het filtraat bevat in weegbare hoeveelheid ijzeroxijde, aluin- 
aarde, kalkaarde en bitteraarde, en voorts nog sporen van man- 
gaanprotoxijde. 

Kwantilative analyse. 

Bepaling van het Chloor. 

a. van 195,387 grm. water verkreeg men 0,045 grm. bij 100° 
C. gedroogd chloorzilver, bevattende 0,011124 grm. chloor. 

b. van 130,258 grm. water 0,031 grm. chloorzilver, waarin 
0, 00766 grm. chloor. 



191 



100 grm water bevatten volgens a— 0,0057 grm. cliloor. 

b =5 0,00588 „ 

gemiddeld =J 0,00579 „ 
2. Bepaling der Koolzure soda. 

260,516 grm. water werden tot droogwordens toe uitgedampt, 
verhit, met gedestilleerd water behandeld, gefiltreerd, het filtraat 
naauwkeurig met zoutzuur verzadigd, uitgedampt, zwak ge- 
gloeid, met water opgenomen en met salpeterzuur zilveroxijde 
behandeld. Het gevormde chloorzilver bij 100° C. gedroogd, woog 
0,250 grm. en beantwoordt aan 0,0618 grm. chloor, voor 
100 grm. water 0,02372 grm. bedragende. 

100 grm. water bevatten volgens de 1ste bepaling 0,00579 
grm. chloor; het verschil ss 0,01793 grm. chloor beant- 
woordt aan 0,011127 grm. koolzuur, 
gevende met 0,015816 „ soda. 



0,026943 „ koolzure soda. 
3. Bepaling van het Chloorpotassium. 

187,472 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorpla- 
tina-chloorpotassium , wegende , 0,042 grm , bevattende 0,01283 
grm. chloorpotassium. 

100 grm. water dus 0,00684 grm, waarin 0,00325 grm. 
chloor. 

4. Bepaling van het Chloorsodium. 

De geheele hoeveelheid chloor in 100 grm. water bedraagt 
10,00579 grm; aan het potassium is gebonden 0,00325 grm; 
(afgetrokken, blijft 0,00254 grm, gevende 0,00421 grm. chloor- 
\sodium. 

5. Bepaling der Kiezelaarde. 

Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,053 grm. gegloeide 
kiezelaarde, voor 100 grm. water 0,01627 grm. bedragende. 

6. Bepaling der Aluinaarde. 
Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,0105 grm. gegloei- 



19°2 



de aluinaarde; voor 100 grm. water 0,00322 grm. bedragende. 

7. Bepaling van het Koolzuur ijzerprotoxijde 

Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,012 grm. gegloeid 
ijzeroxijde; beantwoordende voor 100 grm. water aan 0,003685 
grm., gevende 0;00534 grm. koolzuur ijzerprotoxijde, waarin 
0,00203 grm. koolzuur. 

8. Bepaling der Koolzure kalkaarde. 

Van 325,615 water verkreeg men bij 100° G. gedroogden 
oxalas calcis wegende 0,189 grm. en beantwoordende aan 0,0725 
grm. kalkaarde, 

voor 100 grm. water 0,02226 grm. bedragende en 
gevende met 0,01749 „ koolzuur. 

0,03975 grm. koolzuren kalk. 

9. Bepaling der Koolzure büteraarde. 

Van 325,645 grm. water verkreeg men bij 100° G. gedroog- 
de phosphorzure bitteraarde-ammonia, wegende 0.180 grm.; 
hiervan gaven 0,1585 grm. door gloeijen 0,125 grm. phosphor- 
zure bitteraarde; bij gevolg 0,180 grm. 0,14196 grm., waarin 
0,05201 grm. bitteraarde. 

100 grm. water beantwoorden dus aan 0,01597 grm. bitter- 
aarde, gevende met 0,01704 grm. koolzuur 0,03301 grm. 
koolzure bitteraarde. 

10. Bepaling van het Koolzuurgas. 

195,021 grm. versch uit de bron genomen mineraalwater 
onmiddellijk met ammonia en chloorealcium behandeld, gaven 
0,6825 grm. koolzure aarden; hiervan gaven 0,263 grm. met 
zoutzuur boven kwik in een cijlinder glas behandeld, vochtig 
koolzuurgas, hetwelk herleid tot 0° temp. en 0,76 meter B., 
na aftrek van den waterdamp 47,897 kub. c. bedroeg =: 0,0949 
grm. koolzuurgas. 0,6825 grm. koolzure aarden bevatten dus 
0,24628 grm. koolzuur, bedragende voor 100 grm. mineraal- 
water 0,12629 grm. 



193 



In 100 grm. water is koolzuur gebonden. 
aan de soda =0,01113 grm. 

„ „ kalkaarde =0,01749 „ 
„ „ bitteraarde =0,01704 „ 
„ ijzerprotoxijde = 0,00203 „ 



tezamen =0,04769 grm. en afgetrokken van 
de geheele hoeveelheid, blijft 0,0786 grm. =39,669 kub. c. 
bij 0° temp. en 0,076 meter B.— of 52,224 kub. c. bij de temp. 

(45,9° C.) en druk (0,674 m. B.) waarin de bron verkeert. 



Resultaat. 



100 grm. water bevatten 

Koolzure soda 

„ kalkaarde 
„ bitteraarde 
„ ijzerprotoxijde 

Chloorpotassium 

Chloorsodium 

Kiezelaarde 

Aluinaarde 



grm. 
0,02694 
0,03975 
0,03301 
0,00534 
0,00684 
0,00421 
0,01627 
0,00322 



Totaal der vaste deelen. 0,13558 

Koolzuurgas (52,224 kub. c.) 0,0786 

en de volgende niet kwantitatief bepaalde stoffen : 

Koolzuur mangaanprotoxijde, 

Zwavelzure potassa, 

Joodpotassium , 

Zwavelwaterstofgas , 

Org. zelfstandigheden. 
Dampte men 195,387 grm. water tot droogwordens toe uit en 
gloeide men de vaste deelen eenigen tijd bij eene ,/natige hit- 
te, dan verkreeg men 0,19 grm. vaste deelen , voor 100 grm. 
water 0,009724 grm. bedragende; voegt men hierbij de aan de 
kalkaarde en bitteraarde beantwoordende hoeveelheid koolzuur en 
voorts het verschil der hoeveelheid ijzeroxijde en koolzuur ijzer- 
protoxijde, dan verkrijgt men 0,13343 grm.; — een resultaat, 



194 



hetwelk slechts 0,00215 grm. afwijkt van de bovenvermel- 
de cijfers der vaste deelen. 

Eenige schreden hooger in westelijke rigting van deze bron 
borrelt op verscheiden plaatsen warm mineraalwater uit 
den grond en vormt een halfrond bekken van 12 voeten leng- 
te en breedte, 3 voeten diep water bevattende. De rivier Tjiki- 
dang stroomt achter een gedeelte van dit bekken en is bij wij- 
ze van eenen dam door een konglomeraatachtige steenmassa er 
van gescheiden en valt met eenen kleinen waterval tegenover 
de boven beschreven warme bron in dit bekken en vermengt 
het mineraalwater met veel stroomend rivierwater. Daar ziet 
men in de rivierbedding ook groote konglomeraatrotsen die 
tijdens mijn bezoek (den 30sten Oktober 1851 in gezelschap 
der heeren Phlippkau en Bleeker) met bloeijende melastoma- 
ceën en varens bedekt waren. De geheele, niet onbevallige, om- 
streken dezer plaats pronken met een weelderigen plantengroei, 
waaronder al dadelijk eenige vijgen, varens en aronskelken in 
het oog vallen en liefelijk afsteken bij het meer eentoonige groen 
der dikke wouden van de omliggende bergruggen. 

Overal in dit bekken ziet men koolzuurgas zich in eene 
groote hoeveelheid ontwikkelen, voornamelijk op eene plaats, 
die door eenen steenen dam eenigzins afgescheiden is van het 
water des bekkens; hier borrelt in groote hoeveelheid mine- 
raalwater op van dezelfde warmte, als reeds boven vermeld 
is. Zit men eenige oogenblikken op dezen steenen dam, om 
b. v. de warmte van het water te bepalen , dan wordt men 
spoedig bedwelmd. Eene brandende obor er over gehouden , 
blijft voort branden, hoezeer minder goed dan in de zuivere 
lucht. Dit mineraalwater is van dezelfde zamenstelling, als dat 
der onderzochte bron. 

Volgens opgave van den heer Van Rbeede van Oudshoorn bevin- 
den zich langs de rivier nog meerdere zulke warme bronnen, 
welke hier ter plaatse hunnen hoogsten graad van ontwikkeling 
schijnen bereikt te hebben. De inlanders maken met goed ge- 
volg gebruik van dit water , voornamelijk bij huid- en sijphili 
tische ziekten. 



Tabel A. 



'Chemische zamenstelling van eenige Koffijgronden in de residentie „ .„„, 















NAMEN DER TUINEN 














Poerwo tjatj or 


K e t a n o n 


Tagalsahari 










NAMEN 


ter diepte van 


ter diepte van 


ter diepte van 


Selo- 


Si- 




Sekarlingo. 


DER 






g 


retah 


gedong 


Kradjang. 




BESTA NDDEELEN 


1 voet. 


2 voet. 


5 voet. 


1 voet. 


2 voet. 


5 voet. 


1 voet. 


2 voet. 


16 
5 voet. 


148/49. 


van 
1| vt. diepte. 






Zeer 
oude tuin. 


Jonge tuin. 




gemiddeld 


gemiddeld 


' 1 1 Ir 1 






^ 6ml .. t 6 














Humus , planteno 


ri-lilijf-i'. 


s 


6.19 






7.58 






4.42 






enz. . 




5.56pCt. 


5.68 pCt. 


7.54pCt. 


7.46 pCt. 


7.57 pCt. 


7.90 pCt. 


5.56 pCt. 


4.46 pCt. 


5.45 pCt. 8. 












1 Polascli 




1 
\ 






■ 






. 


D.i 


47 pCt. 


18.75 pCt. 


10.78 pCt. 


9.76 pCt. 


11.21 pCt. 


| Soda 




\ \ 0.025 » 




J 0.054 » 






0.026 » 




)06 » 


| 0.015 » 
0.008 » 


0.028 » 


0.006 » 


0.026 » 


a j Kalkaarde 




niet on- 


0.006 » 


niet on- 


niet on- 


0.019» 


niet on- 


niet on- 


0.050 » 


niet on- 




' 0.012 » 


0.011 » 


| | Gips 
| / Chloor . 




derzocht. 


0.054 » 


derzocht. 


derzocht. 


0.015» der/od.i. 


derzocht. 


0.005 » 


derzocht, ii 1 




■b 






0.054 » 






0.041 » 






0.050 » 


(f 


352 » 


0.022 » 


0.027 » 


0.010 » 


0.015 » 


° l Kiezelaarde 






0.002» , 






0.002 » 






? 




002 » 


0.017 » 


0.008 » 


0.005 » 


sporen. 


t; f Kalkaarde 




0.85 pCt. 


0.82 » 


0.78 pCt. 


0.44 pCt. 


0.55 » 


O.ööpCt. 


1.05 pCt. 


1.74 » 


1.01 pCt.; • 


— 


— 


0.052 » 


? 


? 
























(5 » 


0.77 » 


0.62 » 


0.75 » 


0.66 » 


| Gips 




? 


0.075 » 


? 




0.085 » 


? 


? 


0.112» 


? 












g 1 Magnesia 




? 


0.15 » 


? 


? 


0.08 » 


? 


? 


0.17 » 


? 


119 » 


0.129 » 


0.255 » 


0.090 » 


0.120 » 


g 1 Aluinaarde 




5.25 » } 


7.59 » 


4.76 » 


7.04 » 


10.01 » 


6.14 » 


5.70 » 


5.65 » 


» 


? 


0.08 » 


0.52 » 


0.20 » 


"c \ IJzer verzuursel 


(14.91 » 






4.64 » 






5.20 » , 






10.20 » 


5.08 » 


4.86 » 


5.86 » 


— 1 


\ 4.50 )) 




5.07 » 


5.82 » 


5.55 » 


5 92 » 


5.21 »[ 












'S j Phosphorzuur 




0.107 » 






0.055» 


s 


0.020» ' 






7.54 » 


4.07 » 


6.05 » 


6.81 » 


j; 1 Kiezelaarde 


| 2.94 » 


2.01 » 


2.16 » 


2.56 » 


5.52 » 


5.10 » 


2.54 » 


5.57 » 


2.14 » 










g 1 Polasch 


] 1 0.67 » 


j 


0.54 >, l 


0.62 » 






25 




» 


0.57 » 
62.22 » 


1.81 » 


1.75 » 
0.26 » 


2.66 » 


o ^ Soda . . . 


f i l 


l 


/ 








„ 




0.55 » 


En oplosbaar gedeelte, fijn 


80.92 » 


75.78 » 


77.06 » J 


80.62 » 


75.91 » >70.89pCt. 


85.19 » 


82.87 » 


82.86 » 


» 


77.25 » 


76.16 » 


72.57 » 


zand, enz. 




. 






1 























( 










100 


100 


100 


100 


100 














Tijdens de analyse beTalten 


100 


100 


100 


100 


~>~ 


100 


100 


100 


100 


de gronden de nevenstaan- 




















1 










de hoeveelheden water . 


5.67 pCt. 


6.77 pCt. 


9.74 pCt. 


6.52 pCt. 


8.50 pCt. 


10.89pCt. 


2.54 pCt. 


4.80 pCt. 


4.77 pCt. 




























).5foCt. 


5.86 pCt. 5.90 pCt. 


9.16 pCt. 


6.95 pCt. 


ii„. .„„.„_ 






















— > » 


===== 









Het watergehalte is, bij de bovenstaande uitkomsten, niet in rekening gebragt, maar vooraf van het gewigt der 
alleen voor twee voet diepte in de drie eerstgenoemde gronden bepaald geworden, omdat er voor een en drie voet diepte 
duiden mede aan: » niet onderzocht." — De grond van Tagalsahari is, in meerdere opzigten, de schraalste van allen. 



ronh afgetrokken. — • De in water oplosbare zouten zijn 
aielveel verschil te verwachten was. — De vraagteekcns 



UITTREKSEL UIT EEN VERSLAG 



DE OORZAKEN DER UITSTERVING VAN KOFFIJ- 
BOOMEN IN DE RESIDENTIE KADOE, 

DOOR 

Dr. P. F. H. FROIBERC}. <1> 



Zamens telling der gronden. 

Deze blijkt uit de bijgevoegde tabel A. 

Op deze tabel komen ook voor de resultaten onzer onder- 
zoekingen van vijf andere koflïjgronden van Kadoe, namelijk , 
uit de tuinen: Kradjan, Selo-gretah, Si-gedong , Sekarlingo 
(oude en nieuwe aanplanting). 

Deze meerdere onderzoekingen heb ik gemeend te mogen 
ondernemen, zoowel om onze kennis van Kadoe-gronden eenig- 
zins uit te breiden, als om ook eenig verband uit te vinden 
tusschen den staat van het gewas en de zamenstelling dier 
gronden. Lager, bij de aanduiding van de meest gewigtige 
der in tabel A. opgenoemde stoffen, zal ik tevens het gewas, 
zoo als het zich in het laatst van 1849 bevond, kortelijk be- 
schrijven. 



(1) Dit verslag is der Natuurkundige Vereeniging aangeboden door 
het gouvernement ter plaatsing in dit Tijdschrift. 

Red. 



196 

Bij het onderzoek der drie eerstgenoemde gronden is het 
gebleken, dat zij eene aaftmerkelijke hoeveelheid trachietgruis 
bevatten. Dit is alleen reeds daarom een nadeel, dewijl het 
waterhoudend vermogen der gronden er zeer door verminderd 
wordt. Andere nadeelen, van scheikundigen aard, zal ik straks 
pogen aan te wijzen. 

De voornaamste bestanddeelen, op tabel A voorkomende, 
en waartoe ik de vrijheid neem de aandacht te bepalen, 

zijn: 

1. de oplosbare (alkalische) zouten. 

2. het phosphorzuur. 

3. het zwavelzuur. 

4. de magnesia. 

5. de kalk. 

6. de organische stof (humus en plantenvezels). 
Vooraf een paar woorden over het nut en de werlting der 

minerale stoffen in den bodem. 

Zaden, in eenen grond geplaatst, die geene minerale stoffen 
bevat, en met gedestilleerd water bevochtigd, spruiten slechts 
weinig uit, sterven spoedig, en de plantjes bevatten dan juist 
zooveel en dezelfde zouten , als de zaden, waaruit zij zijn 

opgegroeid. 

Dit bleek uit de proeven van Wiegmann en Polstorff (prijs- 
schrift, Göttingen 1842), welke ken in fijngeknipt platinadraad 

zaaiden. 

f Ook uit die van Magnus (Erdmann's Journal v. 1850, No 
10/ , welke gerstenzaad in koolpoeder legde, dat verkregen 
was van kandijsuiker. 

Ook is de groei hoogst gebrekkig, wanneer er wel minera- 
le stoffen, maar niet van de vereischte soort, in den bodem 

zijn. 

De tabak, die de heeren Wiegmann en Polstorff in goei 
uitgewasschen kwartszand zaaiden , bekwam slechts vier bla 
den, en de plant werd niet grootcr dan vijf duim, zonde 
stengel gevormd te hebben. 

Bij onderzoek bleek het, dat het zand volstrekt geen phos 



197 



phorzuur, zwavelzuur en chloor bevatte, welke sloffen allen 
in gewonen tabak voorkomen. 

Het verband tusschen dit weinig opgroeijen , spoedig uitster- 
ven en afwezig zijn van minerale stoffen, springt duidelijk in 
het oog. 

De oorspronkelijke vruchtbaarheid des bodems hangt gedeel- 
telijk af van de minerale stoffen, die deze bevat; daarin be- 
staat haar nut. 

De wyze van werking dezer stoffen is minder zeker bekend ; 
maar als de meest waarschijnlijke neem ik aan : dat de afwe- 
zigheid of het gebrek dier stoffen in den bodem de plant doet 
kwijnen; dat deze daardoor hare normale funktiën, waaronder 
het bloeijen en het voortbrengen van vruchtbaar zaad de hoogste 
of eindresultaten zijn, niet meer kan verrigten; de inhoud der 
cellen zet zich op andere wijze om dan bij de gezonde plant, 
hij vervalt allengs in gewone chemische ontleding, waardoor 
de plant sterft* 

1. De oplosbare (alkalische) zouten. 

Het schijnt weinig meer te betwijfelen, dat deze zouten, 
welke iedere voor den plantengroei geschikte grond in op- 
losbaren toestand moet bevatten, ook in hunnen aard niet 
onverschillig zijn voor bepaalde plantensoorten. 

De zouten van potasch en soda komen hier het meest in 
aanmerking. Evenzeer nu, als verschillende planten dezelfde 
minerale of anorganische stoffen in verschillende verhoudingen 
opnemen, evenzeer schijnt het zeker, dat één dezer beide al- 
kaliën (potasch en soda) bij uitsluiting of bij voorkeur door be- 
. paalde plantensoorten wordt opgenomen. Zoo vindt men in 
den aardappel enkel potasch, en geene soda; in de, tot heden 
j nog zoo weinig onderzochte koffij , is de potasch althans het 
() grootelijks overwegende, zoo niet het eenige vaste alkali: 
, en volgens de leer der phijsiologie, dat de planten, in norma- 
len toestand, alleen datgene opnemen, wat zij opnemen moe- 
ten , om haar bepaald karakter te verkrijgen en te behouden, 
III. 15 



198 



kan geene plant daar in volkomenen staat groeijen, waar zij 
de haar benoodigde stoffen niet kan opnemen. 

De asch van zeewieren bevat 16 tot 22 1 / 2 perct. potasch 
en toch is er slechts eene zeer geringe hoeveelheid potasch in 
zeewater aanwezig, en daarentegen zeer veel soda. Het 
chloor daarentegen, dat een der hoofdbestanddelen van het 
zeewater is, vindt men in sommige zeewieren slechts in zeer 
geringe hoeveelheid. Ook is het bekend, dat de kustplanten 
niet tieren opgronden, die meer binnenwaarts gelegen zijn; 
op gronden, die enkel potasch en geene soda bevatten. 

Zoo blijkt het, dat eene plant, in de mogelijkheid zijnde, 
om de haar eigene soort (en hoeveelheid?) van een alkali in 
hare cellen op te nemen, daaraan voldoet, ook bij de zeer o- 
verwegende hoeveelheid van een ander alkali, ten einde in 
normalen Westand te kunnen voortgroeijen. Indien de grond 
te veel oplosbare zouten bevat, dan kan dit voor den planten- 
groei nadeelig zijn. Zulks schijnt althans te volgen uit eene 
proef, genomen door Magnus fErdmantv's Journal v. 1850 N° 
10), reeds boven aangehaald. Hij heeft namelijk eene zekere 
hoeveelheid kool, verkregen van witte kandijsuiker (en die 
slechts een spoor var; minerale stoffen bevatte^, deels op zich- 
zelve, deels met eene zekere hoeveelheid der gewoonlijk in 
vruchtbare aarde voorkomende zouten vermengd, tot kweek- 
grond aangewend. De verhouding dier zouten tot de kool be- 
liep, in zeven verschillende proeven, van 11V 2 tot 15 ! /2 pt» 
waarbij 5 perct. zouten van potasch en soda. 

De zaden wilden hierin niet groeijen, dan nadat het mee- 
rendeel der oplosbare zouten door water was uitgetrokken. 

Ook in grof gestooten veldspaath, met 10 perct. der gewon© 
anorganische bodem-zouten gemengd, wilde geen zaad opko 
men. 

Het blijkt dus, dat eene te groote hoeveelheid dezer zoutei 
schadelijk is voor den plantengroei ; en inderdaad , ofschoo 
hun volslagen gemis dien groei onmogelijk maakt, is e 
toch slechts weinig van noodig in direkt oplosbaren staat 
Magnus zaaide gerst in enkel, deels zeer fijn gemalen, veld 



199 

j spaath , en verkreeg ontwikkelde gerstenplantjes , een van twin- 
tig duimen hoog en met vier rijpe zaden. 

De anders vrij aanzienlijke hoeveelheid potasch, die het 
veldspaath bevat, is in eenen bijna onoplosbaren toestand aan- 
wezig, en kon eerst bij zeer kleine gedeelten door den invloed 
der atmosfeer oplosbaar gemaakt worden. Eenige proeven 
van Wolff, mij eerst zeer onlangs bekend geworden (Erd- 
mann's Journal 1850 N«. 17 en 18;, geven eenige aanduiding, 
hoeveel oplosbare alkalische zouten voor eenen bodem genoeg, 
en tevens het maximum is, om een zeer aanzienlijk produkt 
te bekomen. 

De uitkomsten waren als volgt: 
Van Keukenzout 1200 a 1800 kil. per hektare of 0,048 pCt. 

tot 0,072 „ 
» Soda 86 <> „ „ „ of0,034 „ 

„ Zwavelzure soda 1200 „ „ ?j of 0,0 48 

„ Potasch 2160 „ „ ][ Of0 'o86 ][ 

„ Salpeter 1200 a 3800,, „ „ f 0,0*8 „ 

tot 0,1 50 „ 
„ Zwavelzure magnesia 1000 „ „ jf of 040 
„ Kalk 900 a!600„ „ " f 0,640 " 

Dit is berekend voor zes duim diepte. De grond van een 
hektare fa 10000 □ meters; bij een soortelijk gewigt van 1,5, 
ter diepte als boven, weegt ongeveer 2 % miliioen kilogrammen! 
Terwijl hier, aan den eenen kant in aanmerking komt, dat 
elk der bovengenoemde zouten in meer dan de aangegevene 
hoeveelheden gebezigd, eene vermindering van produkt veroor- 
zaakte, zoo moet, aan de andere zijde, vermeld worden, 
dat de proefgrond gevormd was, door opbre -jjing van eene 
zeven duim dikke laag ijzerhoudend kies, terwijl de onder- 
grond zandig was. Op meer humus- en kleihoudenden bodem 
zou zeker eene veel grootere hoeveelheid dier zouten aanwend- 
baar en nuttig geweest zijn, en indien deze zouten allen te ge- 
lijk met den grond waren vermengd geworden, dan had hun- 
ne hoeveelheid zeker nog veranderingen kunnen ondergaan. 
2. Eet Phosphorzuur en 



200 



3. Het Zwavelzuur. 

Deze zijn mede geheel onmisbare bestanddeelen van eenen 
bouwgrond, en wel om redenen, overeenkomende met die, hier- 
boven voor de akaliën aangevoerd. De planten, door Wiegmann en 
Polstorff in zuiver kwartszand gezaaid, namelijk wikken , gerst, 
haver, boekweit, tabak en klaver, groeiden allen kommerlijk, ga- 
ven geen zaad en stierven spoedig. 

De beide bovengenoemde zuren waren niet in het kwarts- 
zand aanwezig. Zij zijn in alle planten bevat, en deze moe- 
ten ze dus in den bodem vinden, waarin ze zullen groeijen. 
De lager aan te voeren uitkomst van het onderzoek der kof- 
fij, in het laboratorium alhier uitgevoerd , zal het gezegde ook 
op deze plant toepasselijk maken. 

Wat hoeveelheid betreft, van het eerstgenoemde zuur kan 
een bouwgrond zeer veel bevatten, zonder nadeel voor het ge- 
was, omdat het in den bodem steeds in moeijelijk oplos- 
baren toestand voorkomt, hetzij met kalk of met ijzeroxijde 
en aluinaarde verbonden. 

Dit mag ook voor het zwavelzuur gelden, dat bijna enkel in 
de gedaante van gips (zwavelzuren kalk) in den bodem gevon- 
den wordt. Ik herhaal weder , dat dit enkel geldt , zoo er ge- 
noeg humus aanwezig is ; want deze heeft eenen belangrijken 
invloed op de verbindingen en werking der minerale stoffen in 
den grond. 

4. De Magnesia en 

5. De Kalkaarde 

zijn mede onontbeerlijke grondbestanddeelen, doch in een 
tweeledig opzigt. 

1°. als onmiddelijk voedsel voor de planten, en 
2°. als dienende ter verbetering van den phijsischen toestand 
des bodems. 

Deze schijnt daarvan eene veel grootere hoeveelheid zonder 
nadeel voor de planten, ja met voordeel, te kunnen bevatten, 
dan van de eigenlijke alkalische fpotasch- en soda-j zouten. 

Dit geldt vooral van den kalk, doch weder alleen bij aan- 
wezigheid van genoegzamen humus. Ik heb eenen zeer vrucht- 



201 



baren grond uit Surreij fin Engeland; geanalyseerd, die 41 
perct , en eenen anderen uit de vlakte van Athene, die 38 perct. 
kalk in verbinding met koolzuur bevatte. 

6. De Humus 
eindelijk is voor den grond van zeer wezenlijk belang. De 
door praktijk gevestigde overtuiging hiervan bij de landbouwers 
is later, niettegenstaande de tijdelijke overstemmende tegen- 
spraak van een' Duitschen scheikundige, ook door wetenschap- 
pelijke proeven en onderzoekingen bevestigd geworden. 

Eet nut en de werkingswijze dezer stof is veelsoortig, en 
hangt voornamelijk af van hare voortdurende ontleding, waar- 
door een deel in oplosbaren toestand overgaat of in de be- 
kende bodemzuren veranderd wordt. 

Daardoor ontstaan verbindingen met de verschillende mine- 
rale stoffen in den grond en met de stikstof, die door middel 
van den humus in ammoniakv er binding en overgaat. 

Tevens is de humus een krachtig middel tot openmaking van 
den grond, en tot vermeerdering van zijn w ater houdend , en 
water- en zuurstof -opnemend vermogen; eindelijk tot afwe- 
ring der overmatige warmte. 

Eene korte opgave moge dit verduidelijken. 





'S 

(O 


tof op te 
eene be- 
lucht. 


3 
u 


van het 
er , tot 

deel. 


Vermogen om water 
op te nemen. 




C3 


2 r- ^ 


g 










3 C8 CU 

3 >■ _Ö 


« o, 


.5 i* J 






Namen der stoffen. 


:3^-d 


om z 
proc. 
3evee] 


? Ti 

Bi 

O -d 


3 C <u 
O W -d 

f- 3 a 


a 


a> 

1 

'5 




^ w 


d.2^3 


d <o 


>^i 2 


o 


*- d 




u 
u 


Vermoge 
nemen , 
paalde 


ba 

o 

a 

u 


Procent 

terugge 

het g 


o 

fc-c 
O, 




Kwartszand. 
Kalkzand. 


ol 


1,6 


95,6 


25 


20 ) drie a vier. 





5,6 


100 


29 


20 { uren. 


Thoon- of aluingrond. 
Koolzure magnesia. 
Humus. 


100 


15,3 , 


66,7 


70 


80 1 20 a 24 uren 


11,5 


17,0 1 


38 


456 1 




8,7 1 


20,3 1 


49 


190 1 


100 j 


1 a 2 uren. 



De laatste kolom duidt aan , dat in den genoemden tijd de 



202 

opneming van water geëindigd , dus de stof met water verza- 
digd was. 

Deze getallen behoeven bijna geene verklaring. 
Men ziet er uit, dat humus slechts V 12 der vastheid heeft van 
thoon, ruim 12 maal zoo veel zuurstof opneemt als zand, 
bij gelijke hitte van de lucht ongeveer de helft minder ver- 
warmd wordt dan zand, bijna 8 maal zoo veel water terug- 
houdt , en in de halve tijdsruimte 5 maal zoo veel water op- 
neemt. 

De belangrijkheid van eenigen dezer eigenschappen verdient 
nog eene korte uiteenzetting. 

Vermengd metthoon, eene in sommige opzigten en voor som- 
mige planten zoo voordeelige grondsoort, verbetert de humus 
het nadeel van te grooten zamenhang; aan zandgrond deelt hij 
een grooter vermogen mede om zuurstof uit den dampkring 
op te nemen, waarmede steeds eene geringe hoeveelheid 
ammonia vermengd is, terwijl hij tevens de verwarming van 
den grond door de zonnehitte matigt, en zijne aantrekking van 
het water verhoogt. 

Het is verder bewezen , dat die opneming van zuurstof ver- 
meerdert met den staat van vochtigheid des gronds en dat zij 
bij droogen grond geheel nul wordt; zoo ook toeneemt, 
met de vermeerdering van warmte en van licht, dat is, van 
de helderheid der lucht. 

De humus mag dus gezegd worden , zoo zij niet ten eene 
male door digten plantengroei overschaduwd is, in gelijkelijk 
klimmende mate geschikt te worden (en dus den grond geschikt 
te maken), voor twee, tot de goede ontwikkeling der wortels 
zoo noodige werkingen t. w. opneming van en chemische ver- 
binding met zuurstof en vasthouding van water , het vereischte 
oplosmiddel voor het voedsel der planten. Deze twee eigen 
schappen worden versterkt, door dat de humus betrekkelijk 
weinig warm wordt, zoodat hij bijna enkel de gunstige werking 
der warmte, namelijk de bevordering der opneming van zuur- 
stof, ondervindt. 

Een paar vergelijkende proeven zijn alhier gedaan, omtrent he 



£03 



water opnemend en terughoudend vermogen van twee koffij- 
gronden, namelijk uit tuin Tjikolle in Buitenzorg, die water- 
vrij 31 perct., en uit tuin Tagalsahari in Kadoe, die nog 
geene 4V 2 perct. humus enz. bevat. 

De resultaten zijn deze. Tjikolle kan opnemen 77,3 perct. 
en Tagalsahari 36 perct. water. 
Hiervan was verloren : 

door Tjikolle • Tagalsahari. 

na 48 uren 0,60 perct. J ,28 perct. 
96 „ 1,30 „ 1,84 „ 

120 „ 1,90 „ 3,29 „ 

Zoowel het water opnemend , als het waterhoudend vermo- 
gen is dus in Tjikolle veel sterker dan in Tagalsahari, en wel 
ten gevolge van het grootere humusgehalte. 
Doch van den humus is nog meer te zeggen. 
Eene zijner, niet het minst gewigtige, werkingen is het, die 
hij uitoefent in verband met de alkalische zouten en de, in den 
grond en in den dampkring aanwezige stikstof. 

Het is reeds herinnerd, dat bij een behoorlijk humusge- 
halte, de grond door eene groote hoeveelheid zouten van al- 
kaliën en kalk minder schadelijk voor den plantengroei wordt. 
Naar de zeer aannemelijke verklaring van den hoogleeraar G. J. 
Mulder, worden deze minerale zouten, in de plant overgaande, 
van hun phosphorzuur en zwavelzuur beroofd , welke zu- 
ren verder in phosphor en zwavel veranderd, het plantenen 
wit en andere proteïne-ligchamen helpen vormen. 

De daartoe noodige organische bestanddeelen worden door 
een deel ammonia houdenden humus geleverd, en een ander 
deel humus helpt /'door middel van de vrij gewordene alka- 
liën , kalk en magnesia; de zuren en andere stoffen voortbren- 
gen , waardoor zich de verschillende plantengeslachten ken- 
merken ; zij treden er zelfs mede in chemische verbindingen. 
De bouwstoffen tot die eigenaardige voortbrengsels worden 
ius mede voor een groot gedeelte door den humus geleverd. 

Om de door sommigen vooronderstelde werking van den hu- 
tius, als bron van koolzuur, eenigzins te beoordeelen, heb ik 



204 



een der gronden van Kadoe, en den zoo humusrijken grond 
uit tuin ïjikolle, drie dagen lang met gedestilleerd water zon- 
der en met koolzuur, afzonderlijk behandeld. 

De uitkomsten daarvan zijn in tabel B opgeteekend. Wij 
zien er het volgende uit: 



o 
o 

-^ 

Co 

"*$ 
SS 

•8 

I 

-^ 

o 
o 

o 
o 



SS 

co 

o 
o 

■3 

o 
co 

3 



co 






5^ 
co 



.2? 

SS 



co 



P5 



03 

ei 

H 









CO O 






TH CO 








*£ 

*- 


CO O 


•*n co 






<M TH 


<M t*» 






O O 


o o 










© o 






3 










SI 


co o o o 


<M © OOhO 






'o 


HO H co 


H © COHHN 






O 


nH <M ï> 


Tl O CO H h H 


m 


j_) 


M 


O O o o 


O O O O O O 


u 




o o 


O O O o o o 


h3 


a 
2 


u 

03 
"5 








co . o 


tH O 


o 


33 

d 

e3 


H ^ 


O « «* 


ifi co 


(M &• <M 


CM TH 


M 


d 

03 


° "5b g 


O TH 

O O 


1-5 


03 


3 












H 


A 


O 


© h O O 


ï> «* O O O O 






©0 <M lO © 


"* © 00 co © o 






3 

3 

N 


O H <M O 


TH TH "*<NCM 






O O O O 


© © © O O O 






O O 


© © © © © © 






*o 




N 






o 




03 










N J4 








:j^3 


O O O 


<M ■>* 






t_ 


TH CD 00 


in ^ 






> 


<M O O 


«* o 






t-. 

3 


O TH O 


O TH 






O O 


© o] 


P4 


93 


3 

NI 

3 








co h o o o 


o 


©0<N<N© ©thï>CO 


a 


O 


w in ïo th ©o 


co 


CO»=*«*© ©COtHOS 


W 


^ 


Oh h (M cï 


(M 


-hOO(M CMCOO** 


3 


u 

— _ 03 


© © O h O 


o 


OOOO ©©OO 


< 


o o o 


o 


©©©© ©O©© 


co 


53 

d 


'S * 








h: . >o 


co 


in © i 


< 


-d 

03 

A 


03 


LA .«CO 


o 


CO tH 




TJ 


TH 03 O 


l>. 


<N t^ 




O 


3 
O 


° h4 S 


o 
o 


o 2 
© © 




•< 
H 




3 




















3 


th co io o co 


ï> 


CO © CO © th «* t-i CO 








IS] 


IA O CO HO O 


H 


CO CO CM •** © t>. CO tH 








"o 

O 


Oh <M 05 ts 


H 


H©©© co©oco 








o o o o o 


o 


©©©© OOOO 








o o o 


o 


o©©© ©©©© 






d 

03 

03 




C2 03 2 

£ 1 SP 1 

Sg . '3 3 


M 

3 
3 

CO SI w 






03 

TJ 

O 
O 

TH 




S-2 ö w» •* 

f? d -ji o 03 

tS 03 « . O £ 

^ a «=^^ 'S 


d o, d 
* o * 
bD 'S 60 

13 fl SS 






d T3 

— d 


tD 3 — ^ fe • el © 

° ..Sd.S ■§ ;1 © 






d 

43 

03 


o 


_o> <" 03 aj 






s-r 


heid der 
ie uit: k 
e stoffen 
ir oploss 
gebleve 
der op n 
te oplos; 

de gloei 

lzuur en 


2 'S • 2 o 

d 5 _a = a. 






03 

a 




De zarue 
Kiezelaarde. 
Aluinaarde. 
IJzerverzuur 
Koolzure kal 

De zarne 
Soda (?) en 
Kalk. 

Zwavelzuur. 
Chloor. 






CO 
<o 
03 

cd 




«3 m 3 .2 ** H E «3 










S5 cq g Ph «O 


-o 


o 





T, '- 



203 



Tagahahari. 

behandeld 
met koolzuur zonder koolzuur 

minder opgelost: dit mindere bestaat Het meerder uitgetrokkene bestaat 
alleen in anorganische of minerale ten deele in mede doorgevlooide klei. 
stof. Hierin is veel kalk. 

Het mede doorvloeijen van klei 
werd belet; eerst bij het uitspoelen 
met koolzuurvrij water vloeide we- 
der klei door. De in deze klei aan- 
wezige kalk werd niet door het 
koolzuur uitgetrokken. 

In de opgeloste zouten was meer 
potasch en zwavelzuur , maar minder 
kalk. De kalk schijnt hier (door 
gebrek aan oplosbaren humus?) in 
een weinig oplosbaren toestand te 
zijn. 

Voor het chloor was geen verschil. De hoeveelheid daarvan 
was zeer groot ; de drooge zoutmassa vervloeide ; gips bijna 
niet aanwezig, dus ook hoogst weinig zwavelzuur, 

Tjikolle. 

behandeld 
met koolzuur zonder koolzuur 

minder opgelost, doch van het anor- meer organische stof opgelost, geene 
ganische of minerale gedeelte alleen, klei mede doorgevloeid. 
meer. 

Van potasch, en vooral kalk meer 
uitgetrokken, chloor insgelijks meer. 

Voor het gips geen verschil; dus ook het zwavelzuur bijna 
gelijk. 

J)e potasch en kalk zijn dus beiden in eenen ligt ontleed- en 
oplosbaren toestand. 

Het uitwerksel derzelfde behandeling van deze twee grond- 
soorten, zoo verschillend in humusgehalte, is dus zeer ver- 
schillend geweest, en ten aanzien der gemakkelijk oplosbare 
zouten , leert de vergelijking: 



206 



Bat er in den grond van Tagalsahari meer chloor, doch 
minder zwavelzuur en gips en minder potasch is , dan in dien 
van Tjikolle. 

Het chloor is van de hier genoemde zeifstandigheden de 
minst gewigtige voor den plantengroei. 

Het is van veel belang, de hoeveelheid en den toestand 
der ligt oplosbare zouten te kennen. Ten aanzien der hoe- 
veelheid op de tabel aangeteekend, vraagt men: 

Is er in den grond Tagalsahari te veel van , in betrekking tot 
het humusgehalte? 

Of wel, is deze grond geheel uitgeput te noemen? 

De alkalische zoutmassa is in Tjikolle even groot, en ik ge- 
loof daarom , dat er in Tagalsahari betrekkelijk te veel is. Wij 
hebben boven gezien , dat hiervan niet zeer veel behoeft aan- 
wezig te zijn, maar in Tagalsahari zien wij tevens eene groote 
vermindering der meest noodige oplosbare zouten. Dit leidt tot 
het besluit: dat in den laatstgenoemden grond eene algeheele, 
dadelijke uitputting bestaat, waardoor hij langen tijdvoor het 
kweeken van planten ongeschikt zal zijn, ten ware er doelma- 
tige bemesting worde aangewend. 

Voor de gronden Ketanon en Poerwotjatjor geldt hetzelfde 
ofschoon in mindere mate, gelijk lager zal blijken. 

De vraag naar de grenzen van de hoeveelheid humus in 
vruchtbare bouwgronden , is niet wel algemeen te beantwoor- 
den. 

Ik heb gronden geanalyseerd, die meer dan 80 perct. hu- 
mus bevatten, ja tot 90 perct. toe, — ware veengronden, geheel 
ongeschikt voor den landboaw ; maar beneden dit maximum 
is voor het eene gewas nog nuttig, wat voor het andere 
reeds onvruchtbaarheid veroorzaakt. 

Nog duidelijker spreekt dit in de minima. Haver en boek- 
weit tieren welig in gronden , die voor tarwe en knollen , 
wegens gebrek aan humus, ongeschikt zijn. Ook schijnen klei- 
en leemgronden zich , over het algemeen , het verst van de 
beide grenzen te verwijderen. 

Maar van meer belang is de hoedanigheid van den humus , de 



20' 



hoeveelheid van het oplosbare gedeelte , dat zich met de anor- 
ganische stoffen verbindt. Door de voortdurende inwerking der 
dampkringslucht namelijk, wordt hij, bij kleine gedeelten, in 
eenen oplosbaren toestand gebragt; en het is de hoeveelheid 
van dat oplosbare gedeelte, die zijne dadelijke vruchtbaarheid 
bepaalt. 

De uitkomsten, die ik hier omtrent verkregen heb, met die 
van andere vruchtbare gronden zamengesteld , en vereenigd 
met eenen vergelijkenden staat der vroeger behandelde hoofd- 
bestanddeelen van gronden, zijn opgeteekend in tabel C 1 . 

Een blik op de vier laatstgenoemde zelfstandigheden (de stik- 
stof en hst ivater niet gerekend) kan het gezegde verduidelij- 
ken. 

De werking van koolzure ammonia kan beschouwd worden 
als, in zekere mate, overeenkomstig met die der dampkrings- 
lucht; zij ontbindt ook de humuszure kalkzouten. 

Nu, Tjikolle heeft van dit humuszuur eene twintigmaal groo- 
ten hoeveelheid opgeleverd, dan Tagalsahari. En vergelijken wij 
de laatstgenoemde grondsoort met die van Selogretah en 
Sigedong y beiden ook uit Kadoe, ten aanzien der veel sterkere 
werking van de koolzure soda, dan zijn de verkregene hoe- 
veelheden uit de twee laatsten meer dan honderdvoudig van die 
uit Tagalsahari, waarvan bovendien het uitgetrokken humuszuur 
eene fgansch ongewone^ graauwgele, in plaats van zwartbruine 
kleur had. Daar nu in Sigedong het geheel der organische stof 
slechts vierdubbel en in Selogretah slechts dubbel is van 
dat in Tagalsahari, zoo is het blijkbaar, dat de hoedanigheid 
veel spoediger dan de hoeveelheid het minimum van vruchtbaar- 
heid bereikt, hetwelk wij bij Ta-galsahari zien uitgedrukt. 

Tjikolle leert dit nog duidelijker, daar de werking der kool- 
zure ammonia meer overeenkomt met de natuurlijke omstan- 
digheden, dan die der koolzure soda. 

Doch voordat ik overga tot verdere aanmerkingen op tabel 
C 1 . moet iets gezegd worden over de tien grondsoorten, die 
nevens de drie onderwerpelijke Kadoe-gronden , op de tabel 
voorkomen. 



208 



CD 




"W 












<3 




^ 








e 




^ 




s 




cu 




^ 




Ö 




CO 




*W 




~ 


. 


O 


g 


5^ 


CO 


o* 

1 


SS 


CD 


co 


o 


cd 


*w 


O 


£ 


&. 

Ss 




5? 


co 










SS 

CD 




>>^ 


CD 


S*, 


"V 


o 




o 




«o 


« 


~e 


Ü 


o 


CD 








CO 


CD 


CO 




•^ 


« 


"Ö 
« 

ts 


-O 

->< 

CD 



,g 




OS 


.3 


CD 


S* 


*o 


a 


s. 


s. 


o 


«n 


o 


ca 


►« 


fcq 


&. 


«o 


•8 


CD 

CO 




ts 


^ 




« 








co 




CD 




*^ 




« 




CD 




<£ 




jSs 








CD 




C^ 




fc. 




..*£ 




^ 





^J 



CU 
rQ 

a 
H 



a 












o © © 


© © 






O. 






1> © Ol „ ^ 


© © 


o 


.2 'Ï 9J[ 








Ob W ^" < ^^ 1 


T* O <*- 


o 


o 










© © © 


Ol © 


a 

u 


d 












TH 


o 








© 


© © © 


© © 


pd 


S-l 








© 


CO CO CO _. -. ~ 


© © rv 


o 
«1 


Ph -A\oqurBX 




' 




o 


TH CO W ^ ^ °" 


ci co^- 


H 










d 


© © © 


có © 








O 




o 


o © 


© © © 




•^ChsiCïM 




co 




TH 

Cl 


^•83^ «> *■ 


© d oi 

© Cl © 








d 




d 


Cl TH 


ia ó ia 








00 


CM 




© © © © © 


o © © 




• a iT o3 iïrx 




j^ 


TH 




ÏOQCO,. CD - 
r-i «■* ia •** **■• «*H ^' 


© Ol o 






o 


© 




© CD CO 








d 


© 




© © © © © 


© © oi 

CO T-« 










CO 




© ia © 


© © 


6 


sSuof 






© 

© 




©^■E§^-^ 


3-8 


bD 








© 




© © © 


1 © 




d 












TH 


Th 
CS 


p 






CO 




co © © 


© © 


_M 








© 




g-£8--- 


O. CO 


<U 


gpno agaz 






© 




^ *1 


C/2 








© 




© © © 


© O» 










iO 




in © © 






nScreq tbSbj, 




rv. 


© 
© 
© 




0.04 

0.43 
0.97 












Ol 




ia co <m 


•* © 




•UBfpBJJJ 




e-v- 


© 
© 
© 




gcv.g£r..cv.cv. 
© © © 


© cv © 




•datp 
f i SuopgS-tg 






© 




CO © © © 


© © 


•H 




cv. 


© 
© 

© 




ia _ CO Ol _ ^ Ol 
© ^' ï> CO ^ °- co 

© © © CD 


ia ^ © 
t>. <">■• co 

CÓ w 

TH 










CO 




O ï^ <£> © 


© © 




'Msi-sm 




cv. 


© 




5J cv. © CO ^ ^ CO 

© T-H CO CO 


^ ev. © 


•i 


4Bi9ao-0[9§ 






© 




© © © ia 


có ai 








CO 


<N 




OOOONfJN 


© Cl © 




UBqBspSBj; 




o 


© 




•* (N n rt O (N •* 


© Ol © 


* 




o 


© 




© © OI © © © © 


CO tH co 








© 


© 




© © TH © © © © 


«* © «* 








"*H 


CO 




ia ia co ia 


© © © 








co 


© 




co io © ï> . _ - 


co co o 




•UOUBp^ 




«H 


© 




© © i> © ^ **- ^' 


CO th co 








© 


© 




© © © © 


I> © có 








© 


•^ 




^h i> o ia 


© Cl © 


•j 


DflB(lOAA.J90J 




O 


^■H 

o 




co © © •** _ - - 


© l^ ï^ 

co © »> 








© 


© 




©"©"©© 


10 © CD 






d 




u 


i 


•jBBq 


1 






es 




'S 


^ -so|do 


d 

.3 






d 




* 


3 


ft ft X ,-w^-«. 

d ft « 


e*H 




a 


V 




d 


d 


O to 


O 




o 


3 




"■* 


N 




CO 






o 






"3 


^ ^ m d ? 


aj 




« 


63 




'ï« N 


o 


jd 




<o 


<o 


. 


3 


si 


fc ft ft rt N 1 

eu 'Tj es 


o 

o» 




n3 


Ui 

eS 

.o 
in 


ra 

O 
«3 


'5b 

t/i 


03 

S) 

.5 

3 


-O 213 


'3 

es 
bD 




etf 
01 

pq 


o 

Si 


es 

S-t *-" 

J'S 


| feftft 
S* ë-g.2.S * » 


1 der or 
, enz. 

gehalte. 






es 

* 

d 

i—l 


ra 
O 

Cu 


Zwave 
oplo 
ld. 


losb 
Phospl 
Kalkaa 
Magne 
Humu 

» 


Gehee 
mus 

Stiksto 
Water 



209 



Van No. 4 tot No. 10 zijn het alle Java- gronden, en wel 
met uitzondering van No. 10, allen uit Kadoe. 



In den regel zijn de in het wild groeijende planten niet rijk 
aan stikstof en phosphorzure zouten. 

Kultuurgewassen, vooral die, welke tot voedsel dienen en op 
goed bemeste gronden groeijen, zijn daaraan veel rijker. Zij le- 
veren meer zaden, de hoofdzetels dezer gewigtige stoffen. Van 
daar dat de humus-rijke grond in de eeuwen-oude wouden 
verre is, van altijd tot voordeelige kuituur geschikt te zijn. 

Deze zoo genoemde geile gronden bevatten te veel water, le- 
veren te veel water aan de wortels, bevorderen te veel de 
snelheid van groei en den omvang van het gewas, ten koste 
van de hoeveelheid van zijne wezenlijkste of vruchtdeelen , 
dat is: van zijne hoedanigheid; en alleen door herhaalde be- 
planting met niet veel lommer gevende gewassen, kunnen zij 
eindelijk goede kultuur-gronden worden. 

De bovenlaag der gronden is niet alleen een voedend medium 
voor- maar ook een produkt van de daarop levende en sterven- 
de planten. 

Uit het gezegde volgt dus dat, en blijkt de reden waarom, 
goed en met bemesting onderhoudene kultuurgronden , des te 
vruchtbaarder worden , naarmate zij langer worden bebouwd : en 
tevens, dat uitputting van den grond eene slechte kultuurwijze 
verraadt. 

De humus der gronden verschilt in zijne zamenstelling naar 
den aard der planten, waaruit hij ontstaan is : sterven de plan- 
ten niet ter plaatse, waar zij gegroeid zijn, of verzuimt men 
een ekwivalent voor het in den oogst verwijderde gedeelte, als 
mest, aan den grond terug te geven, dan is uitputting het nood- 
zakelijke gevolg. 

Over het nijlslijk zal het, ter opheldering, voldoen te zeggen, 
dat dit bestaat uit de, van het Abijssinische gebergte afgespoelde 
en verweerde rotsfragmenten, bij het terugtreden der rivier ach- 



210 



tergelaten, en dat het groote vruchtbaarheid aan een gedeelte 
der delta van Neder-Egijpte geeft. 

De Ischernosem of zwarte aarde , die in het zuiden en zuid- 
westen van Europeesch Rusland over eene verbazende uitgestrekt- 
heid tusschen 54° en 57° N.B. verspreidis, munt uit door haar 
produktief vermogen. Reeds bij zeer matige bewerking, brengt 
zij, zonder mest en vele jaren achtereen, 15 a 20 voudig zaad 
voort. De hennip en tabak van dezen grond zijn door al te 
weelderigen groei onbruikbaar en waar de grond bemest 
wordt, is alle landbouw onmogelijk; daar groeijen enkel 
brandnetels van 10 a 15 voet hoogte. 

Slaan wij nu nog een vergelijkend oog op de overige stoffen 
in tabel G 1 genoemd, dan zien wij een algemeen nadeelig ver- 
schil tusschen hare hoeveelheid bij de drie Kadoegronden, 
Poerwotjatjor, Ketanon en ïagalsahari en die van Tjikolle, 
de Ischernosem en het mjlslijk. Vooral gewigtig is het groote 
gebrek aan zwavelzuur (als gips aanwezig) , phosphorzuur en 
magnesia, in Tagalsahari en Ketanon. Van kalk zou , zonder 
eene gelijktijdige toename van humus, eene belangrijke ver- 
meerdering niet raadzaam zijn, vooral met het oog op de 
straks te bespreken tabel E. 

Tabel E. 

Zamenstelling van het in verdund zeezoutzuur onoplosbare 
gedeelte van de gronden. 



Bestanddeelen in 100 deelen 
grond. 



1 




o *-> 




-j&en 


i° 


co M 


|*3 


o — < 

e -o 

'S a> 


W o 


*** 


co 






Kiezelaarde. 

Aluinaa de. 

Kalkaarde. 

Magnesia. 

IJzerverzuursel. 

Potasch , soda en verlies. 



5533 


4415 


1720 


1948 


582 


729 


097 


111 


1541 


2022 


527 
i~100~ 


775 


100 



5545 

met ijzer- } 2922 

verzuursel. i 614 

085 



Zie boven. 



834 



100 



211 



Tevens blijkt uit tabel C 2 , dat de reeds geringe hoeveelheid 
magnesia in eenen onoplosbaren toestand is. 

Eindelijk, ten aanzien der voor den plantengroei zoo noodi- 
ge stikstof in den grond, zijnde verschillen hoogst aanzienlijk, 
en wel ongeveer in de volgende verhoudingen. 

Tschcrnosem /'maagd, grond). . . . . 100 

Tjikolle fkoffijtuin) 63 

Tschernosem (lang bebouwd zonder bemesting). . 30 

NijlsUjk 22 

Ketanon 13 

Tegalsahari. 12 

Poerwotjatjor 8 

Zonder deze stikstof, die door de wortelsponsjes in den vorm 
van ammoniak, en in verbinding met humuszuur wordt opge- 
zogen, kunnen de planten geen eiwit, enz., koffij bovendien 
geene caffeïne vormen, en zonder caffeïne geene koffij. 

Wij zien overigens uit deze tabel, en uit tabel C 2 zal dit 
nog verder blijken, dat van de drie onderwerpelijke gronden 
de een meer, de ander minder van zekere stoffen ontbloot 
is. 

Op tabel C 2 is de zamenstelling van het in water oplosbare 
gedeelte der Kadoe-gronden en van Tjikolle opgegeven. Daar- 
uit blijkt onder anderen: dat Poerwotjatjor en Ketanon meer 
potasch en zwavelzuur bevatten , dan Tegalsahari, en daarin met 
Tjikolle kunnen wedijveren; welken zij echter , even als Tegal- 
sahari , in chloorgehalte overtreffen. De geringe hoeveelheid, 
en vooral de toestand der organische stof in de twee eerstge- 
noemde gronden schijnt meer tot hunne onvruchtbaarheid bij 
te dragen, dan gebrek aan alkalische zouten. Het gips, door 
het zwavelzuur voorgesteld, is een voornaam bestanddeel; 
het is op zich zelf zeer weinig oplosbaar in water, meer bij 
tegenwoordigheid van hurnus (1). Uzi chloor calcium (ongeveer 



(1) Onder zijne bemiddeling is het voornamelijk, dat het gips door kool- 
zure ammonia ontleed wordt. Daarbij ontstaat de zeer oplosbare zwavel' 
ammonia; en deze is een der hoofdmaterialen ter vorming van de 
proteïne- en andere stikstnfhoudende ligchamen in de planten. 



212 



co 

o 

.e 



■ë 



co 

CD 

•^ ^ 

qj co 

-§ ~§ 

CO S 



co 



4 



co 



§< 



CO 

.öi 



SS 

CD 

o 





O O J O O 
O O « O o 

ï^ TH J^O^^tH 

<N tH q tH o 


o 


Tschemosem. 


o 

OO *« 
*** 




O O p,0 O 
co 


O 




O O O O 


o o 




© O O o 


o o 




i> Ui (M ïft 


Ci Ui 




O th <M O- o 


«* CO 




^O^O O O 


oo 


Nijlslijk. 


O 

o 
d 






SU <M t>» co 


Ci co 




CO Tl TH b- 


00 CO 


Tjikolle. 


CO «*- T-< TH ««-• CV. ^ 

O O o o 


r^ ^h 




o o o o 


© o 




■* <rtN CO 


O "** 




CD CO t-i O 


*-< <M 


Tagal-saharie. 


o o o o 


TH (M 




o c o o 


O o 




*~t (M « Ifl M Ti 


ui o 




«* CO CD TH <M TH 


co co 


Ketanon. 


Ui «»- <N © <N © h* 

O O O O O O 


Ui lO 

Tl O 




O O O o o o 


o o 




CM Cl CM (M CO CO 


oo o 




CO CD^Cri«? 


OO <M 


. Poerwotjatjor. 


cN^iNrlcNCM 
O C O O O O 


TH •*< 
TH O 




O O O O O O 


o o 






<*H 


d 




o 


0> 
1— t 




CO 


o 




c to 


o 




f 3 


o 




2 a 


TH 








-31 


_. o 




- 3 


fi s- 




gja 


a> ÖD 








a^ 


Tj 

0> 

CQ 


tasch. 

da. 

Ik. 

avelzuur. 

olzuur. 

ize. aarde. 

loor. 


-2 & 




o o rt £ ° — *fl 


o er 




Ps ka Ui sj Ui U5 ü 


HO 



"o 

pQ 
etf 
H 

door het chloor voorgesteld), dat ik in Tegalsahari heb gevon- 
den, is wel hoogst oplosbaar, ook zonder de inwerking van hu- 
mus, maar het is niet voldoende ter vruchtbaarmaking, en 
kan eerder dan de andere stoffen nadeel doen, als het eenig- 
zins in hoeveelheid toeneemt. 

Ik zou, op denzelfden voet voortgaande, ook vergelijkingen 
tusschen de drie onderwerpelijke en de overige, op de tabel 
voorkomende, gronden kunnen daarstellen. 



213 



Doch kortheidshalve meen ik dit hier te mogen nalaten ; cene 
eenvoudige vergelijking der cijfers, vooral die tegen over de 
woorden phosphorzuur , zwavelzuur en stikstof geplaatst zijn , 
zal voldoen, om de armoede dezer gronden, ook in verge- 
lijking met andere, te erkennen. 



De gronden der tuinen Ketanon, Tegalbangle en Tjikolle, meer 
opzettelijk onder geheel dezelfde omstandigheden, en met ge- 
lijkelijk verdund zeezoutzuur analijtisch behandeld, hebben de 
uitkomsten opgeleverd, die opgeteekend zijn in tabel D. 

Tabel D. 

Vergelijkende staat van de samenstelling der gronden Tjikolle, 
Tegalbangle en Ketanon, geheel onder dezelfde omstan- 
digheden behandeld. 







<u 






w 


c 


a 


In 100 deelen. 


1 — 1 

o 


re 
et 


o 
ö 

CC 




H* 


9» 

H 


O 

M 


Onoplosbare stoffen , zand , enz. 


4791 


7371 


7876 


Oplosbare kiezelaarde. 


398 


187 


222 


K alkaarde. 


047 


043 


083 


Magnesia. 


043 


097 


099 


Phosphorzuur ijzer. 


144 


038 


012 


IJzerverzuursel. 


415 


337 


432 


Aluinaarde. 


901 


454 


263 


Organische stof, humus, enz. 


3115 


1473 


733 


Potasch , soda en verlies. 


146 


230 




~100 


100 


100 



Wij zien hieruit overal het zeer opmerkelijke verschil, tus- 
schen de hoeveelheid oplosbare kiezel- en aluinaarde, alkalische 
zouten en het onoplosbare gedeelte, alles ten nadeele der gron- 
den uit Kadoe. 
De in verdunde zuren oplosbare, alkalische zouten staan in 
III. 16 



21* 



zekere verhouding tot de oplosbare kiezel- en aluinaarde, en 
beider oplosbare toestand is aan de inwerking van den humus 
toe te schrijven. 

Al deze stoiTen werden uitgetrokken door zeer verdund zee- 
zoutzuur, van gelijke sterkte, en zij duiden eenigzins aan, hoe- 
veel voedsel na verbruik van het dadelijk oplosbare gedeelte, 
voor de planten spoedig bruikbaar zal zijn. 

Naarmate dus meer aluinaarde uit het onoplosbare deel 
der gronden uitgetrokken wordt, naar die mate vermeerdert 
ook hun waterhoudend vermogen en, ceteris paribus, de 
vruchtbaarheid. Ketanon bevat hiervan de helft minder dan Te- 
galbangle, en slechts een vierde van ïjikolle. 

Boven heb ik gezegd, dat de drie hoofdzakelijk onderzochte 
gronden van Kadoe voor langen tijd (niet voor altijd) onge- 
schikt zullen zijn tot eene voordeelige kuituur, en inder- 
daad bevatten zij nog stoffen genoeg, die de vruchtbaarheid ver- 
oorzaken, maar in eenen onoplpsbaren, als het ware opgesloten, 
dus niet in eenen dadelijk bruikbaren staat. De uitkomsten 
op tabel E. bijeengesteld, duiden dit aan : zij toonen aan de za- 
menstelling van het in verdund zeezoutzuur niet oplosbare ge- 
deelte dier gronden. De hoeveelheid kalk en alkaliën, daarin 
als weggelegd, is nog aanzienlijk, en ook van magnesia is 
er nog voorraad. Doch dit alles is voor de gewone inwerking 
der atmosferische invloeden slechts weinig toegankelijk, daar 
die werking niet geholpen wordt door eenen aanhoudenden plan- 
tengroei, de bron van den humus, en dus mag deze schat van 
vruchtbaarmakende stoffen metregt als bijna geheel weggesloten 
aangemerkt worden. Dit is te meer waar, omdat de ontbin- 
ding dier vastgelegde zouten gedurig moeijelijker wordt. Bij 
de eerste ontleding van het veldspaath in den grond, wordt 
een zoogenaamd onderkiezelzuur alkali , hetwelk oplosbaar 
is, door den regen uitgewasschen. Daar nu een onderkie- 
zelzuur alkali eene verbinding is, waarin de verhouding van 
het alkali die van het zuur overtreft, zoo moet die van het; 
laatste in het overblijvende, niet opgeloste gedeelte, aanhoudend; 
toenemen. Naarmate dan de verhouding van het kiezelzuur te-f 



215 



gen over het alkali grooter wordt, vermindert ook de oplos- 
baarheid van het kiezelzure alkali (dat dan het bijvoegsel over, 
in plaats van onder bekomt). 

Men ziet hieruit , dat een zekere grond , in volslrekten zin 
vruchtbaar, maar betrekkelijk onvruchtbaar kan zijn voor hetzelf- 
de gewas. Die betrekkelijkheid wordt gegeven door den tijd, 
welke verloopen moet, om de elementen van vruchtbaarheid 
in icerkzamen staat te brengen. 

Het zij hier kortelijk herhaald: dat de humus in de drie on- 
derwerpelijke gronden de.noodige hoedanigheid miste en te ge- 
ring in hoeveelheid w^, om tot oplosbaarmaking van het nog 
in den grond opgeslotene plantenvoedsel te kunnen mede- 
werken. Zij kon daarbij ook geene genoegzame afkoeling be- 
werken en geen vocht genoeg in den grond terughouden, 
waardoor de, te allen tijde noodige, voorraad van voedsel in 
opgelosten toestand moet gehouden worden. Eindelijk , de 
hoeveelheid minerale stoffen , in water oplosbaar , schoon zeker 
in massa niet te weinig, tegen over de geringe hoeveelheid hu- 
mus , bevatte niet of verre van genoegzaam, die zelfstandighe- 
den, welke voor den plantengroei, voor het kweeken van koffrj 
in het bijzonder, noodzakelijk zijn. 

Een enkel woord nog, over de medewerkende voorwaarden 
tot vruchtbaarheid der gronden. Immers de grond zelf is niet 
de eenige oorzaak daarvan , maar klimaat, ligging, weersgesteld- 
heid zijn wezenlijke hulpmiddelen. 

Bij gebrek van licht en warmte, of bij te grooten overvloed 
van vocht in de lucht, kan de vruchtbaarheid grootelijks afne- 
men, ook al bevat de grond de vereischte stoffen in oplosba- 
ren toestand en al zijn er reeds bladen aan de plant aanwe- 
zig. Er is dan te weinig of geene capillaire opstijging in den 
grond, geene verwaseming van de oppervlakte, geene of zeer 
•weinig opklimming van vochten in de planten , wier cellen in- 
houd dan te waterachtig is , en ook geen aanvoer van mine- 
rale zouten. Men heeft dan tijdelijke of ook periodieke on- 
vruchtbaarheid. Door uitmergeling van den grond ontstaat be- 
stendige of blyvende onvruchtbaarheid, die echter niet alleen 



216 



hare graden heeft, maar ook voor verschillende gewassen ver- 
schillend begrensd is. 



Thans zal het noodig zijn, tot staving van het bovengezegde 
over de ongeschiktheid der drie gronden voor de koffijkultuur, 
een en ander over de zamenstelling der koffij zelve te zeggen. 

Alleen bij zoo veel mogelijk, normale zamenstelling, kan 
eene plant gezond opgroeijen en vrucht dragen; de daartoe 
benoodigde minerale stoffen kan zij enJfel uit den grond be- 
komen. Wat wij dus aan minerale stoffen in de gezonde 
plant vinden, moet de grond waarin zij groeijen kan, in toe- 
reikende hoeveelheid bevatten. 

Die minerale stoffen verschillen zeer in de verschillende dee- 
len eener plant, en daar die verschillen, over het algemeen 
genomen, vrij bestendig zijn, zoo mag men de, in elk hoofd- 
deel dier plant voorkomende stoffen beschouwen , als aan 
haar eigen te zijn. 

Planten van dezelfde soort, vooral de niet van nature 
opgroeijende, bevatten wel niet altijd juist dezelfde hoeveelhe- 
den van bijzondere minerale stoflen, — grond en vooral bemes- 
ting, kunnen daarin zekere veranderingen bewerken, die ech- 
ter niet zonder invloed zijn op den toestand en de groeiwijze 
van het gewas; maar elk deel eener zekere plant bevat steeds 
zijne eigene hoofd- of meer wezenlijke, minerale stoffen , in 
tamelijk overeenkomstige verhoudingen. 

Na dit vooraf te hebben opgemerkt, kan ik thans ver- 
wijzen naar tabel F, waarin zijn te zamengesteld de uitkom- 
sten mijner analijsen van de bladen en vruchten der koffij- 
plant, zoo verre die voor het tegenwoordige doel noodig zijn. 

Deze uitkomsten leiden tot belangrijke gevolgtrekkingen , doch 
die eene ophelderende inleiding behoeven, namelijk: Magne- 
sia, potasch en phosphorzuur , en waarschijnlijk ook zwavel- 
zuur, schijnen de minerale of anorganische stoffen te zijn, zon- 
der welke er volstrekt geen plantengroei kan bestaan. All 






21 






in 100 deelen vrucht- 
bekleedsels. 



in 100 deelen asch. 



van verkoolde, en 
vooraf met salpeter- 
zuur behandeld. 


in 100 deelen 
vruchten. 


In 100 deelen 
asch. 


c 
o 


in 100 deelen 
vruchten. 


CO 

d 

el 


in 100 deelen 
asch. 



s 

o 
o 

V 

fcD 
G 
O 



in 100 deelen 
bladen. 



in 100 deelen 
asch. 



in 100 deelen 
bladen. 



in 100 deelen 
asch. 



O t^ CO CO !>• CS l.O 

O l>. « C «* C t^ 

c © o o © o o 



iM 1(5 IS C th C3 ^ ri 

^Onr<ffl?IWC 



CO M Tl TH 






CO <M O 

»> TH 


CO «* CO «^ ï» 

TH Ot LO 'M H 

O O i-h O i-i 
O O O O O 


1 <M I 

O 

o 


co 

co 

©~ 




co 

°v 

o" 



CO «* *^t <M CO CO 

«* CO M CD <M I 1> 

•*• CO 



C O W W C C W W 
iM N n C Q O C C 
©©i-h©<N©0© 
T-lOOOOOOO 



co «^ co 

O ie co 



O CO CO CO lO M <M CM 

CO«**Ï>COCO«5!<0© 

CO TH 



LOtNl^C5<*COr^C5 
•^COCOOtHth©© 
i-iOOOOOOO 



C N « O O Cl N C5/ 

ü wc-io cm co th co 

«* CO — t <M ^ W <M M 

•^ <M Tl 



\ 



O l>. CO O th th o o 
THCOOCOOOO 



JO ^ j-i 
1> 'M CO 



CO tó N O rn G W W 

CO N -^ rH LO CM co n o 

MCOC0<MU0«*©tH o 

W(N |T H 



«- o . . 

3 3 S- u 

3 a 3 -3 

N t; 3 u 



■^5 JS ij 



o co *> 
^ na a 

s &2 

72 o 



O'S . 

HH ft tD-C 



T3 
CD 

o 
o 



ïï .; c <- 

O « w h^ 
r>. . K> *a» ^> 



N O 






e-üSSfHN«ü 



W 



218 



tot heden onderzochte zaden bevatten ze; en wat het gezeg- 
de vooral bewijst, is de zamenstelling der gist; eene plant, 
die in de eenvoudigste natuurlijke omstandigheden verkeert. 

Immers zij groeit in een vocht, neemt daaruit alleen de voor 
haar noodige bestanddeelen op, en groeit niet in een vocht, 
dat die bestanddeelen mist. De zamenstelling van het minera- 
le deel der biergist is, in 100 deelen. 

bovengist ondergist. 
Phosphorzuur 52.72 59.21 

Potasch 39.50 28.30 

Magnesia 6.16 8.29 

Kalk 1.02 4.30 

Verlies 0.60 — 



100.00 100.10 

De kalk is hier waarschijnlijk meer toevallig dan wezenlijk, 
als zijnde opgelost geweest in het vocht, waarmede de gist- 
plant doortrokken was. 

Uit tabel F blijkt nu het volgende: 

1°. Er is verschil in de zamenstelling der asch of minerale 
bestanddeelen der vruchten en bladen van den koffijboom. 

De vruchten bevatten meer potasch en phosphorzuur (van het 
laatste het drie a viervoudige) , minder magnesia en kalk (van 
het laatste slechts een vijfde gedeelte). 

Phosphorzuur en magnesia , daarenboven potasch en zwa- 
velzuur, ■ blijken dus de meer uitsluitend gewigtige bestand- 
deelen der vrucht te zijn. Het zal straks blijken, dat dit vier- 
tal nog voor splitsing vatbaar is. 

2°o Er is verschil tusschen de zamenstelling der asch van zeer. 
jonge en zeer oude koffijbladen , ofschoon op denzelfden grond) 
gegroeid. 

Van phosphorzuur en potasch bevatten de oude bladen mm-| 
der, van kalk, magnesia en zwavelzuur meer dan de jonge. 

De verschillen zijn wel veel minder aanzienlijk, dan diej 
tusschen de vruchten en bladen in het algemeen; maar dit 
stemt overeen met het veel geringere verschil in de verrig-f 



219 

tingen van oude en jonge bladen, dan van bladen en vruchten. 
Deze uitkomsten geven aanleiding tot het praktisch besluit, 
dat door het zoo veel mogelijk bevorderen (door toppen en 
snoeijen) van den groei van jonge takken en bladen, ook eene 
grootere hoeveelheid phosphorzuur en potasch-houdend sap door 
het bladstelsel verspreid en daardoor meer van deze bouwstoffen 
aangevoerd zal worden om, onder gunstigen invloed van 
grond en dampkring, in bloesem en vrucht te worden veran- 
derd. 

Dat daarvoor een humusrijke grond (als waterhonden* en 
icarmte-matigend) en eene toereikende hoeveelheid der genoem- 
de minerale zouten in den bodem noodig zijn, behoeft naau- 
welijks herhaald te worden. 

De hoofdzaak is hier, dat de plantenorganen zelve in werk- 
zamen staat moeten gehouden worden. 

3°. In de inleiding tot deze afdeeling is reeds over de hoofd- 
bestanddelen van de asch der plantenzaden, in het algemeen, 
gehandeld geworden. Met het oog daarop, is de vergelijking 
van de zamenstelling der asch van gewone en van verkoolde, 
door eenig zuur geheel uitgetrokkene koffïjzaden , gewigtig. 
Wat in de verkoolde massa aan de werking* van het zuur weer- 
stand biedt, moet wel door zeer sterke verwantschappen in de 
plantenkool terug gehouden worden. 

En welke zijn nu hier de door de plant zoo zeer vastge- 
houdene stoffen in de, op een negende verminderde verhou- 
ding der asch? Het zijn magnesia, die meer dan de helft, en 
phosphorzuur, dat een vijfde der oorspronkelijke hoeveelheid 
I bedraagt. In de asch der kool zelve maken zij daardoor be- 
trekkelijk ruim V 5 en bijna % van ,het geheel uit. (Hierbij 
m aangemerkt, dat van het phosphorzuur een zeker gedeelte 
bij de verkoling is verloren gegaan, zijnde tot phosphor her- 
leid en vervlugtigd. Dit moet ook met het zwavelzuur gebeurd 
Izijn, hetwelk onmisbaar is, om zwavel te leveren voorliet 
planten-proteine, want zijne hoeveelheid in het aftreksel der 
kool was slechts eene kleine fraktie van die in de onverkool- 
de vrucht.) 






220 



Voorts is de kalk tot V 7 en de potasch tot '/^g der aan- 
vankelijke hoeveelheid gedaald. Het laatste schijnt in tegen- 
spraak te zijn met de groote rol, die aan de potasch in den 
plantengroei wordt toegeschreven (vergelijk ook het gezegde 
over de biergistj; maar men bedenke, dat deze asch alleen die 
van het zaad is, dat de zoo overwegende potasch uit de roode 
schil en het vruchtvleesch, die de noodige bekleedsels van 
dit zaad zijn, kunnen zijn ingevoerd geworden, en vooral, dat 
de zuren /'looi- en koffijzuurj waarmede de potasch in deze 
vrucht verbonden is , bij de verkoling in koolzuur veranderd 
zijn. Daardoor werd alle organische verbinding tusschen po- 
tasch en plantenvezels verstoord, en de zoo ligt oplosbare 
koolzure potasch gemakkelijk door het gebezigde zuur uitge- 
trokken. 

Uit dit alles zou dan volgen. 
a. Dat phosphorzuur en magnesia, te zamen minstens 273 / 3G5 
of 3 / 4 der geheele hoeveelheid asch uitmakende, de onmisbare 
minerale bestanddeelen zijn van de kern der koffijvrucht, waar- 
in het levensbeginsel der geheele plant schuilt. 

Op grond van het straks gezegde, moet zwavelzuur mede 
hiertoe gerekend worden. 

6. Dat potasch , die ruim de helft van de minerale bestanddeelen 
der kofhjboon uitmaakt, wel hoofdzakelijk tot de vorming der 
zoo waterrijke vruchtbekleedselen onmisbaar is, maar even als 
welligt de kalk, daarom niet minder wezenlijk is tot het voort- 
brengen der geheele en gezonde koffijvrucht. 

4 Over de stikstof zal ik hier weinig aanmerken. Hare on- 
misbaarheid voor elke plant hoegenaamd is reeds vroeger aan- 
gestipt en het verband tusschen de vorming van stikstof-hou- 
dende eiwitachtige stoffen en het ontstaan van zouten met een 
organisch (plantaardig) zuur in de planten, ontwikkeld gewor- 
den. Zij speelt, in verband met het phosphorzuur en zwavel- 
zuur van den bodem, eene eerste rol in de planten. 

In de bladen der koffij schijnt zij iets meer te bedragen dan 
in de vruchten, maar dit is, nadat zij in volkomen droogen 
toestand gebragt zijn. Doch daar de vruchten , in natuurlijken 



221 



toestand , minder water bevatten dan de bladen , zoo komt het 
plus aan de zijde der eersten. Dat het grootste gedeelte dier 
stikstof in de vruchten een ander plantenbestanddeel helpt 
vormen /'namelijk het caffeïne) dan in de bladen /"namelijk het 
bladgroen) is waarschijnlijk; maar het oorspronkelijke materi- 
aal is dezelfde stikstof, die, daar zij niet door de bladen schijnt 
te kunnen opgenomen worden, in de worteleinden moet bin- 
nendringen. 

Daar zij voorts in water zeer weinig oplosbaar is , terwijl 
do wortels alleen vochten kunnen opnemen, moet zij vooraf met 
de ontledingsvoortbrengselen van den humus, in den grond oplos- 
bare verbindingen vormen. De aanvoer van stikstof voor 
de planten is dus eenigzins evenredig aan de hoeveelheid en 
den toestand van den humus, en dit herinnert ons weder, behalve 
de reeds genoemde, eene andere hoogst nuttige dienst van den 
humus in den grond. 

Nog eens: zonder aanvoer van stikstof kan eene plant geene 
eiwitstof, de koffij daarenboven, geene caffeïne vormen (want 
caffeïne bevat veel stikstof); zonder stikstof geene caffeïne, zonder 
caffeïne geene koffij vruchten, dus zonder veel stikstof-houdende 
organische stoffen geen vruchtbare koffijgrond. 

Van dit alles komen wij ongedwongen terug tot een over- 
zigt, van de betrekking der bovengenoemde hoofdbestanddeelen 
van de asch der koffij tot de zamenstelling van den grond. 

Om dit eenigzins aanschouwelijk te maken, zal ik opgeven, 
hoeveel naar de boven medegedeelde uitkomsten van elk der 
minerale stoffen uit een bouw gronds door de koffijplant 
wordt weggevoerd, en hoeveel van die stoffen over deze uit- 
gestrektheid en tot een half voet diepte in den grond bevat is. 

Op een bouw gronds a 72000 □ voet staan, a 8. v: □, 
1125 koffijboomen; 

Een koffijblad weegt gemiddeld ongeveer een Ned: wiglje. 
Stellen wij 1000 bladen per boom van 4 a 5 jaren en het ver- 
lies op de helft (zeker niet te veel), dan hebben wij (a 3,26°/ 
koolzuurhoudende asch). 



222 

3.26 x 500 x 1125 n 

• TTTTj S3 18,33 IN", pd.asch, als de hoeveelheid 

minerale stoffen, die door de bladen des koffijbooms aan 
een bouw gronds ontnomen wordt. 

Nemen wij 27 2 katties , gelijk, ongeveer l ! / 2 N. pd. lucht- 
drooge koffij aan , als het produkt van eenen goeden boom van 
opgemelden leeftijd, dan vinden wij (a 3,36% koolzuurhoudende 

336 x 1,500 x 1125 
asch) , TTjTj s: 56.7 Nederl. pd. als de hoe- 
veelheid minerale stoffen, die door de vruchtkernen of de boo- 
nen des kofijbooms aan één bouw gronds ontnomen wordt. 

Eindelijk , ten aanzien der vruchtbelrfeedselen (de zoogenaam- 
de roode schil) heb ik bevonden , dat WO deden versehe koffij- 
vruchten ongeveer bestaan uit: 

Kernen (1) met de hoornschil ... 45 deelen. 



Schil en vruchtvleesch 



5! 



100 

Daar nu luchtdrooge koffij minstens nog 8% en geheel 

versehe koffij 54% water bevat, zoo is 54 pond der eerste 

gelijk aan 100 pond der laatste. 100 pd. versehe koffijzaden 

zijn bekleed met 122 pd. roode schil (45 : 55 = 100 : 122), 

en daar 1.5 N. pd. luchtdrooge koffij (s 2.78 versehe) als het 

produkt van één boom is aangenomen , zoo levert een boom 

3.4 N. pd. roode schil. Wij hebben dus (a 2.89% koolzuur 

2.89 x 3,400 x H25 
houdende asch) j^k e 110.54 N. pd. als de 

hoeveelheid minerale stoffen , die door de vruchtbekleedsels 



(1) Hieruit blijkt, dat men in dwaling is, door aan te nemen, dat 6 

pd. roode koffij slechts 1 pd. drooge kan uitleveren. Als 100 pd. der 

eerste 45 pd. versehe koffij geven, die 54° water bevat, dan wordt dit, 

op luchtdrooge herleid (waarin nog minstens 8°. water is teruggebleven) 

(45 X 100 (54-8) 
24,3 pd. ~ « 24,3 6000 pikols roode koffij kunnen 1500 

pikols luchtdrooge koffij in de hoornschil of 1200 pikols gepelde uitleveren, 
en men stelt het rendement slechts op 1000 pikols. 



223 



(de roode schil) der koffij aan 1 bouw gronds ontnomen wordt. 
In de 18,33 N. pd. koolzuurhoudende aseh der bladen zijn 
bevat: 

Potascli. Magnesia. Kalk. Zwavelzuur. Phosphorzuur. 

N. pd. 5,6 1,7 4 0,8 0,6 

In de 56,7 Ned. pd. koolzuur houdende asch der koffijkernen 

zijn bevat: 

N. pd. 29,2 3,4 2 1,9 7,3 

In de 110,54 N. pd. koolzuurhoudende asch der roode schil- 

len zijn bevat : 

N. pd. 27,1 10,7 20,9 2,3 12,7 



Totaal 61,9 15,8 26,9 5,0 20,6 

Deze totalen stellen voor , hoeveel N. pd der, in hoofde dezes 
genoemde , minerale stoffen, er jaarlijks aan eene bouw grond 
ontnomen wordt door de bladeren en vruchten "van 4 a 5 jarige 
koffijboomen. 

De kalk, ofschoon misschien geen wezenlijk deel der zaden, 
is hier in rekening gebragt, omdat de bladen en vruchtbe- 
kleedsels er althans eene aanzienlijke hoeveelheid van uit den 
grond trekken, en deze dus aan dit, ook tot zijne physische 
verbetering, onmisbare bestanddeel armer wordt. 

De minerale stoffen van stam, takken en wortels zijn hier niet 
in aanmerking genomen: van dezen kan onmogelijk bepaald 
worden, hoeveel zij elk jaar aan den grond ontnemen. 

De afgevallene bladen en vruchten zouden de uitputting des 
gronds vertragen, zoo zij op de plaats in humus overgingen. 

Doch dooi* het, somtijds voorvallende, schoonmaken der tui- 
nen, waarbij tevens die bladen verwijderd worden, meer nog 
door de zware regens, gaat wel bijna het geheel dezer natuur- 
lijke meststof te loor. 

Stellen wij, tegenover dit jaarlijksch verlies van, en dus 
behoefte aan: 

62 N. pd. potasch , 
16 „ , ; magnesia, 
27 „ „ kalk, 



224 



5 „ „ zwavelzuur , 
20 y 2 » » phosphorzuur , — 
de hoeveelheid daarvan, in 1 bouw gronds, van den tuin Ta- 
galsahari, tot \ voet diepte genomen, bevat. 

1 voet = 0,3048 meters. 

1 kub. palm gronds van 1,77 soortelijk gewigt, weegt 1,77 
kilogr.; dus weegt 1 kub. voet gronds =: 28,3168 kub. palm, 50 
kilogr. De aarde van 1 bouw grond a 72,000 vierkante voeten, 
en' tot % voet diepte, weegt dus 1,800,000 kilogrammen. 

Daarin is bevat , in koolzuur houdend water oplosbaar , zie 
tabel G 1 en C 2 . 



540 N. pd. potasch ' 
., magnesia 



9- 

? 

5 1 

12l 

? 



voudig van de jaarlijksche 
behoefte. 



? „ 

133 „ „ kalk 
58 „ „ zwavelzuur 
?■ „ „ phosphorzuur 
en, alleen oplosbaar in zeezoutzuur houdend water (dus niet 
dadelijk bruikbaar). 

9000 N. pd. alkalische zouten , ten deele potasch. 
288 N. pd. magnesia 18 



12,647 

828 
360 



kalk 8000 f voudig van de jaarlijksche 

zwavelzuur 1651 behoefte, 

phosphorzuur 18 



Oppervlakkig moge het schijnen , dat de hoeveelheden van 
sommigen dezer stoffen , die veelvouden van de jaarlijksche 
behoefte voorstellen, voldoende zijn voor minstens eenige jaren; 
doch: 

1. Van twee, voor den plantengroei hoogst wezenlijke stoffen, 
het phosphorzuur en de magnesia , zijn slechts sporen in kool- 
zuurhoudend water oplosbaar. 

2. Wat daarvan in verdund zeezoutzuur oplosbaar is, kan 
niet dadelijk voor de planten bereikbaar zijn, en* bovendien. — 

3. Over welk eene oppervlakte zijn die, veelvouden voor- 
stellende, hoeveelheden verspreid! Deelen wij 540 Ned. pd # 
potasch door 72.000, (° voeten gronds) dan is het quotiënt, 



228 



0.75 Ned. lood. Dit is voor V 2 voet diepte: — voor 3 vt. diep- 
te en 4 vt. D zou het 72 Ned. lood bedragen. 

Deze 4 vt. □ zullen ongeveer de gemiddelde begrenzing zijn 
der schuinsche en horizontale wortels van eenen koflïjboom, 
van bovengenoemden ouderdom. Doch met welk eene kleine 
fraktie van dien klomp aarde van vier voet zijde en drie voet 
dikte zijn die wortels in aanraking! Hoog stel ik het, door 
dit op een vijftigste te bepalen, en dan daalt die hoeveelheid 
van 72 Ned. lood potasch tot 1V 2 Ned. lood, dadelijk voor de 
wortels verkrijgbaar. 

Dit nu was de geheele, beschikbare voorraad, die wegens 
het gering humusgehalte, en daarvan afhangend waterhou- 
dend vermogen des gronds, slechts hoogst langzaam kon wor- 
den aangevuld, veel langzamer dan de wortelvezels van eenen 
gezonden, krachtigen boom, in dit insulair en tropisch klimaat, 
ze moeten kunnen opnemen. 

De beschikbare som van voedsel was veel te gering; de 
noodige hoeveelheid dadelijk oplosbare potasch niet aanwezig; 
want naar de bovenstaande, op mijne resultaten steunende 
berekening, moet een gezonde, vruchtgevende koffijboom jaar- 
lijks minstens S 1 /^ Ned. lood potasch uit den grond kunnen 

(>•> Ned pd 

trekken — — — — ~ 5.5 Ned. lood, alleen tot voortbren- 

1125 boomen 

ging van bladen en vruchten (ongerekend de houtige deelen) 
terwijl slechts 1V 2 Ned. lood dadelijk kon geleverd worden. 
Het zal niet noodig zijn, deze berekening ook voor het 
zwavelzuur, nog minder voor de magnesia en het phosphor- 
zaur , door te voeren. Het resultaat daarvan, ook voor de 
beide andere gronden berekend , leidt tot hetzelfde besluit na- 
melijk : 

dat van de vier voor de koffijplant meest wezenlijke, mine- 
rale bestanddeelen, veel te weinig dadelijk beschikbare voor- 
raad in den bodem aanwezig was. 



Het stikstofgehalte der gewassen wordt door dierlijke be- 
mesting niet altijd vermeerderd ; en die vermeerdering heeft in 



226 



eene gezonde plant altijd hare grenzen. Dit is de uitkomst van 
vertrouwenswaardige proefnemingen, en wij besluiten er uit, 
dat er yoor elke plantensoort een maximum van stikstof gehal- 
te is, welks overschrijding de plant ziek maakt. 

Wordt er, binnen zeker grenzen, meer stikstof in de mest 
aangevoerd, dan hoogstens voor dat maximum noodig is, dan 
werkt dit meerdere ten voordeele der hoeveelheid van het ge- 
was, of van deszelfs produkt, van de vrucht, bij gunstige uit- 
wendige invloeden van vocht, licht en warmte. 

Ter vergelijking met de karbouwenmest , volgt hier eene op- 
gave van het stikstofgehalte van eenige andere dierlijke mest- 
stoffen (in droogen staat berekend] . 

Karbouwenmest (Buitenzorg) 

Koemest (Europa) 

Paardenmest idem 

Varkensmest idem 

Schapenmest idem 

Bokkenmest idem 

Duivenmest idem 

Guano idem 

Bloed idem 

Beenderen idem 

Beenzwart (uit de raffinaderijen) idem 

Hieruit blijkt, dat de karbouwenmest lager staat, dan koemest. 
Ik stel mij voor , in het vervolg ook de koemest van Java te 
onderzoeken 1°. om het praktische nut , zoo die welligt meer 
stikstof mogt bevatten dan de mest van karbouwen en 2°. de- 
wijl in dat geval de meerdere gehardheid van het rundvee tegen 
langdurige vermoeijenissen zou kunnen verklaard worden, na- 
melijk , uit het gebruik van meer stikstofhoudend voedsel. 

Tot heden is mij nog geene analijse van rundermest uit een 
tropisch land bekend. 

Dit geringere gehalte van stikstof , eene hoofdoorzaak der, bij 
de ontbinding voortgebragte, warmte, verwijdert alle denkbeeld 
van zoogenaamde verschroeijing der wortels door versche kar- 
bouwenmest; te meer, zoo wij in het oog houden , dat de koe- 



• . 


2 pC 


• • 


2,3 


. • • 


2,2 


. 


3,4 


. 


3 


. 


3,9 


. 


9,0 


. 


6 a 15°/ „ 


. 


15,5 


. 


7,6 


en) idem 


2,0 



227 



mest een zevende meer, en de varkensmest, die men in Euro- 
pa koud noemt, drie vierden meer stikstof bevat, en ze ook 
in den gewonen, natten toestand daarin overtreft. Tevens zijn 
de beide laatstgenoemden minder water houdend, en wel in de- 
ze evenredigheden. 

stikstof in de natte mest. water^ehalte. 

Karbouwenmest . . . 0,25 pCt. 87,3 

Koemest .... 0,32 „ 85,9 

Varkensmest . . . 0,63 „ 81,4 

zoodat, in den natuurlijken toestand, de varkensmest (in Frank- 
rijk) twee en een half maal zoo veel stikstof bevat, als de kar- 
bouwenmest (te Buitenzorg). 

Dat inderdaad het organische gdeelte van dierlijke mest krach- 
tig medewerkt tot de verbetering der gronden, leeren wij , zoo 
het nog noodig ware, op het overtuigendst uit de proeven van 
Magkus (Erdmann's Journal van 1850 No. 10). 

In een geschikt, met volkomen uitgebrande aarde voorzien, 
en met eene glazen klok hermetisch gesloten vat , werden acht 
gerstkorrels gelegd. Eene hoeveelheid versch bemeste tuin- 
aarde was tevens onder de glazen klok geplaatst , doch afge- 
scheiden van de andere aarde. 

Dagelijks werd, door middel van eenen aspirator, een halve 
kubiek voet, geheel van ammoniak en koolzuur bevrijde, damp- 
kringslucht, door de klok gevoerd, om de noodige zuurstof 
aan te brengen, en ook dagelijks besproeide men de planten 
met koolzuurvrij , gedestilleerd water, alles zonder de buiten- 
lucht binnen de klok te laten. 

Twee andere, eveneens ingerigte toestellen, doch de een 
met onvcrbrande, de andere met verbrande boawaarde gevuld , 
beiden zonder de bemeste luinaarde , werden nevens den vori- 
gen geplaatst. 

Veertien dagen lang bleef de groei in de drie glazen gelijk ; 
doch daarna geraakte die in de beide laatstgenoemden ten ach- 
teren. De planten daarin hielden , na drie weken , op te groei- 
jen; zij waren 7 a 11 duim, enkelen 17 duim hoog, en 
hadden drie a vier blaadjes gekregen. Doch die onder de eerst- 



genoemde klok, groeiden voort; na acht weken begonnen zij 
in aar te schieten, ieder met twee tot acht zaadkorrels, die 
echter niet volkomen rijp werden, en de hoogste was 24 tot 28 
duim, zoo dat zij zich zeer onder de klok moesten krommen. 

Ook bleek hare meerdere ontwikkeling uit het veel krachti- 
ger voorkomen en het verschijnen van een aantal uilspruitsels 
of zijhalmen; zelfs meer dan van gerst, die in dezelfde, nog 
onverbrande aarde, geheel onbedekt, dus in eene koolzuur- 
en ammonia-bevattende lucht, doch niet met de bemeste tuin- 
aarde voorzien, gegroeid waren. 

Eene dergelijke uitkomst was reeds voor vele jaren door Db 
Saussure van eene dergelijke proef verkregen geworden. 

De organische stof der dierlijke mest bevordert dus , ook 
zonder dadelijke aanraking, den plantengroei zeer zigtbaar. 

Buitenzorg den 13den Oktober 1851. 



Naschrift. 



Het verband tusschen den titel en den inhoud van dit stuk 
is onduidelijk , ten gevolge der weglating van sommige , niet 
onwezenlijke gedeelten. Om die onduidelijkheid eenigzins weg 
te nemen, zij hier kortelijk aangemerkt, dat het chemisch on- 
derzoek, niet alleen van versche , maar ook van de in der tijd 
in Kadoe aangewende , karbouwenmest tot twee gevolgtrekf 
kingen geleid heeft, namelijk: 

lo. dat de laatstgenoemde hare meest werkzame bestanddee-j 

len bijna geheel verloren had. 

2°. dat zelfs de meest werkzame karbouwenmest de onder- 

zochte gronden niet weder geschikt had kunnen makei 

voor de koffijkultuur, en dat er dus andere meststoffei 

hadden moeten aangewend worden. 

Zoowel het minerale als het organische gedeelte , beide vai 

versche en van de gebezigde karbouwenmest , is chemisch on- 

derzocht en bepaald geworden. 

Fromberg. 



B IJ D R A G E 



TOT DE KENNIS DER 



ICHTHIJOLOGISGHE FAUNA VAN DE 

MOLÜKSCHE EILANDEN. 

VISSGHEN VAN AMBOINA EN CERAM. 



DOOR 



Dr. P. BLEEKER. 



Niettegenstaande reeds meerdere schrijvers der 18de eeuw 
gehandeld hebben over de visschen der Moluksche eilanden, is 
de kennis daarvan zelfs thans nog zeer gering en grootendeels 
te danken aan de ichthijologcn der 40 laatste jaren. Valentijht, 
Ruijscii en IIbnard hebben in hunne werken talrijke, voor een 
groot gedeelte nog niet herkende, visschen afgebeeld, welke 
als Moluksche en in het bijzonder als Aniboinasche zijn opge- 
geven , niettegenstaande die visschen op verre na niet allen in 
de Molukken en zelfs niet in den Indischen Archipel waren 
gevangen, maar behoorden tot de fauna der verschillende stre- 
ken van de Indische zee, waar de Oost-indische Kompagnio 
gezag had. Latere schrijvers, zooals Pallas, Gronovius, Sijba, 
Ikocn, Lacépèdk , hebben wel talrijke visschen dezer gewesten 
. beschreven , maar de opgaven der woonplaatsen van de door 
hun beschrevene soorten ontbreken gedeeltelijk en verdienen 
voor een ander groot gedeelte weinig of geen vertrouwen. In 
deze eeuw echter hebben de reizen van Lbsso.\ en Garnot, 
van Quoy en Gaimard en van den hoogleeraar Reinwardt eeno 

III. 17 



mo 



meer zekere kennis verbreid over de visschen van de Molukken 
en Nieuw-Guinea , het voornaamste van welke kennis is neder- 
gelegd in de groote Histoire naturelle des Poissons. In den 
jongsteo tijd heeft de heer Rjchardson insgelijks nog eenige 
species van de Molukken en Nieuw-Guinea bekend gemaakt. 

Voor zoover ik heb kunnen nagaan was de stand der kennis 
ten dezen opzigle, tot op mijne nasporingen, ongeveer als volgt: 
Visschen van de Molukken, waarvan het eiland van voorkomen 
niet opgegeven is. 

1. Lates nobilis CV. 32. Caesio lunaris Ehr. 

2. Serranus leucogramraicus Rwdt. 33. Gerres poeti CV. 

3. „ variolosus CV. 34. Aphareus coerulescens CV. 

4. » argus CV. 35. » rutilans CV. 

5. » boenack CV. 36. Chaetodon Meyeri BI. 



6. » punctulatus CV. 37. 

7. Plectropoma melanoleucura CV. 38. 
g/Mesoprion macolor Blkr.^3 Dia- 39 

cope macolor CV. 
9. » lutjanus CV. 

10. Cirrhites arcatus CV.' 

11. Priacanthus argenteus CV. 

12. Therapon servus CV. 

13. Percis cyiindrica CV. 

14. » ocellata CV. 



40. 
41. 
42. 
43. 

44. 



strigangulus Soland. 
dorsalis Rwdt. 
melanotus Rwdt. 
spilopleura Rwdt. 
setifer BI. 
epliippium CV. 
priacipalis CV. 
chrysozonus K. v. H. 



45. Zanclus cornutus CV. 

46. Scatophagus argus CV. 



is! üpeneoïdes Vlamingii Blkr. ö 47. Taurichthys yarius CV. 



Upeneus Vlamingii CV. 

16. Upeneus japonicus CV. 

17. » cinnabarinus CV. 

18. Peristedion moluccense Blkr. 

19. Dactylopterus orientalis CV. 

20. Platycephalus insidiator BI. 

21. Scorpaena diabolus CV. 

22. Sebastes minutus CV. 

23. Pteroïs zebra CV. 

24. Synanceia horrida BI. 

25. » bicapillata CV. 

26. Diagramma Sebae Blkr. 
» 



48. Holacanthus bicolor CV. 



49. 
50. 
51. 
52. 
53. 



mesoleucos CV. 
annularis CV. 
imperator CV. 
dux Lac. 
trimaculatus Lac 



54. Platax guttulatus CV. 

55. Pempheris moluca CV. 

56. Trichopus trichopterus CV. 

57. Cybium lineolatum CV. 
53. Histiophorus indicus CV. 
59. Elacate mottah CV. 



poecilopterum CV. 60. Chorinemus CommersonianusCV 

28. Chrysophrys sarba GV. 61. » sancti Petri CV. 

09 Dentex cynodon CV. 62. Trachinotus mookalee CV. 

30. Pentapus YÏttatus CV. 63. Carangoïdes gallichthys Blkr. 

31. Caesio coerulaureus Lacép. 64. » blepharis Blkr. 



231 

65. Seriola cosmopolita CV. 87. 

66. Nauclerus corapressus CV. 88. 

67. » brachycenlrus CV. 80. 

68. Coryphaena chrysurus CV. 90. 

69. Equula filigera CV. 91. 

70. Mastacembelus raaculalus Rwdt. 92. 

71. Amphacanthus vulpinus M. Schl. 93. 

72. » marmoratus CV. 94. 

73. Acanthurus glaucopareius Forst. 95. 

74. v fraterculus CV. 96. 

75. » liueatus Lac. 97. 

76. » striatus QG. 98. 

77. » humeralis CV. 99. 

78. » relifer BI. 100. 

79. Naseus tripeltis CV. 101. 

80. » breyirostris CV. 102. 

81. » lituratus CV. 103. 

82. » Vlamiogii CV. 104. 

83. Cepola abbreviata CV. 105. 

84. Mugil cephalotus CV. 106. 

85. » cunnesius CV. 107. 

86. Boleophthalmus Boddaertii CV. 108. 



Eleolris strigata CV. 
«Julis Gaimardi QG. 
Cheilinus fasciatus CV. 

» lacryruans CV. 

Novacula pentadactyla CV. 
Scarus fasciatus CV. 

» capitaneus CV. 
Odax moluccanus CV, 
Amphiprioa bi fasciatus CV. 

» intermedius M. Schl. 

» trifasciatus CV. 

Pomacentrus pavo Lacép. 

» littoralis K. v. H. 

» trilinealus Ehr. 

Glyphisodon coelestinus Soland. 
Hemiramphus lucens CV. 
Exocoetus poecilopterus CV. 
Chatoessus chacunda CV. 
üphisurus colubrinus Richard3. 
» versicolor Richards. 

Muraena lita Richards. 
Balistes conspicillum BI. Schn. 



Behalve deze 108 soorten zijn van verschillende eilanden der 
Molukken bekend geworden de volgende soorten : van 

AMBOINA. 



1. Apogon roseipinnis CV. 

2. » orbicularis K. v. H. 

3. Ambassis Dussumierii CV. 

4. Serranus biguttatus CV. 

5. Mesoprion octolineatus Blkr. 

6. » unimaculatus QG. 

7. Priacanthus raacracanthus CV. 

8. Upencus bilineatus CV. 

9. Pterois yolitans CV. 

10. » antennata CV. 

11. Apistus longispinis CV. 

12. » fusco-virens QG. 

13. Chrysophrys bifasciata CV. 

14. Chaetodon -vittatus BI. Sohn. 

15. » vagabundus L. 



16. Heniochus macrolepidotus CV. 

17. Scatophagus ornatus CV. 

18. Taurichthys yiridis CV. 

19. Platax Blochii CV. 

20. Naucrates indicus CV. 

21. Chorinemus tol CV. 

22. Megalaspis Rottleri Blkr. 

23. Selar trachurus Blkr. fï Caranx 

trachurus CV. 

24. » boöps Blkr. |si Caranx 
boöps CV. 

25. Caranx Peronii CV. 

26. Temnodon saltator CV. 

27. Amphacantlius mar^aritiferusCV 

28. Acanthurus hepatus BI. 



232 



29. 


Atherina cylindrica CV. 


43. 


30. 


» lacunosa Forst. 


44. 


31. 


Gobius cyprinoïdes Pall. 


45. 


32. 


Periophthalmus Schlosseri BI. 


46. 




Scha. 


47. 


33. 


Callionymus sagitta Pall. 


43. 


34. 


» ocellatus Pall. 


49. 


35. 


Antennarius hispidus Cant. zl 






Chironectes hispidus CV. 


50. 


36. 


Amphisile velitnris Cuv. 


51. 


37. 


Gomphosus Cepedianus QG. 


52. 


38. 


Epibulus insidiator CV. 


53. 


39. 


Dascyllus aruanus CV. 


54. 


40. 


Glyphisodoa rahli CV. 


55. 


41. 


» melas K. v. H. 




42. 


Iïeliases analis CV. 


56 



BOEROE. 

1. Apogon trimaculatus CV. 

2. Mesoprion strialus Blkr. {z:Dia- 

cope striala OG. 

3. Myripristis hexagonus CV. 

4. Mulloïdes flavolineatus Blkr. t2 

Upeneus flavolineatus CV. 

5. PlatycepValus isacanthus CV. 

6. Lethrinus semicinctus CV. 

7. » microdon CV. 

8. » olivaceus CV. 

9. ITolacanthus semicirculatus CV. 
10. Toxotes jaculalor CV. 



Plotosus Hneatus CV. 
Alausa melanurus CV. 
Engraulis boelama CV. 
Sa u rus myops CV. 
Telmgonopterus argenteus Less. 
Solea trichodaclyla Cuv. 
Muraena colubrina Richards. E2 

Muraenopliis colubrina Lacép. 
Balistes ambonensis Gr. Hardw. 
Triodon bursarius Rwdt. 
Syngnalhus fasciatus Gr. Ilardw. 
Solenosloma paradoxum Lac. 
Pegasus draconis L. 
Carcharias (Prionodon) amboi- 

nensis MII. 
Pristis cuspidatus Lath. 



11. Chorinemus tol CV. 

12. Caranx melampygus CV. 

13. Amphacanlhus concatenatus CV. 

14. » doliatus CV. 

15. Periop' thalmus Koelreuteri BI. 

16. Hemiramphus Lutkei CV. 

17. Exocoetus micropterus CV. 

18. Chirocentrus dorab CV. 

19. Chanos lubina CV. 

20. Megalops indicus CV. 

21. Sardinella lineolata CV. 



MANÏPA. 

1. Acanthurus altivelis CV. 



BANDA. 

1. Acanthurus scopas CV. 2. Premnas trifasciatus CV. 

Telt men alle de boven opgesomde soorten Ie zamen, dan 
erlangt men een geheel van 186 soorten voor den Molukschen 
Archipel , waarvan 56 bekend waren van Amboina, 21 van Boe- 
roe, 1 van Manipa en 2 van Banda. 



233 



Het lijdt echter mijns inziens, geen twijfel of het cijfer 186 
drukt nog niet uit het '/ 7 gedeelte der Moluksche visschen , en 
overweegt men, dat van verre weg de meeste Moluksche ei- 
landen zelfs nog geene enkele species bekend is geworden, dan 
blijkt het, dat de bestaande kennis der Moluksche vischfauna 
tot nog toe als uiterst gering is te beschouwen. 

In het vori-e jaar was ik reeds in de gelegenheid, ten dezen 
opzigte, omtrent de Handa-eilanden eenig licht te verspreiden en 
het aantal der van daar bekende soorten van 2 te brengen op 
78, waaronder de meeste soorten nieuw voor de Molukken 
en meerderen nieuw' voor de wetenschap (zie fiijdrage tot de 
kennis der ichthyologisehe fauna van de Handa-eilanden in Na- 
tuurk. Tijdschr. N. Ind. II. pag. 225-261). Niet minder dan 
63 dier soorten waren toen nog niet van de Molukken in het 
algemeen bekend. De 78 thans bekende Bandasche soorten 
zijn de volgenden. 



l. 

2. 
3. 
\ 
5. 
G. 
7. 
G. 
9. 

in. 
n. 

12. 
13. 
11. 
13. 
10. 
17. 
18. 
19. 
20. 
21. 
22. 
23. 



Serranus pardalis Blkr. 24. 

Mesoprion quadriguttatus Blkr. 25. 

Cirrhites panlherinus CV. 26. 

Piiacnntlws carolinus CV. 27. 

Myripristis violaceus Blkr. 28. 

» pralinius CV. 29. 

Ilolocentrum operculare CV. 30. 

Percis cylindrica CV. 31. 

Upeneus barberinus CV. 32. 

» Brandesii Blkr. 33. 

» trifascialus CV. 34. 

Upeneoïdes variejjatus Blkr. 35. 

Daclylopterus orientalis CV. 36. 
Tiigla Brandesii Blkr. 

Perisledion moluccense Blkr. 37. 

Scorpaena bandanensis Blkr. 38. 

Pterois volilans CV. 39. 

Apistus hypselopterus Blkr. 30. 

Synanceia brachio CV. 41. 

Biigratiima Sebae Blkr. 42. 

Scolopsides bilineatus CV. 43. 

Caesio chrysozona K. v. II. 44. 

Chaetodon punctato-fasciatus CV. 45. 



Chaetodon strigangulus Soland. 
» -virescens CV. 

» dorsalis CV. 

» baronessa CV. 

» neso^alJlicus CV. 

y> unimaculalus BI. 

» speculum K. v. BT. 

Chelmon lon^irostris CV. 
Tauriclithys varius CV. 
Zanclus cornutus CV. 
Ilolacanlhus trimaculatus CV. 
Pempheris oualensis CV. 
Selar torvus Blkr. t= Caranx tor- 

vus Jen. 
Acanlhurus scopas CV. 
Atherina brachypterus Blkr. 
Petroskirtes Teraininckii Blkr. 

» mitralus Rupp. 

Gobius phalaena CV. 
Amphisile scutala Cur. 
Preranas trifascialus CV. 
Pomacentrus pavo Lacép. 
Dascyllus niger Blkr. 



%n 



46. Dascyllus xanlhosoma Blkr. 

47. » aruanus CV. 

48. Glyphisodon bandanensis Blkr 

49. Heliases xanthochirus Blkr. 

50. Julis (Halichoeres Hoe venu Blkr. 



51. 
52. 
53. 
54. 
55. 
56. 
57. 



) melanurus Blkr. 
)strigiventerBenn. 
) spilurus Blkr. 
) interruptusBlkr. 
) Renardi Blkr. 
) balteatus OG. 
) bandanensis Blkr 



58. Labroïdes paradiseus Blkr. ö 

Cossyphus dimidiatus GV. 

59. Crenilabrus nematopterus Blkr. 

60. Novacula julioïdes Blkr. 

61. Cheilio hemichrysos CV. 



62. Cheilinus decacanthus Blkr. 

63. Scarus nuchipunctatus CV. 

64. » balinensis Blkr. 

65. Callyodon vaigiensis CV.? 

66. Saurus synodus CV. 

67. Oxybeles Brandesü Blkr. 

68. Rhorabus sumatranus Blkr. 

69. Opliisurus raaculosus Cut. 

70. Syngnathus baematopterus Blkr. 

71. Syngnathoïdes Blochii Blkr. 

72. Diodon punctatus Cuv. 

73. Triodon bursarius Reinw. 

74. Balistes aculeatus BI. 

75. » lineatus BI. Schn. 

76. Alutar'us prionurus Blkr. 

77. Ostracion cornutus L. 

78. » Sebae Blkr. 



Door deze Bandasche soorten werd het aantal der van de 
Molukken bekende visschen gebragt op 249. 

Aan de welwillendheid mijner ambtgenooteu en vrienden, de 
heeren G. J. van Thienen en Dr. J. Hartzfeld heb ik te danken 
een paar verzamelingen van visschen van Amboina, welke een 
groot gedeelte van het onderwerp dezer bijdrage uitmaken, en 
waardoor ik op nieuw iets heb kunnen bijbrengen tot uitbrei- 
ding der ten dezen opzigte nog zoo onvolledige kennis. Deze 
beide verzamelingen, waaronder vooral die van denheer Hartzfeld 
uitmunt in aantal en uitmuntend bewaard zijn der specimina, 
bestaan uit de volgende 74 soorten. De plaatsen waar de 
ondergenoemde species reeds vroeger door mij zijn beschreven,: 
staan achter de namen uitgedrukt. 



1. Apogon. Hartzfeldii Blkr. 

2. » roseipinnis CV 

3. Ambassis urotaenia Blkr. 

4. Cheilodipterus quinquelinea- 

tus CV. 

5. Serranus cyanostigma K. v. H. 

Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 

6. » leucogrammicus Rwdt. 
ibidem. 



7. Serranus crapao CV. ibid. 

8. » araboinensis Blkr. 

9. Mesoprion octolineatus Blkr. V. 

Bat. Gen. XXII. Perc. 

10. » amboinensis Blkr. 

11. Therapon theraps CV. Verh. B. 

G. XXII Percoïd. 

12. » servus CV. ibid. 

13. Priacanthus japonicus CV. 



285 



id. 

15. 
16. 

17. 
18. 

20. 
21. 
22. 
23. 

24. 
25. 

26. 
27. 

28. 
29. 
30. 
31. 
32. 
33. 
34. 

35. 
36. 
37. 
38. 
39. 

40. 
41. 
42. 
43. 
44. 

45. 



Myripristis parvidens CV. 46. 

» microphthalmus BI. 47. 

Ilolocentrum sammara CV. Verh. 48. 

Bat. Gen. XXII Percoïd. 49. 

» diadema CV. 50. 

Sphyraena obtusata CV. Verh. 51. 

Lat. Gen. XXII Percoïd. 52. 

Upeneoïdes variegatus Blkr. ibid. 

» bivittatus Blkr. ibid. 53. 

Dactylopterus orientalis CV. 54. 

Pteroïs vofitans CV. Verh. Bat. 55. 

Gen. XXII Scleropar. 56. 
Apistus fusco-viiens QG. 

Diagramma punctatuin CV. Verh. 57. 

Bat. Gen. XXIII Sciaen. 

Scolopsides lycogenis CV. ibid. 58. 

Emmelichthys leucogrammicus 59. 

Blkr. ibid. Maenoïd. 60. 
Chaetodon virescens CV. ib. Chaet. 

» vittatus BI. Schn. ibid. 61. 

» princeps CV. ibid. 62. 
» oligacanthus Blkr. ib. 

» yagabundus BI. ibid. 63. 
» strigangulus Sol. ibid. 

Ileniochus macrolepidotus CV. 64. 

ibidem. 65. 

Scatophngus argus CV. ibid. 66. 

Platax Blochii CV. ibid, 67. 

Pempheris mangula CV. ibid. 68. 
Toxotes jaculator CV. ibid. 
Scomber loo CV. ibid. XXIV Ma- 69. 

kreelacht. visschen. 70. 

Chorinemus tol. CV. ibid. 71. 
Garanx Forsteri CV. ibid. 

» ekala CV. ibid. 72. 
Carangoïdes oplithalmotaenia Blkr. 

» blepharis Blkr. Verh. 73. 

Bat. Gen. XXIV Makr. Vissch. 74. 
Amj)hacanlhus dorsalis CV. ibid. 
XXIII Teuthid. 



Keris amboinensis Blkr. 
Petroskirtes anema Blkr. 
Gobius caninoïdes Blkr. 
Callionymus filamentosus CV. 
Amphiprion bifasciatus BI. Schn. 
Pomacentrus neinatopterus Blkr. 
» prosopotaenioïdes 

Blkr. 
Glyphisodon rahti CV. 
Julis (Halichoeres kalosoma Blkr. 
Fistularia immaculata Commers. 
Amphisile scutata Cuv. Nat. Tijd— 
schr. Ned. Ind II pag. 245 ib. 
Belone cylindrica Blkr. Verh. 

Bat. Gen. XXIV Snoek. 
Saurus trachinus T. Schl. 
Saurida nebulosa CV. 
Rhombus sumatranus Blkr. Ver- 
hand. Bat. Gen. XXIV Pleuron. 
» poecilurus Blkr. 
Plagusia Kopsii Blkr. Nat. Tijd- 
schrift N. Ind. II. p. 494. 
Ostracion cornutus L. Verh. Bat. 
Gen. XXIV Balist. 
» cubicus BI. ibid. 

Monacanthus tomentosus Cuv. ib. 
Tètraödon laterna Richards. 
» yirgatus Bichards. 

» kappa Russ. Verh. 

B. G. XXIV Blootk. Vissch. 
» hypselogeneion Blkr. 

» margariiatus Rupp. 

Syngnathus haematopterus Blkr. 

Nat. T. Ned. Ind. II. p. 259. 
Syngnathoïdes Blochii Blkr. ibid. 

p. 259. 
Hippocampus taeniopterus Blkr. 
» moluccensis Blkr. 



Vergelijkt men deze lijst met de hierboven reeds gegevene, 
van de van Amboina zelf bekende species , dan blijkt het, dat 



236 



niet minder dan 62 soorten der verzamelingen van de heeren 
Hartzfeld en Van Thienen als nieuw zijn te beschouwen voor 
de stellige kennis van Amboina, en dat daardoor het aantal 
bekende vischspecies van Amboina op 1 17 wordt gebrngt. On- 
der de hier opgesomde 74 soorten zijn er voorts 2, welke reeds 
van Hoeroe, 9 welke reeds van Banda en 4, welke van de 
Molukken in het algemeen bekend waren. Telt men na aftrek 
dezer 13 soorten de overigen bijeen, dan erlangt men een cij- 
fer van 310. 

Eenigen tijd geleden gelukte het mij , in het bezit te gera- 
ken van eenige platen, onder de leiding van Forsten te Ter- 
nate vervaardigd en betrekking hebbende tot Ternataansche vis- 
schen. Die afbeeldingen zijn zeer gebrekkig, doch laten vol- 
doende eenige species herkennen, zooals : 



1. Mesoprion chrysotaeira Blkr. 8. Scolopsides monogramma K. v. H. 

Nat. T. N. Ind. II. p. 170. ibid. XXIII Sciaen. 

2. » decussatus CV. Verh. 9. Caesio coerulaureus Lacép. ibid. 
B.G.XXÏIPeic. fflaen. 

3. » amboinensis Blkr. 10. Chaetodon Kleinii CV. ibid. Chaet. 

4. Serranus horridus K. v. H. Verh. 11. » princeps CV. ibid. 

B. Gen. XXII Perc. 12. » vittatus BI. Schn. ibid. 

5. Dactylopterus orientalis CV. 13. Amphacanthus vulpinus M. Schl. 

6. Pterois volitans CV. Verh. B. G. 14. Gnatlianodon speciosus Blkr. V. 

XXIISelerop. B. G. XXIV. Mukr. 

7- Synanceia brachio CV. ibid. 



Van deze 14 soorten komen in de bovenstaande opgaven 
niet voor 5, welke alzoo nog Ie tellen zijn bij het cijfer 310, 
boven opgegeven, hetwelk dus wordt 315. 

In de maand Maart dezes jaars werd mijne verzameling an- 
dermaal verrijkt met Moluksche visschen en wel met niet min- 
der dan 92 soorten , afkomstig van Wahai, aan Cerams noord-| 
kust, en met uitzondering slechts van eene enkele soort, aldaai 
in zee gevangen. Deze Ceramsche visschen heb ik te danken] 
aan den heer D. Pflaum, die ze mij met welwillendheid heef 
afgestaan. Ze bestaan uit de volgende species : 



237 



1. 

2. 
3. 
4. 
5. 
6. 

7. 
8. 
9. 

10. 

11. 
12. 

13. 
14. 

15. 
16. 

17. 
18. 
19. 
20. 
21. 
22. 
23. 

24. 
25. 

26. 

27. 

28. 

29. 

30. 



Apogon orbicularis K. v. H. 
» ceramensis Blkr. 
» melanorhynchos Blkr. 
» chrysosoma Blkr. 
Ambassis urotaenia Blkr. 
Mesoprioa octolineatus Blkr. V. 
B. Gen. XXII Percoïd. 
» madras CV. ibid. 

» striatus Blkr. ib. 

» bottonensis Blkr. Nat. 

Tijdschr. N. Ind. II. p. 170. 
Therapon servus CV. Verh. Bat. 
Gen. XXII Percoïd. 
Sphyraena obtusata CV. ibid. 
Upeneus barberinus CV. Nat. T. 
N. Ind. II. p. 172. 
» barberinoïdes Blkr. 
Upeneoïdes variegatus Blkr. Ver- 
hand. B. Gen. XXII Percoïd. 
Dactylopterus orientalis CV. 
Pteroïs volitans CV. Verh. Bat. 
Gen. XXII Sclerop. 
» brachypterus CV. 
» zebra CV. 
Apistus fusco-virens QG. 
» derraacanthus Blkr. 
» macracanthus Blkr. 
Scorpaena diabolus CV. 
Synanceia horrida CV. Verhand. 
Bat. Gen. XXII Sclerop. 
» brachio CV. ibid. 
Lethrinus latifrons Rüpp. Nat. 
T. N. Ind. II p. 220. 
» xanthotaenia Blkr. ib. 
II. p. 176. 
Caesio coerulaureus Lacép. Verh. 

Bat. Gen. XXIII Maen. 
Gerres abbreviatus Blkr. ibid. 

N. T. N. Ind. I p. 103. 
Chaetodon virescens CV. Verh. 
Bat. Gen. XXII Chaet. 

» baronessa CV. Nat. 

T. N. Ind. II. p. 239. 
II. 



31. Platax Blochii CV. Verh. Bat. 

Gen. XXIII Chaet. 

32. Chorinemus sancti Petri CV. 

ibid. XXIV Makreel. 

33. Trachinotus Baillonii CV. ibid. 

34. Carangoïdes blepharis Blkr. ib. 

35. Equula ensifera CV. ibid. 

36. Arnphacanthus dorsalis CV. ibid. 

XXIII Teuth. 

37. Acanthurustriostegus BI. Schn. ib. 
38. » melanurus CV. 

39. Keris amboinensis Blkr. 

40. Petroskirtes rhinorhynchos Blkr. 

41. Gobius phalaena CV. Nat. T. N. 

Ind. II p. 244. 

42. » interstinctus Bichards. 

43. PeriophthalmusargentilineatusCV. 

44. Eleotris muralis QG. 

45. Antennarius hispidus Cant. 

46. Batrachus diemensis Richards. N. 

T.N.Ind.IIIp. 168. 

47. Halieutea stellata CV. 

48. Fistularia immaculata Commers. 

49. Amphiprion bifasciatus BI. Schn. 

50. » percula CV. 

51. Pomacentrus pavo Lacép. Nat. 

T. N. Ind. II p. 247. 

52. » chrysopoecilus K. v. H. 

53. » taeniometopon Blkr. 

54. Dascyllus niger Blkr. Verh. Bat. 

Gen. XXI Kamsch. Labr. 

55. » aruanus CV. Nat. T. 
N. Ind. II. p. 247. 

56. Cheilio hemichrysos CV. ib. II 

p. 255. 

57. Novacula pentadactyla CV. ibid. 

II p. 222. 

58. » julioïdes Blkr. ibid. II 
p. 254. 

59. Julis (Halichoeres) elegans K. 

v. H. 

60. » ( v ) interruptus 
Blkr. N T. N. Ind. II p. 252. 

18 



i.38 



61. Julis (Halichoeres) strigiventer 75. Muraena ceramensis Blkr. 

Benn. ibid. p. 251. 76. » raicropterus Blkr. 

62. » ( » ) kalosoma Blkr. 77. » variegata Richards. 



63. Cheiliaus ceramensis Blkr. 

64. Callyodon waigiensis CV. N. T. 

N. Ind. Il p. 256. 

65. Flotosus lioeatus CV. Verh. Bat. 

Gen. XXI Silur. 

66. Sardinella leiogaster CV. Verh. 

Bat. Gen. XXIV Har. 

67. Alausa melanurus CV. ibidem. 
€8. Enprraulis encrasicholoïdes Blkr. 



78. Tetraödon hypselogeneion Blkr. 

79. » kappa Russ. 

80. Diodon punctatus Cuv. Verhand. 

Bat. Gen. XXII Blootk. 

81. Balistes praslinus Lacép. ibid. 

Balislin. Ostrac. 

82. » flavomarginatus Rüpp. 

83. Alutarius laevis Cuv. Verh. Bat. 

Gen. XXIV Balist. Ostr. 



ibid. N. T. N. Ind. III p. 173. 84. Ostracion cornutus L. ibid. Ba- 

69. Saurus trachinus T. Schl. list. Ostr. 

70. Rhombus surnatranus Blkr. Verh. 85. » tesserula Cant. 

Bat. Gen. XXIV Pleur. N. T. 86. Syngnathus haematopterus Blkr. 
N. Ind. I p. 409. Nat. T. N. Ind. II p. 259. 

71. Achirus pavoninus Lacép. Verh. 87. Syngnathoïdes BlochiiBlkr. ibid. 

Bat. Gen. ibid. II p. 259. 

72. Oxybeles Brandesii Blkr. Nat. 88. Hippocampus taeniopterus Blkr. 

T. N. Ind. I p. 276. - 89. Pegasus Wans L. 

73. Muraena lita Richards. 90. Solenostoma paradoxum Lacép. 

74. » Richardsonii Blkr. 91. Chimaera monstrosa L. (1). 

Deze soorten zijn allen nieuw voor de kennis der fauna van 
Ceram , van welke nog geene enkele in de wetenschap bekend 
was. Van deze 91 species zijn 52 vermeld in de hiervoren- 
gaande opgaven , zoodat niet minder dan 39 er van nieuw zijn 
voor de fauna der Molukken. Hierdoor stijgt het aantal mij 
thans bekende Moluksche species tot reeds niet minder dan 354, 
dat is 168 meer dan door de schrijvers met eenige zekerheid 
als zoodanig bekend gemaakt zijn. Ook in de Ceramsche ver- 
zameling bevinden zich eenige nieuwe soorten, welke mij noch 
van Banda noch van Amboina onder de oogen gekomen zijn , en 
wel ten getale van 12. 

In het volgende overzigt van de geographische verbreiding der 
visschen in de Molukken, heb ik tevens vermeld de tot nu toe 



(1) Behalve deze 91 species bevat deze verzameling eenige specimina 
van eene monstrositeit van Carassius auratus Nilss. , welke echter niet van 
Ceram afkomstig zijn. 



289 



bekend gewordene vischspecies van de eilanden Waigioe, Ra- 
wak, Nieuw-Guinea en Timor. 

In deze bijdrage zijn beschreven meer dan 60 soorten. 

Meerderen dezer soorten waren vroeger niet in mijne ver- 
zameling , doch zijn door andere schrijvers reeds meer of min 
bekendgemaakt, t. w. : Cheilodipterus quinquelineatus CV., 
Apogon roseipinnis CV., Apogon orbicularis K. v. II., Holocen- 
trum diadema CV., Myripristis parvidens CV. , Pteroïs brachy- 
pterus CV. , Pteroïs zebra CV. , Scorpaena diabolus CV., Apistus 
fusco-virens QG. , Acanthurus melanurus CV., Gobius insterstinc- 
tus Richards. , Periophthalmus argentilineatus CV., Eleotris mu- 
ralis QG. , Callionymus filamentosus CV., Antennarius hispidus 
Cant. , Halieutea stellata CV., Fistularia immaculata Comm. , 
Amphiprion bifasciatus Dl. Schn. , Amphiprion percula CV. , 
Pomacentrus chrysopoecilus K. v. II., Glyphisodon rahti CV., 
Julis (Halichoeres) elegans K. v. H. , Saurus trachinus T. Schl., 
Saurida nebulosa CV., Muraena Iita Richards., Muraena variegata 
Richards. , Tetraödon laterna Richards. , Tetraödon virgatus 
Richards. , Tetraödon kappa Russ. , Tetraödon margaritatus 
Rüpp., Balistes flavimarginatus Rüpp., Ostracion tesserula Cant., 
Pegasus volans L. , Solenostoma paradoxum Lacép., Chimaera 
monstrosa L. 

Thans nog nieuw voor de wetenschap en hier voor het eerst 
beschreven zijn : Apogon Hartzfeldii Blkr., Apogon melanorhyn- 
chosBlkr., Apogon chrysosoma Blkr., Apogon ceramensis Blkr., 
Ambassis urotaenia Blkr., Serranus ambomensis Blkr., Meso- 
prion amboinensis Blkr., Myripristis microphihalmus Blkr., 
Upeneus barberinoïdes Blkr., Apistus macracanthus Blkr., Apis- 
tus dermacanthus Blkr., Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr., Keris 
amboinensis Blkr., Petroskirtes rhinorhynchos Blkr., Petroskirtes 
anemaBlkr., Gobius caninoïdes Blkr., Pomacentrus taeniometopon 
Blkr. , Pomacentrus nematopterus Blkr. , Pomacentrus proso- 
potaenioïdes Blkr. , Julis (Halichoeres) kalosoma Blkr. , Chei- 
linus ceramensis Blkr. , Rhombus poecilurus Blkr. , Muraena 
Rïchardsonii Blkr., Muraena ceramenis Blkr., Muraena micro- 
pterus Blkr., Tetraödon hypselogeneion Blkr., Hippocampus 
moluccensis Blkr. , Hippocampus taeniopterus Blkr. , en alzoo 28 
soorten. 



240 



Geographisch overzigt der thans bekende vischsoorten 
van de Moluksche eilanden. 





a 


























<u 


























St5 


























o e 


















B 




o 


SOORTEN. 

• 


Molukken. 

Eiland van voork 

niet juist bekei 


CC 

d 

o 

S 
< 


V 

o 
u 
u 

o 


V 

re 

d 

V 

H 


re 

-o 

ca 
pq 


cd 
0- 

d 

cd 


c 
co 

i-i 


o 

s 


O 
O 

in 


u 

es 

'S 
1 
:aj 

o 


u 
o 

bD 

re 


•* a 

es 3 

CB >- 

cd s 


Lates nobilis CV. 


1 
























Labrax waigiensis CV. 






















1 




Apogon trimaculatus CV. 






1 




















» novemfasciatus CV. 
















1 










» roseipinnis CV. 




1 






















» ceraiuensis Blkr. 














1 












» orbicularis K. v. H. 




1 










1 












» melanorhyncbos BI. 














1 












» Hartzfeldii Blkr. 




1 






















» chrysosoma Blkr. 














1 












Ambassis Dussumierii CV. 


1 


i 












1 










» urotaenia Blkr. 




1 










1 












Cheilodipterus quinqueli- 


























neatus CV. 




1 






















Serranus cyanostigma K. v. H. 




1 






















» leucogrammicus Rwdt. 




1 






















» marginalis CV. 


















1 








» era pao CV. 




1 






















» amboinensis Blkr. 




1 






















» horridus K. v. H. 








1 


















•}> pardalis Blkr. 










1 
















» biguttatus CV. 




1 






















» variolosus CV. 


i 
























» argus CV. 


ï 
























» boenack CV. 


ï 
























» punctulatus CV. 


ï 














1 






1 




» boelang CV. 
























1 


» Ouoyanus CV. 
























1 


» G airaard i CV. 


























» vitta QG. 




















1 


1 


» merra CV. 








1 
| 






1 






1 




» gultatus CV. 








| 












1 




Plectropoina melanoleucura 








i 
















CV. 


i 






















Mesoprion ebrysotaenia Blkr. 




i 
1 




1 
















» amboinensis Blkr. 




1 




1 
















» octoiineatus Blkr. 




li 








1 








1 


1 1 


» quadriguttatus Blkr. 


' 


j 




! 1 
















» striatus Blkr. 




1 


1 


3 2 


- 


1 












Transport. . . 


6 




13 

1 


2 


7 4 


1; 6 2 J 



241 



c 






















, ' 




<u 




























£ H3 


















• 






. 




O Ü 


















c 






GO 


SOORTEN. 


ukken, 
n voork 
st beke 


n 

C 

o 


<6 
o 

u 


es 

C 


er 

d 


eo 
Ö 


i 

rt 


O 

ë 


o 

o 

t/2 


3J 

33 

c 

'3 


o 


cd 


9] 

d 
'3 
CS 


'1 >'-l 

CS 

! J3 c 


e 
< 


o 

C3 






es 




H 


-.93 

O 
— 


ed 


es 




















< 






ÉÜ 


H 


























Per transport. 


6 


13 


2 


3 


2 




7 


4 


1 




6 


2 


4 


Mesoprion unimaculatus QG. 




1 
























» macolor Blkr. 


1 
























1 


» lut janus CV. 


1 


























» Sebae Blkr. 






















1 






» olivaceus CV. 






















1 






■» seraicinclus CV. 






















1 




1 


» rufolineatus Blkr. 


























» decussatus CV. 


* 






1 




















» bottonensis Blkr. 














1 












1 


» madras CV. 














1 














» Calveti Blkr. 
















1 












Cirrhites pantherinus CV. 










i 


















» arcatus CV. 


1 


























» aprinus CV. 
















1 












Myriodon scorpaenoïdes Bris. 






















1 






Barnev. 




























Therapon theraps CV. 




1 
























» servus CV. 




1 










1 


1 












Priacanthus japonicus CV.? 




1 
























>5 carolinus CV. 










j 


















» macracanthus 




























CV. 




1 
























» argenteus CV. 


1 


























Myripristis parvidens CV. 




1 
























» microphthalmus 




























Blkr. 




1 
























» violaceus Blkr. 










i 


















» pralinius CV. ? 










ï 


















» hexagonus CV. 


1 


























Holocentrum sammara CV. 




1 
























» di ad erna CV. 




1 












1 












» operculare CV. 










ï 


















» leo CV. 






















1 






» argenteum CV. 


























1 


Percis cylindrica CV. 










ï 


















» ocellata CV. 


1 


























Sphyraena obtusata CV. 




1 










1 














» jello CV. 
















1 












Sillago acuta CV. 
















1 












Polynemus plebejus Brouss. 
















1 












Upeneoïdes variegatus Blkr. 




1 






ï 




1 














» bivittatus Blkr. 




1 












1 












» Vlamingii Blkr. 


1 


























Upeneus barberinus CV. 










1 




1 














Transport. 


13 


25 


2 


4 


IQ 




73 


12 


1 




11 


2 


8 



242 



■til. 


a 


' 










ai 
























SOORTEN. 


Molukken. 
Eiland van voorkom 
niet juisl bekend. 


er 

p 
o 

< 


6 
o 
u 
■v 

o 




-9 

SQ 


a 

PU 

a 

ca 

5 




c 
5 


c 

c 


u 
Ö 

'33 

O 


u 

o 

« 




BB 

a 
'S 


Per transport. 


13 


25 


2 


4 10 




13 


12 


1 




11 


2 


8 


Upeneus barberinoïdes Blkr. 














1 














» Brandesii Bikr. 










1 


















» trifasciatus CV. 










1 


















» zeylonicus CV. 


























1 


•» crassilabris CV. 


























1 


» Russellii CV. 






















1 






» japonicus CV. 


1 


























» cinnabarinus CV. 


1 


























Mulloïdes ilavolinealus Blkr. 






1 






















DactylopterVis orientalis CV. 




1 




1 


1 




1 






1 






Peristedion moluccense Bikr. 










1 
















Trigla Brandesii Blkr. 










1 
















Pteroïs volitans CV. 




1 




1 


1 




1 1 












» brachypterus CV. 














1 












» zebra CV. 














1 


1 










1 


» antennata CV. 




1 
























Platycephalus isacanthus CV. 






1 
















1 






» insidiator BI. 


1 


























» pristiger CV. 


























1 


■>> timoriensis CV 
















1 












Sebastes minutus CV. 


1 


























Scorpaena bandanensis Blkr. 










1 


















» diabolus CV. 














1 












1 


» Novae Guineae 


























1 


CV. 




























» papuensis CV. 


























1 


Apistus fuseo-virens QG. 




1 










1 














■» rnacracanthus Blkr. 














1 














» hypselopterus Blkr. 










1 


















» dermacanthus Bikr. 














1 














» longispinis CV. 




1 
























» marrnoratus CV. 
















1 












Pelor maculatum CV. 






















1 






Synanceia brachio CV. 








1 


i 




1 








1 






y> nsteroblepa Rich. 


























1 


» horrida Bi. 














1 














» bicapillata CV. 


1 


























Diagramrna Sebae Blkr. 










1 


















» Lessonii CV. 






















1 






» poecilopterura CV 


1 


























» punctatum CV. 




1 
























Soolopsides monogramma 




























K. v. H. 








1 




















» lycogenis CV. 




i 

32 


4 


8 


20 




21 


16 


1 




17 


2 




Transport. . . 


19 


i: 



243 





e 








<u 






















g* 


1 
















1 




O e 














a 




es 


SOORTEN. 


Molukkea. 
d van voork 
;t juist beke 


Am boina. 
Boeroe. 


a3 

re 
C 

Sh 


re 

c 
re 


re 
Oh 

C 
re 

r5 


B 


(4 

O 

s 


u 
o 

o 
co 


J 

1 

c 
u 


o 
feD 

re 


efl 

re 

CS 


0J 

2 
'3 

3 




rZ O 




1 


| 






<5 1 




K 




td 




i 








1 





Per transport. 
Scclopsides biJineatus CV. 
» temporalis CV. 

» margnrilifer CV 

» cancellatus CV. 

Heterognathodon bifasciatus 

Blkr. 
Malacanthus taeniatus CV. 
Dentex ruber CV. 
» tolu CV. 
» hexodon OG. 
» cynodon CV. 
Chrysophys sarba CV. 

» bifasciata CV. 

Lethrinus semicinctus CV. 
» anatarius Rich. 

» microdon CV. 

» latifrons Rupp. 

» olivaceus CV. , 

» xantholaenia BI. 

» opercularis CV. 

» waigiensis CV. 

» reticulatus CV. 

» sordidus CV. 

» lalidens CV. 

Pentapus vittatus CV. 
Caesio chrysozona K. v. H. 
» cóerulaureus Lacép. 
» lunaris Ehr. 
Emmelichthys leucogrammi- 

cus Blkr. 
Gerres poeti CV. 

» abbreviatus Blkr. 
» filarnentosus CV. 
» argyreus CV. 
» kapas Blkr. 
Apliareus coerulescens CV. 

» rutilans CV. 

Chaetodon Kleinii CV. 
» princeps CV. 

» vitiatus BI. Schn. 

» virescens CV. 



\ 



oligacanthus Blkr. 
•vagabundus BI. 

Transport. . . 



19 32 



1 

1 



24 



16 



26 39 7 12 23> 29 21 4 23 3 28 



1 
1 

1 I 
1 



244 



SOORTEN. 



c 

o) 5 OJ 
3 C «J 



a.2 

;2 a 



Per transp. . . 
Chaetodon strigangulus Sol. 

» punctato-fasciatus 

CV. 

» baronessa CV. 

» dorsalis CV. 

» nesogallicus CV. 

» unimaculatus CV. 

» speculum K. v. ïï. 

» sebanus CV. 

» Meyeri BI. 

» melanotus Rwdt. 

» spilopleura Rwdt. 

» setifer BI. 

» ephippium CV 

x principalis CV. 

» chrysozonus K. v. H 
Chelmon longirostris CV. 
Heniochus macrolepidotusCV 
Taurichthys varius CV. 

» "viridis CV. 

Zanclus cornutus CV. 
Scatophagus argus CV. 

» ornatus CV. 

Drepane longimana CV. 
Holacanthus Irimaculatus La- 
cép. 

» semicirculatus CV. 

» dux Lacép. 

» bicolor CV. 

» mesoleucos CV. 

» annularis CV. 

» imperator CV. 
Platax Blochii CV. 
» guttulatus CV. 
» punctulatus CV. 
» Gaimardi CV. 
» teira CV. 
Pimelepterus altipirmis CV. 

» marciac QG. 

Pempheris mangula CV. 

» oualensis CV. 

» moluca CV. 

Toxotes jaculator CV. 

Transport. . . 



26 



12 23 
1 



20 



21 



40 47 9 12 35 31 24 5 25 3 3« 



28 



3 28 



245 





4) » 


"~ -i 7— 


SOORTEN. 


Ja .1 a 1 « 

jjÊÜ | 2 • •« -S- 5 S g J .2- J 




=3* i 


^1 fe 




w 1 


j 


Per transport. 


40 47 9 12 35 'g 


1 24 5 25 3' 36 


Trichopus trichopterus CV. 


1 




Scomber loo CV. 


1 


1 1 
1 


Auxis taso CV. 




Cybium lineolatum CV. 


1 


Ilistiophorus indicus CV. 


1 




Elacate mottah CV. 


1 




Chorinemus Commersonia- 






nus CV. 


1 




» sancti Petri CV. 




1 


» tol CV. 


1 1 




Trachinotus mookalee CV. 


1 




» BaiJlonii CV. 




1 


Megalaspis Rottleri Blkr. 


1 




Selar trachurus Blkr. 


1 




» boöps Blkr. 


1 




» torvus Blkr. 


1 




» Hassehii Blkr. 




ï 

1 11 


» Novae Guineae Blkr. 




Caranx Forsteri CV. 


1 


» ekala CV. 


1 


» melampygus CV. 


1 


1 

1 1 


» Peronii CV. 


1 


i - 1 


Carangoïdes blepharis Blkr. 


1 


L 1 


» citula Blkr. 




1 


» coeruleopinna- 




tus Blkr. 




1 


» gallichthys Blkr. 


1 


» ophthalmotaenia Blkr. 


1 




Gnathanodon speciosus Blkr.' 


1 




Temnodon saltator CV. 


1 




Seriola cosmopolita CV. 






Nauclerus corn pressus CV. 






» brachycentrus CV. 






Coryphaena chrysurus CV. 






Equula filigera"CV. 




1 1 

1 * 


» ensifera CV. 


1 




» oblonga CV. 


1 


Mastacembelus maculatus CV. 


1 


Anophacantbus vulpinus M. 






Schl. 


1 




» dorsalis CV. 


1 1 


1 


» concatenatus CV. 


1 




» doliatus CV. 


1 


1 


Transport. . , 

Til 


53 59 13 14 36~j36 


30 5 29 4J43 



19 



246 



• 1 ■— 


c 




















i> 


























SOORTEN. 


ukken, 
n voorkom 
st bekend. 


es 

a 

o 


V 



u 

Efl 

e 


'O 

c 


er 

ex 


— 


£ 

o 

e 


o 
o 


a 

o 

a 

'3 


c 
te 


CE 


«3 

Ö 

'3 








o 




rt 


eo 


0) 










.-3 


it 




3 > 3 

"3 ■£ 


< 


pq 


E-i 


£3 


s 


O 


H 


C/j 


o 

u 


► 


*j 


3 




= 13 


















< 






s 
































'ü 


























Per transp. 


53 


59 


13 


14 


3G 




3G 


30 


5 




29 


4 


43 


Amphacanthus margaritife- 




























rus CV. 




i 
























» mannoratus CV. 


1 


























» vermiculatus CV. 


























1 


» lineatus CV. 


























1 


» nebulosus QG. 
















1 












Acanthurus matoïdes CV. 
















1 












» triostegus BI. Scli.n. 














1 












» hepatus BI. 




i 




















1 


» meJanurus CV. 














1 












» doreénsis CV. 


























1 


» ctenodon CV. 


























1 


» strigosus Benn. 


























1 


» scopas CV. 










1 








1 








1 


» lineatus Lacép. 


1 




















1 






» nu in mi f er CV. 






















1 






» glaucopareius 




























Forsk. 




























» fraterculus CV. 




























» striolatus QG. 




























» humeralis CV. 




























» velifer BI. 




























» altivelis CV. 












1 
















INaseus tripeltis CV. 
























! 1 


» brevirostris CV. 
























1 


» lituratus CV. 


























» Vlamingii CV. 


























» fronticornis Cornm. 






















1 




» brachycentron CV. 






















1 






Axinurus thynnoïdes CV. 


























1 


Prionodon annularis CV. 
















1 












Keris amboinensis Blkr. 




i 










1 














Cepola abbreviata CV. 


1 


























Mugii cephalotus CV. 


1 


























» cunnesius CV. 


1 


























» melanochir K. v. H. 






















1 


1 




» axillaris CV. 




























» parsia Buch. Ham.? 
















1 












Atherina brachypterus Blkr. 










1 


















» endrachtensis CV. 


























» cylindrica CV. 




l 


















1 




» lacunosa CV. 




1 


| 
















1! 




Petroskirtes anema Blkr. 




1 


_| 
















! 




Transport. . . 


67 


65 


13 


14 


38 


1 


39 


34 


6 




36 


o' 





247 



S O O R ï E N. 



ï 



Per transport. 
Petroskirtes Temminckii 
Blkr. 
» rhinorhynchos Blkr. 
» rnitratus Rüpp. 

» filaraentosus Rüpp. 
Salarias quadripiunis CV. 
Gobius phalaena CV. 

» interstinctus Richards. 
» Goldmannii Blkr. 

» elegans K. v. H. 
» criniger CV, 
» sphijnx CV. 
» papuensis CV. 
» cyprinoïdes Pall. 

» caninoïdes Blkr. 
Periophthalmus Koelreuteri 
BI. 
» Schlosseri BI. Schn. 
» Freycineti CV. 

» argentilineatus CV. 
Boleophthalmus Boddaerti CV 
Eleotris strigata CV. 
» muralis QG. 
» nigra QG. 
Callionymus filamentosus CV. 
» sagitta Pall. 

» ocellatus Pall. 

Batrachusdiemensis Richards. 
Antennarius raninus Cant. 
» hispidus Coinin. 

Halieutea stellata CV. 
fistularia imroaculata Comm. 
Iraphisile scutata Cuv. 
» velitaris Cuv. 
Preninas trifasciatus CV. 
Amphiprion bifasciatus BI. 
Schn. 
» laticlavius CV. 

» interrnedius M. Schl. 
» percula CV. 

» trifasciatus CV. 

Pomacentrus pavo Lacép. 
» chysopoecilus K. v. H. 
» Üttoralis K.v.H. 

Transport. . . 



•* 2^ 



— 














2 

-A 


ca 

Q 

o 


Zj 

o 

u 






ré 


2 


c/J 


^5 
C 


o 


Ih 


d 




O 


u 


< 


« 


H 


pq 


»3j 


w 


q 


! 


1 








1 



67 



6513 



14 



2 76 14 14 44 



38 



39 



34 



1152 38 6 



36 






54 



39 5 65 



248 



SOORTEN. 



c 


















V 


















H 




































Molukken 
cl van vooi 
t juist bek 


a 

c 
'S 

< 


3J 

O 
tl 

O 


C9 
C 

U 


eg 

E 

re 


en 
O, 

B 


5 

« 
t-4 

u 


o 
£ 


o 

c 
1/3 


e H 


















-2 a 




































w 



















O S 



Per transport. 
Poraacentrus taeniometopon 

[Blkr. 
» trilineatus Ehr. 

» katunko Blkr. 

» emarginatus CV. 

» nematopterus Blkr. 
t> prosopotaenioides Blkr. 
Glyphisodon bandanensis 
Blkr. 
» unimaculatus CV. 

t> azureus OG. 

» uniocellatus QG. 

» rahti CV. 

» biocellatus CV. 

» zonatus CV. 

» waigiensis CV. 

» coelestinus Sol. 

» inelas K. v. H. 

Heliases analis CV. 
» lepisurus CV. 
» coeruleus CV. 
» xanthochirus Blkr. 
Dascyllus niger Blkr. 
» aruanus CV. 

» xanthosoma Blkr. 

Plesiops melas Blkr. 
Julis (Halichoeres) kaloso- 
[ma Blkr. 
» ( » )elegansK. v. H. 
» ( » ) Hoevenii Blkr. 
» ( » ) melanurus Blkr. 
» ( » ) strigiven- 

[ter Benn. 
» ( » ) spilurus Blkr. 
» ( » ) interruptus Blkr. 
» ( » ) Renardi Blkr. 
» ( » ) balleatus QG. 
» ( » ) bandanensis Blkr. 

> ( » ) miniatus K. v. H. 
» ( » ) Schwarzii Blkr. 
» ( » ) binotopsis Blkr.) 
» ( » ) kawarin Blkr. 

> ( » ) timorensis Blkr. 
y> Gaimardi OG. 

Transport. . . 



72 
1 



75 



76 14 



14 



44 



82 15 14 58 



52 38 

ij 



1 59 50 



39 



G5 



1 42 6 



2>49 



■ - - — 


a 


















0) 


























S-o 














| 












o c 






















rj 




<U O 'S 


P 


ü 


u 


eg 


ce 


H 


«-* ü 


H3 


9) 

O 


J* 


C 


SOORTEN. 


ukk 
a vo 
st b 


O 
Q 


Ui 


« 


-d 


C 


CB 


O o 

s 7 


ce 

'5 


tO 


te 






1-5 




O 




w 


CO 


<U 

U 


1 


O 


es 


cS 


te 

9 
u 
















| 


■< 






£ 




S 














' 











Per transport. 
Labroïdes parad iseus Blkr. 
Crenilabrus nematopterus 

Blkr. 
Novacula julioïdes Blkr. 

» pentadactyla CV. 
Cheilio hemichrysos CV. 
Goraphosus Cepedianus OG. 
Xyrichthys niacrolepidotus 

CV. 
Cheilinus decacanthus Blkr. 
» ceramensis Blkr. 

» diagrammus CV. 

» fasciatus CV. 

» lacrymans CV. 

Epibulus insidialor CV. 
Scarus nuchipunctatus CV. 
» balinensis Blkr. 
» fasciatus CV. 
» capitaneus CV. 
» vaigiensis CV. 
» longiceps CV. 
Odax moluccanus CV. 
Callyodon waigiensis CV. 
Plotosus macrocephalus CV. 

» lineatus CV. 

Hemiramphus Quoyi CV. 
» lucens CV. 

» Lutkei CV. 

» Dussumierii CV. 
BeTone cylindrica Blkr. 
Exocoetus micropterus CV. 

» poecilopterus CV. 

Chirocentrus dorab CV. 
Albula neoguinaica CV. 

» seminuda CV. 
Chanos lubina CV. 
Megalops indicus CV. 
Sardinella lineolata CV. 
» leiogaster CV. 

Alausa melanurus CV. 
Engraulis encrasicholoïdes 

Blkr. 
Chatoessus chacunda CV. 
Saurus myops CV. 



i 



Transport. 



75 |82 



83 ,89 



15 14 



21 



14 66 



1 59 



G8 



50 



52 



7 1 42 



6 70 



4G 



7 77 



250 



S O O R T E N. 



S, 

o 

§8' 

3 c 

C 



Per transport. 
Saurus trachinus T. Schl. 

» synodus CV. 
Saurida nebulosa CV. 

» tombil CV. 
Tetragonopterus argenteus 

Less. 
Oxybelus Homei Richards. 
» Brand esii Blkr. 

Leptocephalus taenia Less. 
Muraena siderea Richards. 
» raicropterus Blkr. 
•» canina QG. 
» Richardsonii Blkr. 
?> marmorata QG. 
» lita Richards. 
» ceramensis Blkr. 
» colubrina Richards 
Ophiurus maculosus Cuy. 
» colubrinus Richards 
» versicolor Richards. 
Rhombus suraatranus Blkr. 
» poecilurus Blkr. 
Solea trichodactyla Cuy. 
Achirus pavoninus Lac. 
Plagusia Kopsii Blkr. 
üstracion cornutus L. 
» tesserula Cant. 

» cubicus BI. 

» Sebae Blkr. 

Balistes conspicillum BI. Schn. 
» lineatus BI. Schn. 
» azureus Less. 
» aculeatus BI. 
» medinilla QG. 
» flavomarginatus Rüpp. 
» praslinus Lacep. 
» ambonensis Gr. Hw. 
Monacanthus tomentosus Cuv. 
Alutarius prionurus Blkr. 
» laevis Cuv. 

» personatus Less. 

» Berardi Less. 

Tetraödon mappa Less. 
» laterna Richards. 

Transport. . . 



83 



86 



ï 



o ,,* 



21 



14 



1 
102 



21 



14 



75 



68 52 

1 



46 



77 



81 54 



51 



281 



a 














■ | 






<ü 
























a^ 




















. 




o c 














c 








<L> O D 


Ü 


ü 


aj 


« 


■ i s 


u t* 


CU 

C 


C 


.ai 


a 


SOORTEN. 


Molukk 
ilnnd van vo 
niet juist b 


O 

< 


u 

V 

c 


« 
C 

CU 


e 

ca 
P9 


a 

CO 




O o 

§ o 

E-j*» 

l 
I 


CB 

'S 

::: 

o 

u 
<! 


fcÜD 




3 

3 
u 




&a 












1 










Per transport. 


86 


102 


21 


14 75 


1 


81 


54 


7 


1 


51 


j 

9 87 


Tetraödon virgatus Rich. 




1 
























y> kappa Russ. 




1 










1 














» hypselogeneion Blkr. 




1 










1 














» margaritatusRi;pp. 




1 
























Diodon punctatus Cuv. 










1 




1 














» coeruleus QG. 


























1 


Triodon bursarius Reinw. 




1 






1 
















Syngnathus haematopterus 
















i 










Blkr. 




1 






1 




1 


| 


1 






» fasciatus Gr. II. 




1 














i 






Syngnathoïdes Blochii Blkr. 




1 






1 




1 










Hippocampus taeniopterus Blkr. 




1 










1 










» moluccensis Blkr. 




1 




















Solenostoma paradoxum Lac. 




1 










1 










Pegasus volans L. 














1 












» draconis L. 




1 
























» natans BI. 


























i 


Scyllium ferrugineum Less. 






















1 






Chiloscyllium plagiosumMH. 






















1 






» malayanum MH. 






















1 




Carcharias (Prionodou) me- 


























lanopterus QG. 
















1 






1 




» ( » ) arn- 


























boinensis MH. 




1 






















» (Hypoprion j Ma- 




























cloti MH. 


























i 


Pristis cuspidatus Lath. 




1 






















Trygon Kuhlii MH. 
























1 1 


Taeniura lymma MH. 
















1 






1 




Chimaera monstrosa L. 














1 












Totaal. . . 


~8(T 


116 


21 


14 


70 


1 


90 


56 


7 


1 


r« 


9 


91 



Van alle bovengenoemde eilanden te zamen zijn alzoo thans 
I reeds bekend 474 soorten , in welk cijfer Amboina deelt voor 
ongeveer l l± , Ccram en Nieuw Guinea elk voor bijkans V 5 , 
Banda voor Vg., lïmor en Waigioe eik voor V 8 tot V 9 enz. 



DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. 

PERCÖÏDEI. 

Cheilodipterus qninquelinealus CV. Poiss. II p. 124. 
Lcss. Zool. Voy. Duperr. II p. 237. 

Chcilodipt. corpore oblongo compresso, altitudine 4A circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite acuto, 3|. circiter 
in longitudine corporis; altitudine capitis lf. circiter in ejus longitudine; 
oculis diametro 3 in longitudine capitis; linea rostro-frontali leviter con- 
vexa; maxilla inferiore superiore paulo breviore; dentibus maxillis pluri- 
seriatis parvis, maxilla superiore antice caninis 4, maxilla inferiore an- 
tice lateribusque caninis G vel 8; praeopcrculo rotundato margine posteri- 
ore denticuiato; squamis deciduis, lateribus 25 p. m. in serie longitudi- 
nali; dorso humili; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa paulo liumiliore, 
spinis 2* et 3* ceteris longioribus; dorsali radiosa acuta, corpore paulo 
humiliorc; pectoralibus rotundatis et ventralibus acutis longitudine subae- 
qualibus, capite minus duplo brevioribus; anali angulata dorsali radiosa 
paulo humiliore; caudali emarginata, angulis acuta, 4-J. circiter in longitu- 
dine corporis; colore corpore hyalino-flavo vittis 10 nigricantibus, vittil 
dorsali et ventrali mediis imparibus, ceteris utroque latere 4 cepbalo- 
caudalibus; cauda macula magna flava medio macula rotunda nigra no- 
tata; piunis dorsali radiosa caudalique viridescente-byalinis j pectoralibus, 
ventralibus analique flavis; dorsali spinosa antice nigra. 

B. 7. D. 6-1/9 rel 1/10. P. 2/10. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 et 
lat. brev. 

Synon. Apogon novemstriatus Rüpp. N. Wirbelth. Faun. Abyss. F.R.M. 
p. 85 tab. 22 fig. 1. 
Chéilodipière a cinq raies CV. Poiss. II p. 124. 

IJabit. Amboina, in mari. 

Longitudo speciminis unici 82"'. 

Aanm. Deze soort werd door de heeren Lesson en Garnot 
bij Bolabola ontdekt. De heer Rüppell beschreef haar later, onder] 
den naam van Apogon novemstriatus, welke soort alzoo behoort 
te vervallen. Het exemplaar naar hetwelk de heer Rüppell ha? 



I I 



233 



beschreef, had slechts de halve lengte van het mijne. De heer 
Rüppell schijnt haar tandenstelsel niet onderzocht te hebben , 
althans maakt hij daarvan geene melding. De staartvin is ook 
merkbaar uitgerand en niet afgeknot, zooals de afbeelding van 
den heer Rüppell aangeeft. Overigens zijn de evenredigheden 
des ligchaams en der vinnen, de verdeeling der banden, de ge- 
tallen der vinstralen enz. volkomen dezelfde en laat zich de 
identiteit van de soort van Bolabola, van de Roode zee en van 
Amboina niet betwijfelen. 

Apogon roseipinnis CV. Poiss. III p. 881. 

Apog. corpore oblongo compresso , altitudine 3*. ad 3.*. in ejus longitu- 
dine, latitudine 2A. circiter in ejus altitudine; capite 3.|. ad 3* in longitu- 
dine corporis, vix longiore quara alto; linea vostro-frontali declivi recti- 
uscula; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; maxilla inferiore 
superiore vix longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore denti- 
culato ; linea laterali subarborescente ; squamis lateribus 25 p. m. in serie 
longitudinali , 9 vel 10 in serie transversali; dorso elevato ; pinna dorsali 
spinosa radiosa hurailiore , spinis 3 a et 4* ceteris longioribus ; dorsali ra- 
diosa acuta, corpore liumiliore; pectoralibus obtusis ventralibus acutis paulo 
longioribus 4-*. ad 5 in longitudine corporis; anali angulata dorsali radi- 
osa paulo humiliore ; caudali emarginata, angulis acuta, 4*. ad 4*. in lon- 
gitudine corporis; colore corpore aureo-rubro, pinnis roseo-rubro; cauda 
fascia lata transversa fusca vel nigra; pinna anali basi membrana maculis 
fuscis. 

B. 7. D. 7 t 1/9 vel 1/10. P. 2/12. V. 1/5. A. 2/3 vel 2/9. C. 17 et 

lat. brev. 
Synon. Centropomus aureus Lacép. Poiss. IV p. 253 et 273. 
Centropome doré Lacép. ibid. 
Ostorhinchus Fleurieu Lacép. ibid. p. 24. 

Ostorhinque Fleurieu Lacép. ibid. p. 24 et III tab. 32 fig. 2. 
Apogon a nageoires roses CV. Poiss. III p. 361. 
Habit. Amboina , in mari. 
Longitudo 2 speciminum 94'" et 100"'. 

Aanm. Reynaud nam deze soort waar op Ceylon. Het schijnt, 
dat zij ook is waargenomen bij Waigioe en Rawak door de 
naturalisten , welke Freijcinet op zijne ontdekkingsreis hebben 
vergezeld. Ik aarzel niet, haar terug te brengen tot de aange- 
haalde soorten van Ljvcépêde , te meer daar de overeenkomst 



%M 



van den habitus met dien der afbeelding van Ostorhinque Fleu- 
rieu van Lagépède zeer groot is. 



Apogon Hartsfeldii Blkr. 



Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 4*. circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite 3*. circiter in longitu- 
dine corporis; altitudine capitis 1|. in ejus longitudine; linea rostro-fron- 
tali declivi rectiuscula; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; 
maxilla inferiore superiore paulo breviore; praeoperculo rotundato margine 
posteriore denticulato; linea laterali non vel vix arborescente; squamis 
latcribus 25 p. m. in serie longitudinali , 7 vel 8 in serie transversali j 
dorso subclevato ; piuua dorsali spinosa dorsali radiosa hnmiliore, spina 
3" ceteris longiore et crassiore; dorsali radiosa acuta corpore paulo hn- 
miliore; pectoralibus obtusis ventralibns obiusis paulo longioribus, 5{. 
circiter in longitudine corporis; anali angulata , dorsali radiosa humiliore; 
caudaii paulo emarginata lobis obtusis 4A. circiter in longitudine corporis; 
colorc corpore flavescente-roseo, pinnis roseo; cauda ad basin pinnae 
caudalis macula rotunda nigra; pinna caudaii membrana maculis fuscis. 

B. 7. D. 7-1/9 vel 1/10. P. ï/\\. V. 1/5. A. 2/3 vel ?/ 9 - C - 17 ct 
lat. brev. 

Habit. Amboina, in man. 

Longltudo speciminis unici 77'". 

Aanm. Deze soort schijnt groote overeenkomst te hebben 
met Apogon thermalis CV. , doch heeft 1 rugdoorn meer. Daar 
de beschrijving van Apogon thermalis CV. overigens zeer on- 
voldoende is , laat zich daarnaar niet over mogelijk andere 
soortelijke verschillen oordeelen. Tot andere bekende soorten 
iaat zij zich nog minder terugbrengen. 

Ik noem deze soort ter eere van mijnen ambtgenoot en 
vriend Dr. J. Hartzfeld, aan wiens verzamelingen de we- 
tenschap eene betere kennis der vischfauna van Amboina te 
danken heeft. 

Apogon orbicularis K. v. H. CV. Poiss. II p. il o', VI p. 

872. 

Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 2*. ad 2». in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 in ejus altitudine; capite 3*. circiter in longitudine 
corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali vertice concava 



285 

rostvo recfiusonla; oculis diametro 2|. in Iongitudine capitis; maxilla in- 
feriore supeviore Iongiore; praeopereulo rotundato, margin o posterioro den- 
ticulato; linea laterali non arborescente ; squamis lateribu.s 22 p. m. in 
serie longitudinali, 9 vel 10 in serie transversali ; dors o elevnto; pinna 
dorsali xpinosa radiosa vix humiliore, spina 2' eeteris Iongiore et crassi- 
ore; dorsali radiosa angulata, corpore humiliore; pectoralibus obtusis et 
ventralibus acutis Iongitudine aequalibus, 4». circiter in Iongitudine cor- 
poris; anali angulata dorsali radiosa vix humiliore; caudali emarginata, 
angulis acuta, 3£ circiter in Iongitudine corporis; colore corpore virides- 
cente inferne dilutiore; fascia dorso-ventrali nigra spinas dorsales 2 m et 
3 m inter et medium ventrem; cauda medio fascia longitudinali nigra; 
squamis corpore caudaque pluribus gutta nigra; pinnis viridescentibus , 
ventralibus apice nigris. 

B. 7. D. 6-1/9 vel 6-1/10. P. 2/10. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 et 
lat. brev. 

Synon. Apogon orbiculaire CV. Poiss. II p. 115, VI p. 372. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis , in mari. 

Longitudo speciminis unici 61'". 

Aanm. Volgens Quoy en Gaimard zouden bij de versche 
specimina, kop, eerste rugvin en buikvinnen rood gevlekt zijn, 
de 2de rugvin geelachtig met bleekrooden rand , de staartvin 
roodachtig en de aarsvin blaauwaehtig met een' breeden roo- 
den rand. Hoezeer mijn specimen in goeden toestand van be- 
waring verkeert, kan er ik van deze kleuren niets waarnemen. 



Apogon melanorhijnchos Blkr. 



Apog. corpore oblongo compresso , altitudine 4 circiter in ejus Iongitu- 
dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 3£ ad 3£ in Iongitu- 
dine corporis, Iongiore quam alto ; linea rostro-frontali declivi convexius- 
cula; oculis diametro 2.| ad 3 in Iongitudine capitis; praeoperculo rotun- 
dato, margine posteriore denticulato; linea laterali non arborescente; squa- 
mis lateribus 23 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in serie transversali; 
dorso humili ; pinna dorsali spinosa radiosa multo humiliore , spinis 3' et 
4" eeteris longioribus ; dorsali radiosa et anali convexis, corpore humilio- 
ribus; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 in Iongitudine 
corporis; caudali emarginata 4 circiter in Iongitudine corporis; colore cor- 
pore rubro; fascia rostro-oculo-caudali nigricante antice coerulescente mar- 
ginata; cauda ad basin pinnae caudalis macula rotunda nigra; pinnis ru- 
bris; dorsali spinosa antice nigra; dorsali radiosa analique basi fascia lon- 
gitudinali nigra. 



236 



B. 5. D. 7-1/8 vel 7-1/9. P. 2/12. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 

et lat. brev. 
Habit. Waliai , Ceram septentrionalis , in mari. 
Longitudo 3 speciminum 47'" ad 65'" 

Aanm. Bij mijn kleinste specimen, hetwelk in den besten toe- 
stand van bewaring verkeert, gaat de overlangsche band van den 
staart tot aan den snuit, waar hij zich met dien der tegenover- 
gestelde zijde vereenigt, en waardoor de snuit zwart gekleurd 
is. Bij de 2 grootere specimina reikt de overlangsche band 
niet verder dan van den snuit tot aan het voorste gedeelte der 
zijden. In band- en vlekteekening heeft deze soort veel van Apo- 
gon ceramensis Blkr., doch zij is langwerpiger van ligchaam, heeft 
1 rugdoorn meer en ligchaam en vinnen zijn rood gekleurd, ter- 
wijl zij bij Apogon ceramensis groenachtig en geelachtig zijn. 



Apogon chrijsosoma Blkr. 



Apog. corpore oblongo compvesso, altitudine 3* ad 4 in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capita 3^ ad 3£ in longitu- 
dine corporis, longiove quam altoj linea rostro-frontali declivi rectinscula; 
oculis diametro 21. ad 3 in longitudine capiiis ; maxilla inferiore superiore 
longiore; praeoperculo rotundato, inargine posteriore denticulato; linea late- 
rali non arborescente ; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali , 8 p. m. 
in serie transversali ; dorso humili; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa humi- 
liore, spinis 3* et 4" ceteris longioribus; dorsali radiosa et anali angulatis, 
acutis, corpore hurailioribusj pectoralibus obtusis ventralibus acutis longiori- 
bus, 5 circiter in longitudine corporis; caudali emarginata angulis subrotunda- 
tïs, 4|. circiter in longitudine corporis; colore toto corpore aureo, pinnis 
rubro; vittis vel maculis nullis. 

B. 7. D. 7-1/9 vel 7-1/10. P. 2/12. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 
et lat. brev. 

Habit. Waliai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 52'" ad 55'" 

Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Apogon melano- 
rhynchos Blkr. doch mist alle band- of vlekteekening. 

Apogon ceramensis Blkr. 

Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 3». ad 3*. in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 3£ circiter in lonyi- 



!2S7 



tuduie corporis, longiore qnam alto; linea rösti'O-fröntali declivi rectius- 
cula; oculis diametro 3*. ad 3£ in longitudine capitis; maxilla inferiore 
superiore vix breviore; praeopcreulo rotundato, margine posteriore den- 
ticulato ; linea laterali non ni'borescentc ; squamis lateribus 25 p. m. in se- 
rie longitudinali, 8 p. m. in serie transversali ; dorso elevato; pinna dorsali 
spinosa dorsali radiosa humiliore, spinis2*et 3» subaequalibus, ceteris longi- 
oribus, corpore duplo humüioribus ; dorsali radiosa acuta, altitudine li in 
altitudine corporis; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 
circiter in longitudine corporis; anali acuta dorsali radiosa paulo humiliore; 
caudali emarginata, angulis acuta, 4*. circiter in longitudine corporis; colore 
corpore superne \iridescente inferne argenteo; capite fusco arenato; vitta 
thoraco-caudali gracili fusca ; cauda postice gutta nigra; pinnis flavescente- 
hyalinis ; dorsali spinosa radium 2 m inter et 3 m nigra. 

B. 7. P. 6—1/9 vel 6—1/10. P. 2/l2. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 
et lat. brev. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 80'" et 82'" 

Aanm. Deze soort nadert in verwantschap tot Apogon ro- 
seipinnis CV. doch is hiervan, alsmede van de overige bekende 
soorten te onderkennen door hare kleurteekening enz. 

Ambassis urotaenia Blkr. 

Ambass. corpore oblongo compresso , altitudine 3A circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2A circiter in ejus altitudine; capite acuto 4 circiter in 
longitudine corporis , vix longiore quam altc ; linea rostro-frontali concavius- 
cula; oculis diametro 2A ad 3 in longitudine capitis; orbitis inferne denticulatis; 
maxilla superiore inferiore breviore, sub oculi parte anteriore desinente; 
dcntibus maxillaribus vix conspicuis; osse suborbitali et praeoperculo mar- 
gine interno denticulatis; suboperculo interoperculoque margine giabris; 
dorso subelevato ; linea dorsali rotundata linea ventrali paulo convexiore; 
squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; linea laterali singulis 
squamis tubulo simplice notata, sub pinna dorsali radiosa valde curvata; 
pinnis dorsalibus basi unitis, spinosa radiosa altiore , spinis validis, 2 n ee- 
teris altiore 5 ad 5i in longitudine corporis; dorsali radiosa angulata; pec- 
toralibus acutiusculis ventralibus acutis paulo longioribus, capite brevio- 
ribus; anali angulata, spinis 3 validis 3* 1* et 2* longiore sed spina dor- 
sali 2* breviore; caudali profunde incisa, lobis acutis, 3A ad 3*. in lon- 
gitudine corporis; corpore flavescente-byalino, fascia cephalo-caudali ar- 
gentea ; pinnis fJavescente-hyalinis, dorsali spinosa spinam 2 m inter et 3 ra 
nigricante; caudali utroque lobo fascia lata longitudinali violaceo-nigri- 
cante. 



2S8 



B 6. D. 7-1/9 vel 7/1/10. R 2/12 vel 2/13. V. 1/5. A. 3/9 vel 

3/10. C. 17 et lat. brev. 
Habit. Amboirja et Wahai , in mavi. 
Longitudo 6 speciminum 74'" ad 88'". 

Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Ambas- 
sis Commersonii CV , doch is wat ranker van ligchaam , heeft 
den voorsten liggenden rugdoorn stomp en onder de huid ver- 
borgen en is bij den eersten oogopslag herkenbaar aan hare 
overlangsche zwartachtige staartvinbanden. 

Serranus amhoinensis Blkr. 

Serran. corpore oblongo compresso , altitudine 3$ eirciter in ejus longi- 
j. tudine , latitudine 2 eirciter in ejus altitudine; capite 3 eirciter in longitu- 
dine corporis; altitudine capitis l£ eirciter in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 4£ eirciter in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectius- 
cula; rostro alepidoto; osse maxillari superiore squamulis parcis, sub oculi 
limbo posteriore desinentc ; maxilla superiore inferiore breviore, dentibus 
pluriseriatis , serie externa conicis , seriebus internis setaceis , antice cani- 
nis 2 mediocribus; maxilla inferiore valde adscendente, dentibus plurise- 
riatis, antice caninis 2 vel 4 parvis ; praeoperculo rectangulo, mavgiue 
posteriore denticulis valde conspicuis, angulo dentibus 5 majoribusj suboper- 
culo iuteroperculoque denticulis parcis; operculo spinis 3 planis, spina media 
ceteriö majore ; dovso humili ; lineis dorsali et ventrali convexitate subae- 
qualibus; squamis Iateribus ciliatis, 100 p. m. in serie longitudinali; pin- 
nis dorsali et anali postice rotundatis, dorsali spinosa dorsali radiosa non 
vel vix altiore, spinis 3*, 4* et 5« ceteris longioribus corpore plus duplo 
humilioribus; pectoralibus rotundatis, ventralibus acutiusculis et caudali 
leviter cenvexa 5 ad 5|. in longitudine corporis; spina anali media capite 
plus triplo breviore; corpore umbrino interne dilutiore; capite punctis 
fuscis numei'osis ; dorso lateribusque vittis longitudinalibus plus minusve 
serpentinis 10 ad 12 profunde fuscis; pinnis fuscis, immaculatis. 

B. 7. D. 11/18 vel 11/19. P. 2/17. V. 1/5. A. 3/8 vel S/9. C. 15 vel 
17 et lat. brev. 

Habit. Amboina , in man. 

Longitudo specin.inis unici 108'" 

Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Serranus met 

niet uitgerande staartvin , 1 1 rugdoornen en overlangs gestreept 

ligchaam, en schijnt na verwant te zijn aan Serranus lineatus 

y CV. van Pondicherij, van welke soort echter gezegd wordt , dat 



289 



zij slechts 4 of 5 strepen op den rug heeft, welke bij verseba 
visschen hiaauw zijn. terwijl de borstvin slechts 16 stralen 
zou hebben. 

ïïJesoprion amboinensis Blkr. 

Mes op r. corpore oblongo compresso, aititudine 3.*. circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitndine; linea rostro-frontali le- 
viter convexa; capite 3£ ad 3.J. in longitudine corporis, longiore quam al - 
to ; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis , rostro acuto vix longi- 
oribus; dentibus maxilla eonicis ; maxilla superiore antice caninis 4 cur- 
vatis mediocribus, externi's internis majoribus ; maxilla inferiore lateribus 
dentibus aliquot reetis ceteris majoribus ; maxilla superiore inferiore paulo 
longiore sub oculi parte anteriore desinente; osse suborbitali angulo oris 
oculo duplo circiter humiliore; pracoperculo subrectangulo , angulo rotun- 
dato, margine libero toto denticulato, denticulis angulo majoribus, mar- 
gine posteriore incisura profunda; operculo spina unica plana; dorso ele- 
vato ; linea dorsali linea, ventrali multo convexiore; squamis lateribus 55 
p. m. in serie longitudinali ; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa al- 
tiore, rotundata, spinis mediis ceteris longioribus, l a ultima breviore, 
parte radiosa rotundata ; pinnis pectoralibus acutis 4 circiter, ventralibus 
acutis 5 et paulo in longitudine corporis; anali spina media ceteris ma- 
jore et parte radiosa altiore, parte radiosa rotundata; caudali leviter emar- 
ginata, angulis acuta, 4». circiter in longitudine corporis; colore corpore 
superne roseo, inferne flavescente ; dorso vittis obliquis aurantiaco-rufis ; 
lateribus vittis 5 vel 6 liorizontalibus flavis'; pinnis flavis. 

B. 7. D. 11/13 vel Jl/14. P. 9/Ï5. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. C. 17 et 
lat. brev. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speeiminum 76'" et 110'" 

Aanm. Het sterk uitgesneden zijn des praeoperkels zou deze 
soort doen behooren tot Diacope CV., indien Diacope CV. en 
Mesoprion CV. als twee verschillende geslachten aan te nemen 
waren. Hare herkenning wordt voorts gemakkelijk gemaakt 
door hare 11 rugdoornen en kleuren. 

Holoccntrum diadema CV. Poiss. III p. 189. Less. 
Zool. Voy. Duperr. II. I p. 220 tab. 25 %. % 

Holocentr. corpore oblongo compresso , aititudine 3.| in ejus longitudine, 
• line '2 et paulo in ejus aititudine; linea rostro-frontali leviter convexa; 



V 



260 



capite acuto, 4 feve in longitudine corporis ; altitudine capitis 1£ circiter 
in ejus longitudine; oculis diametro 2*. circiter in longitudine capitis; ros- 
tro acuto oculo breviore; osse suborbitali valde emarginato dentibus bene 
conspicuis postrorsum spectantibus; maxillis aequalibus , superiore valde 
protractili, sub oculi parte anteriore desinente; dentibus orbitalibus et 
opercularibus numerosis; spina praeoperculari limbum opercularem supe- 
rante; operculo spinis 2 validis superiore longiore; vertice lateribus striis 
9 vel 10 divergentibus; lineis dorsali et ventrali convexis, dorsali ventrali 
multo convexiore; squamis lateribus 48 p. m. in serie longitudinali ; pin- 
na dorsali usque ad basin incisa, spinis mediis ceteris longioribus, ultima 
prima breviore, parte radiosa obtusa rotundata parte spinosa vix vel non 
altiore; pinnis pectoralibus ventralibus paulo brevioribus 5 et paulo in lon- 
gitudine corporis; anali spina 3» maxima parte radiosa angulata altiore; 
caudali profunde indam, lobis acutiusculis rotundatis 5JL ad 6 in longi- 
tudine corporis; corpore rubro vittis 8 ad 1 1 longitudinalibus argenteis; 
pinna dorsali spinosa nigra, vitta longitudinali alba vel rosea (media pinna 
interdum interrupta) ; pinnis ceteris roseis; membrana spinas anales 3 m in- 
ter et 4 m nigricante. 

B. 8. D. 11. 1/12 vel 1/13. P. 2/12. V. 1/7. A. 4/9 vel 4/10 C. 4.19. 4. 
Synon. üolocentrus diadema Lacép. Ppiss. IV p. 372 et 374 Rüpp. Atl. 
R. N. Afr. F. R. M. p. 84 tab. 22 fig. 2. 
JTolocenlre diadhne Lacép. ibid. et III tab. 32 lig. 3. CV. Poiss. 

III p. 159. Less. Zool. Voy. Duperr. II. I. p. 2 20. 
Sciaena vittata Parkins. 

Perca pulchella Benn. Zool. Journ. III p. 377 tab. 9. fig. 3. 
Ei-eï Indig. Bolabola. 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 128'" 

Aanm. He witte banden der zijden bij mijn specimen heb- 
ben bruinachtige streepjes naast zich. De witte band der doorn- 
achtige rugvin is bij den zesden doorn afgebroken en begint 
weder, doch hooger bij den achtsten rugdoorn. 

Myripristis parvidens CV. Poiss. III , p. 129 et VII, 
p. 869? 

Myriprist. corpore oblongo compresso , altitudine 3.J. ad 3 in ejus longi- 
tudine, latitudino 2 circiter in ejus altitudine; dorso elevato convexo; li- 
nea rostro-frontali convexa; capite obtuso 3». circiter in longitudine cor- 
poris, aeque alto circiter ac longo ; oculis diametro 2 circiter in longitu- 
dine capitis; distantia interoculari 2£ circiter in longitudine capitis; vertice 
utroque latere carinis 5 vel 6; maxillis antice caninoïdeis nullis, superiore 
sub oculi dimidio posteriore desinente; osse supramaxillari nullibi denti- 






mi 



cülato; fossa rüstrali trigona; praeoperculo rotundato; operculo rotundato, 
latitudine 3 in ejus altitudine, spina brevi ; osse scapulari non denticulatoj 
squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali , longitudinaliter valde 
striatis ; pinnis dorsalibus vix unitis, spinosa radiosa humiiiore, radiosa 
acuta ; pectoralibus acutis 5, ventralibus acutis 5*., caudali profunde in- 
cisa lobis acutiuscule rotundatis 4*. circiter in longitudine corporis; anali 
acuta; colore corpore violaceo-rubro , lateribus argenteo nitido interniixto; 
pinnis roseis vel rubris, caudali radiis externis violascente; membrana 
operculari axillisque macula nigerrima. 

B. 8. D. 10. 1/14 vel 1/15. P. 2/14. V. 1/7. A. 4/13 vel 4/14. C. 4. 
20. 3. 

Synon. Myripristis a petites denis CV. Poiss. III p. 129. VII p. 369? 

Habit. Amboina , in mari, 

Longitudo 2 speciminum 98'" et 103'" 

Aanm. Ik houd de bovenbeschrevene soort voor dezelfde als 
Myripristis parvidens CV. van Port Praslin. De bepaling der soor- 
ten van Myripristis is niet gemakkelijk, eensdeels door de groote 
overeenkomst der soorten onderling, en ten andere door het on- 
voldoende der meeste beschrijvingen. De afbeelding van Rüssell 
van Sullaneroo kuntee beantwoordt vrij wel aan mijne spe- 
cimina, doch behoort volgens Cuvier tot eene eigene soort, 
welke hij Myripristis kuntee noemt. 

Myripristis niicrophthalmus Blkr. 

Myriprist. corpore oblongo compresso , altitudine 2£ in ejus longitudine, 

latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; dorso elevato convexo j linea roa- 

tvo-frontali convexa; capite obtuso, 4 in longitudine corporis, aeque alto ac 

longo; oculis diametro 2*. circiter in longitudine capitis; distantia inter- 

oculari 4 fere in longitudine capitis; vertice utroque latere carinis p. m. 6 j 

maxillis antice dentibus aliquot conicis obtusis ceteris majoribus (caninoï- 

dcis), superiore sub oculi dimidio posteriore desinente; osse supramaxil- 

lavi postice denticulatoj fossa rostrali trigona; praeoperculo rotundato j 

operculo rotundato, latitudine 3 fere in ejus altitudine, spina brevi; osse 

iari non denticulatoj squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, 

longitudinaliter valde striatis; pinnis dorsalibus vix unitis, spinosa radiosa 

humiiiore, radiosa acutiuscula apice rotundata; pectoralibus ventralibus 

acutis vixlongioribus, 5 et paulo in longitudine corporis; anali acutiuscula 

rotundata; caudali profunde incisa lobis acutïusculis rotundatis 5 fere 

in longitudine corporis; colore corpore roseo, lateribus ventreque argenteo 

itido interniixto; squamis dorsalibus marginibus rubro-violaceis; macula 

' iri nigra ; pinnis roseis. 

i in 20 



262 



B. l.D. 10. 1/15 vel 1/16 P. 2/13. V. 1/7. A. 4/13 vel 4/14. C. 4. 19. 3. 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciininis unici 152"' 

Aanm. Ik breng deze soort slechts aarzelende op als eene 
nieuwe. De oogen zijn aanmerkelijk kleiner dan bij mijne 
overige soorten , t. w. Myripristis hexagonus CV. , Mijripristis 
pralinius CV. , Myripristis violaceus Blkr. en Myripristis par- 
videns CV. In dit opzigt is zij verwant aan Mijripristis axil- 
laris CV. , doch deze zou langwerpiger zijn van ligchaam dan 
Myripristis pralinius CV. terwijl Myripristis microphthahnus 
betrekkelijk het hoogste ligchaam heeft van de 5 soorten mijner 
verzameling. Deze 5 soorten laten zich naar volgend schema 
gemakkelijk van elkander onderscheiden. 

I. Os supramaxillare edentulum. Macula nigra opercularis et 

axillaris. 

Myripristis par videns CV. ? 

II. Os supramaxillare anguio denticulatum. 

A. Squamae 40 p. m. in serie longitudinali. Operculum 

latitudine 3| circiter in ejus altitudine. 

Myripristis pralinius CV. ? 

B. Squamae lateribus 30 p. m. in serie longitudinali. 

Operculum latitudine minus quam 3 in ejus altitu- 
dine. 

a. Corpus altitudine 3 vel plus quam 3 in ejus longitudine. 
f Macula axillaris nigra. 

Myripristis violaceus Blkr. 

ff Macula axillaris nulla. 

Myripristis hexagonus CV. ? 

b. Corpus altitudine minus quam 3 in ejus Iongitudinej 

Macula axillaris nigra. 

Myripristis microphthalmus Blkr. 



268 

MULLOÏDEr. 

Upeneus barberinoïdes Blkr. 

Upen. corpore oblongo compresso , altitudine 4£ ad 4£ in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitu- 
dine corporis ; linea rostro-frontali convexa; oculis diametro 3|. ad 5 in 
longitudine capitis ; osse suborbitali oculo junioribus paulo, aetate pro- 
vectioribus multo altiore ; rostro oculo junioribus minus duplo, aetate provec- 
tioribus plns duplo longiore; dentibus utraque maxilla conicis uniseriatis, 
20 ad 26, intermaxillaribus inframaxillaribus majoribus, palatinis et vomerinis 
nullis; praeoperculo subrectangulo rotundato ; operculo spina acuta; cirris in- 
framaxillaribus operculum attingentibus; linea laterali arborescente; squa- 
mis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa dorsali 
radiosa duplo circiter altiore; pinnis ventralibus pinnis pectoralibus paulo 
longioribus et capite paulo brevioribus; caudali profunde excisa, lobis acu- 
tis 4£ ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superne rubro inferne 
roseo; squamis dorso singulis medio gutta nitente rubro-violacea; fascia 
rostro-dorsali media et fascia rostro-oculo-dorsali lata*fuseo-nigricantibus 
ad initium pinnae dorsalis radiosae desinentibus; operculis lateribusque 
antice macula maxima fusco-nigricante postice eum fascia rostro-oculo-dor- 
sali unita; cauda antice linea laterali et ad finem pinnae dorsalis ra- 
diosae macula nigricante; cirris carmosinis; pinna dorsali spinosa antice 
flavescente-rubra postice violascente-rubra; dorsali radiosa basi violaceo- 
nigricante , dimidio superiore fasciis longitudinalibus flavis et coeruleis altcr- 
nantibus ; pectoralibus roseis basi fuscis ; ventralibus rubris apice violascen- 
tibus; anali fasciis pluribus longitudinalibus rubris et flavis alternantibus ; 
caudali aureo-flava, Cadultis) margine inferiore violascente. 

B. 3. D. 8-1/3 vel 1/9. P. 2/13. V. 1/5. A. 2/6 vel 2/7. C. 15 et 
lat. brev. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis , in mari. 

Longitudo 8 speciminum 67"' ad 155."' 

Aanm. Deze soort is verwant aan Upeneus barberirms CV., 
doch verschilt daarvan door kleurteekening , door 2 stralen 
minder in de borstvin , kortere voeldraden enz. De zwarte 
vlek, welke zich bij verwante soorten bij de staartvin bevindt, 
is hier op het voorste gedeelte van den staart, nagenoeg onder 
den laatsten rugvinstraal. 



mu 



SCLEROPAREI. 



Dactylopterns orientalis CV. Poiss. IV. p. 98. Richards. 
Rep. Ichth. Chin. Jap. in Rep. lS e meet. Brit. 
assoc. p. 218. T. SchL Faun. Jap, Poiss. p. 87. 

Dactylopt. corpore elongato prismatico , altitudine 6 ad 6J in ejus lon- 
gitudine, latiore quam alto ; capite quadrangulari , toto scabro, obtuso, 
absquc processubus osseis 5 fere ad 5.J. in longitudine corporis, latiore 
quam alto; fronte intèr oculos concava; rostro obtuso ante os prominen- 
te; oculis diametro 2i- ad 3 et paulo in longitudine capitis (absque pro- 
cessubus); maxilla superiore inferiore longiore, sub pupilla desinente ; 
seuto capitis utroque latere in spinam pinnam dorsalem spinosam attingen- 
tem producto, incisura supra praeoperculum desinente; spinapraeoperculari 
longissima, insertionem pinnarum ventralium superante; squamis scabris 
c&rinatis, lateribus 45 p. m. serie longitudinali; later i bus inferne et pos- 
tice carinis squamarum in laminas borizontales denticulatas productis; ra- 
dio dorsali antico filiformi supra praeoperculum inserto , capite longiore; 
pinna dorsali spinosa proprie sic dicta pinna dorsali radiosa non vel 
vix humiliore; pectoralibus latissimis caudalem attingcntibus Tel supe- 
rantibus; ventralibus acutis capite brevioribus; anali corpore vix humili- 
ore; caudali truncata vel vix emarginata, 5 circiter in longitudine corpo 
ris; colore corpore superne fuscescente-viridi inferne flavescente; dorso la- 
teribusque fusco nebulatis vel maculatis; filo dorsali antico ejusque membrana 
nigris; dorsali spinosa viridesccnte : dorsali radiosa caudalique flavescen- 
tibus radiis füsco variegatis; pectoralibus violaceo-nigricantibus maculis 
nigris et luteis; ventralibus aurantiacis; anali flavescente. 

B. 7. D. 1 — 1—6 — 8. P. 4/26 vel 5/26 ad 5/31 V. 1/4. A. 6. O. 

9 et lat. brev. 
Svnon. Bgudjou terpang et Vliegende zeeaap De Vlam. Ree. 

Ikan Terbang ivarna roepanja Valent. Ind. Amb. III p. fig. 

35. 
Terbang Boudjou Ren. Poiss. Mol. I tab. 10 fig. 66. 
Cyanoptère Commers. fig. cïtat. in CV. Poiss IV p. 99. 
Dactyloptere fles Indes CV. Poiss. IV tab 76. 
Laciyloptere tacheté de la mer des Indes. 
Habit. Amboina, "Wahai, Banda Neira, Macassar, in mari. 
Longitudo 4 speciminum 74'" ad 320.'" 

Aanm. Het grootste mijner 4 specimina ontving ik zeer on- 
langs van Celebes (van Makassar), van welk eiland deze soort 
tot nog toe niet bekend was. 



26o 



Plerois hrachypterus CV. Poiss. IV p. 270. 

Pter. corpore oblongo compvesso , altitudine &| circitcr in ejus lon- 
gitudine, latitudino 2 in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitudine 
co rp o vis ; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis, diametro £ cir- 
citer a se invicem distantibus; vertice postice et antice, temporibus, or- 
bita vostroque spinis vel spinulis armatis; spinulis orbitalibus pluribus , 
rostralibus minimis; cirris vel fimbriis cutaneis supraorbitalibus brevissimis 
vix conspicuis , rostralibus, suborbitalibus et praeopercularibus oculo bre- 
vioribus; crista suborbitali antice oculo contigua, spinulis numerosis ; 
praeoperculo obtusangulo rotundato spinis 3 acutiusculis; operculo spina 
nulla; squamis lateribus 40 p. m. in serie longitudinali ; pinna dorsali spi- 
nosa corpore multo humiliore, spinis mediis ceteris longioribus, membra- 
na inferne tantum unitis; dorsali radiosa et anali rotundatis dorsali spi- 
nosa altioribus; pectoralibus rotundatis integris, rotundatis, initium caudae 
attingentibus; ventralibus analem subattingentibus; caudali rotundata 4 
in longitudine corporis; colore corpore fuscescente-rubro , fusco profundi- 
ore nebulato vel snbfasciato; pinnis dorsali spinosa fuscescente, membra- 
nii nigro marginata ; dorsali radiosa, anali caudalique flavis radiis nigro 
variegatis; pectoralibus superne fuscescente-viridibus fasciis 6 p. m. trans- 
versis latis fuscescente-nigris, inferne nigro, flavo et fusco marmoratisj 
ventralibus flavo , nigro et fusco variegatis. 

B. 7. B. 12/1/9 vel 12/i/10. P. 17. V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 13 
-+- 5 spin. later. brev. 

Synon. Scorpaena Koeniyii BI. Nov. act. act. acad. Suec. X tab. 7 ? 
Ptéroïs a ailes courtes CV. Poiss. IV p. 270. 

Habit. Waliai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 103'". 

Aanm. In de beschrijving dezer soort in de groote Histoire 
naturelle des Poissons is de plaats van haar voorkomen niet 
opgegeven. Ik kan bij mijn specimen geene bandteekening op 
het ligchaam waarnemen, maar het achtergedeelte des ligchaams 
is beschadigd, zoodat de kleuren er niet meer duidelijk uitge- 
drukt zijn. In habitus heeft deze soort veel van eene Scorpaena. 

Ptprois zebra CV. Poiss. IV, p. SÜ69. Règn. anim. 
éd. d. luxe Poiss. 

Pter. corpore oblongo compresso, altitudine 3£ ad 3|. in ejus longitudine, 

atitudinc ].»- circiter in ejus altitudine; capite 3*- ad 3£ in longitudine 

'lis; oculis diametro 3 ad 3£ in longitudine capitis, minus diametr* 



I 



266 

l a se inviccm distantibus; rostro oculo janioribus breviore, aetate pro- 
MHdb. ooulum longitudine aequante , vertice postice et ant.ce, tem- 
poribus, orbita rostroque spinis vel spinulis armatis; spims orb.t» pion- 
L- cirris vel flmbriis cutaneis supraorbitalibus oeulo longioribus «o- 
sis 'nasalibus, rostralibus et praeopercularibus oculo brevioribus; oss.bus 
suoorbitalibus erista spinosa hori.ontali oeulo approximata , praeoperculo 
votundato, spinis 3 acutis; opercüo spina unica plana; squam.s latenbus 
50 p m in serie longitudinali; pinua dorsali spinosa eorpore alt.ore sp>- 
„is rnediis ceteris longioribus , membrana parte inferiore tantum umus ; 
dorsali radiosa et anali ro.undatis, eorpore humilioribus ; pec.oral.bus cau- 
dam, ventralibus analem attingentibus; eaudali rotundata 4 ad H ™ 1«* 
.itudine corporis; eolore eorpore rubro iuferne dilutiore; gems maeuhs 
Leis; opereulis fascia trausversa fusca; eorpore fasciis latis trausvers.s 
faseis p m. 6; pinnis vertiealibus flavescentibus, spinis et rad.» fusco vel 
„i K ro variegatis; peetoralibus antiee flavo, nigrö et fusco variegafs, pos- 
tiet basi nigricatttibus flavo maculatis; vcntralibus uigricantibus flavo gut- 
tatis; eirris orbitalibus flavo et fusco variegatis 

B. 7. D. 12/1/10 vel ia/'/" r. 18. V. 1/5. A. 3/b vel 3/7. C. 14 
et spin. lat. brev. 5 vel 6. 

Synon. Louw Benard Poiss. Mol. I tab. 6 fig. 41. 

Ptéroïs zèbre CV. 1. c. 
Habit. Amboina et Wahai, in mari. 
Longitudo 3 speciminum 86'" ad 158"'. 

Aanm. Tot deze soort heeft blijkbaar betrekking de uiterst 

gebrekkige afbeelding van Renard, boven aangehaald. 

Scorpaena diabolus CV. Poiss. IV, p. 229. Richards. 

Ichth. Voy. Sulph. p. 76, tab. 40. 

Seorpaeu. eorpore oblongo compresso, altitudiue 3* circiter in ejus Ion- 
gitudine, latitudiue eapite 1 et paulo, lateribus H f™ - ejus alt.tud.ne; 
eapite acuto 3 eirciter in longitudine corporis, postiee lat.ore quam ulto 
temporibus opereulisque superne tantum squamato, inter orb.tas verncequ 
valde depresso; linea rostro-frontali rostro valde convexa ftonte va d 
eoueava; oeulis diametro 6 circiter in longitudine eap.t.s, plusd.amet.o 1 
a se invicem distantibus; fossa suborbitali magua; rostro oculo long.» e, 
maxüla superiore inferiore breviore, paulo post oculum ^smente^r.^, 
valde obliquo; spinis utroqne latere fronte et vert.ee p. m. 10, orb, ,s 
5 vel 6 rostro 3, suborbitalibus faseiculatis plus quam 10, praeoper ulo 
3 superiore duplice; opercnlo eristis 2 superiore deutibus 4 vel 5, mfen- 
„re dentibns 2; flmbriis cutaueis utroque latere snpraorb.ta . oculo no , 
Jongiore, nasa.i 1 lata ramosa, rostrali 1 breri, suborb.tal. lata ocul. 



c i67 



vix breviore, inframaxillaribus pluribus, praeopcrcnlaribus 3, operculari 

1 , lateribus et linea laterali pluribus j dorso elevato , gibboso ; squamis 
lnteribus 40 p. m. in serie longitudinali ; pinna dorsali spinosa radiosa 
rotundata humiliore, spinis anticis curvatis, mediis ceteris longioribus et 
corpore plus duplo huniilioribus , 1 a et ll a ceteris brevioribus; pectoralibus 
4 fere, ventralibus 5 fere, caudali convexa 5 in longitudine corporis • 
anali rotundata spina 2* radio 1© vix breviore; colore corpore rubro fusco 
parce nebulato et margaritaceo-coeruleo marmorato ; pinnis ventralibus 
fuscis margine libero rubris; pinnis ceteris rubris margaritaceo-coeruleo 
et fusco variegatis et marmoratis ; pectoralibus postice nigro maculatis ; 
caudali basi et apicem versus fascia transversa difrusa fusca. 

13. 7. D. 12/9 vel 12/10. P. 1 sirnpl. + 4 vel 5 fiss. -f- 12 vel 11 simpl. 

V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 12 vel 14 et lat. brev. 
Synon. Ucan Sowanggi bezar Valent. Ind. Amb. III p. 399 fig. 170. 

Ikan Satan Renard Poiss. Mol. II tab. 8 fig. 35. 

Crapaud de mer du Croisic ou Diable Duham. Pêches II se et. 
5 p. 92 tab. 3 fig. 1. 

Scorpaena marmorata Parkin s. 

Scorpaena multicolor K. v. II. fig. inedit. 

Scorpene diable de mer CV. Poiss. IV, p. 229. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 
Longitudo specimiuis unici 143'". 

Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Scorpaena 
gibbosa BI. Schn. Syst. posth. (Scorpaena hi f o CV.?) doch ver- 
schilt er van, door ranker ligchaam , spilseren kop, meer bog- 
chelachtiger* rug, gemis der dwarsche bruine borstvinbanden enz. 

Apislus macracanthus Blkr. 

Apist. corpore subelongato compresso , altitudine 4£ circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine ; capite obtuso 5 in 
longitudine corporis, aeque alto circiter ac jongo; linea rostro-frontali 
valde concava; oculis diametro 4 in longitudine capitis , minus diametro 
1 approximatis ; rostro vix ante frontem prominente; spinis suborbitalibus 

2, superiore inferiore mnjore sub pupilla desinente; rictu parvo; maxillis 
aequalibus , superiore sub oculo desinente, inferiore cirris nullis; dentibus 
maxillaribus, vomerinis et palatinis minimis; praeoperculo spinis 5 obtu- 

isiusculis, brevibus, superiore tarnen ceteris majore; linea laterali ad basin 

pinnae caudalis desinente; squamis corpore minimis, sparsis, non conti- 

guis; pinna dorsali integra fronte ante oculum incipiente, spina 1» oculo 

vix majore, spina 2 a longissima corpore altiore, spinis 11 posticis subae- 

ngis corpore duplo circiter humilioribus, membrana spinas auticas 



268 



inter margin e libero convexa; pinna dorsali radiosa postice angulata, corpore 
paulo humiliore, cum basi pinnac caudalis unita; pectoralibus radio libero 
nullo, rotundatis 3§ fere, ventralibus acutis 5|. circiter , caudali rotundata 
4 in longitudine corporis; anali spina 3» ceteris longiore, corpore duplo 
humiliore, parte radiosa acutangula; colore corpore pinnisque fusco; ca- 
pite anticc nigricante, inferne pan et is flavis; dorsali antice et postice ni- 
gro , medio flavo marginata; anali antice flavo postice nigro marginata; 
caudali postice nigra, lateribus postice flavo margin atis. 

B. 7. D. 15/9. P. 11. V. l/a. A. 3/8. C. 13 et lat. brev. 

Habit. Wahai , Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 86'". 

Aanm. Deze soort is verwant aan Apistus taenianotus CV. , 
doch aanmerkelijk ranker van ligchnam, heeft een meer uit- 
puilend voorhoofd, kortere praeoperkeldoornen, nog verder 
voorwaarts beginnende rugvin, andere getallen der vinstralen, 
grootere borstvinnen enz. Mijn specimen verschilt van de af- 
beelding, voorkomende met den naam van Apislcs taenianotus 
inde zoölogie der reis van het schip Samarang (Fish. tab. h. fig. 1) 
door hoogeren 2 11 rugdoorn, meer uitpuilend voorhoofd, an- 
dere kleurteekening enz. 



Apistus dermacanthus Blkr. 



Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 3£ in ejus longitudine, 
latitudine 2 circiter in ejus altitudine,- capite obtusiusculo , 3* circitcr in 
longitudine corporis, longiore quam alto ; linea rostro-frontali declivi rec- 
tiuscula; orbitis glabris ; oculis diametro 5 circiter in longitudine capitis, 
diametro 1 circiter a se inricem distanlibus; rostro oculo longiore; spinis 
suborbitalibus 2 obtusis superiore majore sub oculi parte anteriore desi- 
nente; rictu parvo; maxillis subaequalibus , superiore ante oculum desi- 
nente, inferiore cirris nullis; dentibus maxillaribus, vomerinis et palatinia 
minimis; praeoperculo spinis 5 obtusis superiore ceteris majore, oculo 
breviore; linea laterali ad basin pinnae caudalis desinente; cute toto cor- 
pore pinnisque dorsali et pectoralibus maxima parte spinulis parvis coni- 
cis scabriuscula; pinna dorsali integra, supra medium oculum incipiente, 
postice basi caudalis conti gua, spinis l a et 2* ceteris longioribus, subae- 
qualibus, altitudine corporis duplo circiter brevioribus ; dorsali radiosa ro- 
tundata corpore duplo humiliore; pectoralibus rotundatis, radio libero nul- 
lo 4*. ventralibus acutis 8 fere, caudali rotundata 5 in longitudine cor- 
poris; anali rotundata, corpore plus duplo humiliore, spinis parvis; eclore 



2tiü 



corporc gviseo-^oseo punctis et guttulis sparsis iuscis; pinnis, caudali ex- 
cepta, griseo-roseis , dorsali superne, anali inferno fuscescentibus ; caudali 
iusccs"cente nebulata. 

B. G. D. 12/9. P. 11 vel 12. V. 1/3. A. 3/7 vel 2/8. C. 13 et lat 
brev. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 55'". 

Aanm. Deze merkwaardige soort is zeer kenbaar aan hare 
grijs roode kleur, met tallooze kleine doorntjes bedekte huid, 
onverdeelde rugvin , stompe onderoogkuils- en praeoperkel- 
doornen enz. 

Apistus fusco-virens QG. CV. Poiss. IV. p. §01? 

Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 3|. ad 4 in ejus longitu- 
dine; latitudine \\- ad 14 in ejus altitudine; capite obtust» 3|. ad 3*. in 
longitudine corporis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oculis dia- 
metro 3A. ad 3£ in longitudine capitis ; orbitis superne cirro nnico simplice 
oculo breviore; spinis orbitis et rostro nullis, suborbitalibus 2, superiore 
inferiore plus duplo longiore oculi marginem posteriorem attingente ; spi- 
| nis praeopercularibus 5, superiore elongata, acuta, aperturam brancliialem 
subattingente, ceteris parvis obtusis; maxillis aequalibus, superiore sub 
oculi dimidio anteriore desinente; rictu parum obliquo ; cirris maxillaribus 
nullis; squamis vertice nullis, lateribus parvis sed bene conspicuis; linea 
laterali vix curvata, ad basin pinnae caudalis desinente; pinna dorsali 
unica, membrana inter singulas spinas valde emarginata, supra oculum 
incipiente , cum pinna caudali non unita , spinis 2 a et 3 a verticé insertis 
spinis ceteris et parte radiosa altioribus, corpore vix humilioribus; pinnis 
pcctoralibus rotundatis et ventralibus acutiusculis rotundatis longitudino 
caput aequantibus, pectoralibus radio libero nullo, ventralibus analem 
attiugentibus; anali spina postica spinis ceteris longiore; caudali convexa 
4£ circiter in longitudine corporis ; colore corpore fuscescente maculis 
confertis fuscis rotundis et subrotundis; pinnis fusco vel rubro et nigro 
marmoratis et variegatis; dorsali vittis obliquis rufis et spinani 5 M inter 
et 9 m vulgo macula magna nigra. 

B. 7. D. 14/7 vel 14/8. P. 1/9. V. 1/4. A. 3/4 vel 3/5. C. 12 et lat. 
brev. 

Synon. Apisle brun-verdatre CV. Poiss. IV p. 301 ? 

Habit. Amboina, Wahai, in mari. 

Longitudo 26 speciminum 65"' ad 102'". 

Aanm. in habitus heelt deze soort zeer groote overeenkomst 
III. 21 



127- 



met Apistus multicolor Richards. (Zool. of the 5a*narang, Fish. 
p. 3. tab. 4 fig. 3, 4), zoowel wat kop en ligchaam als 
vinnen betreft, doch deze heeft eene andere kleurteekening, 
lieeft den laagsten borstvinsiraaK onverdeeld , en als vinstralen 
B. 6. D. 15/6. A. 3/1. P. 11. V. 1/V C 10 3 / 3 (op de af- 
beelding zijn evenwel die cijfers uitgedrukt -s D. 14/7. V. 1/5. 
A. oio). Evenzoo heeft de boven beschrevene soort groote over- 
eenkomst met Apistus hypselopterus Blkr. en Apistus mclas BI kr., 
doch onderscheidt zich daarvan door hare kleuren enz. Ik ver- 
moed, dat de boven beschrevene specimina te brengen zijn tot 
Apistus fusco-virens QG. CV. Poiss. IV p. 301, hoezeer [de 
vinstralen daarvan opgegeven zijn sa D. 15/7. V. 1/5. Het 
overige der beschrijving in de groote Histoire naturelle des 
Poissons beantwoordt vrij wel aan mijne exemplaren. Ook 
Apistus cottoïdes CV. Poiss. IV p. 302 moet er groote over- 
eenkomst mede hebben. 

SCOMBEROÏDEI. 

Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr. 

Carang. corpore oblongo compresso , aïtitudine 2|. ad 2i in ejus lon- 
gitudiiie, latitudine 3*. ad 3*. in ejus altitudiue; capite 4 civciter in lon- 
gftudine corporis, paulo altiore quam longo, vertice elevato obliquo ; 
linea rostro-frontali valde declivi rectiuscula; oeulis in medio capite sitis, 
diametro 3 ad 31. in longitudine capitis, plus diametro £ a linea frontall 
remotis; osse suborbitali angulo oris oeuli diametro duplo circiter hu- 
miliore; rostro oculo non vel vix longïore; ïnaxillis dcntibus bene con- 
spicuis; maxilla superiore inferiore breviore, valde protractili , sub oculi 
iimbo anteriore desinente; dorso elevato ventre multo convexiore; genis, 
operculis superne et triangulis pcctoralibus lateralibus superne squamosis ; 
triangulis pëctoralibus lateralibus inferne et triangulo inferiore alepidotis; 
linea laterali usque 6ub 2 a tertia parte pinnae dorsalis radiosae curvata 
(curvatura lata aperta) , postice scutis armatis p. m. 35, latissimis 16 p. 
in. in aïtitudine corporis; pïnnis acutisj dorsali spinosa 3£ circiter in aï- 
titudine corporis; dorsali radiosa radio 1° producto corpore paulo humi- 
liorej pectoralibus falcatis capite vix vel non brevioribus; ventralibus 
capite duplo fere brevioribus ; anali antice corpore plus duplo vel duplo 
fere humiliore , spinis parvis subaequalibus; caudali lobis aequalibus 4| 
ad 4£ in longitudine corporis; colore corpore superne coerulescente inferne 
argenteo ; fascia oculo-dorsali fusca; pinnis flavis. 



271 



B. 7. D. 1 procumb. -f- S — 1/27 vel 8 — 1/28. P. ?/l9. V. 1/5. A. 

2—1/23. C. 17 et lat. brev. 
Habit. Ainboina, in raari. 
Longitudo 2 speciminum 86'" et 126'". 

Aanm. Deze soort staat in verwantschap nabij Carangoïdes 
chrysophrys (Caranx chrysophrjjs GV.^en Carango'ides talampara 
BIkr. ( Caranx malah ar kus CV.), maar onderscheidt zich daar- 
van, alsmede van andere verwante soorten, door hoogere 2de rug- 
vin, talrijker rug- en aarsvinstralen, bruinen oog-rugband enz. 

TEXJTH1DES. 



Acanthurus melanurus CV. Poiss. X p. 177. 

Acantb. corpove orbiculari, altitudine 2 in ejus longitudine, latitudino 
4 in ejus altitudine; capite obtuso , 31. circiter in longitudine corppris.., 
vix altiore quam longo; orbitis et eristis rostro-frontalibus denticulis. 
minimis obsitis; oeulis diametro 3 fere in longitudine capitiS; linea ros- 
tro-frontali valde convexa; rostro obtuso convexo, oculo vix breviorq; 
dentibus maxillis denticulatis; limbo praeoperculari obtusangulo; squamis 
covpore linearibus transversim dispositis; posticis spinulis minimis scabrius- 
culis; cauda spina valida; ventre dorso vix bumiliore ; pinna dorsali spinosa 
dorsali radiosa altiore, spina 2" ceteris longiore corporis altitudine plus triplo 
breviore; dorsali radiosa corpore plus quadruplo humiliorej pectoralibua 
acutiusculis 4 fere, vcntralibus aeutis plus 'quam 8, caudali truncata 5 
circiter in longitudine corporis; anali spina 2 a ceteris longiore, parte ra- 
diosa corpore plus quadruplo humiliore ; colore corpore viridi-fuscescente, 
ventre argenteo , pinnis dorsali et anali nigris , caudali viridi-nigricante, 
ceteris viridibus. 

B. 5? D. 1 procumb. + 8/25. P. 2/15. V. 1/4. A. 3/25. O. 17 et lat. 
brev. 

Syn'on. Acanthure a queue noire CV. Poiss. X p. 177. 
Karoupou-mine Tam ui. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 3 6'". 

Aanm. Deze soort is na verwant aan Acanthurus orbicularis 
Q(i. wat de eigenaardige schubvorming betreft en de algemeene 
vormen des ligchaams, doch verschilt er van door meerdere 
kenmerken, minder vinstralen, bruinachtig ongevlekt ligchaam, 



272 



zwarte vertikale vinnen enz. Acanthuriis argenleus QO. is eene 
nog meer verwante soort doch is langwerpiger, heeft eene 
gevorkte staartvin, D. 9/27. A. 3/26. P. 15. Acanthuriis melas 
CV. schijnt zich van Acanthurus melanurus CV. slechts te on- 
derscheiden door een weinig ranker ligchaam. 

Keris amboinensis Blkr. 

Ker. corporc ovali , altitudine 2 ad 2^ in ejus longitudine , latitudine 
4 fere in ejns altitudine; capite obtuso 4 in longitudine corporis, altiore 
quam longo ; linea rostro-frontali convexa; oculis diametro 2J. ad 2* in 
longitudine capitis ; rictu parvo , longe ante oculum desinentc; dentibus 
maxillis conicis, acutis, confertis, parvis ; operculo et praeoperculo obtusan- 
gulis; dorso et vcntre subcarinatis; ventre valde prominente dorso convexi- 
ore; cute toto corpore granulis subspinulatis et spinulatis scabra ; squamis 
lateribus 100 circiter in serie longitndinali ; pinna dorsali non emarginata, 
acuta, spina anteriore spinis ceteris et radiis longiore, corpore triplo cir- 
citer humiliore; pectoralibus acutiusculis oculo duplo fere longioribus; 
ventralibus ante pectorales insertis, oculo paulo longioribus, acutis, spina 
serrulata; anali acuta dorsali humiliore, spina 1" serrulata; caudali sub- 
truncata 6 circiter in longitudine corporis ; colore corpore fusco, vcntre 
dilutiore; pinna dorsali spinosa fusco maculata, dorsali radiosa et anali 
fuscis vitta longitndinali media grisea ; pectoralibus ventralibusque viridi- 
bus; caudali flava basi fusca. 

B. 3 vel 4. D. 6/29. P. 2/13. V. 1/3. A. 2/30. C. 16 et lat. brev. 

lïabit. Amboina, Wahai, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 44'" ad 52'". 

Aanm. Tot nog toe is slechts eene enkele soort van Keris 
m de wetenschap bekend geworden en wel Keris anginosus 
CV. (Poiss. X. p. 225 tab. 295), waarvan de woonplaats niet 
opgegeven is. Volgens de beschrijving heeft Keris anginosus 
ais formule der vinstralen, D. 7/26. P. 13. V. 1/5 A. 3/28. 
C. 17., welke alzoo vrij aanmerkelijk van de bovenstaande for- 
mule afwijkt. Voorts zou bij Keris anginosus de kop even 
hoog als lang wezen, volgens de afbeelding de rugvin uitgerand 
zijn en de buik minder naar voren uitpuilen dan die mijner, 
soort, welke overigens in habitus er zeer veel op gelijkt. 
Voorts nog zou bij Keris anginosus CV. de diameter van het I 
oog slechts tweemaal gaan in de lengte van den kop. Alle] 



273 



deze verschillen in aanmerking nemende, meen ik de boven-» 

beschrevene soort als eene afzonderlijke te moeten beschouwen. 

BLENNIOÏDEI. 

Petroskirtes rhinorhij?icJws Blkr. 

Petrosk. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus lon- 
gitudine; capite convexo, acutiusculo, 5-| ad 5|. in longitudine corporis , 
multo longiore quam alto et altiore quam'lato; linea rostro-frontali con- 
vexa; rostro conico ante os prominente ; crista occipitali et cirris supra- 
orbitalibus nullis; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, dia- 
metro 1 circiter a se invicem distantibus; rictu sub oculo desinente; 
maxillis autice tantum dentatis , dentibus confertissimis p. m. 30 ; maxilla 
superiore caninis nullis, maxilla inferiore caninis 2 magnis curvatis; apertura 
branchiali rimaeformi ; cutelaevi; pinnis radiis omnibus simplicibus; dorsali. 
integra, occipite incipieute et prope pinnam caudalem desinente , corpore 
multo liumiliore, radio producto nullo; pectoralibus obtusiusculis 10 cir- 
citer in longitudine corporis; ventralibus pectoralibus brevioribus; anali 
altitudine dorsali aequali, margine inferiore convexo; caudali emarginata, 
angulis acuta, 6 et paulo in longitudine corporis; colore corpore violas- 
cente-fusco vittis 2 longitudinalibus dilute coeruleis cephalo-caudalibus; 
pinnis dorsali et anali aurantiacis fusco marginatis, ceteris flavis , caudali 
media basi violacea. 

B.? D. 44. P. 13. V. 2. A. 32.' C. 11 et lat. brev. 

Habit. Wabai , Ceram septentrionalis , in mari. 

Lougitudo 2 speciminum 54'" et 58'". 

Aanm. Van alle mij bekende soorten van Petroskirtes heeft 
de boven beschrevene de talrijkste rugvinstralen. Hierdoor, 
alsmede door haar slank ligchaam, lage rugvin , vooruitpuilen- 
den snuit, uitgerande staarfcvin, eigenaardige kleurteekening enz. 
is zij gemakkelijk te onderkennen. 

Petroskirtes anema Blkr. 

Petrosk. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus lon- 
gitudine ; capite obtuso convexo, 5£ circiter in longitudine corporis-, lon- 
giore quam alto et altiore quam lato; linea rostro-frontali convexa; rostro 
; obtuso; crista occipitali et cirris supraorbitalibus nullis; oculis diametro 
3 circiter in longitudine capitis, minus diametro 1 a se invicem distan- 
tibus; rictu sub oculi margine anteriore desinente; maxillis antice tantum 
dentatis, dentibus confertis p. m. 20; maxilla superiore utroque latere 



Tik 



dente canino parvo , maxilla inferiore utroque latere dente canino elon- 
gato curvato; apertura branchiali rimaeformi; cute laevi; pinnis radiis 
omnibus simplicibus, dorsali integra vertice incipiente, corpore vix hu- 
miliove, radio producto nullo, prope basin pirmae caudalis desinente; 
pectoralibus obtusis 9|. circiter , ventraübus 7 circiter in longitudine 
corporis ; anali convexa eorpore minus duplo bumiliore ; caudali acute 
rotundata 5 circiter in longitudine corporis; corpore aureo-flavo , fasciis 
3 longitudinalibus nigris, superiore dorso-caudali, media oculo-caudali pinna 
caudali cum fascia dorso-caudali unita, inferiore tboracieo-caudali; capite 
punctuli.s coeruleis obsito; pinnis flavis , dorsali basi fascia nigra et ra- 
dium 3 m intcr et 10 m nigricante, marginem snperiorem versus violascente 
et striis obliquis coeruleis; anali basi fascia violascente, marginem inferi- 
orem versus fascia longitudmali nigra. 

JB. 7. D. 30. P. 14. V. 2 vel 3. A. 19. C. 11 et lat. brev. 

Habit. Amboina, in mar). 

Longitudo speciminis unici 62'". 

Aanm. Deze soort is herkenbaar . niet alleen aan hare sterk 
uitgedrukte kleuren maar ook aan hare. nergens verlengde rug- 
vin, rank Iigchaam , kleinen kop, ronde staartvin en afwezig- 
heid van draden of cirri aan den kop, aan weik laatste ka- 
rakter ik haren naam heb ontleend. 

GOBIOIDEI. 

Gobius caninoïdes Blkr. 

Gobius corpore elongato compresso . altitudine 5£ ad G in ejus longitu- 
dine, latitudine i^- ad 1|- in ejus altitudine; capite obtuso convexo, 4A cir- 
citer in longitudine corporis; altitudine capitis IA, latitudine 2 ad 1| i?l 
ejus longitudine; oculis diametro 3 ad 3A in longitudine capitis, valde ap- 
proximatis , maxima parte in anteriore dimidio capitis sitis ; vertice squa- 
moso; rostro obtuso convexo, oculo breviore ; rictu obliquo sub oculi 
margine anteriore desinente; maxillis aequaiibus, dentibus pluriseriatis 
parvis, serie externa majoribus, maxilla inferiore caninis 2 parvis curva- 
tis; sulco oculo-operculari valde conspicuo ; squamis magnis, lateribus 3» 
p. m. in serie longitudinali ; appendice anali conica obtusa; pinnis verti- 
calibus altitudine snbaequalibus , corpore hnmilioribus, radio producto 
nullo; dorsali 1* rotundata, spinis mediis cetcris longioribus; dorsali 2 a an- 
gulata; pectoralibus, ventralibus et caudali rotundatis 5i ad 6 in longitu- 
dine corporis; colore corpore viridi; squamis dorso lateribusque plurimis 
guttula nigricante; dorso lateribusque insuper maculis nigricantibus majo- 
ribus, lateribus in seriem longitudinalem dispositis; pinnis flavescentibus, 



anali tantum violascente; phmis dorsalïbus et caudali guttulis nigricanti- 
bus, dorsali 1' in series 2 I6ngitudinales, dorsali 2» in series 3 longitndi- 
nales, caudali in series 4 vel 5 transversas dispositis- caudali margine 
posteriore violascente. 

B. 4. I). 6- 1/10 vel 1/11. P. 1/17. V. 1/5. A. 1/10 vel 1/11. C. 
26 (lat. brev. inclus.). 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 55"' ad 80.'" 

Aanm. Deze soort is verwant aan Gobius caninus CV., Gob. 
ehlorostigma Blkr. enz. behoorende zij tot de groep van dit 
geslacht met 2 hondstanden in de onderkaak, stompen kop 
en staartvin en groote schubben. De hondstanden zijn er ech- 
ter klein , zoodat zij der waarneming ligtelijk ontglippen. 

Gobius interstinctus Pucliards. Voy. Ereb. Terr. Fish. 
p. 3 tab. '6 %. 8-6. 

Gob. corpore elongato, antice cylindraceo, postice compresso, altitudine 
6 circiter in ejus longitudine; capite obtuso convexo, 4* cireiter in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis lf, latitudine U circiter in ejus lon- 
gitudine; oculis diametro 3£ circiter in longitudine capitis, valde approxi- 
batis, maxima parte in anteriore dimidio capitis sitis; vcrtice squamoso; 
rostro obtuso, convexo, laevi, oculo non longiorej rictu vix obliquo vix 
ante oculum desinentej raaxillis subaequalibus dentibus pluriseriatis parvis 
aeqaalibus, caninis nullis; sulco oculo-operculari conspicuo ; squamis mag- 
nis, 26 p. m. in serie longitudinale appendice anali conica obtusa; pinnis 
verticalibus altitudine subaequalibus, corpore paulo humilioribus, radio 
producto nullo; dorsali V obtusa spinis 3 anticis spinis ceteris longiori- 
bus; dorsali radiosa analique angulatis; pectoralibus et caudali rotundatls 
4$, ventralibus 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore viridi. 
maculis fuscis numerosis in series longitudinales vel irregulariter disposi- 
tis; cupitc corporeque insuper punctis numerosis fiavis vel viridibus; pin- 

is navescente-viridibus et, ventrali excepta, maculis numerosis pluriseria- 
tis nigris. 

B. 4. D. 6-1/10 vel 6—1/11. P. 18 (4 superior, fflos.). V. ]/ 5 . A. 
l/S vel 1/9. C. 13 et lat. brev. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis , in mari. 

Longitudo speciminis unici 65,'" 

Aanm. Deze Gobius was tot nog toe slechts van de noord- 
westkust van Nieuw- Holland bekend. De afbeelding boven 



276 



aangehaald , is zeer naauwkeurig. Slechts is er de buikvin een 
weinig te lang afgebeeld. Mijn specimen heeft dezelfde lengte, 
als het door den heer Richakdson afgebeelde. 

Periophthalmus argentilineatus CV. Poiss. XII p. 144. 

Periophth. corpore elongato , antice subtetragono postice compresso , al- 
titudine 7 circiter in ejus longitudine ; capite obtuso convexo, 5 in longi- 
tudine corporis; altitudine et latitudine capitis 1-f. circiter in ejus longitu- 
dine 5 fronte angulata; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, 
palpebris magnis; dentibus maxillaribus conicis mediocribus, maxilla infe- 
riore serie externa ceteris majoribus, caninis nullis; rictu subhorizontali 
sub anteriorc oculi parte desinente;labio superiore lato mobili; squamis parvis 
lateribus 70 p. m. in serie longitudinali; pinna dovsali l 1 dorsali 2 a multo 
altiore, corpore vixaltiore, longiore quam alta, spinis 2 anticis spinis ceteris 
longioribus; dorsali 2" corpore burniliore ; pectoralibus longitudine caput ae- 
quantibus; ventralibus basi tantum unitis; caudali obtusa 5i ad 5i in longitu- 
dine corporis; appendice anali oblonga obtusa; colore corpore superne 
coeruleo inferne flavescente; lateribus inferne vittis transversis marga- 
ritaceis vel coeruleis ; capite punctis numerosis coeruleis; pinna dorsali 
1* fusca margine superiore et medio fascia longitudinali flava vel ru- 
bra, spinam l m inter et 3 ,n macula nigra; dorsali 2a basi fusca, medio vit- 
ta longitudinali nigra, superne et inferne flavo vel rubro marginata, mar- 
gine superiore fusco-rubra; pectoralibus rubro-fuscis; ventralibus et anali 
aurantiacis ; caudali radiis rufis fusco variegatis , membrana postice viola- 
cea. 

E. 5. D. 15 — 1/11 vel 16 — 1/12 P. 12. V. 1/5. A. 1/10. C. 10 c% 
lat. brev. 

Synon. Périophthalme rayê dargent CV. Poiss. XII p. 144. 

Habit. Wabai, Ceram septentrionalis , in mari. 

Longitudo 2 speciminum 58'" et 66.'" 

Aanm. Ik houd de bovenbeschrevene soort voor dezelfde ah 
Periophthalmus argentilineatus CV. , voornamelijk op grond der] 
overeenstemming in de kleur verdeeling, waartoe zich de be- 
schrijving in de groote Histoire naturelle des Poissons ooi 
nagenoeg bepaalt. 

Eleolris muralis QG. CV. Poiss. XII p. 190, lab. 357' 

Eleotr. corpore elongato, antice cylindraceo postice compresso, altituj 
dine circiter in ejus longitudine; capite gobioïdeo, convexo, subobti 
so, 4| circiter in longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa ; lat 



277 



tudine et altitudine capitis 2 circiter in ejus longitudine ; oculls diametro 
4 circiter in longitudine capitis, in 2 2 quarta ejus partesitis, diametro | 
vix a se invicem distantibus ; orbitis glabris; dentibus maxilla superiore 
curvatis caninoïdeis 6 anticis, maxilla inferiore cnrvatis caninis 2 latcra- 
libusj rietu obliquo, sub oculi margine anteriore desinente ; squamis par- 
vis, lateribus 80 p. m. in serie longitudinali ; appendice anali brevi conica; 
pimia dorsali l a acuta corpore altiore, dorsali 2* et anali postice acutis 
dorsali 1* liumilioribus ; pectoralibus capite brevioribus sed ventralibus 
longioribus ; caudali convexa 4 circiter in longitudine corporis; colore 
corpore rufescente-viridi inferne dilutiore ; capite corporeque vittis longi- 
tudinalibus rubris; vittis corpore maculis oblongis transversis profundiori- 
bus aliquot unitis; pinnis dorsalibus analique flavis longitudinaliter rubro 
vittatis , dorsali l a apice macula nigra; pinnis ceteris anrantiacis; candali 
jnacülis oblongis rubris et fuscis. 

B. 5. D. 6 — 1/12 vel 6—1/13. P. 19. V. 1/5. A. 1/12 vel 1/13. C. 
13 vel 15 et lat. brev. 

Synon. Eleotris muraille QG. CV. 1. e. 

Habit. Wabai, Ceram septentrionalis , in mari. 

Longitudo speciminis unici 72'". 

Aanm. De kleuren van mijn specimen zijn gedeeltelijk ver- 
tlaauwd en veranderd, maar zij hebben dezelfde rangschikking 
als die, afgebeeld van Eleotris muralis QG. , met welke soort 
mijn specimen vrij stellig identisch is. Vroeger (Nat. Tijdschr. 
N. Ind. I p. 254) heb ik als mijn vermoeden opgegeven , dat 
Eleotris sexguttata CV. slechts eene variëteit van Eleotris 
muralis QG. zou zijn. Dit vermoeden wordt allezins ver- 
sterkt, nu ik beide soorten met elkander heb kunnen verge- 
lijken , daar zij, wat de meer wezenlijke kenteekenen betreft, 
volkomen met elkander overeenkomen. Van Eleotris sexguttata 
CV. echter slechts 2 en van Eleotris muralis QG. slechts een 
enkel specimen bezittende, specimina , welke zich bovendien 
niet in den besten toestand van bewaring bevinden, zou mijne 
beslissing hieromtrent slechts van betrekkelijke waarde kunnen 
zijn en zal het beter wezen, de genoemde soorten nog geschei- 
den te laten , totdat nadere waarnemingen hierover uitspraak 
zullen hebben gedaan. 

III. 22 



; 



ó 278 



CALLIONIJMOÏDEI. 

Callionymus filamentosus CV. Poiss. XII p. 227 tab. 359. 

Callion. corpore elongato depresso, altitudine 11 ad 12, latitudine maxi- 
ma 5 circiter in ejus longitudine absque filis caudalibus, capite acuto 
depresso , 4 ad 4j in longitudine corporis absque filis caudalibus , paulo 
longiore quam lato ; oculis fere contiguis, diametro 4 circiter in longitu- 
dine capitis; orbitis glabris ; rostro acuto, oculo non vel vix longiore; 
operculo non producto; processu praeoperculari oculo paulo longiore, ba- 
si externa dente unico , postice dentibus 5 ad 8 armato; foramine bran- 
cbiali supra ad nucham ; appendice anali connica acuta; lineis lateralibus 
bene conspicuis , nucha linea transversa unitis et inde opercula versus 
descendentibus; pinna dorsali spinosa, masculis radio anteriore filiformi li- 
bero capite longiore, dorsali spinosa propria corpore paulo altiore, fcmi- 
nis radio libero filiformi nullo ; dorsali radiosa corpore paulo altiore, emar- 
ginata, angulata; pinnis pectoralibus rotundatis ventralibus paulo breviori- 
bus; ventralibus latis, postice angulatis, capite paulo brevioribus ; anali pos- 
tice angulata, corpore non vel vix altiore; caudali rotundata 4 ad 4 f. in 
longitudine corporis, radiis 2 mediis in fila productis; colore corpore si 
perne olivaceo-viridi guttulis et punctis numerosis pulcbre coeruleis, iu- 
ferne antice albicante postice roseo; lateribus masculis fusco et nigro punc- 
tulatis; pinna dorsali spinosa antice fuscescente marmorata et nigro macu- 
lata, postice nigra oblique flavo vittata; dorsali radiosa margaritacea fusco 
coeruleoque nitido punctata et striata; pectoralibus et ventralibus virides- 
centibus nigro punctulatis; anali basi hyalina marginem inferiorem versus 
violascente, margine alba; caudali viridescente , dimidio superiore fusco 
ocellata et flavo rivulata. 

B. 6. D. 4—10 (uit. 2 tantum fiss.) P. 1/18 ad 1/20. V. 1/5. A. 10 
(penultim. fiss.). C. 14. 

Synon. Callionyme a Jilamms CV. Poiss. XII p. 227. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 109'" et 145.'" 

Aanm. Van deze fraaije soort, die reeds van Celebes bekendi 
is, bezit ik een mannetje en een wijfje. In de groote Histoirel 
naturelle des Poissons is slechts het mannetje beschreven 
afgebeeld. De afbeelding laat, vooral wat de kleuren betreft 
veel te wenschen over. De kleuren van het wijfje zijn min- 
der fraai en helder dan die van het mannetje. Voorts heel 
het wijfje den eersten rugvinstraal en de middelste staartvin- 



279 

stralen niet draadvormig verlengd en het anaalaanhangsel kor- 
ter dan het mannetje. 

PEDICULATI. 

Halieutaea siellata CV. Poiss. XII p. 340 tab. 866. 
T.Schl. Faun. Jap. Poiss. p. 160 tab. 72. 

Halieut. corpore maxime depresso; capite orbiculari, latiore quam longo, 
circulariter rotundato; oculis diametro 6 ad 7£ in longitudine capitis us- 
que ad aperturam branehialem, diametro 1 a margine capitis anteriore 
remotis, diametro 1| circiter a se invicem distantibus j rostro a capite 
non distincto, medio fossa profunda pedunculo valde protractili apice tri- 
loboj maxilla superiore valde protractili maxilla inferiore longiorej maxil- 
la inferiore spinis cinctaj rictu latitudine 3 fere in latitudine capitis; denti- 
bus maxillis pluriseriatis parvis aeqnalibus; corporis parte postbrancbiali 
triangulari, minus duplo longiore quam basi lata; capite corporeque super- 
ne marginibusque spinis simplicibus, bifidis et trifidis scaberrimo, inferne 
glabro; pinna dorsali obtusa, humilij pectoralibus oblique rotundatis 2| 
ad 3 et paulo in latitudine disci capitis; ventralibus oblique truncatis 
longe ante pectorales insertis pectoralibus brevioribus; anali trigona; cau- 
dali integra convexa; colore corpore pinnisque rubro vel fuscescente. 

B. 6. D. 4 simpl. P. 13 simpl. V. 6 simpl. A. 4 simpl. C. 1 simpl. -f- 
5 divis. + 3 simpl. 
Synon. Lophius stellatus Wahl. Act. soc. hist. nat. Hafn. IV, lp. 214 
tab. 3 fig. 3, 4. BI. Schn. Syst posth. p. 142. 
Lophie Favjas Lacép. Poiss. I p. 318. 

Lophius muricatus Shaw , Gen. Zool. V, II p. 382, tab. 162. 
Diable de mer rouge du Japon Tiles. Voy. Krusenst. tab. 61. fig. 

3, 4. 
Halieulée étoilée CV. Poiss. XII p. 340, tab. 366. 
Akaankoo Japonens. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. — Japonia prope insu- 
las Kaminoseki, Murotso et Mitarai , in mari. 
Longitudo 3 speciminum 40"' ad 115.'" 

Aanm. Twee der drie specimina ontving ik van Japan van 
den heer Dr. Mohmke, het derde van Ceram van den heer Dr. 
Pflaum. Een mijner specimina is misvormd en heeft de reg- 
lerhelft van den schijf veel smaller dan de linker en alle vin- 
nen naar het vrije einde toe zwartachlig. De afbeelding der 
Fauna japonica is beter dan die van de groote Histoire natu- 



280 

relle des Poissons. Bij mijne exemplaren kon ik de volgende 
-anatomische bijzonderheden waarnemen. 

De ruime buikholte ligt geheel tusschen de kieuwholte en 
loopt spits naar voren uit. Buikvlies zwart. Het darmkanaal 
ligt grootendeels in de regterhelft der buikholte *, de lever groo- 
tendeels in de linkerhelft. Lever oranjekleurig, tweekwabbig , 
de regterkwab veel kleiner dan de linker. Maag cylindervor- 
mig met een zeer kleinen blinden zak. Buitenste maagrok ge- 
heel zwart. Geene pylorusaanhangsels. Darmkanaal veel lan- 
ger dan het geheele ligchaam , resten van molluskenschalen be- 
vattende. Kieuwholte zeer ruim. De 4 kieuwbogen reiken 
nog niet tot aan het midden dezer holte doch de kieuwvlies- 
stralen strekken zich tot nabij de borstvin uit. 

Antennarius hispidus Cant. Gat. Mal. Fish. p. 20S. 

Antenn. covpore oblongo compresso, altitudine 2£ ad 2* circiter in ejus 
longitudine; oculis diametro 4 circiter in longitudine maxillae superiorisj 
rictu subverticali postrorsum descendente; dentibus intermaxillaribus et in- 
framaxillaribus pluriseriatis, conicis , subaequalibus ; vomerinis nullis; 
palatinis conicis aequalibus in thurmas 2 parvas oblongas collocatis; aper- 
tura branchiali oculo vix raajore; cute toto corpore radiisque pirmarum 
spinulis parvis conspicuis scabra, spinulis plurimis furcatis; fimbriis capite 
corporeque inconspicuis ; radio rostro libero tuberculo scabro apice rostri 
inserto, 5 circiter in longitudine corporis, apice clavato fimbriato ; pinna 
dorsali spinosa spina 1' libera, obtusa, horizontaliter antrorsurn flexili, 
spina 2* l a paulo altiore, obtusa, rnaxilla superiore vix vel non breviore, 
membrana scabra cum basi pinnae dorsalis radiosae unita; dorsali radiosa 
et anali rotundatis, dorsali anali paulo altiore et duplo longiore; caudali 
rotundata 4 et paulo ïn longitudine corporis ; ventralibus parvis maxilla 
superiore duplo brevioribus; colore corpore pinnisque aurantiaco-flavo ; 
capite, corpore superne pinnaque dorsali radiosa inferne maculis oblongis 
et vittaeformibus oblique transversim ordinatis , parcis, nigris; pinnis mar- 
ginera liberum vel apicem versus maculis rotundis parvis nigris; radio 
rostrali libero flavo fusco annulato. 

B. 6. D. 2-12 (3 poster, fissi). P. 10 (simplic.) V. 5 (poster, fiss.). A. 
7 (post. fiss.) C. 9 (7 inf. fiss.) 

Sycon. Antennarius pinniceps Commers? 

Koelreut. in Nov. Comment. Petrop. X p. 337 tab. 8 fig. 1. 
Lophius hispidus BI. Sclm. Syst. posth. p. 143 No. 6. 
Kappa mura moia Russ. Cor. Fish. I fig. 19. 



28 1 



Lophins striatus Shaw. Nat. Misc. V tab. 175. 

Chironectes ïophotes Cuv. Mem. Mus. H. Nat. III tab 17 fig. 2- 

Cliironectes kispidus CV. Poiss. XII p. 303. 

Chironecte apre CV", ibid. 

Para mine In col. Pontic. 
Habit. Wabai , Ceram septentrionalis , in mari. 
Longitudo speciminis unici 76'". 

Aanm. Bij mijn specimen kan ik geene huiddraden en de 
zijlijn slechts zeer onduidelijk waarnemen. 

FISTULARES. 

Fistularia immaculata Comm. Cuv. Règn. anim. Ri- 
chards. Rep. Ichth.Chin. Jap. in lS d Meet. Brit. Assoc. 

Fistular. corpore maxime elongato, altitndine plus quam 30 in ejus 
longitudine absque filo caudali, aetate provectiore latiore quam alto ; 
capite minus quam 3 in longitudine corporis absque filo caudali j rostro 
3A. ad 3? in longitudine corporis absque filo caudali, utroque latere den- 
tibus numerosis serrato ; oculis diametro 7 ad 9}. in longitudine rostrij 
maxilla inferiore superiore longiore; dentibus maxillis conspicuis, conicis, 
acutis; orbita et temporibus serratis; squamis inconspicuis; linea laterali 
postice praesertim spinulis armata ; pinnis dorsali et anali totis oppositis , 
acutis, corpore multo altioribus; pectoraiibus rotundatis capitis parte post- 
oculari brevioribus; ventralibus pectoraiibus multo brevioribus ; caudali 
biloba, lobis acutis, filo medio capite longiore; colore corpore viridescente- 
hyalino, pinnis flavescente-byalino. 

B. 7. D. 13 ad 16. P. 15 vel 16. V. 1/5. A. 14 ad 16. C. 17 + fil. 

med. •+- rad. lat. brev. 
Synou. Goorum Kitss. Corom. Fish. II p. 58 fig. 173. 

Fistularia tabaccaria White Voy. Bot. Bay p. 296 fig. 2. 
Fistularia Commersonii Rüpp. N. Wirb. F. Abyss. F. R. M. p. 

142? 
Cannorhynchus immaculatus Cant. Cat. Mal. Fish. p. 211. 
Xurbatsch Arab. 

Ma peen yu vel Ma pin Chinens. 
Habit. Amboina, Wahai , Batavia, in mari. 

Japonia, prope insulas Kaminoseki , Murotso et Mitarni, in mari. 
Longitudo 46 speciminum 160'" ad 520"'. 






\anm. Mijne specimina dezer soort zijn afkomstig van Am- 
boina , Wahai , Batavia en Japan. De Japansche hebben den 



282 

snuit betrekkelijk een weinig langer dan de Bataviasche, doch 
komen er overigens volkomen mede overeen. De jongste spe- 
cimina hebben donkere vlekjes op den rug, doch bij de on- 
deren verdwijnen die allengskens. De soort is thans reeds 
bekend behalve van de genoemde plaatsen, van Pinang, de 
kust van Goromandel, Nieuw-Holland, deRoode zee en China. 

LABROÏDEI CTENOÏDEI. 

Amphiprion bifasciatus BI. Schn. Syst. postli. p. 204 
CV. Poiss. V p. 294. Schleg. Mali. Overz. Am- 
pbipr. Premn. in Verh. Ned. overz. Bezitt. p. 18. 

Amphipr. corpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 ad 2.J. in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 
in longitudine corporis, paulo altiore quamlongo; linea rostro-frontali val- 
de convexa; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; fronte alepi- 
dota; osse suborbitali sub oculo oculo plus duplo humiliore, denticulis nullis 
sed spina parva deorsum spectante armato; maxillis aequalibus, dentibus 
conicis valde conspicuis; maxilla sUperiore sub oculi pavte anteriore desi- 
nente; rictu curvato; praeoperculo rectangulo angulo rotundato, leviter den- 
tato ; ossibus opercularibus ceteris spinoso- dentatis spinis gracilibus; squamis 
lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; linea latcrali simplice sub postica 
parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinna dorsali partem spinosam 
inter et radiosam valde incisa, parte spinosa radiosa humiliore spinis me- 
diis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotundata; pectoralibus ro- 
tundatis et ventralibus obtusis 5 circiter in longitudine corporis; anali ro- 
tundata dorsali radiosa vix humiliore; caudali obtusa rotundata 5 circiter 
in longitudine corporis; colore corpore fusco ; capite antice pectoreque 
rubris; fascia dorso-operculari lata margaritaceo-coerulea nigro limbataj 
fascia dorso-anali lata margaritacea coerulea apicem pinnae dorsalis radio- 
sae inter et anum; pinnis dorsali spinosa fusca, dorsali radiosa antice et 
superne alba postice nigra; pectoralibus aurantiacis; ventralibus nigris; 
anali nigra albo marginata; caudali maxima parte nigra, superne, inferne 
et postice late albo limbata. 

B. 5. D. 10/14 vel 10/15 vel 11/14 vel 11/15 P. 2/17. V. 1/5. A 
2/12 vel 2/13. C. 15 vel 17 et lat. brev. 

Synon. Anthias bifasciatus El. Ausl. Eisch. tab. 316 fig. 2. 

JDoppelband BI. ibid. 

Jourdin BI. ibid. 

Luljanus jourdin Lacép. Poiss. IV p. 191 et 235. 



283 



Lutjan jourdin Laee'p. ibid. 

Jlolocentrus bifasciatus BI. SchD. Syst. postb. p. 567. Koelreut. 
Nov. Comm. Petrop. X p. 340 tab. 8 fig. 4. 

Amphiprion deux bandes CV. Toiss. V p. 294. 

Amphiprion laticlavius CV. Poiss. V p. 296 tab. 132 fig. 1. 

Amphiprion a larges bandes CV. ibid. 
Habit. Arnboina, Wabai, in mari. 
Longitudo 3 speciminum 56'" ad 65.'" 

Aanm. Bloch's afbeeldiug dezer soort laat te wensshen over. 
De doornachtige rugvin is er te hoog, en van den onderoog- 
kuilsdoorn ziet men er niets. Voorts ontbreekt er de witte 
rand der aarsvin en zijn er de borstvin, buikvin, aarsvin en 
staartvin allen bruin gekleurd. » Bij een mijner drie specimina 
omvat de achterste witte band niet het onderste gedeelte des 
ligchaams. Bij dit specimen bevindt zich tevens eene groote 
zwarte vlek op de basis der borstvin en telt de rugvin 1 1 
doornen, terwijl mijne andere specimina slechts 10 rugdoor- 
nen hebben. Overigens echter beantwoorden mijne drie spe- 
cimina volkomen aan elkander. Het specimen met het ligchaam 
niet geheel omringenden tweeden witten band zou behooren tot 
Amphiprion laticlavius CV., doch deze soort behoort met Amphi- 
prion bifasciatus CV. zamengetrokken te worden. Bij mijn 
grootste specimen , bij hetwelk de 2de rugband het ligchaam 
geheel omringt, zijn beide witte banden betrekkelijk nog bree- 
der, dan zij volgens de groote Histoire des Poissons bij Am- 
phiprion laticlavius zouden zijn. 

Pomacentrus taeniometopon BIkr. 

Pomac. corpove oblongo , compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, 
latitudine 2£ circiter in ejus altitudine ; capite obtuso, leviter convcxo , 4 
et paulo in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo j oculis dia- 
metro 3 et paulo in longitudine capitisj linea rostro-frontali obliqua vix 
convexiuscula; osse suborbitali oculi diametro bumiliore, postice emargi- 
nato , denticulato j dentibus utraque maxilla p. m. 28 ; praeoperculo obtu- 
sangulo , margine posteriore dentibus valde conspicuis ; operculo postice 
spina unica plana brevi ; dorso ventre multo akiore et convexiore; squamis 
lateribus 28 p. m, in serie longitudinali ; linea laterali sub initio pinnae 
lis radiosae interiupta; pinuis dorsali et anali radiosis rotundatis , 



284 



dorsali spinosa spina postica ceteris longiore; ventralibus acutis, longitudi- 
ne caput aequantibus et pectoralibus obtusis paulo longioribus; caudali 
emarginata lobis rotundatis, superiore longiore 4 circiter in longitudine 
corporis; colore corpore superne violascente-viridi, inferne viridi-flavescen- 
te 5 capite vittis 2 oculo-maxillaribus coeruleis; praeoperculo operculoque 
maculis, fronte punctulis coeruleis; capite antice vittulis 2 maxillo-dorsa- 
libus coeruleis rostro unitis, inter oculos divergentibus ; pinnis aurantia- 
eo-viridibus , dorsali spinosa nigro marginata. 

B. 5. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/14. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 
vel 17 et lat. brev. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 67.'" 

Aanm. Deze soort , verwant aan Pomacentrus prosopotae- 
nia Blkr. , Pomacentrus katunko Blkr. en Pomacentrus emargi- 
natus CV. , is voornamelijk herkenbaar aan de twee smalle 
blaauwe bandjes, welke van den snuit, over het voorhoofd, 
naar den rug loopen en bij de rugvin eindigen. 

Pomacentrus chrysopoecilu$]L.Y. H. Müll. Schleg. Overz. 
Amphipr. Premn. in Verh. Ned. Overz. Bez. p. 
21 tab 5 %. 3. 

Pomac. corpore oblongo, compresso, altitudinc 2*. ad 3*. in ejus lon{ 
tudine, 2| ad 2 et paulo in ejus altitudinc; capite obtuso, convexo, 4± ad 
ad 4*. in longitudine corporis, aeque alto ac longo ; oculis diametro 3£ 
ad 4 in longitudine capitis ; linea rostro-frontali obliqua, ante oculos con- 
vexiuscula; osse suborbitali junioribus oculi diametro humiliore, adultis 
oculo non vel vix humiliore, dentibus valde couspicuis ; dentibus utraque 
maxilla p. m. 40; praeoperculo obtusangulo rotundato, margine posteriore 
dentibus valde conspicuis; operculo postice spinulis 2 planis; dorso ventre 
altiore et comvexiore; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali j 
linea laterali sub anteriore parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pin- 
nis dorsali et anali radiosis angulatis angulo rotundatis; dorsali spinosa 
spina postica ceteris longiore; pectoralibus obtusis capite et ventralibus 
acutis paulo brevioribus; caudali emarginata, lobis rotundatis, superiore 
longiore; colore corpore violaceo-fuscescente ; operculo superne macula 
nigra; dorso ad mcdiam basin dorsalis spinosae macula magna alba; squa- 
mis junioribus capite coeruleo maculatis, lateribus vitta transversa subse- 
milunari coerulea; pinnis viridi-fuscescentibus vel nigricantibus; dorsalij 
spinosa aürantiaca nigro marginata. 

B. 5. D. 13/ U. P. 2/ i6 - V - ] / 5 - A - 2 / 13 - C - 15 v el 17 et lat. brev. 






285 

Habit. Wahai, Batavia, in mari. 
Longimdo 2 specirainum 72'" et 125.'" 

Aanm. De beschrijving in aangehaald prachtwerk heeft slechts 
betrekking tot de kleuren , welke echter niet geheel beantwoor- 
den aan de boven opgegevene, welke naar een versch speci- 
men zijn genomen. De soort wordt met toenemenden leef- 
tijd aanmerkelijk ranker van ligchaam en de blaauwe vlektee- 
kening verdwijnt daarbij allengskens. 

Pomacentrus nematopterus Blkr. 

Pomacentr. corpore oblongo compresso, altitudine 3*. in ejus longitudine 
absque filo caudali, latitudine 2|. circiter in ejus altitudine; capite obtuso 
4i circiter in longitudine corporis absque filo caudali, aeque alto aclongo; 
linea rostro-dorsali vertice convexa, fronte et rostro declivi-rectiuscula; 
oculis diametro 3 et paulo in longitudine capitis; rostro oculo breviorej 
osse suborbitali angulo oris oculi diametro plus duplo humiliore, non 
denticulato ; praeoperculo subrectangulo angulo rotundato , denticulis vix 
conspicuis; operculo spinis 2 planis brevibus; squamis lateribus 30 p. m. 
in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis angulatis ; dorsali 
radio 6°, anali radio 8° in filum productis; dorsali spinis crassis , mediis 
subaequalibus, postica ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis capite 
paulo brevioribus ; ventralibus radio primo producto capite multo longiore; 
caudali leviter emarginata radiis lateribus 1 vel pluribus in filum pro- 
ductis ; colore corpore viridi-flavescentej fasciis 3 transversis latis fusces- 
cente-violaceis , l a oculari, 2 a dorso-pectorali trigona ad basin pinnae 
pectoralis desinentc , 3* dorso-anali mediis lateribus desinente; squamis 
lateribus plurimis gutta margaritaceo-coerulea; pinnis dorsali spinosa fus- 
ca nigro marginata, dorsali radiosa aurantiaco-viridi guttulis numerosis 
coeruleis ; pectoralibus et ventralibus flavescentibus j anali aurantiaco-flavaj 
caudali viridescente guttis transversim seriatis violaceis et rufis. 

B. 5. D. 13/11 vel 13/12. P. 2/] 5. V. 1/5. A. 2/12 vel 2/13. C. 15 
vel 17 et lat. brev. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo speciminis unici 97.'" 

Aanm. Deze sierlijke soort is kenbaar aan haar langwerpig 
ligchaam, ongewapende onderoogkuilsbeenderen, eigene kleuren 
en voornamelijk door de draadvormige verlenging der stralen 
van de vertikale en buikvinncn, aan welk laatste kenmerk ik 
haren naam ontleend heb. 

III. 23 



im 



Pomacentrus prosopotaenioïdes Blkr. 

Pomacentr. corpore oblongo compresso , altitudine 2£ circiter in ejus 
longitudine , latitudine 2\ circiter in ejus altitudine; capite obtuso 4 fere 
in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; linea rostro-dorsali 
vertice et fronte convexa, rostro declivi rectiuscula; oculis diametro 4 
circiter in longitudine capitis; rostro oculo vix longiore; osse suborbitali 
arigulo oris altitudine oculi diametro aequali, postice valde dentato; prae- 
opcrculo rcctangulo angulo rotundato, denticulis bene conspicuis ; operculo 
spina vix conspicua; squamis latcribus 28 p. m. in serie longitudinali, 
pinnis dorsali et anali postice rotundatis , dorsali spinis mediocribus pos- 
tica spinis ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis capite paulo, ven- 
tralibus acutis capite non vel vix brevioribus ; caudali emarginata lobis 
obtusis rotundatis 4*. ad 4£ in longitudine corporis; colore corpore fus- 
cescente-viridi; squamis plurimis capite, corpore pinnisque dorsali et anali 
gutta dilute coerulea; pinnis verticalibus viridi-fuscescentibus, dorsali 
spinosa nigro marginata; axillis regioneque anali immaculatis ; pinnis pec- 
toralibus aurantiacis , ventralibus fuscescentibns. 

B. 5. D. 12/15 vel 12/16. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/13 vel 2/14. C. 15 
vel 17 et lat. brev. 

Ilabit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 92'" et 97."' 

Aanm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Po- 
macentrus prosopotaenia Blkr. (1) en heeft ongeveer dezelfde 
kleuren, met dit verschil, dat het blaauwe der schubben van 
kop en ligchaam vlekjes en geene strepen of bandjes zijn. Voorts 
heeft de rugvin 1 doorn minder, is het profiel konvekser 
het onderoogkuilsbeen betrekkelijk hooger, evenals het ligchaam, 
ontbreken de groote blaauwe oksel- en aarsvlek enz. In habi- 
tus heeft zij insgelijks veel overeenkomst met Pomacentrus no- 
lostigmus Hichards. ( Zool. of the voyage of the Sulphur p. 89 
tab. 44 fig. 1.), welke echter eene groote bleeke vlek op den 
rug heeft, bij het midden der basis van de doornachtige rug- 
vin en voorts als vinstralen D. 13/13. A. 2/12. P. 16. 



(i.) Beschreven in mijne Bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Singapore ("Nat. Tijdsch. v. Ned. Ind. III p. 67), In Maart | 
1852 nam ik te Batavia een tweede specimen van Pomacentrus piosopoiae- 
nta waar , welks kleur donkerder is dan die van het Singapoersche spe- 
cimen en hetwelk 175'" lang is en alzoo 35"' langer dan dat van SingaporeM 



Amphiprion percula CV. Poiss. V p. 298. 

Araphipr. corpore oblongo compresso , altitudiae 3 fere in ejus Iongitu- 
dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine ; capitc obtuso, convexo, 4°cir- 
citer in longitudine corporis, vix altiore quamlongoj linea rostro-frontafi 
convexa; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis; fronte alepidota; 
osse suborbitali sub oculo oculo paulo humiliore, dentibus valde conspi- 
cuis armato, dentibus 2 interioribus ceteris majoribus; maxillis aequali- 
bus, dentibus conicis valde conspicuis; maxilla superiore sub oculi limbo 
anteriore desinente; rictu leviter curvato; praeoperculo rotundato den- 
ticulatoj ossibus opercularibus ceteris spinoso-dentatis, spinis gracilibus; 
squamis lateribus 55 p. m. in serie longitudinali; linea laterali simpliee, 
sub media parte pinnae dorsalis radiosae interruptaj pinna dorsali partem 
spinosam inter et radiosam valde incisa, parte spinosa radiosa humiliore, 
spinis mediis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotnndata; pectora- 
libus rotundatis 4», ventralibus rotundatis G, caudali rotundata 4£ ad 4f 
in longitudine corporis; anali radiosa rotundata dorsali radiosa paulo hu- 
•miliore; colore corpore fuscescente-rubro; corpore fasciis 3 latis margarita- 
ceo-coeruleis corpus totum cingentibus, latis, nigro limbatis, 1» cephalica 
operculari, 2 a dorso-anali trigona angulo anteriore caput versus spectante, 
3* caudali; pinnis dorsali et caudali rubro-fuscis nigro et roseo margi- 
natis; pinnis ceteris carmosinis nigro et roseo marginatis. 

B. 5. D. 11/15 vel 11/16. P. 1/15 vel 1/16. V. 1/5. A. 2/J2. C. 

15 vel 17 et lat. brev. 
Synon. Klein Miss. IV. tab. 11 fig. 8. 

Tyson, Transact. Philosoph. LXI tab. 8 p. 245. 

Anthias polymna BI. Ausl. Eish. tab. 316 fig. 3. 

Perchot de la Nouvelle Bretagne Commers. ap. Lacép. Poiss. IV 

p. 239. 
Lutjanus percula Lacép. Poiss. IV p. 239. 
Luijan perchot Lacép. ib. p. 239 et 248. 
Lutjanus polymnus var. Lacép. ib. p. 224. 
Amphiprion perchot CV. Poiss. V p. 298. 
Tjene Papuens. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, et Sibogha, Suraatrae oeciden- 

talis , in mari. 
Longitudo 2 speciminum 54'" et 56'". 

Glijphisodon rahti CV. Poiss. V p. 341. IX. p. 8715. 
M. Schiep. Overz. Prcmn. Amphipr. etc. in 
Verh. Nat. Gesch. Ov. Bez. p. 22. 

Glyphisod. corpore oblongo-ovali compresso, altitudine 2| ad 2| in ejus 



288 



longitudine, latitudine 3 ad 3A in ejus altitudine; capite 4* ad 4£ in longï- 
tudine covporis, vix altiore quam longo; linea rostro-frontali declivi conca- 
viusculaj oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; osse suborbi- 
tali humili rotundato ; praeoperculo subrectangulo angulo rotundato ; squa- 
mis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali ; pinnis dorsali et anali radiosis 
angulatis acutis; dorsali spinosa radiosa multo lmmiliore, spina ultima 
spina penultima longiore ; pectoralibus et ventralibus longitudine subaequa- 
libus , capite vix vel non longioribus; ventralibus radio 1° filiforme pro- 
ducto ; caudali profunde incisa lobis acutis superiore longiore 3| circiter 
in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-viridi inferne 
flavescente-margaritaceo; corpore fasciis transversis coeruleo-nigricantibus 
5 , 1* spinam dorsalem l m inter et basin pinnae pectoralis , 2" spinas dor- 
sales 5 ra , 7 m et 6 ra inter et medium ventrem, 3 a spinas dorsales 3 vel 4 
posticas inter et initium pinnae analis, 4 a inter partes posteriores dorsalis 
radiosae et analis, 5 a prope basin pinnae caudalis; pinnis verticalibus 
viridi-violascentibus; dorsali spinosa nigro marginata; pectoralibus et 
ventralibus dilute viridibus , pectoralibus superne basi et axilla macula 
nigricante. 

B. 5. D. 13/12 vel 13/13. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/12. C. 15 et lat. 

brev. 
Synon. Chaetodon saxatilis BI. Ausl. Fisb. tab. 206 fig. 2. 

Gabelschiuantz BI. ibid. , 

Moucharra BI. ibid. 

Rahti Potah Kuss. Corom. Fish. I p. 67 fig. 86. 

Chaetodon TyrwMtti Benn. Ceyl. Fish. p. 25 tab. 25. 

Glyphisodon saxatilis Rüpp. Atl. R. N. Afr. F.R.M, p, 36, 

Get Arab. 

Radeya Cingalens. 

Ikan Bonang bonang Mal. Batav. 
Habit. Amboina, Batavia, Sibogha, in mari. 
Longitudo 3 specimmum 110"' ad 152"'. 

Aanm. Glyphisodon rahti is zoo na verwant aan Glyphisodon 
waigiensis, dat rnen ze ligtelijk als eene enkele soort zou kun- 1 
nen beschouwen. Uij naauwkeurige vergelijking blijkt het echter, 1 
dat het profiel van Glyphisodon ivaigiensis boller is en de kop 
betrekkelijk korter en hooger, terwijl ik bij beide mijne spe-J 
cimina 1 straal meer tel in de borstvin. 



289 



LABRÖ1DEI CYCL0ÏDE1. 

Julis ( Halichoeres ) kalosoma Blkr. 

Julis (Halichoer.) corpore subelongato compresso, altitadine 4* circiter 
in ejus longitudine, Iatitudine 2 circiter in ejus altitudine j capi'te acuto, 
4 circiter in longitudine corporisj altitudine capitis lf. circiter in ejus 
longitudine ; oculis diametro 5 circiter in longitudine capitis ; linea rostro- 
frontali declivi convexiuscula j dentibus maxillaribus mediocribus; maxilla 
superiore antice cauinis 2 mediocribus, postice angularibus magnis rectisj 
labiis carnosis; linea laterali singulis squamis tubulo simplice vel dichotomo' 
notata; squamis lateribus longitudinaliter valde striatis, 26 p. m. in serie 
longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angulatis; caudali 
integra postice convexa; pectoralibus capite multo minus duplo, ventrali- 
bus capite duplo brevioribus; colore corpore superne viridescente-rufo, 
inferne margaritaceo, mediis lateribus aurantiaco vel flavo; capite vitta 
maxillo-infraoculo-operculari flavaj lateribus antice vittis 2 vel 3 longitu- 
dinalibus fuscis flavo marginatis; capite superne dorsoque flavo dense 
punctulatis; lateribus flavo reticulatisj ventre postice caudaque inferne 
fnsco punctulatis et substriatis ; pinna dorsali tota flavo et violaceo punc- 
tata vel subreticulataj caudali aurantiaca; pinnis ceteris aurantiaco-flaves- 
centibus. 

B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/11. V. 1/5. C. 3/11 vel 3/12. C. 12 

vel 14 et lat. brev. 
Habit. AmboJna , Wahai , in mari. 
Longitudo 5 speciminum 60'" ad 95'". 

Aanm. Deze sierlijke soort vind ik in geene der mij bekende 

beschrijvingen terug, noch ook in de talrijke afbeeldingen van 

I Julis van Valentijn en Renard. Zij is zeer kenbaar door de 

I sierlijke rangschikking der kleuren op het ligchaam en hare 

ongevlekte gele en oranjekleurige staart-, borst-, buik- en aars- 

i vinnen. 

Julis (Halichoeres) elegans K. v. H. CY. Poiss XIII 
p. U% 

Jul. (Halich.) corpore oblongo compresso, altitudine 4* ad 4 in ejus 
ongitudine, Iatitudine 2 4 ad H in ejus altitudine; capite acuto 4 circiter 
n longitudme corporisj altitudine capitis 1* ad ,1 4 in ejus longitudine; 
oculis diametro 5 ad 6* in longitudine capitis; linea rostro-frontali decli- 
vi rectinscula vel concaviuscula; labiis carnosis; dentibus maxillaribus me- 



290 



diocribus, caninis magnis, maxilla superiore 4 mediis prominentibus la- 
teralibus valde curvatis, infraniaxillaribus 2 prominentibus; dentibus angula- 
ribus parvis; linea Iaterali singulis squamis indivisa; squamis lateribus 28 
p. m. in serie longitudinali ; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angula- 
t.ïs; pectoralibus If ad 1|, ventralibus radio 1° producto li ad 1|. in longi- 
tudine capitis; caudali integra convexa 6 ad 7 in longitudine corporis; 
corpore superne viridi rubro-violaceo maculato , inferne margaritaceo; 
dorso ad pinnam dorsalem flavo ; fascia ocnlo-maxillari et praeoperculari 
rubro-violacea; operculo maculis rnbro-violaceis; lateribus sub linea Iate- 
rali fascia longitudinali lata diffusa violacea; squamis lateribus ventreque 
singulis stria semilunari flava; pinnis dorsali et anali dilute roseis, fasciis 
3 longitudïnalibus, superiore et inferiore rubris, media viridi; pectorali- 
bus margaritaceis ; ventralibus roseis; caudali pulcbre flava, dimidio basa- 
li maculis rubro-violaceis in series transversas dispositis. 

B. G. D. 9/11 vel 9/12 vel 9/13. P. 2/12. V. 1/5, A. 3/11 vel 3/12. 
C. 14 et lat. brev. 

Synon. Girelle élégante CV. Poiss. XIII p. 342. 

Ilabit. "Wabai , Batavia, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 119'" ad 172."' 

Aanm. De beschrijving dezer soort in de groote Histoire na- 
turelle des Poissons bepaalt zich slechts tot die harer kleuren. 
De kleuren, hierboven opgeteekend, zijn naar 2 geheel ver- 
sche specimina van Batavia genomen. 

Cheilinus ceramensis Blkr. 

Cheilin. corpore oblongo compresso, altitudine 4i ad 4.* in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acutiusculo 4 et 
paulo in longitudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 4i ad 
5 in longitudine capitis , longiore quam alto; oculis diametro 4i ad 5 
in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula vel con- , 
vexiuscula; maxillis dentibus mediocribus, caninis curvatis anticis maxillaj 
superiore 4, maxilla inferiore 2 ; mento non prominente ; praeoperculo sub- 
rectangulo angulo paulo rotundato ; linea Iaterali singulis squamis indivi-J 
sa, squamis anterioribus curvata; squamis lateribus 22 p. m. in serie lon-l 
gitudinali; pinnis basi squamosis; dorsali et anali radiosis postice acutan- 
gulis; ventralibus acutis pectoralibus obtusis longioribus, capite minus du- 
plo brevioribus ; caudali rhomboidea radio diviso superiore producto, un-| 
de tota pinna biloba; corpore superne violaceo-viridi, diffuse fusco nebu-l 
lato, inferne viridi; capite vittis et maculis rubris, circa oculum sub-J 
radiatim dispositis; pinna dorsali spinosa violacea rubro marginata, rac 
osa antice violacea, postice rnbra flavo ocellata; pectoralibus roseis baa 



291 



navis; ventralibus flavescentibus margine anteriore violasccntc; anali auran- 
tiaca margine inferiore rubra nigricante maeulata; caudali rubro acellata 
postice violascentc. 

B. 6. D. 9/10 vel 9/11. P. 2/10. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. C. 14 et 
lat. brev. 

Habit. Wahai, Ceram septcntrionalis , in mari. 

Longitudo 2 speciminum 93'" et 100."' 

Aanm. Deze soort is verwant aan Cheilimis Irilobalus Lacép. 
doch aanmerkelijk ranker van Jigchaam, heeft anders gekleur- 
de vertikale vinnen, ongetakte zijlijn, mist de onderste staart- 
vinkwab enz. 

SALMONES. 

Saurus trachinus Temm. Schleg. Faun. Jap. Poiss. p. 
2S^ tab. 106 fig. % 

Saur. corpore elongato eompresso, altitudine 5£ ad 6 in ejus Iongitu- 
dine , latitudine 1| ad 1£ in ejus altitudine; capite 4 et paulo in longi- 
tudine corporis ; altitudine capitis 1 1 ad ]£ in ejus longitudine, vertice 
depresso sulcato-rugoso ; linea rostro-frontali valde convexa; linea intero- 
culari concava ; oculis diametro 6 ad 6£ in longitudine eapitis, minus 
diametro 1 a se invicem distantibus; orbitis valde prominentibus dcnticu- 
latis; rostro oeulo breviore, 8 in longitudine capitis; rictu obliquo ; maxillis 
subaequalibus dimidio capitis longioribus, dentibus gracilibus acutis antice 
tri-, lateribus biseriatis, serie interna majoribus; dentibus palatinis maxil- 
laribus et lingualibus brcvioribus ; lingualibus valde conspicuis curvatis; gc- 
nis totis squamosis; opcrculis maxima partc alepidotis; linea laterali non 
earinata; squamis cycloïdeis, lateribus 55 p. m. in serie longitudinali ; pinna 
I dorsali radiosa postice in anteriore dimidio corporis sita, angulata, non 
emarginata, corpore humiliore; dorsali adiposa parva, angulata, radiis ana- 
liluis postieis opposita; pectoralibus obtusis capite plus duplo brcvioribus; 
ventralibus acutis radiis posticis radiis anticis plus duplo longioribus capite 
paulo brcvioribus; anali corpore plus duplo humiliore, radiis omnibus fere 
pücibus; caudali profunde incisa lobis acutis 6 circiter in longitudine 
poris; corpore dorso aurantiaco, fusco et coeruleo marmorato; lateribus 
superne vittis longitudinalibus aurantiacis et coeruleis, striis fuscis altcr- 
itibus ornatis, inferno aurantiaco tantum vittatis; ventre margaritaceo ; 
^,'enis aurantiacis; jnacula humerali nigra; pinna dorsali byalina radiis 
utibus fusco punctatis; pectoralibus flavescentibus; ventralibus et 



: 



292 



anali flavesceote-aurantiacis; caudali viridi-flavescente. 

B. 15. D. 2/10 vel 2/11. P. 2/10. V. 1/7. A. 14 vel 15. C. 19 et lat. 
brev. 

Synon. Ohijezo Japonens. 

Habit. Amboina, Wahai , Banka , in niari. 

Longitudo 8 specirainum 95'" ad 160.'" 

Aanm. Ik houd boven beschrevene soort voor dezelfde als 
Saurus trachinus T.Schl. niettegenstaande zij in eenige opzig- 
ten afwijkt van de beschrijving en afbeelding der Fauna ja- 
ponica, afwijkingen, die mij echter toeschijnen geen regt te 
geven om haar als eene eigene soort op te stellen. Zoo is op 
de afbeelding, in gezegd werk voorkomende, de bovenkaak 
korter dan de helft van den kop, vertoont de oogkas geene 
tandjes, de schouder geene zwarte vlek en de zijden niet die 
regelmatige teekening met overlangsche bruine strepen. Voorts 
zouden volgens de heeren Tèmminck en Schlegel de getallen 
der stralen bij Saurus trachinus zijn: B. 12. V. 7. en de hoog- 
te des ligchaams 10 maal in zijne lengte gaan. Een en ander 
kan op onnaauwkeurige waarneming en het laatste op eene 
drukfout berusten. Saurus trachinus moet uiterst verwant zijn 
aan Saurus myops CV., en daarvan voornamelijk verschil- 
len door betrekkelijk korter ligchaam en minder talrijke schub- 
ben op eene overlangsche rei. Daar echter Saurus myops CV. I 
eene groote verbreiding heeft en tot bij de oostkust van Ame- 
rika leeft, laat zich vermoeden, dat deze soort in meerdere va- 
riëteiten vervalt en komt het mij voor, dat de verschillen tus- 
schen haar en Saurus trachinus nog nader behooren vastgesteld 
te worden. De heer Cantor beschouwt Saurus trachinus T. 
Schl. als een' jeugdigen toestand van Saurus myops CV. 

Saurida nebulosa CV. Poiss. XXII p. S74. tab. 648. 

Saurid. corpore elongato subcylindrico, altitudine 7 ad 9 in ejus longi-| 
tudine, paulo latiore quam alto; capite pyramidali quadrilatero 4£ ad 5 ir 
longitudine corporis, duplo longiore quam alto; linea rostro-frontali conj 
vexiuscula; oculis diametro 5 ad 5i in longitudine capitis; rostro (adul 
tis) oculo paulo longiore ; maxillis aequalibus § fere capitis longitudinil 
efficiënte; rictu amplissiruo; dentibus maxillaribus , vomerinis, pahüinisj 



293 

pterygoïdeis liogualibusque bi- ad pluriseriatis acutis ; maxillaribus serie 
interna majoribus; palatinis accessoriis in thurmam parvam gracilera col- 
locatis; palatinis anticis aliquot elongatis; opcrculis inferno alepidotis; li- 
nea laterali carinata; squamis basi vulgo quadrilobis, latcribus 50 p. m. 
in serie longitudinali ; axillis inguinibusque squnmis elongatis; pinna dor- 
sali radiosa antice in 2* tertia corporis parte sita, eorpore altiore, acuta; 
pinna adiposa oblonga rotundata; pectoralibus capite duplo fere breviori- 
bus; ventralibus ante pinnam dorsalem sitis , pectoralibus longioribus sed 
capite brevioribus, oblique rotundatis, radiis subposticis ceteris longiori- 
bus; anali dorsali multo humiliore et breviore; caudali profunde incisa 
lobis acutis 6£ ad 7 in longitudine corporis; colore eorpore superne fus- 
cescente-viridi; inferae argenteo; capite fusco punctato et maculato; late- 
ribus fusco variegatis, junioribus fasciis 10 p. m. transversis diffusis fuscis; 
pinnis byalinis viridi-fiavescentibus, dorsali, pectoralibus et caudali fusco 
variegatis. 

B. 12 vel 13. D. 2/8 vel 2/9 P. 1/11. V. 1/8. A. 2/7 vel 2/8. C. 19 
et lat. brev. 

Synon. Dentex nebulosas Soland. apud CV. Poiss. XXII p. 375. 

Saurus gracilis QG. Zoölog. de la Voyag. de 1' Uranie p. 224. 
Sauride nuageux CV. Poiss. XXII p. 374. 
Earhei a alhai ëutaiaheina Otaitens. 

Habit. Amboina , in mari. 

Longitudo 7 speciminum 90'" ad 151.'" 

Aanm. Alle mijne specimina zijn meer gevlekt en gewolkt 
| dan de afbeelding in de groote Histoire naturelle des Poissons 
^fc hebben dan snuit niet bol. De wang- en bovenoperkelschub- 
ben zijn op die afbeelding niet uitgedrukt. De dwarsche band- 
teekening des ligchaams is bij de jongeren specimina zeer dui- 
delijk doch verdwijnt allengskens bij toenemenden leeftijd. 

PLEURONECTEOÏDEI. 

Rhombus poecilurus Blkr. 

Rhomb. eorpore ovali, altitudine 2*. in ejus longitudine; capite non 
cornuto , 4£ circiter in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; 
oculis sinistris, diametro j- circiter a se invicem distantibus , superiore 
majore 3£ circiter in longitudine capiiis, inferiorc paulo ante superiorem 
prominente; linea rostro-frontali declivi recta; rictu curvato; inaxilla su-' 
periore 3 in longitudine capitis, sub oculi limbo anteriore desinente ; den- 
tibus maxillaribus uniscriatis, conicis, aequalibus, parvis; praeoperculo 

III. 24 






294 



obtusanguïo rotundato; squamis Iateribu's 40? p. m. in serie longitudinali; 
linea laterali antice cürvatura valde convexa; piunis, caudali excepta, 
radiis omnibus simplicibus ; dorsali et anali rotundatis, altitudine 4 in al- 
titudine corpovis, dorsali rostro incipiente; pectoralibas acutis capite bre- 
vioribus; ventralibus pectoralibus brevioribus ; caudali obtusa, convexa, 
5 circiter in longitndine corporis ; corpove pinnisque latere ocnlari griseo- 
fnseescentibus fasco arenatis, latere anophtlialmo albescentibus ; pinna cau- 
dali marginibus superiorc et inferiore medio macula nigra. 

B. 6. D. 81. T. 10. V. 6. A. 59. C. 17. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo speciminis unici 83"'. 

Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Rhombus 
aspilos Blkr», Rhombus lentiginosus Kiehards. en Rhombus gran- 
dïsquama T. Schl. doch is genoegzaam van die allen onderschei- 
den en bij den eersten oogopslag herkenbaar door hare twee 
zwarte staartvinvlekken. 

MURAENOÏDEI. 

Muraena lita Richards. Zool. Voy. Ereb. Terr. Fish. 
p. 84. 

Muraen. eorpore elongato compresso, altitudine 16 circiter in ejus lon- 
gitudine; capite acuto 7*. in longitndine corporis, duplo longiore quam 
alto ; oculis diametro 10 circiter in longitndine capitis; naribus anteriori- 
bus tnbulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo, oculo 
minus duplo longiore, vix ante maxillam infenorem prominente ; rictu post 
ocnlos producto 3 circiter in longitudine capitis; dentibus palatinis nasa- 
libusque uniseriatis, vomerinis biseriatis, inframaxillaribus sympbysi tan-, 
turn subbiseriatis dentibus caninis elongatis nullis ; dentibus palatinis utroqué 
latere p. m. 10 conicis acutiusculis; nasalibus palatinis majoribus acutis, 
peripbericis 10 vel 12, antice medio dente unico majorej inframaxillaribi 
conicis acutis utroque latere p. m. 15 anticis posticis majoribus; vomerini 
conicis obtusis plus quam 20, dentibus nasalibus non contiguis ; apertura 
foranchiali ïn media altitudine corporis sita, oculo vix majore; cute laevi 
squamis inconspicnis ; linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante apertu- 
ram bfranchialem incipiente corpoie plus duplo humiliore; anali antice in 
posteriore dimidio corporis incipiente eorpore plus triplo humiliore; eorpore 
superne lateribusque et pinna dorsali rufo-fuscis; toto eorpore fusco va- 
riegato, dorso , lateribus pinnisque maculis numerosis subhexagonis, pvo- 
funde fuscis , eorpore quadri-vel triseriatis. 



293 

B. ? D. 370 p. m. A. 210 p. ra. C. p. 10 m. 

m. Murnci-a. vctriegata Mus. Britt. (sec. Richards.) 
n't. Wahai, Ceram septeptrionaliSj in mari. 
Longitudo speciminis unici .'355'". 

Aanm. De dentitie dezer soort doet haar gemakkelijk van 
de bekende soorten van Muraena onderkennen even als hare 
eigenaardige meestal zeshoekige ligchaams- en vinvlekken. Deze 
zeshoekige vlekken, welke hier en daar afgerond zijn, bestaan 
uit de het geheele Iigcliaam bedekkende speldenknopgrootc 
zwartachtig-bruine vlekjes, en vormen over het ligchaam 3 of 
4 overlangsche onregelmatige reijen. De ruimten tusschen 
deze hoekige grootere vlekken zijn insgelijks geteekend met min- 
der donkere speldenknopgroote vlekjes. 

De getallen der vinstralen zijn door den lieer Richard- 

son niet opgegeven. Die der kieuwstralen heb ik niet naauw- 

» keurig kunnen teilen, wegens hunne uitstekende dunheid, 

wat voor de meeste der door mij waargenomen Muraenen 

| geldt. 

Muraena variegata J. R. Forst, variet. Richards. Zool. 
Ereb. Terr. Fish. p. 94 tab. 47 %. 11 — 16. 

Muraen. eorpore elongato compresso, altitudine 18 circiter in ejus longi- 
tudine; capite acuto, 9|. circiter in longitucline corporis, duplo fere longiore 
quam alto; linea rostro-dorsali fronte concava; oculis diametro 11 circiter 
in longitudine capitis; naribus anticis tubulatis, posticisnon tubulatis; roi 
convcxo oculo minus duplo longiore, ante maxillam inferiorem promim 
rictu post oculnm producto 8 in longitudine capitis ; dentibus conicis obtu- 
einsculisj palatinis uniseriatis ntroque latere p. ra. 8; dentibus nasalibus 
dentibus palatinis et vomerinis majoribus, peripberia uniseriatis 11, medio 
insuper 2 crassioribus; voruere maxillaque inferiore dentibus biseviatis, vo- 
merinis ]).m. 20, anti cis dentesnasales subattingentibus ; dentibus inframaxil- 
laribus serie interna serie externa et anticis posticis majoribus, ntroque la- 
tere p. m. S2 ; cute maxillis poris pluribus valde conspicuis annulo albo 

:tis; apertura brancbiali oculo majore in media corporis altitudine sita; 
cute laevi sqnamis inconspicuis ; linea laterali incorispicua;pinnadorsaliante 

rturam brancbialem incipiente, eorpore duplo circiter humiliore; caudali 
rotundatii; anali anticein posteriore corporis (iiuiidio incipiente, eorpore 
quadruplo vel quintuplo humiliorej eorpore pinnisque nigro et flavuseente- 



I 



296 



rufo marmoratis et variegatis, nigi*o insnper fascias difFusas latas transver- 
sas 24 p. m. similante. 

B. ?. D. 360 p. m. A. 220 p. m. C. 12 p. m. 
Synon. Seba Thesaur. II tab. 69 fig. 1. 

Muraena geograpliica Bks. Sojand Mss. 

Echidna variegata Icon. ined. G. Forst. J. R. Eorst. Encliirid. 

31, gen. 5 Anim. cura Lichtenst. p. 181. 
Muraena nebulosa Thunb. Dissert. p. 7 tab. 1 , fig. 2. 
Gymnothorax nebalosus BI. Schn. Syst. postb. p. 528. 
Gymnolhorax echidna BI. Scbn. ibid. p. 526. 
Pipirho, Pipiro vel Pipirha Insul. Societat. 
Boohee Ötait. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis , in mari. 
Longitudo speciniinis unici 420.'" 
p 

Aanm. Mijn eenig specimen dezer fraaije soort behoort tot 
de variëteit, afgebeeld ter boven aangehaalde plaatse in het 
werk van den heer Richardson. De groote zwarte vlekken loo- 
pen er slechts wat meer in een , zoodat zij min of meer dui- 
delijke dwarsche banden vormen, welke echter zelve nog met 
geelachtig roode vlekjes geteekend zijn. Muraena ophis Rüpp. 
en Muraena minor T. Schl. zijn zeer na aan Muraena variega- 
ta verwant. 

Muraena Richardsonii Blkr. 

Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 17 ad 20 in ejus longi- 
tudine; capite acuto 7|. ad 7*. in longitudine corporis, plus duplo longio- 
re quam alto ; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis; naribus 
anterioribus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo, 
oculo minus duplo longiore, paulo ante maxillam inferiorem prominente; 
rictu post oculos producto 2|. circiter in longitudine capitis; dentibus acu- 
tis; palatinis iiniseriatis compressis utroque latere p. m. 8; disco nasali 
peripheria dentibus unïserlatis p. m. 8, medio dentibus 2 vel 3 longiori- 
bus subulatis; vomere dentibus conicis brevibus 8 ad 12 in seriem sub- 
duplicem dentes nasales non attingentem dispositis; maxilla inferiore den- 
tibus uniseriatis compressis utroque latere p. m. 12; apertura branchiali 
oculo paulo majore , in media altitudine corporis sita; cute laevi squamis in- 
conspicuis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali supra aperturam bran- 
chialem incipiente, corpore duplo circiter bumiliore; anali postice in an-l 
teriore dimidio corporis incipiente, corpore triplo circiter bumiliore; cor-l 
pore fusco nigricante-fusco dense transversim substriato vel vittato; pinnisi 



297 

fuscescente-flavis fusco maculatis, maculis pinna dorsali plurimis fasoias vel 
vittulas transversas subsimilantibus. 

B. ? I). 310 ad 350 A. 220 ad 240 C. 10 p. m. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, et Padang, Sumatrae occidenta- 
lis, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 188'" et 230.'" 

Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Muraena scoli- 
odon Blkr. (beschreven in mijne Bijdrage tot de kennis der 
Muraenoïden en Symbranchoïden van den Indischen Archipel, 
bestemd voor Verh. Bat. Gen. v. K. en Wet. vol. XXV) en on- 
derscheidt er zich voornamelijk van door de aanwezigheid van 
priemvormige tanden midden op de neusschijf, en doordien de 
gehemelte- en onderkaakstanden aan de basis geen stomp afge- 
rond uitsteeksel of dit althans uiterst gering ontwikkeld hebben. 

Ik noem haar ter eere van den heer Dr. J. Richakdson, die 
veel heeft bijgedragen tot eene betere kennis der Muraenoïden. 

Muraenophis flaveola Less. moet na aan haar verwant zijn , 
doch de onvoldoende afbeelding en beschrijving dezer soort 
i laten geene juiste vergelijking toe. 

Muraena ceramensis Blkr. 

Mur. corpore elongato compresso , altitudine 18 eirciter in ejus longi- 
tudine; capite acuto, 7 ad 8 in longitudine eorporis, plus duplo longiore 
quam alto; oculis diametro 9 eirciter in longitudine capitis; naribus ante- 
rioribus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo, oculo 
minus duplo longiore, paulo ante maxillam inferiorem prominente; rictu post 
oculos producto 2£ eirciter , in longitudine capitis; dentibus palatinis et vo- 
meriuis biseriatis; palatinis acutis serie interna utroque latere 2 ad G, serie 
externa 12 ad 14; vomerinis obtusis p. m. 16 , dentes nasalcs non attingenti- 
bus; nasalibus periphericis uniseriatis acutis dentibus palatinis mnjoribus; 
■ disco nasali medio dentibus 2 vel 3 subulatis dentibus periphericis vix lon- 
gioribus , mobilibus; dentibus inframaxillaribus acutis anticis biseriatis , la- 
teribus uniseriatis, utroque latere p. m. 24; apertura branchiali oculo paulo 
majore, in media altitudine eorporis sita; cute laevi squaniis inconspicuis; 
linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante aperturam branchialcm inci- 
itc, corpore duplo humiliore; anali in media eorporis longitudine in- 
cipiente , corpore plus triplo humiliore; corpore fusco, fusco profundiore 
nebulato; pinnis fuscescentibus fusco profundiore nebulatis. 



298 

B. ? D. 340 p. m. A. 240 p. in. C. 10 p. m. 
Habit. Wabaï , Ceram septentrionalis, in mari. 
Longitndo 3 speciminum 180'" ad 212'". 

Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Muraena thyr- 
soïdea en Muraena sathele H. Buch. van welke beiden zij ech- 
ter verschilt door minder talrijke tanden op de binnenste ge- 
hemelte rei , andere kleuren enz. 

Muraena micropterus Blkr. 

Mur. corpore elongato compresso, altitudine 22 circiter in ejus longi- 
tudine; capite acuto 10 fere in longitudine corporis, paulo plus duplo 
longiore quam alto ; oculis diametro 10 circiter in longitudine capitis; 
naribus posterioribus non tubulatis, anterioribus tubulatis: rostro acuto 
convcxo , ocnlo minus duplo longiore, non ante maxillam inferiorem pro- 
minente; rictu post ocnlos producto 3 fere in longitudine capitis; dentibus 
palatinis, nasalibuset inframaxillaribus biseriatis, serie interna serie externa I 
majoribus; palatinis utroque latere p. in. 30; disco nasali peripheria dentibuH 
plus quam 20, medio dentibus 2 vel 3 longioribus , mobilibus; dentibus i 
maxillaribus utroque latere plus quam 30; dentibus vomerinis p. m. 8 seril 
unica dentes nasales non attingentedispositis; apertura branchiali in medil 
altitudine corporis sita, oculo vix majore; cute laevi squamis inconspicoi 
linealaterali inconspicua; pinnis dorsali, anali caudalique rudimentariisj 
humillimis cute ablata radiis ad apicem caudae tantum leviter conspicnis 
ano in madia corporis longitudine sito ; corpore pinnisque fuscescentibus 
nigro pulcherrime et dense reticulatis; mento ventreque fiavescentibus. 

J3. ? D. A. (ad apicem caudae aliquot tantum conspicui). C. 14 vel 16. 

Habit. Wabai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 265"' et 270"'. 

Aanm. De rug- en aarsvin dezer soort zijn wel door eene 
verdubbeling der huid aangeduid , doch onder de huid vind ik 
slechts eene vleesachlige strook, in welke slechts in de nabij- 
heid der staartvin eenige stralen herkenbaar zijn. Deze soort 
vormt alzoo een' overgang van Muraena tot Uropterygim\ 
Iliipp. en Muraenoblenna Lacép. 

Wat hare dentitie betreft, behoort zij tot eene eigene groep | 
van Muraena, met scherpe tweereijige gehemelte-, neus- enl 
onderkaakstanden en eenreijige ploegbeenstanden. Haren naamj 
heb ik ontleend van hare lage, nagenoeg straallooze vinnen. 



299 

GIJMNODONTES. 

Tetraödon laterna Richards. Voy. of the Sulphur. Zool. 
p. 124 tab. 61 %. ± 

Tetraöd. corpore oblongo , antice acque alto circiter ac lato, altiiudine 
41 ad 5 fere in ejus longitndine; capite 3* circiter in longitudine corpo- 
ris; linea rostro-dorsali ante oculos concava; oculis superis, diametro 5 ad 
6 in longitudine eapitis, diametris 2 ad 3 a se invicem distantibus ; pa- 
pillis nasalibus utroque latere 2 conicis oblongis; maxilla superiore ante 
ini'eriorem prominente ; capite corporeque spinulis scabris; rostro, labiis, 
basibus pinnarum caudaque maxima parte glabris ; linea laterali inconspi- 
eua; pinnis dorsali et anali snbflabelliformibus rotundatis; caudali convexa 
4*. circiter in longitndine corporis ; colore corpore snperne pulchre pro- 
fande viridi inferne albo ; capite (snperne et rostro), dorso, lateribus et 
cauda maculis nnmerosis margaritaceo-coernleis ; ventre vittis curvatis vi- 
ridibns snbparallelis; axillis nigris; pinnis viridibns, pectoralibus basi ni- 
gricantibus; candali dimidio anteriore guttis numerosis margaritaceo-coern- 
leis, postice violascente. 

J). 1/9. P. 2/15 vel 2/16. A. 1/9 vel 1/10. C. 9 et lat. brev. 

Habit. Amboina et Sibogba, Sumatrae occidentalis , in mari. 

Longitudo 3 speciminnm 104'" ad 215.'" 

Aanm. Deze soort verschilt van Tetraödon testudineus door- 
dien er de vlekken kleiner, de wangen zonder bandteekening 
zijn en de staartvin slechts aan de grondhelft geteekend is met 
drupvormige vlekjes; voorts door de zwarte okseistreek, 
fïaaijere breedere staartvin en grootendeels gladden staart. 
Mogelijk is de bovenbeschrevene soort slechts eene variëteit 
van Tetraödon testudineus \\\. doch stellig is zij dezelfde als 
Tetraödon laterna Richards. De boven aangehaalde figuur is 
ongeveer van dezelfde grootte als mijn grootste specimen en 
beantwoordt er geheel aan, behalve dat er het voorhoofd 
wat meer uitpuilt, de ruwheid van rug, zijden en buik niet 
uitgedrukt is en het oog te groot is afgebeeld. 

Tetraödon virgatus Richards. Zool. Ereb. Terror, Fish. 
p. m tab. 39 %. 8, 9. 



I 



Tettv.öd. copore elongato, antice aeqne lato circiter ac ako , altitudine 
circiter in cjus longitndine; capite 4 circiter in longitudine corporis; 



800 



linea rostro-dorsali ante oculos concava; oculis stiperis, diametro 4-* ad 5 
in longitudine capitis, diametris 2|- ad 2£ a se invicem distantibus; pa- 
pillis nasalibus utroque latere 2 oblongis basi unitis ; maxilla superiore 
ante inferiorem prominente; capite corporeque spinulis scabris; rostro , 
labiis, basibns pinnarum caudaque postice glabris; linea laterali incon- 
spicua; pinnis dorsali et anali subflabelliformibus rotundatis; caudali con- 
vexa, 4 ad 4*. in longitudine corporis; colore corpore superne griseo- vel 
coerulescente-viridi, inferne albescente vel flavescente; capite, dorso lateri- 
busque vittis pluribus longitudinalibus pulchre profunde et dilute viridi- 
bus; pinnis viridibus, caudali marginibus nigricante. 

D. 2/7 vel 2/8. P. 1/15. A. 2/7 vel 2/8. C. 9 et lat. brev. 

Synon. Tetrodon virgatus Richards. 1. cit. 

Habit. Aniboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 168'" et 220.'" 

Aanm. Deze soort, behoorende tot Arothron J. Müll., heeft 
groote verwantschap met Tetraödon testudineus BI. en Tetraödon 
latetna Richards., doch is zeer kenbaar aan het geheel getee- 
kend zijn van kop en ligchaam met fraaije groene overlangsche 
banden, waarvan er op elke zijde des ligchaams ongeveer 10 
tot 12 gaan. De beschrijving vanden heer Richardson is kort 
en de kleuren zijn door hem opgegeven naar lang in wijngeest 
bewaarde specimina. Tot nog toe was Tetraödon virgatus 
slechts van Port Jackson bekend. 



Tetraödon hypselog eneion Blkr. 



Tetraöd. corpore elongato, aeque lato circiter ac alto, altitudine 5 circi- 
ter in cjus longitudine; capite 3*. ad 3|. in longitudine corporis; linea ros- 
tro-dorsali ante oculos declivi rectiuscula; oculis superis , diametro 3 ad 
3|. in longitudine capitis, minus diametro 1 a se invicem distantibus; pa- 
pilla nasali utroque latere simplice indivisa, oblonga; maxilla superiore 
ante inferiorem prominente ; mento elevato prominulo ; capite , dorso , la- 
teribus ventreque spinulis scabris; labiis, basibus pinnarum eaudaque gla- 
bris ; linea laterali conspicua utroque latere duplice ; pinnis dorsali et ana- 
li altioribus quam longis, rotundatis; caudali truncata vel convexiuscula 
4|. ad 5|. in longitudine corporis; colore corpore superne nigricante-viridi, 
inferne albo vel flavescente; capite lateribus fasciis 3 vel 4 latis transver- 
sis viridi-nigricantibus; vertice, dorso, caudaque superne ocellis maculis- 
que confertis pulcbre coeruleis ; pinnis flavescentibus vel rubris. 

D. 2/6 vel 2/7. 1\ 3/12 vel ï/13. A. 2/6 C. 8 et lat. brev. 



80 i 

Habit. Amboina, Wahai , in mari. 
Longitudo 12 speeiminum 44'" ad 71'". 

Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Tetraödon fla- 
miltonü ttichards. (Zoölog. of the Voy. Ereb. Terr. Fish. p. 63 
tab. 32 fig. 10, 11), doch onderscheidt zich daarvan door ge- 
heel gladden staart, hooge min of meer vooruitstekende kin , 
digter bijeenstaande oogen, afwezigheid der groote zwarte zij- 
vlekken enz, 

"'etraödon kappa Russ. Gorom. Fish. I p. 18 fig. 25, 
Verh. Bat. Gen. XXIV. Blootk. Vissen, p 16. 

Tetraöd. corpore oblongo antice cylindraceo postice compresso , altitu- 

line 4£ ad 5 in ejus longitudine; capite obtuso 3*. ad 3i. in longitudine 

>rporis; linea rostro-frontali convexa; oculis superis diametro 3£ ad 4{. 

longitudine capitis , diametro 1 ad 2 a se invicem distantibus ; papillis 

lasalibus oblongis utroque latere 2 depressionem infundibuliformem amplec- 

ïntibus; maxilla superiore prominente,- vertice, dorso antice ventreque 

linulis scabris ; capite antice, lateribus maxima parte caudaque glabris; 

inea laterali vix conspicua, utroque latere duplice (speciminibus pluribus 

iconspicua) ; pinnis dorsali et anali altioribus quam latis, apice rotunda- 

is; caudali convexa; corpore superne viridi inferne argenteo vel flaves- 

snte, superne fasciis 2 ad 4 difïusis transversis viridi-nigricantibus ocel- 

lisque nunterosis rotundis et oblongis dilutioribus et margaritaceis; macula 

tagna pulcberrime flava sub pinna pecfcorali; pinnis viridescentibus, cau- 

ili dimidio posteriore nigra. 

D. 2/7 vel 2/8. P. 2/14 vel 2/15. A. 2/6. C. 8 vel 10 et lat. brev. 
Synon. Kappa Russ. Corom. Eisli. I p. 18 fig. 25. 

Tetrodon dissutidens Cant. Mal. Fish. p. 382. 
Ikan JBuntak barilc Mal. Batav. 
Habit. Amboina, Wahai, Sumatra occidentalis , Batavia, in mari. 
Longitudo '21 spcciminum 40'" ad 120'". 

Aanm. Sedert ik deze soort beschreef, in mijne Bijdrage tot 
Ie kennis der Blootkakige visschen van den Indischen Archipel, 
mtving ik nog een aantal specimina van Sumatra, Amboina en 
lerarn , zoodat ik de toen gestelde diagnose heb kunnen her- 
zien en het ontbrekende der vroegere beschrijving aanvullen. 
>e zijlijn is gewoonlijk niet zigtbaar, doch waar zij zigt- 
>aar is , gaat de bovenste van den snuit over de wangen tus- 

III. 25 



f>rv5>. 



80: 



schen oog- en borstvin naar den rug en daalt vervolgens naar 
den staart. De tweede zijlijn gaat van het onderste gedeelte 
van den staart naar den buik. 

Tetraödon margaritatus Rüpp. Atl. R. N. Afr. F. R. 
M. p. 68. 

Tetraöd. corpore ïrregulari oblongo compresso, altitudine 3 circiter in 
ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto, 
rostrato, 3i circiter in longitudine corporis ; linea rostro-frontali concavi- 
uscula; oculis superis, diametro 4 circiter in longitudine capitis, diametro 
1 a se invicem distantibus; naribus in cute praeorbitali perforatis fere in- 
conspicuis, utroque latere 1; capite totoque corpore spinulis scabris, 
spinulis supra pinnam analem parcioribus ; dorso carinato, angulato ; linea 
laterali inconspicua; pinnis dorsali et anali altioribus quam longis, dorsali 
angulata, anali rotundata; caudali truncata vel convexiuscula, 5 circiter 
in longitudine corporis; colore corpore superne griseo-fuscesccnte inferne 
griseo flavescente; oculis et labiis radiis coeruleis et rubris cinctis; gcnis 
totoque corpore guttulis numerosis coeruleis; vitta mento-anali recta coe- 
rulea; dorso vittulis 2 vel 3 coeruleis ad basin pinnae dorsalis; piunis 
flavescente- viridibus. 

IX 1/8. 1». 2/13. A. 1/7. C. et lat. brev. 

Synon. Ikan Babintan<j vel Gesterde visch Valent. Ind. Amb. III p. 
353 fig. 21. 
Ikan Bintang matanja Valent. ibid. p. 427 fig. 269? 
Verkenskop Valent. ib. p. 502 fi>. 498. 
Casu casu Ecu. Poiss. Mol. I. tab. 39 fig. 200. 
Ikan Ticus Ken. ibid. I tab. 25 fig. 138. 
Carcasse Ren. il). II tab. 25 fig. 124. 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo specimmis unici 62'". 

Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Tetraödon ros- 
tralus BI. en Tetraödon papua Blkr. , en heeft vooral met de 
laatstgenoemde groote verwantschap, verschillende zij voorna- 
melijk slechts daarvan door het gemis der zwarte vlek aan de 
basis der rugvin (1), door wat korterea kop, enz. — De Car- 



(1) In mijne beschrijving van Tetraödon papua (Verh. Bat. Gen. XXIV 
Blootkak. Vissch. p, 13) komt als drukfout voor, dat de zwarte vlek aan 
de basis der staartvïn zou zijn. In plaats van caudalis leze men daar dor- 

sa f is, 



mz 



casse van Renard of Kaskasse van Valentun (Renard, Poiss. 
Mol. I tab. 39 en II tab. 6 fig. 29; Valent. Ind. Amb. III p. 
353 fig. 19) is almede eene zeer verwante soort met breede 
zwarte of bruine banden over het ligchaam. 

BALISÏINI. 

Balistes flavimarginatiis Rüpp N. W. F. Ab. F. R. 
M. p. 54 tab. 15 fig. 1 (adult), fig. 2(juvenis). 

Balist. corpore oblongo compresso, altitudine 2 circiter in ejus longitu- 
dine , latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite 3*. circiter in longi- 
tudinc corporis, altiore quam longo ; oculis diametro 4 fere in longitudine 
capitis, 2|. circiter in longitudine rostri; vertice convexo; linea rostro- 
frontali ante oculos et apicc rostri convexiuscula; rostro ante oculos sulco 
triangulari; labiis carnosis; dentibus utraque rnaxilla 8, mediis ceteris 
majoribus ; apertura branchiali ante basin pinnae pectoralis desinente; scu- 
tis lateribus 36 p. m. in serie longitudinali usque ad aperturam branchia- 
lem ; cauda compressa, spinulis pluriseriatis scabriuscula, medio multo 
altiore quam lata; pinna dorsali spinosa spina 1* rostro breviore, crassa, 
obtusa, scabra, membrana pinnam dorsalem radiosam non attingente ; 
lorsali radiosa et anali rotundatis , subaequialtis, multo longioribus 
juam altis, corpore plus triplo humilioribus ; pectoralibus obtusis rotunda- 
tis; pinna ventrali spina crassa brevi dentata, radiis gracilibus p. m. 
14; caudali convexa 6 et paulo in longitudine corporis; colore corpore 
superne viridi-flavo inferne aurantiaco-flavo; capite superne corporeque 
maculis sparsis rotundis nigris; pinna dorsali spinosa viridi-flava ni- 
gro marginata; dorsali radiosa, caudali et anali medio violaccis ceterum 
aurantiacis, pectoralibus aurantiacis. 

D. 3 — 2/25. P. 1/14. A. 2/23. C. 12. 

Synou. Balistes caslaneus Richards. Voy. Sulph. Zool. Fish. p. 126 tab. 
59 fig. 9 — 12? 

Habit. Wabai, Ceram septentrionalis , in mari. 

Longitudo speciminis unici 125.'" 

Aanm. Ik houd mijn specimen voor dezelfde soort als Balis- 
tes flavimarginalus Rüpp. , alhoewel , volgens de afbeelding 
daarvan van den heer Rüppell te oordeelen, het profiel bij laatst- 
genoemde species boller zou zijn. De bovenstaande beschrij- 
ving is genomen naar een uitmuntend bewaard specimen van 
nog jeugdigen leeftijd , daar de soort, volgens den heer RürrELL 



304 



tot meer dan l l / 2 voet lang wordt. Bij de oudere specimina 
wordt de ligchaamskleur bruinachtig en verdwijnt de vlek- 
teekening. Het verdient mijns inziens nog nader bepaald te 
worden, in hoeverre Balistes castaneus Richards (Zool. Voij. 
Sulph. Fish. p. 126 tab. 59 fig. 5), naar een lang in spiritus 
bewaard specimen beschreven en afgebeeld , als species van 
Balistes flavimarginatus zou kunnen verschillen. De habitus 
dier afbeelding beantwoordt geheel aan mijn specimen, doch 
de tweede rug- en aarsvin zijn er gevlekt, wat noch bij mijn 
specimen, noch bij de Rüppellsche afbeeldingen het geval is. 

Alutarius laevis Guv. Cant. Mal. Fish. p. 3£5. Verh. 
Bat. Gen. XXIV, Balist. p. 21. 

Alutar. corpore oblongo compresso, altitudine 4 1. ad 4 in ejus longitu- 
dine, latitudine 3£ ad 3*. in ejus altitudine; capite acuto 4*. ad 4*. in lon- 
gitudine corporis, junioribus longiore quam alto, adultis aeque alto circi- 
ter ac lougo; oculis diametro 5 ad 6|. in longitudine capitis, diametro •§• 
ad 1 a linea rostro-frontali remotis; linea rostro-frontali concava; rostro 
acuto oculo quadruplo ad quintuplo longiore; dentibus maxilla superiore 
6, mediis 4 acutis, angularibus obtusis; maxilla inferiore dentibus 4 acu- 
tis emarginatis; apertura branchiali ante basin pinnae peetoralis inferio- 
rem desinente; cute coriacea squamis inconspicuis ; cauda nee setosa nee 
spinosa; spina dorsali 1* supra oculum sita, gracili, non dentata, rostro 
plus duplo breviore, 2* subocculta minima; pinnis dorsali radiosa et anali 
corpore plus quadruplo bumilioribus, rotundatis , radiis simplicibus ; pec- 
toralibus obtusis radiis simplicibus; caudali obtusa 3| ad 4 in longitudine 
corporis; colore corpore luride viridi; capite, doi'so lateribusque vittis 
numerosis irregularibus plus minusve curvatis, brevibus, coeruleis et ma- 
culis rotundis vel ovalibus coeruleis et fuscis; pinnis aurantiacis vel flavis, 
caudali viridi vel fuscescente. 

D. 2 — 44 ad 2 — 47. P. 14 vel 15. A. 47 ad 49. C. 12. 
Synon. Ikan Panggontor vel Donderaar Valent. Ind. Amb. III p. 508 
fig. 523. 

Eioauioe Pangay ou Luey Ren. Poiss. Mol. I tab. 11 fig. 69. 

Balistes scriptus Osbeek Voy. lp. 174? 

Balistes laevis BI. Ausl. Fiscli. tab. 414. 

Platte Hornfisch BI. ibid. 

Baliste lisse BI. ibid. 

Smooth old wife BI. ibid. 

Balistes monoceros Soland. 



303 



Alutera laevis Cuv. Règn. anim. Swains. Nat. Ilist. Fish. II p. 

327. 
Aleuteres laevis Kichavds. Ichth. Voy. Sulpli. p. 131 tab. 61 fig. 

3. Report. 15th meet. Brit. Assoc. 1845 p. 202. 
Mornati Indigen. Malabar. 
Ikan Jlajam Mal. Batav. 
Habit. Wahai, Bima, Batavia, in mari. 
Longitudo 5 speciminum 167'" ad 430'". 

OSTRACIONES. 

Ostracion tesserula Cant. Mal, Fish. p. 867. tab. 8. 

Ostrac. pyxide tetragona, altitudine maxima 2|. circitev in corporis lon- 
gitudine, aeque alta circiter ac lata; dorso et ventre convexis, lateribus 
concavis; ventre dorso latiore; capite 3*. circiter in longitudine corporis, 
altiore quam longoj linea rostro-frontali et linea interoculari concavis; 
oculis diametro 2 et paulo in longitudine capitis; rostro oculo altiore,- ore 
ante rostrum prominente; apertura pyxidis anteriore ovali oculo non ma- 
jore ; pyxide spinis nullis scutis hexagonis radiatim carinatis; pinnis ob- 
tusis rotundatis; colore corpore pinnisque flavo, capite corporeque guttis 
sparsis profunde coeruleis. 

D. 1/8. P. 2/10 vel 2/11. A. 1/8. C. 1/8/1. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 32.'" 

Aanm. Deer Cantor ontdekte deze soort op Pinang en gaf 
er eene beschrijving en afbeelding van in zijn werk over de 
Maleische visschen. Mijn specimen behoort tot den zeer jeug- 
digen leeftijd en is nog aanmerkelijk kleiner dan de afbeelding 
van den heer Cantor. Aan dezen jeugdigen leeftijdstoestand is 
waarschijnlijk toe te schrijven, dat de rug van mijn specimen 
niet gekield is. 

LOPHOBRANGHII. 

Hippocampus moluccensis Blkr. 

Hippocamp. corpore lieptagono , altitudine maxima 6£ in totius piscis 
longitudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; cauda tetragona; capite 
4 ad 4£ in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem caudae; ros- 
tro longitudine capitis partem postocularem aequante , altiore quam lato , 



306 



ante oculum tuberculo pavvo > non fimbriato; oculis diametro 8 circiter in 
longitudine capitis; orbita superne tuberculo unico conioo brevi non ela- 
vato; occipite in processura obtusum quinquetuberculatum non fimbriatum 
exeunte; operculis radiatim striatis; pyxide corporis ex annulis 11 for- 
mata, cristis longitudinalibus tuberculatis, tuberculis luunilibus nee ramo- 
sis nee fimbriatis; cauda annulis 35 vel 36, cristis longitudinalibus tuber- 
culis humilibus non fimbriatis; pinnis dorsali et pectoralibus rotundatis; 
colore corpore fuscescente; operculis striis albidis; pinnis viridibus. 

D. 16. vel 17 P. 16. A. 4 

Synon. Ikan Kuda Malaie. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminurn 130'" et 150."' 



Hippocampus tacniopterus Blkr. 



Hippocanip. corpore heptagono , altitudine maxima 6|. circiter in totius 
piscis longitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; cauda tetragona; capite 
32 ad 4*. in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem caudae ; 
rostro 2|. ad 21. in longitudine capitis, altiore quam lato, ante oculum tu- 
berculo parvo, non fimbriato; oculis diametro 6 ad 7 in longitudine ca- 
pitis; orbita superne tuberculo conico non clavato; occipite in processnm 
5 vel 6 tuberculatum non fimbriatum exeunte; operculis radiatim striatis; 
pyxide corporis ex annulis 11 formata, cristis longitudinalibus tuberculis 
humilibus non fimbriatis; cauda annulis 35 vel 36, cristis longitudinalibus 
tuberculis humilibus non fimbriatis ; pinnis dorsali et pectoralibus rotunda- 
tis; corpore fusco, toto fere flavo et nigro punctulato; pinnis hyalinis, 
dorsali vitta longitudinali nigra. 

D. 18. P. 16 vel 17. A. 4. 

Habit. Amboina , Wabai , in mari. 

Longitudo 3 speciminurn 80'" ad 110.''' 

Aanm. Mijne verzameling bevat thans 4 soorten van Hip- 
pocampus, welke na aan elkander verwant zijn. Een dier soor- 
ten, afkomstig van Japan en Hippocampus Mohnikei genoemd 
heb ik beschreven en afgebeeld in eene kleine Bijdrage tot de 
kennis der Ichthyologische fauna van Japan , welke aangeboden 
is aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amster- 
dam. De overige drie soorten behooren tot den Indischen Ar- 
chipel en wel Hippocampus kuda Blkr. tot de fauna van Singapore 
(Nat. Tijdschr. v. Ned. Ind. III p. 82) en de beide hier beschre- 
vene tot die van Amboina. Hippocampus Mohnikei is kenbaar 



307 



aan de breede dwarsclie witte banden over den staart; Hip- 
pocampus kuda aan de achterhoofds- en kindraden en langen 
snuit; Hippocampus laeniopterus en Hippocampus moluccensis 
aan de afwezihheid van witte staartbanden en kopdraden en 
de eerste bovendien aan den zwarten overlangschen rugvinband 
en de laatste aan het gemis daarvan en aan den langen snuit, 
die even lang is als het achteroogkuilsgedeelte van den kop, 
terwijl hij bij Hippocampus taeniopterus 2V 2 tot 2% maal gaat 
in de lengte des kops. 

Pegasus volans L. Syst. nat. ed. Gmcl. I p. 1459. 
Lacép. Poiss. II p. 88. 

Pcgas. corpore clepresso, altitudine 5 circiter, latitudinc maxima 2|. cir- 
citer in ejus longitudine; capitc prismatico quadrilatero , actito, 3 et paulo 
in longitudine corporis, longiore quam alto et duplo circiter latiore 
quam alto ; vertice utroquc latere taberculo conieo ; orbitis elevatis; ocu- 
is diametro 5 fere in longitudine capitis, 2 et paulo in longitudine ros- 
tri , diametris 2 circiter a se invicem distantibus; rostro supra os utroque 
latere tuberculo osseo, ante os in processum pbylloï&eum producto , pro- 
cessu antice rotundato, margine denticulato, transversim sulcato, superne 
bicarinato , carinis denticulatis; ore infero maxillis protractilibus ; mento 
regioneque suboculari tuberculatis; apertura branchiali oculo minore; cor- 
pore e pyxide tetragona formato, pyxide ubique rugosa, superne sulco 
;ephalo-caudali profunda lata bipartita; cauda tetragona ex scutis 7 com- 
>osita, scutis angulis carinatis; scutis 4° et 5° lateribus carina elevata brevi; 
unnis radiis omnibus siraplicibus, dorsali angulata scutis caudalibus 2° et 
3° inserta; pectoralibus flabelliformibus radiis longissimis capite paulo bre- 
vioribus; ventralibus pectoralibus vix brevioribus; anali dorsali opposita 
I dorsali vix humiliore; caudali vix convexa, S-§. fere in longitudine cor- 
)oris; colore capite superne et dorso roseo , rostro nigricante-fusco; pinnis 
flavescentibus , pectoralibus caudalique fusco variegatis. 
D. 5. P. Il vel 12. V. 2. A. 5. C. 8. 
Synon. Pégase volant Lacép. Poiss. II p. 83. 
Habit. Wahai, Cerarn septentrionalis, in mari. 
Longitudo speeiminis unici 90'". 

Aanm. Het komt mij voor, dat de soorten van Pegasus 
nog onvoldoende bepaald zijn. De bovenbeschrevene soort is 
rrij zeker de Pégase volant van Lacépède. Ik bezit nog eene 



808 



soort van Pegasus van Sumatra , bij welke de breedte des lig- 
chaams 6 maal in zijne lengte gaat en welke blijkbaar dezelfde 
is als de Calaphractus rostro spaluliformi truncato Gronov. Zoö- 
phijl. N. 357 p. 115 tab. 11 fig. 2, 3. Andere species echter zijn 
mij niet beschikbaar , zoodat ik tot hare betere karakteristiek 
niet kan bijdragen. Ik heb de synonijmen van Pegasus volans 
L, zoo als deze species boven aangeduid is, niet willen vermeer- 
deren, door daartoe afbeeldingen te brengen, welke er welligt 
nietidentisch mede zijn. 

Solenostoma paradojüum Lacép. Rafin, 

Solcnost. corpore elongato compresso , altitudine 6 et paulo in ejus 
longitudine, latitudine 3*. circiter in ejus altitudine; capite 3 circiter in 
longitudine corporis; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis; 
orbita antice spinula brevi; rostro acuto oculo plus quintuplo longiore, 
altiore quam lato, superne antice in 3" tertia parte tuberculo conico; rictu 
terminali obliquo parvo ; scutis corpore 23 p. m. in serie longitudinali , 
pluricarinatis posticis anticis minoribus; dorso postice ventreque post 
anura gibbosis; pinna dorsali l a postice in anteriore dimidio corporis 
sita, altitudine corporis altitudinem aequante, basi oculo non longiore, 
acuta, radio medio ceteris longiore; pinnis dorsali 2* et anali pinnae cau- 
dali approximatis, corpore quadruplo circiter humilioribus, longioribus 
quam altis, rotundatis; pectoralibus oculo duplo latioribus sed non lon- 
gioribus, obtusis ; ventralibus rostro non brevioribus, obtusis; caudali 
rhomboidca acuta, 3i circiter in longitudine corporis, radiis membranam 
superantibus; corpore roseo toto nigro punctato; pinnis roseis ; dorsali 
l a radium l ra inter et 3 m macula magna pulclire coerulea , ceterum maculis 
pluribus fuscis; ventralibus caudalique postice violaceis ; caudali tota ni- 
gricante punctata et maculata. 

D. 5 — 19. P. 22. V. 11. A. 19. C. 12. 

Synon. Solenostomus varius , rostro serrato , pinnis dorsali et ventralibus 
praelongis Seb. Thes. III p. 106 tab. 34 fig. 4. 
Bonte Solenostomus etc. Seb. ibid. 

Trompette solénostome Bonnat. Planch. Encyclop. méth. 
Fistularia paradoxa Pall. Spicil. zool. 8 p. 32 tab. 4 fig. 6. L. 
Syst. nat. ed. Gmel. I p. 1388. BI. Schn. Syst. posth. tab. 30 
fig. 1. 
Solenostomus paradoxus Lacép. Poiss. V p. 36 , Cuy. Puchards 
Eep. ichth. Chin. in Rep. 15th meet. Brit. Assoc. p. 203. 
Habit. Waliai, Ceram septentrionalis , in mari. 
Longitudo 3 speciminum 85'" ad 111'". 



309 



Aanm. Niettegenstaande deze soort reeds aan Seba en Pallas 
bekend was , bestaat er nog geene goede afbeelding van en zijn 
de kleuren nergens goed opgegeven. Mijne specimina hebben 
hunne kleuren nog goed bewaard en zooals boven beschreven is. 
Voorts is bij mijne specimina de rugvin lager dan op de afbeel- 
dingen van Pallas, Seba en Bloch Schnkider is uitgedrukt, ter- 
wijl ik er ook volstrekt geene kindraden kan waarnemen. Boven- 
dien zijn ook de vinstralen door genoemde schrijvers eenigzins 
mders opgegeven. Door deze verschillen, welke deels aan het 
linder goed bewaard zijn der in Europa gebragte specimina, 
leels aan minder naauwkeurige waarneming kunnen toe te 
schrijven zijn, acht ik mij niet geregtigd, boven beschrevene 
ipecirnina te beschouwen als tot eene eigene soort te behoo- 
'en. 

GHIMAERÖÏDFI. 
Ihimaera monstrosa L. BI. Lacep. Cuv. T. Sclil. 

Habit. Wahai , Ceram septentrionalis , in mari. 
Longitudo speciminis unici 900."' 

Aanm. Mijn eenig specimen is in zeer gebrekkigen toestand van 
jewaring, zoodat ik mij van de beschrijving er van onthoud. 
Wijn specimen is het eerste, wat, voor zoover mij bekend is, 
in den Indischen Archipel is aangetroffen. 



Scripsi Batavia Calendis Aprilis mdccclu. 



WAARNEMINGEN 



VOOR DE 



ASTRONOMISCHE PLAATSBEPALING 



VAN 

BATAVIA, 

DOOR 

S. H. DE LAXGE, 

Geographisch Ingenieur. 



Ik deel hier een gedeelte mijner waarnemingen mede ter be- 
paling der breedte. Het gemiddelde resultaat uit alle waarne- 
mingen verschilt genoegzaam niets met dat uit de hierondcr- 
volgende afgeleid. 

Breedte waarnemingen. 

26 Augustus 1851. 15 September 1851. 20 September 1851, 

a, Lijrae. # Paromis. u Paromis. 

waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. 

6° 9' 60/' 65 — 4," 33 6° 9' 58," 63 — 1/ 76 6° 9' 54," 97 + 1/ 42 

56, 07 + O, 25 54, 83 + 2, 04 57, 99 — 1, 60 

53, 95 + 2, 37 56, 83 — O, 04 57, 85—1, 46 

54, 93 + 1, 39 56, 93 + O, 16 54, 69 -f- 1, 70 
52, 17 +4, 15 56, 93 ■+■ O, 16 56, 30 + O, 09 



311 



55, 25 


+ 0, 07 




53, 37 —3, 50 


56, 71 


— 0, 32 


60, 93 


— 4, 61 




58, 27 +1, 40 


58, 42 


— 2, 03 


57, 83 


— 1, 51 




f,3, 37 —3, 50 


53, 57 


+ 2, 82 


54, 57 


+ 1, 75 

+ 3, 29 




57, 37 + 0, 50 

58, 47 + 1, 60 


56, 99 


— 0, 60 


53, 03 


6° 9' 56/39 w. f. 0/37 


58, 99 


-2, 67 




60, 37 -+- 3, 50 






56, 93 


— 0, 61 


6° 


9' 56/87 w. f. 0/44 






57, 74 


— 1, 42 










50, 86 


+ 5, 46 










59, 88 


— 3, 56 










6° 9' 56," 32 w. f. 0," 52 










20 Septemb 


u 1851. 


20 


Septemb. 1851. 


20 Septemb. 1851. 


cc Cijgni. 




7 Cijgni. 


7 Cruces. 


waarnem. 


, afwijk. 


waarnem. afwijk. 


waarnem. 


afwijk. 


6 C 9' 54," 80 


+ 1," 03 


6° 9 


'59," 31 —1/62 


6° 9' 58," 38 


— 0/ 49 


55, 44 


+ 0, 39 




55, 66 + 2, 03 


58, 51 


— 0, 36 


58, 70 


— 2, 87 




59, 44 - 1, 75 


58, 51 


-0, 36 


57, 06 


-1, 23 




55, 82 -f- 1, 87 


60, 81 


-+- 1, 94 


52, 15 


+ 3, 68 
— 0, 08 




58, 24 —0, 55 


60, 76 
56, 98 


-f- 1, 89 


55, 91 


6° 9' 57/69 w. f. 0/55 


- 1, 89 


56, 71 


- 0, 88 






58, 24 
60, 90 


— 0, 63 


G°9' 55", 83 w. f. 0/51 


+ 1, 22 










59, 24 


+ 0, 37 










57, 76 


-1, 11 










58, 24 


-0, 63 










58, 47 


-0, 40 










58, 37 


-0, 50 



6° 9' 58/ 87 w. f. 0/20 



Deze uitkomsten vereenigende , hare betrekkelijke waarden 
in het oog houdende, zoo verkrijgt men tot eindresultaat: 

6° 9' 57/' 3 

De heer G. A. de Lange, luit. ter zee der 2de kl., als ad- 
sistent aan mij toegevoegd, heeft in de maand December de 
volgende waarnemingen gedaan. Zijne waarnemingsplaats lag 
40 ellen noordelijker dan de mijne: 



312 



9 December 1851. 
h 2 Geminor. h Argus. 



6° 9' 56, 


'02 


58, 


52 


59, 


41 


57, 


46 


56, 


34 


54, 


37 


58, 


95 


61, 


13 


55, 


74 



6° 


9' 


57, 


' 13 






55, 


62 






57, 


03 






56, 


81 



6° 9' 56," 65 w. f. O," 23 



6° 9' 57," 56 w. f. O," 65 



24 December 1851. 
h 2 Geminor. 
6° 9' 57," 81 

58, 06 
57, 73 

59, 79 

57, 69 
54, 22 

54, 98 

58, 88 
56, 23 
58, 16 

56, 97 

60, 59 
53, 97 

55, 87 
58, 26 

57, 01 
6 & 9'57,"26w.f. O, "4 7 



26 December 1851 



h 2 Geminor. 

6° 9' 56," 55 

57, 49 

54, 25 

58, 81 
57, 04 

51, 67 
57, 02 
57, 09 
56, 64 

55, 37 

55, 66 
60, 14 

56, 97 

52, 67 



h Argus. 

6° 9' 50," 89 
55, 26 
60, 71 
54, 51 

57, 39 
53, 53 
59, 26 

58, 43 
53, 75 
53, 79 



6° 9' 55," 75 w. f. O," 97 



6° 9' 56," 25 w. f. O," 59 
Gevende, de betrekkelijke waarden der uitkomsten in aan- 
merking nemende, 

Z. Breedte 6° 9' 56," 72. 



S13 



Klaagt men in Europa bij astronomische waarnemingen her- 
haaldelijk over ongunstig weder, hier is liet aantal dagen, waar- 
op men heldere lucht heeft, zeker nog geringer. Van het laatst 
van Junij , toen ik mijne waarnemingen kon beginnen, tot den 
loden Oktober, heb ik slechts 18 maansdoorgangen kunnen 
waarnemen; zes daarvan zijn onder zulke onvoordeelige om- 
standigheden waargenomen, dat ik die heb moeten verwerpen; 
de overigen volgen hieronder. Ik vlei mij , uit Europa korres- 
ponderende waarnemingen te ontvangen , waardoor de resul- 
taten voor de fouten der maanstafelen kunnen worden gekorri- 
geerd. Na den 15 den Oktober heb ik geen' enkelen doorgang 
kunnen waarnemen. 

Waarnemingen ter bepaling der lengte. 

Maansmeridiaans waarnemingen. 

8 September (£ I (7) 9 September (£ I (4) 

R. © = £ Capr.+ ll ra 26%10(4) A.R.C = t 2 Aquar.-3» 6% 965(6) 
p „ + 5» 4% 47 (6) $ „ 18™ 9% 578 (5) 

©uurbew. 118. 72 (p „ 28'M%547(6) 

L — 7 U 7» 40% 16 ©uurbew. 114.77 

L - 7 U 7» 58% 82 
10 September © II (6) 11 September © II (6) 

©A.R. = $Aquar. + 18™ 51%448f6j A. R. © = 33Pisc. + 13™ 32%612 
^3 n + 14 m 15% 238 (5) 20Ceti — 34" 8% 709 

33 Pisc. - 32 m 14% 582 ,4; e Pisc. - 49- 26% 778 

© uurbew. 111, 88 © uurbew. 110, 44 

L — T 7 ra 35 s 81 L — 7' 7 m 38s 94 

12 September © II (6) 13 September © II (6) 

A.R.© = 20Ceti+H m 16%76(5) A.R.© = ^Pisc. + 20 m 2% 463,2) 
e Pisc. - 4 ra 1%50(3) v „ + 8 m 44<,853 v 5) 

(ju „ -25 ra 42% 66(4) £* Ceti - 37 m 49% 007 (7) 

v M _37 m 0%53(6) 845ASC -51 ra 27%957(7) 

© uurbew. 110,63 © uurbew. 112,595 

L-7 u 7 m 29%12 L-7 u 7 m 41%5I 



314 



3 Oktober (£ I (7) 4 Oktober (£ I (7) 

(£A.R.=fc* Sagitt.-22™40%335(7) (£A.R.=/3Capr. + 30» 45% 25;7j 



e> „ -16» 18% 935 (2) 
(3 Capr. + 22™ 19% 775 (8; 
f^unrbew. 130,09 
L — 7» 7™ 46% 45 
9 Oktober f) I 
^A.R. = 20Ceti- 3™ 42% 51 
^Pisc— 40™ 41% 62 
v „ -51™ 59% 52 
Cuurbew. 110,71 
L-7 U 7™ 57% 88 

12 Oktober (£ II (7) 
(£A.R. = 845ASC + 25 m 33%789(5) 

cTauri — 37™ 38% 633 5) 
ATauri-49 m 58%110i7) 
^uurbew. 120,34 
L— 7° 7° 42% 59 



¥ „ + 6™ 7% 213 (7) 
£ „ -55" 25% 713 (6) 
<g>urbew. 125,0 
L-7 u 7 m 44%27 
11 Oktober (£ II (7) 
CA.R.=| 1 Ceti+ 9» 3% 413 (4) 
f' „ - 6™ 4% 607(6) 
845 ASC - 22» 43% 617 (4) 
77 Arietis — 26™ 49% 197 (4) 
(f)uurbew. 115,57 
L-7 U 7™45%438 
13 Oktober C II C 3 ) 
©A.R. = ATauri+ m 33',09 6) 
a, „ -34™ 23% 47 
^Orionis — 51™ 7 S 21 
(^uurbew. 126,33 
L- 7 U 7" 30% 66 



Dc cijfers achter de waarnemingen geplaatst, hebben betrek- 
king op het aantal draden waaraan de maan en sterren zijn 
waargenomen. 

Vercenigen wij nu de uitkomsten, afgeleid uit den oostelijken || 
randen die uit den westelijken, daarbij de betrekkelijke waar- 
den der uitkomsten in het oog houdende, zoo vindt men voor 

resultaat W. R. — 7u. 7m. Sis., 81 
O. R. — 7u. 7m. 37s., 71 

Gevende voor L. — 7u. 7m. 44s., 76= 106° 56' 11," 40 

Slechts vijf sterbedekkingen heb ik mogen waarnemen, waar- 
van ik één heb moeten verwerpen. 

Sterbedekkingen 1851. 



17 April Bedekking y Librae Ingang. 



• 11 Jnlij Bedekking /y, 1 Sagittarii Ingang. 



16 u 53™ 27%89M. T.; 

L — 7 U 7™32% 09 

15 u 7™ 8%20M- T.; 

L-7 u 7 m 32 s , 44 



315 



1 September Bedekking y Librae Ingang. 19" 27» 34% 72 St. T 

28 December Bedekking T 1 Aquarii Ingang. 



L - 7 U 7- 37* 96 
8 U 43- 53%85MT.; 
L_7 u 7 ra 38% 80 



De sterbedekkingen in rekening brengende bij het resultaat 
Ier waarnemingen van de maansdoorgangen , wordt voor de 
lengte verkregen 106° 54' 18," lo O. Greenw. 

Volgens de topographische kaart van Batavia en ommelanden , 
>pgenomen op last van Z. H. den hertog van Saxen Weimar Ei- 
jenach, op de schaal 1: 10000, ligt de plaats der waarneming 
4232. Ned. El. bezuiden den uitkijk 
491.3 „ „ beoosten „ „ ; 
hiermede herleidende komt de uitkijk: 
Breedte 6° T 40," 2 Z. 
Lengte 106° 54' 2," 4 O. Greenw. 
Op de resultaten, verkregen uit een groot aantal waarne- 
mingen van gelijke hoogten der maan en de vergelijkingslerren 
loop ik later terug te komen. 



DE 

DIA MANT GRONDEN 

VAIT 

K0E8AN, 

DOOR 

»r. J. II. CROOCHEWIT HaE. 



Op vele plaatsen schijnen in het landschap Koesan diaman- 
ten gevonden te worden , of wel vooronderstelt men, dat men 
ze zou bekomen, als de grond bewerkt werd. De gronden, 
wanneer zij bewerkt worden, maken een deel uit der in- 
komsten van den regerenden pangerang. Iedereen toch heeft 
de vergunning, diamantgronden te bewerken (diamantputten te 
graven of wel diamanten te wasschen) tegen betaling eener 
schatting van 1 gulden (120 duiten) 's maands per hoofd aan 
den- pangerang. Alsdan zijn alle diamanten, die minder dan 
3 ktfraat wegen (een karaat is een gewigt van 0,212 gram) 
de eigendom van den vinder: allen die hij vindt van dit ge- 
wigt of die dit te boven gaan, is hij verpligt aan den pange- 
rang op te brengen, die hem dan f 20 voor elk karaat 
gewigt daarvoor betaalt. Onvolkomener wijze om eene schat- 
ting of liever pacht van landerijen te heffen (want geheel het 
landschap behoort den pangerang toe) is niet wel denkbaar , 
zoude men meenen , om de vele verleiding en gemakkelijke 
ontduiking: dit is hier echter minder het geval, zelfs zonder 
eenig toezigt. Daar ieder voor zich wascht, en meestal 
in eens anders onmiddellijke nabijheid, valt het ongemerkt 
verstoppen van eenen steen van bijzondere grootte al bezwaar- 



817 



lijk, en nog veel moeijelijker is het, om dien ongemerkt aan 
den man te brengen: meestal komen zulke ontvreemdingen aan 
den dag. Tijdens mijn verblijf in Koesan was er eene derge- 
lijke zaak hangende: een diamant van 30 karaten was voor 
een paar jaren door eenen Banjarmasinschen opkooper op het 
grondgebied van den pangerang van Koesan ingekocht en op 
Java voor f 13,000, naar ik vermeen, verkocht; men had 
toen den dader reeds gevat op Java, en de koopprijs was, 
naar men mij zeide , in 's lands kas te Banjarmasin voorhan- 
den, waar de pangerang hem toen ging ontvangen. Ik acht 
deze wijze van pachtinning ook niet zoo onregtvaardig. Het 
is toch in deze zaak anders gelegen, dan met landerijen, die 
aan landbouwers verpacht worden; gewoonlijk wordt hiervan 
in deze gewesten een gedeelte der opbrengst als schatting be- 
taald, en al is dan een vastgestelde jaarlijksche huurprijs, bij 
het mislukken van den oogst bezwaarlijker dan in een voordeelig 
jaar, het behoort tot de zeldzaamheden, als meerdere jaren 
achtereen het eerste geval plaats heeft, zoodat meestal een 
slechte oogst door eenen ruimeren daaropvolgenden vergoed 
wordt. Bij het diamantwasschen bestaat deze omstandigheid 
niet, en ik geloof niet, dat één inboorling zich tot dit werk 
zoude willen leenen, wanneer hij maandelijks daartoe zooveel 
moest opbrengen, als zoude opwegen tegen de kans, om 
soms eens een' steen van eene grootere waarde dan gewoonlijk 
voorkomt te vinden, terwijl nu toch hij, wien dit geluk te 
beurt valt, in zijne omstandigheden, daarvoor nog eene ruime 
winst geniet. Dat het bedrag dezer schatting het eene jaar met 
het andere zeer verschilt en niet te bepalen valt, ligt in den 
aard der zaak; eene plaats is het ééne jaar zeer bezocht, om 
soms het volgende, wanneer ze slechte resultaten heeft gege- 
ven, geheel verlaten te zijn: — de eene werkman is gelukkig, 
en werkt daardoor met onvermoeiden ijver, de andere loopt 
het tegen en het werk verdriet hem: genoegzame redenen om 
met het wisselvallig aantreffen van groote diamanten , dit be- 
drag ook zeer wisselvallig te maken. 

Het kan wel niet bevreemden, dat de bijgeloovige inwoners 
III. 26 



818 



dezer woeste gewesten, hetzij zij zich volgelingen van Moham- 
med's leer noemen of dat, zooals bij de Dajah's, het door dezen 
verspreide licht of de voorgeschreven leefregels ook nog niet tot 
hen zijn doorgedrongen, ook aan het wisselvallig aantreffen van 
diamanten den invloed van goede of kwade geesten meent te 
onderkennen. De in zoo vele opzigten veel meer verlichte 
Chinesche tinmijnwerkers doen dit wel, wat den tinerts aangaat, 
zooals ik in mijne vroegere rapporten aan het gouvernement 
van mijne reizen door Banka en Malakka heb medegedeeld. 
Zoo werd mij uitdrukkelijk verzocht, om in de nabijheid der 
diamantputten niet te schieten of te laten schieten, opdat de 
booze bosch- en bergduivels niet opgewekt zouden worden , 
die dan het vinden van diamanten geheel beletten. 

Ook het zoeken naar nieuwe, nog niet bewerkte, diamantgron- 
den gaat bij hen, die het islamisme toegedaan zijn, met eenig 
bijgeloof vergezeld. Zij meenen, dat er menschen zijn, die daar- 
toe eene bijzondere ingeving hebben gekregen, en even als de 
priesters door de godheid daartoe uitverkoren zijn. Zulke lie- 
den reizen rond en toonen dan, op het verzoek van sommige 
diamantlustigen, niet zonder de noodige kwakzalverij, plaat- 
sen aan, waar men dan met het volste vertrouwen het werk 
aanvangt. Zij ontvangen daarvoor eene kleine belooning, of 
soms wel van den eigenaar der landstreek, die er steeds be- 
lang bij heeft, dat er veel naar diamanten gezocht wordt, verlof, 
om met eenige manschappen , zonder hem maandgeld te bèta- 
len, diamantputten te bewerken, blijvende hun het tweede 
gedeelte der schatting opgelegd. Valt soms eene door hen 
aangetoonde plaats tegen, dan is de sejtan (boschduivel) er tus- 
schenbeiden gekomen , en niets van het in hun gestelde ver- 
trouwen verloren. Aan het vinden van zekere soorten van 
steentjes (men zegt dat er 7 soorten zijn), welke steentjes blijk- 
baar zeer silicahoudende zijn , en meestal een zwart amijgda- 
ïoïedachtig voorkomen hebben, erkent men bij de proefneming 
het aanzijn van diamanten. Vindt men deze steentjes niet, men 
behoeft ook niet , volgens hun oordeel, naar diamanten te zoe- 
ken, maar omgekeerd, zoo lang als men ze vindt, moeten er 



319 



ook diamanten aanwezig zijn. Niet dat zij meenen, dat de dia- 
manten uit deze steentjes ontstaan, maar, zeide de pangeran zelf 
mij, zoo als een vorst noodzakelijk onderdanen moet hebben, 
zoo moet ook de diamant, die den vorst voorstelt, van deze 
zwarte steentjes (de onderdanen) vergezeld zijn : zich onder- 
danen zonder eenen vorst voor te stellen is, volgens zijn oor- 
deel, eene ongerijmdheid. 

Ik zal niet uitmaken, wat hiervan aan te nemen is, maar kan 
echter geen verband tusschende diamant- en kiezelhoudende steen- 
tjes vinden. Zoo lang als niet in andere landen, waar diamant- 
gronden bewerkt worden , iets dergelijks waargenomen wordt 
(ik heb het nog nergens vermeld gevonden), ben ik geneigd, ook 
dit onder hunne bijgeloovigheden te rangschikken, met hoeveel 
zelfvertrouwen en overreding zij het aangehaalde ook mede- 
deelen. 

De eerste door mij bezochte diamantputten, waar gewerkt 
werd, waren die van Soengei Danau (1). 

Volgens mijne opname liggen deze in eene vooronderstelde 
regte lijn 5000 m. van het door mij betrokken huis in de 
kampong Praboekarta in de rigting w. 30° n. verwijderd. Om 
van daar tot ze te komen , moet men eerst de rivier op in 
eene vooronderstelde regte lijn over eene lengte van 5500 m. in 
de rigting n. 38° w., wanneer men overland wederom in eene 
vooronderstelde regte lijn 2000 m. in de rigting z. 28° w. 
moet afleggen. De weg hierheen leidt door bosch, is een weinig 
rijzende en voert langs twee plaatsen, waar men eenige putten 
bewerkt maar ook even spoedig verlaten had, daar ze geene 
resultaten gaven. 

Bij mijne komst aan de eigenlijke diamantputten was daar 
slechts een 20tal menschen werkzaam. De pangerang, die mij 



(1) Bij liet opnemen met de kommissie voor de grensscheiding tusschen 
de rijken Koesan en Pagatan, was ik op twee plaatsen, tnsschen de vroe- 
gere kampong Koempa en de kampong Soengei Doewa, vroeger bewerk- 
te diamantputten , alsmede de thans bswerkt wordende van Langanan kc- 
tjil gepasseerd, maar heb toen meer het doel dier reize, dan aan bijko- 
mende omstandigheden mijne opmerkzaamheid geschonken. 



mo 



vergezelde verzekerde mij echter, dat voor die plaats in die maand 
door 50 man de schatting betaald was, en dat deze in andere 
maanden soms ƒ70 bedroeg. Het riviertje, waaraan de plaats 
haren naam ontleent, is hoogst ondiep, met zeer weinig stroom : 
het loopt van n. n. w. waar het zijn' oorsprong heeft, naar 
n. ii. o., waar het in de Soengei Kakarangan uitkomt; het 
water was rood-melkachtig door de er in afgespoelde lee- 
maarde. 

Het terrein, waarin de diamantputten bewerkt worden , is al- 
luviaal; het bestaat uit eene donkerroode leemaarde, waarin 
zich vele stukjes roode zandsteen (de leemaarde is blijkbaar door 
den invloed van het water daaruit ontstaan) en enkele stukjes 
kwarts bevinden , naar mijn oordeel in niets te onderscheiden, 
van de straks vermelde verlaten plaatsen. De putten zijn ± 4 
a 5 voet in 't vierkant en soms tot 10 a 12 voet diep. Zij zijn 
een 12 tal voeten van elkander verwijderd, en hebben dan 
onder den grond gemeenschap met elkander, zoodat men dan 
voor dit eind alleen de aarde, die de diamanten bevat, behoeft 
te verwerken. (1) 

Alzoo worden 1 a 2 voeten van den bovengrond niet ge- 
wasschen, en eindigt men met uitgraven, wanneer de bodem 
ophoudt minder roode steentjes te bevatten. De wijze van uitgra- 
ving dezer putten is zeer gebrekkig, daar de Koesansche inboor- 
lingen geene patjols of spaden weten te gebruiken, en alzoo zich 
met gevlochten mandjes, eene soort van breekijzers en parangs 
behelpen. De uitgegraven aarde wordt verzameld in eene in 
het water geplaatste hoogst fijngevlochten teenen mand, die 
1 V 2 a 2 voet diepte heeft, en welker openingen fijn genoeg 
zijn, om bijna het kleinste zandkorreltje terug te houden, en het 
water toch doorlaten, dat dan onder het aanhoudend omroeren 
dezer aarde de fijne deelen wegspoelt , en alzoo de steentjes 
alleen, van aanhangende leemaarde gezuiverd, terug laat. Deze 
steentjes worden vervolgens, altijd boven dezelfde mand, door 



(1) Op gelijke wijze werd vroeger, onder de regering van den sulthan 
van Palembang, door de Inlanders de tïnerts op Banka verzameld. 



8°21 



een ander mandje , welks openingen 1 Ned. duim ü groot 
zullen zijn, gezift, en die er op blijven liggen verwijderd, 
echter niet dan nadat ze opmerkzaam zijn gadeslagen. Het in 
de mand terugblijvende wordt nu, ± V 2 klapperdop vol te gelijk, 
in eenen langanan nader gewasschen. De langanan is een ronde 
houten bak, gemaakt uit een gedeelte van den wortel van ze- 
kere boomen, langs de lengte afgesneden, zoodanig, dat de 
houtvezel langs de oppervlakte loopt: ze heeft gewoonlijk 7 
palmen diameter, en loopt in het midden in eene puntige holte 
uit, terwijl de grootste diepte niet meer dan 12 Ned. duim be- 
draagt. Door aan deze houten bak eene bijzondere beweging 
te geven , worden de grootste ligtste steenen , na eerst nog 
onderzocht te zijn, met het water weggespoeld; het over- 
blijvende, na het water te hebben laten wegloopen, wordt 
nu met de hand langs de geheele oppervlakte dun uitgestre- 
ken, en alsdan wordt elke glinsterende oppervlakte met de 
grootste inspanning en verwachting met een scherpziend oog 
onderkend, onderzocht en nog eens onderzocht, en deze be- 
handeling zoo dikwijls herhaald, tot genoegzaam alles weg- 
gespoeld is, als wanneer men eene nieuwe hoeveelheid bijvoegt; 
voorzeker een werk, waar het grootste geduld toe behoort, en 
daarom zeer geschikt voor eenen inlander, terwijl de meeste 
Europeanen het spoedig zouden laten steken. In mijne te- 
genwoordigheid werd een steentje van misschien y l0 karaat 
;evonden , waarvan ik door het betalen van f 1 eigenaar 
werd. Door elkander gerekend kan iemand, hier wasschen- 
de, wanneer hij redelijk slaagt (het geluk behoeft hem dan 
slechts weinig te dienen) , f 1 a f 1 V 2 daags verdienen. 



KWIKERTS EN KWIK VAN SÜMATRA (1), 

SCHEIKUNDIG ONDERZOCHT 



DOOR 



a. scharlëe; 



Op uitnoodiging van den heer G. Wassink, dirigerenden officier 
van gez. 1 kl. alhier, die mij bovengenoemde stoffen ter hand 
heeft gesteld , met verzoek ze te onderzoeken en de resultaten 
daarvan door dit tijdschrift bekend te maken, laat ik hier- 
onder de uitkomsten van dat onderzoek volgen. 

Wanneer ertsen eener te ontginnen mijn zullen worden on- 
derzocht, gebiedt de voorzigtigheid, dat men zich de vraag ter 
beantwoording stelle, of daarin eene genoegzame hoeveelheid der 
hoofdstoffen voorkomt, om met voordeel te kunnen worden 
verwerkt. Dat dit bij den aan mij gegeven' erts het geval ia», 
kan aan geenen twijfel onderhevig zijn, daar er volgens de berig- 
ten, op eene geheel onpraktische wijze, door de Maleijers zelven, 
80°/ zuiver kwik uit wordt verkregen. De kennis van de juis- 
te hoeveelheid kwik, in den erts bevat, was dus hier volstrekt 
noodig, om de mogelijke opbrengst bij eene goede praktische 
bewerking te kunnen bepalen. 

Bovendien was het doelmatig, te weten of soms als bijprodukt 
konde worden verkregen eene of andere stof, welke met voor- 
deel tot eenig ander doel zoude kunnen worden aangewend. 



(1) Zie Nat. Tijdschr. voor N. I. 3den jaargang 1 afl. bladz. 108 — 112. 



323 



Hierbij zijn echter negatieve resultaten verkregen, daar wel is 
waar magneetijzer bij den erts gemengd is, doch in te geringe 
hoeveelheid (1,542 a 1,626 procent,/ om na verwerking winst- 
gevend te zijn. Het zal derhalve onnoodig wezen, de hoeveelheid 
der overige stoffen te vermelden , te meer daar dit uit een we- 
tenschappelijk oogpunt slechts weinig waarde heeft. 

Het scheikundig onderzoek hoofdzakelijk eene juiste bepa- 
ling van het kwik ten doel hebbende , is ter verkrijging van 
zeer naauwkeurige uitkomsten aan den zoogenoemden natten 
weg de voorkeur gegeven. 

De erts werd hiertoe, nadat het magneetijzer was afgezon- 
derd, ter volkomene oxijdatie van de zwavel, met koningswa- 
ter behandeld, het onoplosbare gedeelte afgefiltreerd en uit de 
oplossing, na verwijdering van het overtollige zuur enz., volgens 
bekende regelen het kwik als zwavelkwik bepaald. 

Kortelijk deel ik hier eenige eigenschappen van den erts me- 
de. Hij bestaat uit onregelmatige stukken van verschillende 
grootte. Aan sommige stukken was duidelijk de kristalvorm (rhom- 
boëderj te onderkennen. Zij waren gemengd met zwarte sterk glin- 
sterende , zeer magnetische kristallen van magneetijzer, bene- 
vens die stoffen, welke veelal in den grond worden aangetroffen. 

Breuk. Oneffen tot schelpachtig, daarbij glinsterend, doch ook 
somtijds dof. Kleur. Kochenlllerood, loodgraauw tot vuilgeel. 
In een kolfje verhit , sublimeert, onder ontwijking van zwavel- 
waterstofgas, zwavelkwik en kwik, met achterlating van een 
weinig asch , die onder toetreding der lucht op platinablik ge- 
gloeid, door ijzeroxijde roodgekleurd wordt. Het specifiek ge- 
wigt is naar 6 proeven bij 27° C. a 7,535—7,820. 

Uit de hiergenoemde eigenschappen , vooral wat het sp. gew. 
betreft, blijkt, dat de erts moet geplaatst worden tusschen Cin- 
naberaardefsp. gew. 8,0— S,1J en Levererts (sp. gew. 7,1 — 7,3), 
beide Cinnabersoorten, welke tot het winnen van kwik gebezigd 
worden. 



&2% 



Kwantitatieve Analijse. 

Bepaling van het Water. 

17,317 grm. verloren bij 100° C. gedroogd 0,0 17 grm.=;0,098 / o 
en 12,130 grm. verloren 0,013 grm. =:0,108°/ . Gemiddeld 
0,103°/°. 

Bepaling van het Magneetijzer. 

Drie hoeveelheden elk van 50 grm. werden met eenen magneet 
behandeld en hieruit als gemiddeld getal verkregen l,55°/ . 

Bepaling der in zuren onoplosbare stoffen 

Dit onoplosbare gedeelte bestond uit kiezelzuur , kiezelzure 
zouten en eene geringe hoeveelheid kool , misschien gedeel- 
telijk als carburetum ferri aanwezig zijnde. 

4,938 grm. van magneetijzer bevrijden erts (gelijk 5,014 grm. 
oorspronkelijk) gaven 0,070 grm. aan onoplosbare stoffen; dat is 
l,394°/ terwijl 5,549 grm. (o\ 5,635 grm. zooals het voor- 
komt) gaven 0,080 =: 1,419% Gemiddeld 1,4056% 

Bepaling van het Kwik. 

Na afzondering van de hier boven vermelde stoffen gaf de 
oplossing van 5,014 grm. aan zwavelkwik 4,84 grm. a 96,529%, 
waarin 83,2176 grm. kwik:- 5,635 grm. gaven 5,45 gr. 3 96,716% 
zwavelkwik waarin 83,3788 kwik. Gemiddeld aan 
zwavelkwik 96,624°/ of aan 

zuiver kwik 83.298% 

Bepaling der overige in zuren oplosbare stoffen. 

Naar verschillende bepalingen bedroeg de gezamenlijke hoe- 
veelheid gemiddeld 0,654°/ o en bestond uit Mangaan, Yzeroxij- 
de, Aluinaarde, Kalk, Magnesia, Potasch, Soda, Kiezelzuur, 
Phosphorzuur en Chloor. 

Resultaat. 

100 deelen erts bevatten aan 

Kwik 83,298 






323 



Zwavel . 

Magneetijzer 

In zuren onoplosbare stoffen 
In zuren oplosbare stoffen 
Water , 



13,326 
1,550 
1,405 
0,654 
0,103 



Totaal 100,336 
Een enkel woord aangaande een onderzoek van het op in- 
landsche wijze uit meergenoemden erts afgezonderde kwik moge 
hier nog volgen. Nadat het kwik door wasschen met zuiver 
water en filtrering van het op de oppervlakte aanwezige stof en 
een weinig oxijde bevrijd was, had het eenen helderen spie- 
gelglans, w T as bijna zilverwit, met eenen grijzen tint, vloeide 
gemakkelijk zonder staart en loste volkomen in salpeterzuur 
bij de gewone temperatuur op , vervlugtigde volkomen bij 
verhitting, en had kortom alle eigenschappen van zuiver kwik* 
Tot bevestiging dienen eindelijk de specifieke gewigtsbepalin- 
gen, welke bij 26° C. hebben gegeven 13,58— 13,59, waar- 
uit volgt, dat het kwik zoo zuiver is als men het met moge- 
lijkheid in den handel verlangen kan. 

Weltevreden 19 Mei 1852. 



NIEUWE PLANTENSOORTEN 



'S LANDS PLANTENTUIN TE BUITENZORG, 



J. E. TEIJSMAtfBï en g. BIME^DIJK 



Ordo MORELE. 

Endl. Gen. PI. 1859. 

Ficus Tournef. 

F. asperrima. 

Caule alte scandente radicante, foliis ovatis oblongis acutis basi intequa- 
liter rotundatis vel emarginatis supra strigosis utrinque asperrimis margi- 
nibis ciliatis subtus reticulato-nervosis , receptaculis ovatis asperrimis ru- 
bro-coloratis pedicellatis. 

De bladen van deze soort zijn scherper dan die van F. Ampelas 
Brown en F. politoria Lam, doch de stijve haren zijn langer dan 
van de twee genoemde , om welke reden dezen dan ook niet tot 
dezelfde doeleinden kunnen gebruikt worden. Zij zijn 2| -5 duim 
lang, 1| — 2$ breed, de bladsteel 3— 4 lijnen. Het receptaculum 
2 duim lang, in doorsnede \\ breed. 

Groeiplaats Gebergte van Buitenzorg. 

Naam (Mal.) Aroy Konjal. 

Bloeitijd Bijna altijd. 



3<27 



Ordo RUBÏACE^. 

Endl. Gen. PI. 3160. 

Pavetta L. 

P. subulata. 

Fruticosa, ramis erectis juniovibus compressis, foliis petiolatis elliptico- 
oblongis acuminatis basi attenuatis vel obovato-oblongis basi acutis utrin- 
que glabris supra lucidis , stipulis basi connatis apicibus lateraliter com- 
pressis subulatis petiolo longioribus, corymbis terminalibus erectis ifcricho- 
tomis magis minusve pubescentibus , calycis clentibus acutis , corolla alba 
tubo brevissimo gracili lobis oblorjgis sagittatis , stylo exserto , stigrnate 
bipartito segmentis linearibus recurvatis. 

Een heester, welke reeds eene hoogte bereikt heeft van on- 
geveer 8 rijnl. voeten. De regtstandige takken en takjes zijn 
met veel bladen bezet, die naar hun einde toe steeds klei- 
ner worden en van eene ligtgroene kleur zijn. Zij zijn 
2— 5| duim lang en 1—1$ breed, de bladsteel 3—4 lijnen 
lang. 

Om dezelfde reden, die opgegeven wordt in het Ned. Kruidk. 
Arch. 2 dl. bladz. 257 hebben wij de geslachten Pavetta en 
lxora vereenigd , daar de vroeger opgegeven onderscheidings- 
teekenen zoodanig ineenloopen, dat het onmogelijk is, daarnaar 
de geslachten van elkander te onderscheiden. 

Groeiplaats Gebergte van Baitenzorg. 

Naam (Mal.) Sokka poetïe. 

Bloeitijd Bijna altijd. 

Gardenia Eli. 
Endl. Gen. PI. 330o. 

G. Schömannii. 

Caule arboreo excelso , ramis patentibus inermibus, foliis ternis vel oppo- 
sitis lanceolatis breve-acuminatis integerrimis basi angustatis in petiolos 
magis minusve decurrentibus supra lucidis subtus subflavescentibus utrin- 
que glabris; corymbis axillaribus trifidis breve-pedicellatis, calycis tubo 
brevi 5 dentato , tubo corollas icflato intus purpureo-punctato , limbo 
5 partito , lobis ovatis acuminatis reflexis inodoris, antheris sessilibus, 
stigmate clavato bifido. Bacca subglobosa brevissima coronata basi angusta- 
ta 1 — 2 locularis multis seminibus. 



328 



Deze boom heeft reeds eene hoogte bereikt van ongeveer 
40 Rijnl. voeten, is met dunne takken bezet, bloeit zeer mild 
en draagt overvloedig vruchten. Ofschoon reeds verscheidene 
jaren in den plantentuin aanwezig, heeft hij in 1851 het eerst 
bloemen voortgebragt 

De bladen hebben de lengte van 2| — 3| duim en zijn 1 — 1| 
breed, de bladsteel 2 — 2| lijn; de bloemkroon Ij- — 2 duim; 
de doorsnede der vrucht is 1 — \\ duim, min of meer kort 
peervorrnig en grooter dan van G. Blumeana DC. 

De soortnaam is gegeven naar den heer G. Schóman Phil. Dr., 
als plantenliefhebber en bevorderaar der wetenschappen. 

Groeiplaats Residentie Bantam. 

Bloeitijd Mei , Junij. 

Rijping der vruchten Maart. 

G. curvata. 

Caule scandente, spinis ad bases ramulorum rcfiexis, petiolum aequanti- 
bus, foliis oppositis elliptico-oblongis acuminatis basi rotundatis vel acutis 
glabris subtus in axillis nervorum glanduliferis , floribus terminalibus subso- 
litariis hypocvateriformibas odoratis, calycis tubo quinquedentato, corolla 
tubo curvato limbo inaequaliter 5- fido ad faucem pilosiusculo , stigmatc 
bifido recurvato. Bacca globosa magnitudine cerasi majoris. 

Slechts aan de achtereinden der takken vindt men twee te- 
ruggeslagen doornen van 4 — 5 lijnen lengte. De nerven zijn 
aan den Voet des blads tegenovergesteld, de middennerf geelach- 
tig wit. De klieren in de oksels der nerven bevinden zich 
somtijds tot in de bovenste paren. De bladen zijn 4 — 6| duim 
lang. 2| — 3| breed. De kelk 5 lijnen, de buis der bloem 1% 
duim lang. Bij hare eerste ontwikkeling zijn de bloemen melk- 
wit , doch twee dagen later zwavelgeel en van een' aange- 
namen reuk. De vruchten zijn | duim in doorsnede. 

Groeiplaats Residentie Bantam. 

Bloeitijd Bijna altijd. 



329 

Ordo OLEACEiE. 

Linociera Sivarlz. 
Endl. Gen. PI. 3347. 



L. rostrata. 



Caule fruticoso, ramis ramulisque verrucibus minutissimis, foliis cllip- 
tico-oblongis longe-rostratis basi acutis integerrimis vel undulatis coriaceis 
glabris nervis lateralibus vix perspicuis subtus flavo-virescentibus breviter 
petiolatis , racemis axillaribus ramulis apice trifloris , petalis fornicatis al- 
bidis , fructibus oblongis coeruleo-nigricantibus. 

Een middelmatige heester met min of meer regtstandige 
takken. De bladen zijn 3 — 4-j duim lang en 1| — 1| breed, 
de bladsteel 2 — 3 lijnen lang. De blaauwzwartachtige vruch- 
ten hebben onder de opperhuid eene reukelooze en zeer vette 
olie. 

Groeiplaats Gebergte van Buüenzorg. 

Bloeitijd September , Oktober. 

Rijping der vruchten Twee maanden later. 

Ordo APOCYNACEJE. 

Rauwolfia Plum. 
Endl. Gen. PI. 3391. 

R. reflexa. 

Arbuscul. ramulis trigonis interdum tetragonis , foliis ternatis vel ver- 
ticillatis elliptico-oblongis superne latioribus acuminatis basi angustatis in 
petiolum decurrentibus utrinque glabris longe-petiolatis, pedunculis 3 — 4 um- 
bellatis et apice umbelliferis , floribus 3 — 4 reflexïs , tubo corollae calyce 
duplo longiore albo odorato ad faucem pilosiusculo , baccis cerasiformibus 
pendulis , seminibus compressis. 

Dit boompje heeft eenige overeenkomst met B. sumatrana 
Jack doch is evenwel genoeg onderscheiden , vooral door de 
teruggeslagen groei wijze der bloemsteeltjes en de lengte van 
den algemeenen bloemsteel, welke tot aan de verdeeling 2 duim 
lang is. De bladen zijn 3—6 duim lang en 2— 2| breed, de 
bladsteel lf duim. De hangende vruchten aan lange steelt jes 
zijn in onrijpen staat grijsachtig wit, de rijpe donker paars. 
Ook zijn deze veel grooter dan van de genoemde R. suma- 



380 



trana. Het witachtige vocht, door insnijding uit de vrucht ver- 
kregen, is in verschen toestand rekbaar en sterk, doch koud 
geworden zijnde zeer broos. 

Groeiplaats 

Bloeitijd Bijna altijd. 

Ordo EBENACEiE. 

Diospyros L. 
Endl. Gen. PI. 4219. 

D. aurea. 

Caule avboreo, ramis fastigiatis ramulis petiolis pedicellisque junioribus 
ferrugineo-puberulis, foliis bifariis alternis elliptico-oblongis breviter acu- 
minatis basi acutis angustatis in petiolos deeurrcntibus supra glabris nitidis, 
petiolis crassiusculis, floribus bermapbroditis axillaribus solitariis, calyce 
4 — 5 fido lobis acutis extus revolutis glabris, corolla 4 — 5 fida apice con- 
stricta calyce vix duplo longiore, staminibus 10—11, stigmate profunde 
3 fido. Bacca globosa aurantiaca. 

Gecne der ons bekende soorten brengt zulke goudgele bloe- 
men voort. De stam heeft zich op eene hoogte van 4 voeten 
in takken verdeeld, welke zeer digt en door elkander geplaatst 
en met vele bladen bezet zijn, zoodat zij eene zeer digte kroon 
vormen. De bladen zijn 4 — k\ duim lang en 1| — 1|- breed, 
de bladsteel 4 — 5 lijnen lang. De vrucht is van eene oranje- 
gele kleur. De zaden zijn meest onvruchtbaar. 

Groeiplaats Residentie Bantam. 

Bloeitijd Mei en Junij. 

Bijping der vruchten September. 

D. laxa. 

Caule arboreo , ramis laxis, foliis bifariis alternis oblongis breviter ob- 
tuse-acuminatis coriaceis glabris basi acutis marginibus revolutis subtus 
nervis subcarinatis flavo-virescentibus breve-petioiatis magis minusve canali- 
culatis, floribus bermapbroditis axillaribus solitariis, calyce 4-fido lobis la- 
tissimis retusis refiexis glabris , corolla calyce duplo longiore 4-fida lobis 
acutis patentibus gilvis basi albidis, staminibus 3 — 10, stijlis 4 basi adnatis. 
Bacca magnitudine cerasi minoris 8-locularis glabra. 



331 



Even als de vorige is zijne stam verdeeld. De lakken zijn 
slap en wijd uitgestrekt en vormen door hunne talrijkheid eene 
sierlijke kroon. De bladen zijn 4§— 6 duim lang, 1| — 2 breed, 
de bladsteel 2—3 lijnen lang ; de bloemen hebben de lengte 
der bladstelen. 

Het is nog niet bekend of deze beiden eenige soort van eb- 
benhout zullen opleveren. 

Men zou ze kunnen rangschikken in de sectio III § 1 der 
Prodr. Dec. VIII, 224. 

Groeiplaats De berg Sallak. 

Bloeitijd Mei , Junij. 

Rijping der vruchten September. 

Ordo ANONACEiE. 

Uvaria L. 
Endl. Gen. PI. 4717. 

U. c on ca va. 

Sarmentosa, foliis alternis elliptico-oblongis acuminatis basi angustatis 
subrotundatis integerrimis hyalino-marginatis supra nitidis utrinque glabris, 
petiolis mediocribus basi articulatis supra canaliculatis interdum subglauees- 
centibus, pedunculis oppositifoliis solitariis petiolo duplo longioribus 1 brac- 
teolatis caducis, floribus concavis petalis 6 aequilongis connatis apicibus ro- 
tundatis inflexis atropurpureis scabriusculïs, calyce sepalis 3 basi cbalitis, 
lobis extus furfuraceis intus pubcrulis, carpellis oblongis acutis longe 
pedicellatis sanguineis. 

Een rankengevende heester met donkerbruine of zwarte tak- 
ken, die zich in zeer hooge boomen verwarren. De bladen 
zijn 4 — 9 duim lang en 2 — 2^ breed, de bladsteel 3—4 lijnen 
lang. De bloembladen 1 duim lang en aan de punt | duim 
breed. De middellijn der geheete bloem is lf duim. De 
vruchten lf — 3 duim lang, waarvan de grootsten meestal twee, 
zelden drie zaden bevatten, 

Hoewel er eenige overeenkomst bestaat tusschen deze soort 
en U. pur pur ea KI. Fl. Jav. Anon. Tab. I, moet zij ge- 
rangschikt worden in de afdeeling petalis inflexis. Daar de 



bloembladen min of meer te zamen gegroeid en de afgeronde 
punten binnenwaarts geslagen zijn, ontstaat hierdoor een ver- 
diept geheel. 

Groeiplaats Sumatra. 

Bloeitijd September en Oktober. 

Rijping der vruchten Twee maanden later. 

Ordo TERNSTROEMIACE.E. 

Ternstroemia Vent. 
Endl. Gen. PI. 5409. 

T. gedehensis. 

Arborea, ramis strictis innovando-brachiatis vel ternatis, foliis biennibus 
cujusvis anni ternatis vel subverticillatis approximatis oblongis acuminatis 
vel subretusis basi acutis in petiolos decurrentibus coriaceis integerrimia 
supra lucidis subtus nitidis interdum subquintuplinervibus , petiolis pedicel- 
lisque basi articulatis , floribus inter foliorum fasciculos solitariis flavis 
odoratis, pedicellis floribus pluries longioribus, calyeibus bibractcolatis mi- 
nutissirnis, petalis reflexis. 

Een kleine boom met breede kroon, wiens stam zich op 3 
tot 4 voet in eene menigte niet zeer dikke takken verdeelt, welke 
boven den grond met heldergroene lichtende bladen bezet zijn. 
Aan het einde van eiken tak ontspruiten drie takjes , die aan 
het einde elk drie of vier kransvormig geplaatste bladen hebben. 
Deze takjes zijn ongelijk van lengte, zoodat men altijd twee vindt 
van 2\ tot 3| en de kortste van 1 — 1 j duim. De afstanden 
der bladkransen zijn veel grooter dan in T. japonica S. & Z. 
Fl. Jap. Tab. 80, tusschen welke 7— 11 alleenstaande bloempjes 
zich bevinden. De bladen zijn 2|— 3 duim lang en 1 — 1 1 breed, 
de bladsteel h tot 6 lijnen lang. 

Hoewel deze boom zeer mild bloeit heeft men er echter nog 
geene vruchten van verkregen. 

Groeiplaats De berg Gedeh. 

Bloeitijd Bijna altijd. 

Buitenzorg , Februarij 1852. 



NOTULEN VAN DE GEWONE VERGADERING DER 
NATUURKUNDIGE VEREENIGING, 

BEHOUDEN DEN 5DEN MEI 1852 TEN HUIZE VAN DEN HEEK BlEEKER. 



De vergadering heeft plaats des avonds 8 uur. 
Tegenwoordig zijn de 

Dirigerende leden: 

de HH. P. Bleeker, President. 

J. H. Croockewit. 

J. Groll. 

P. J. Maier. 

D. W. Rost van Tonningen. 

H. D. A. Smits, Sekretaris. 
zijnde de heer P. Baron Melvill van Carnree verhinderd de 
vergadering bij te wonen en de overige dirigerende leden van 
Batavia afwezig. 

Voorts nemen deel aan de vergadering de 

Gewone leden: 



de HH. A. 


G. Brouwer. 


„ A. 


Scharlée. 


„ A. 


J. D. Steenstra Toussainï 


„ c. 


H. G. Steuerwald. 


„ D. 


L. Wolfson. 


en ais 






Gasten : 


de HH. D. 


Doijer. 


„ E. 


Netscher. 



» 



J. J. B. SPOELSTRA. 



III. 27 



De President, de vergadering geopend hebbende, deelt mede, 
dat het gewone lid, de heer J. Groll , in de vergadering der 
direktie van den 2isten April j. 1. tot lid des bestuurs is ver- 
kozen, en verwelkomt den heer J. Groll als zoodanig. 

Op eene gemotiveerde voordragt van het bestuur worden 
benoemd tot 

Gewone leden: 

de HH. P. Diard, honorair inspekteur der kultures, R. O. N. L. 

te Batavia. 
„ E. Netschbr, 2de kommies ter algemeene sekretarie , 

te Batavia. 
,, Mr. A. Prins, algemeene sekrelaris, te Batavia. 
„ H. A. Sciireuder, praktiserend geneesheer, te Batavia. 
„ J. A. Vriesman , resident van Tagal , te Tagal. 

De heer E. Netscher , in de vergadering aanwezig, wordt 
door den President geluk gewenscht met de hem te beurt 
gevallene onderscheiding. 

De President doet voorts mededeeling , dat de 2de en 3de 
afleveringen van den derden jaargang van het tijdschrift gelijk- 
tijdig zullen worden uitgegeven , zijnde de uitgave van de 2de 
aflevering vertraagd geworden door het lithographieren en druk- 
ken van de kaarten en platen, behoorende bij de verhandeling 
van het besturend lid Corns. de Groot over Blitong (Biliton). 

De heer Rost van Tonningen spreekt over het platina. Hij 
geeft een kort overzigt van de geschiedenis van dit metaal , 
deelt mede op welke plaatsen het vooral wordt aangetroffen 
en verzameld , spreekt over de groote produktie van Rusland 
van platina en de voordeden, welke dit land daarvan trekt. 
Voorts handelt hij over de eigenschappen van dit metaal en 
de toepassing daarvan in het gewone leven , in de wetenschap 
en de industrie en eindigt met eenige mededeelingen omtrent 
het voorkomen van platina op Borneo, waarbij hij wijst op 
de overeenkomst tusschen het voorkomen er van in Rus- 
land en op Borneo. In Rusland toch wordt het meeste pla- 
tina gevonden , daar waar chroomijzererts aanwezig is en het 



333 



voorkomen van chroomijzererts op Borneo nabij de plaatsen 
waar men platina vindt, is insgelijks thans reeds voldoende 
aangetoond. De heer Rost van Tonmngen vermoedt op dien 
grond, dat Borneo eene voorname rol in de platina-produktie 
zal kunnen spelen. 

De heer Ckoockewit noodigt de vergadering uit tot bezigti- 
ging der vogels en zoogdieren welke hij, voornamelijk op Bor- 
neo, in Koesan, heeft verzameld. Deze kollektie bestaande uit 
niet minder dan 554 vogels en eenige zoogdieren is bestemd 
voor 's Rijks Museum van Natuurlijke historie te Leiden. On- 
der de vogels zijn waarschijnlijk meerdere nog onbekende 
soorten , welker bepaling echter , wegens de onvolledigheid 
der te Batavia aanwezige hulpmiddelen hier niet doenlijk is. 
Evenwel zijn van de Borneosche vogels de volgende soorten 
bepaald herkend geworden. Falco ptilonorhijnchus , Falco 
ichthyaetus , Falco coerulescens, Picus pulverulentus , Picus 
puniceus, Picumnus abnormis, Psittacus philippensis, Phoeni- 
cophaeus javanicus, Bucco mystacophanes , Bucco chrysopogon, 
Bucco multicolor, Cuculus orientalis , Cuculus canorus, Melias 
calorhijnchus, ïrogon fasciatus , ïrogon oreskios , Alcedo so- 
litaris , Alcedo meninting , Alcedo hispida , Buceros plicatus , 
Rupicola viridis, Eurijlaimus cucullatus , Eurijlaimus nasutus , 
Eurijlaimus Horsfieldii, Podargus javanensis, Cypselus longipen- 
nis , Cypselus cornutus , Cinnyris lepidus , Cynniris sperata , 
Nectarinia inornata, Gracula religiosa, Phyllornis cyanopogon, 
Pitta Baudii , ïurdus ochrocephalus , Lamprotornis cantor , E- 
dolius remifer, Edolius puella, Oriolus xanthonotus, Muscicapa 
miniata , Muscicapa flammea , Muscicapa indigo , Columba ca- 
pella , Columba perspicillata , Merops badia , Malurus gracilis , 
Ibis falcinellus, Scolopax gallinago , Anhinga Levaillantii, Ardea 
goliath. Alle voorwerpen dezer verzameling bevinden zich in 
eenen uitmuntenden toestand van bewaring. 

De heer Bleeker brengt ter tafel de reeds vervaardigde af- 
beeldingen voor een groot ichthyologisch plaatwerk over den 
Indischen Archipel , met welks uitgave een begin zal worden 
gemaakt, wanneer zulks door de ondersteuning der regering 



SS6 



mogelijk zal zijn geworden , waartoe trouwens gegronde hoop 
bestaat Deze afbeeldingen , reeds meer dan 200 in getal , 
vertegenwoordigen voor verre weg het grootste gedeelte door 
den heer Bleeker ontdekte soorten, munten uit door naauwkeu- 
righeid en hebben betrekking tot 33 Percoïden, 3 Scleroparei, 
5 Sciaenoïden, 1 Scomberoïed , 4 Blennioïden , 4 Gobioïden, 
2 Nandoïden , 4 Kamschubbige Labroïden , 4 Gladschubbige 
Labroïden , 37 Siluroïden , 72 Cyprinoïden , 1 Luciocephaloïed, 
1 Clupeoied , 2 Salmones , 26 Muraenoïden , 7 Gymnognathen 
en 7 Lophobranchiën. Zij maken echter nog slechts een ge- 
ring gedeelte uit der teekeningen, welke de heer Bleeker plan 
heeft te doen vervaardigen, zullende hij zoo mogelijk, alle 
Nederlandsen-Indische visschsoorten van zijn kabinet, ten be- 
drage van meer dan 1100, doen afbeelden. 

Na bezigtiging dezer platen , waarbij de heer Bleeker op- 
lettend maakt op talrijke zeer merkwaardige vormen en eenige 
bijzonderheden mededeelt omtrent de geographische verbreiding 
der visschen in den Indischen Archipel , vertoont de heer 
Smits zijne Kaart van Straat Makassar , welke thans voltooid 
en afgedrukt is. 

Niemand verder het woord verlangende of iets voor te stel- 
len hebbende, sluit de President de vergadering. 

Batavia, 5 Mei 1852, 
Mij bekend : 
De Sekretaris , 
H. D. A. Smits. 



BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD 



Aardbeving in de residentie Cheribon. 

In de Javasche Courant van den 1'iden April 1852, komt 
volgend berigt voor: 

„Den 22sten Maart, des avonds ten half tien ure, zijn in de 
„rigting van o. naar w. drie elkander snel volgende vrij he- 
iige schokken eener aardbeving te Tjiamies, in de residentie 
„Cheribon, gevoeld, welke echter geene ongelukken of schade 
„hebben veroorzaakt." 



Uitbarsting van den Gedeh. 

In de Javasche Courant van 9den Junij 1852 blijkt, dat eene 
vrij aanmerkelijke eruptie van den Gedeh heeft plaats gegrepen. 
Volgend berigt is aan deze Courant ontleend. 

„Van Tjandjoer wordt gemeld, dat bij de uitbarsting van 
„ den vulkaan Gedeh , in den morgen van den 28sten Mei j. 1. 
„eene groote hoeveelheid steenen van 2 tot 12 voeten diarne- 
„ter, en asch zijn uitgeworpen, die den groententuin te Ke- 
„dongbadak hebben beschadigd en genoegzaam overdekt. 

„De tuinjongens, dien ten gevolge gevlugt zijnde, bleef het 
„huis te Kedongbadak verlaten; het dak is door de vallende 
„steenen ingeworpen en nedergekomen op een vuur, op het- 
„welk men rijst gekookt had, waardoor het huis geheel ver- 
„ brandde." 

De redaktie is in de gelegenheid , omtrent deze uitbarsting 
nog de volgende bijzonderheden mede te deelen, welke zij te 



338 



dankon heeft aan den heer Friederich, wiens berigt hier in 
zijn geheel volgt : 

„ Ik beklom in gezelschap van den heer E. Hardouin op den 
„23sien Mei 1852 den Pangerango, en bezocht den 2isten, op de 
„ terugreis, den krater van den Gedeh. Op dien dag, slechts 4 dagen 
,,v.oor de laatste eruptie, vertoonde de krater geene buitenge- 
,,wone verschijnselen; de zwaveldampen drongen wel is waar 
,,uit meer dan 20 gaten omhoog, maar er was geene grootere 
,, rookkolom. Den28sten zagen wij te Toegoe aan den voet van 
,,de Megamendoeng, alwaar de krater van den Gedeh door den 
,, Pangerango aan het gezigt onttrokken is, eene prachtige en 
„breede rookkolom achter den Pangerango oprijzen. Onze Ja- 
,, vanen hadden ook een drie keeren kort achter elkander her- 
,,taald dof geluid gehoord, op donder in de verte gelijkende, 
,,doch wij namen dit niet waar. De eruptie duurde tusschen 
,,5 en 10 minuten, na welken tijd de kolom zich als in krul- 
,,len verdeelde en met de uit de gebergte oprijzende wolken of 
,, nevels versmolt. Voor en gedurende de eruptie was de lucht 
,, helder en zonder eenige wolken. Gedurende de volgende dagen 
,,was het weder nevelachtiger dan gewoonlijk. De vallende 
.,steenen konden wij wegens de distantie niet zien. — Om- 
,,lrent48 uren na de eruptie was er eene vrij hevige aard- 
,, beving, die den heer Hardouin en mij ontwaken deed. Deze 
,, aardbeving is ook op het land Pondok Gedeh van den heer 
,,Van den Bosch bespeurd, doch schijnt te Buitenzorg niet 
,, waargenomen te zijn. Eenige zwakkere trillingen geloofde 
,,de lieer Hardouin gedurende de eruptie waar te nemen, en 
„ook ik meende in die dagen verscheidene keeren, dat de 
,, moederaarde uit hare gewone traagheid opgewekt was. — Op I 
,, Pontjak, het hoogste punt van den weg over den Megamen- I 
,,doeng, hoorde ik nog van de inlanders, dat bij de eruptie 
,,een breede zoom van vuur op den krater der bergs gezien 
,,werd. Hij pas niet hoog genoeg, om ons te Toegoe zigtbaar | 
,,te kunnen worden." 



3S9 



Nog iets over de aardbeving op Bali van 17 
Febniarij 1848. 

Bij het boven gegeven berigt voegt de heer Friedekich nog 
het volgende over eene vroeger door hem waargenomen aard- 
beving te Kassiman in Badong (zuidelijk Bali) : 

„Van andere aardbevingen, die ik in Indië waargenomen 
„heb, verdient die van 17 Februarij 1848 nog opmerking. 
,, Daarover is gehandeld in het Tijdschrift voor Nederlandsen Indië 
,,jaarg. X bladz. 161, en zij is volgens het daar gegeven be- 
zigt ook te Boleling op de noordkust van Bali gevoeld. Ik 
„was in dien tijd juist op het tegenoverliggend zuidelijke einde 
„van Bali in mijn huis te Kassiman in Badong. Er waren 
„toevallig twee vreemden bij mij, de heer Helms van Koetta 
„en mijn oude huisvriend Goesti ICtoet Wangaja. Toen wij 
„ bijna op het punt stonden van het ontbijt te nuttigen, begon 
„de lamp boven onze hoofden te slingeren, en wij voelden 
„herhaalde hevige schokken, die ons zeer spoedig uit het huis 
„deden vlugten. De schokken duurden omtrent 3 minuten, 
„en ik geloof later nog trillingen waargenomen te hebben. 
„Deze aardbeving, op de twee uiterste punten van Bali ge- 
„voeld zijnde, zal wel door het geheele eiland waargenomen 
„zijn." 



uo 



re 
ei 

o 

CA 



fcJO 
H 

re 

Ph 



«5 



s 


■s 


w 


C£ 


sz; 


CT> 


rt 


^ 


^j 


10 


-p* 


00 


£ 


I-H 




«3 


cc 


« 

**>. 


w 








o 


CO 




"«S 







. 


«> a > e ' 


fi 

.5 


» C3 _ hi ^ 


15 


„ « fi o S 

'S » 4) ï ï C 


s 


b -f S-3 


s 


n5 g « S o b 


(B 


.2 ? Ja >- * 


«*! 


> £ a -a -a 




fe O ^ 




fe B Sfc «uOOOOOOÏ^i*» 


lap SijStjpjoojj 




^ N Z * 


'ST U0[ 




-JT5A33 UaSjI 95[{3.VV 


COCOOSCOOI>JOCS©«0»Oa> 


do 'uaBep pja*) 






| | | , J-----T 


BSSBin XiaSèl U3TTBA 




^1" QOWO CD CO 


-aS iap ajSoofl 


O — Ji5 -f IflO» 
CO QC cv so c ■**• Mt 




O O O O «- — CO 








o o o o o o o 


•piapuoq U3j 


1 "* co 
| i i i i «O T»««M 


pTaijotiijoo.v a~n[]\ 


»0 — — ' OS ï> " O) CM 
1 1 1 1 1 CD^CO^ 30^Q0_C5 -^*p 


-jjpp loq apjappiiu 


■<*" »c" cT CO C<) -rf rf <o 


-aJ} 3q;-)s>(ri[3|)tiBB|v 


OOQOOOOl^OQO'JO 


•li|on [ 'm 


1 f 1 r to 1/3 »© 


qtiq | do uiJOAiIiHBn 


ui njonjsSuu5[ 


«os w o r*» 


111 1 co oo oo i> co o 


-duiep Jap aijEijaS 


*o «c oo -r ~r — to o 
i>^ c^ «v o as — o ^ 


-joibav ppppimai} 


_ T _T o" " grf " pj j^ 


H0S5|fl|apUBB[^ 


o)««cj^««w 








o o c ~ o 








CO o = & c CO 00 C> 






•aijos7if][ 


CS 00 CD CO ~ Cfi — CV 






Oo c '-OWO0XOIOM 








o T^r^cOt^C» — cOCOCtfOOcD 


S 




-apuBBia 


cv «p co" t>" r» cc' " r-T i>' t>T oo" c>T c>T 


O 




««w««w«wwn« 


Q 

3 


T3 








e f 
efrcoselOolOe o 


o 


" 




— csoio^as — «n«. t> 








SB 


w 




00l>I>00Q0t^000DC5>OSasO0' 


T3 




CVWOlCVWOiWWWWWCi 




5 


•3XJ0S5(fl[ 


c««««»««»A^A 


Ï5 


Cl 

bD 


-aSep 


ciO c-»Ooc«5o»0»Ö»0 


■"■" 




»Oo 0000'-'tOl>»C , 040— ' 










PS 






vstfihiGooyoiocat^ioto 


tp 






« w w w w « w cv w :) oj « 


ö 






B 


H 






«»«««*«*»»»»«<* 


«s< 







1» 












co-oc--=-- o 


ttj 


C 




OO^t^T^OO 00 00^ CO CO^TP Tf rf 


Ou 


£ 

o 


•ajsSeBf 


CO Cl T CO~CO~CV OJ o oftt'** 1^ 




cvwcicvwcvwcvrjoicvw 


H 














bD 




ceccc = ccc 




~ 




°1 °ï. ^ °.. "t. "*. w "*. w 




o 


•sisSooq 


cvToT— — — "" cT — " -^ rcT co co os 




F 




coeococococoeocococococo 


SB 

Cd 






Q 
S5 


t. u ,_ 

SB» S 3 ^3 ^ ^5 £ 

'z 5 • ■£ s c s - 
b S •- r3 :b».^-, = i 3 a* S 






B-Q * S 'S c;::: fc= C--" ^ W 








5 » ' ~Ji = a = v^4 o o 



B •* 

-s S 

5 S 

si B 

SO 
to 

2 ö 






P^ 



-GO 



e 



'S,.. 

« O e» 

I'S- 

p £ w 

n3 -o -a 
« 5 e 

S c «> 

W J) cc 

'S ° 
. 'E *> 

o S bo 

%%% 






er — « 

a-^4 3 
S « ^ 
■2 « o 

© t>» 

2 ,2 o" 

2 'S " 

.S 'S 3 

coO - 

^3 S 

O 

.3 a<» 

ce « ns 



2 « 



MET VIJF NUMMERS VAN STEENKOLEN UIT B 
(Men is voor elke soort 6 uren 



» UJN ORANJE-NASSAU EN MET ENGELSCHE. 
nd er stoom geweest). 





\°l 


1 
1 


S 
1 


| 


-Jcs 

: =^ 

is-i 

lil 




'S c 
i 1 
1- 




1| 


A 


i 

s 
1 


Koud 


™,ïf- 




1 


!•" 


"l 


i 


3 


1 


J 
J 


1 


3 








m 


,„ 




Vd.l'.l. 


Ked. ra. 


•fi 


Ned. Pd. 


Wed. Pd. 


2 






















■3 




* 


$M 








?i 






" 1 • 




















I 


6>i 


1.321 


Tij 




1-30' 


900 


G90 


s-ij 


525 


25 


ijr 


86 


3* 


114 


3£ 


if 


5 


86 


7G0 






" 




s 


.= 1 








ii 


























— 








~i — 


- , — 









■3 






j 




















, 


1 

1 


1 .305 




2-S 


1-23' 


1058 


505 


-1 SS 


418 


20 


i il 

.f '1 


85 


3J. 


112 


3; 






35 


760 


° 




■s-i 




i 


la 








!§■ 






ifl 


















c. 


f] 

J.f 


1.355 


ijl 


pi = 


1.42' 


003 


G25 


:1 

1,1 


530 


28 


, s 


86 


* 


1H 


3} 






86 


7G0 


''< 












































s| 




1 


.= 61 














----- 






















i 




1 


, 








si 
















































D. 


11 


1.2% 


i- 3 


.8 


1.20' 
1.41' 


105G 


G80 


I'S 

"1 


133 


10 


1 


88 


4 


112 


H 






87 


760 
















































gp 






■ïl 








Jl 






#0 














E. 


1.3 


a 


1 a 


1"39' 


8G1 


674 


«'ë | 


007 


75 


'-S 


113 


4 


113 


3J 


*i 


H 


84 


760 


3 




&H 






"1 












ft 




























■- 








•o o 




































































F. 


I 1 


1.3C5 


j 


■e »g 


1-14' 
1-22' 


870 


GG4 


■SS i 

| g -|| 


570 


U 


■ilill 

- 

mi 


105 


4 


114 


3 


i; 


4 


87 


760 


2 



PROEVEN VAN STEENKOLEN UIT DE MIJN VAN KANTISSAN EN MET ENGELSCHE. 
(Men is voor elke soort 2 uren onder stoom geweest). 















Ned.pd 


Ned. Pd. 




Med. Pd. 


Wed. Pd. 














Eng. Pd 








f 


1 


1 


1 
8 


1 
1 


1 


300 


030 


f 


170 


f 


1 


8G 


3+ 


114 








, 


760 




& 


a 


3 


i 


3 


^ 






< 




a 










































" 
































































1 


■ = 5 ï 


1.35 


B 


| 


4 E. Pd. 


1100 




SUiH 


272 


f 


4 


88 




115 














' 


; 




|" 


^ 


2" 30' 






■ ; c 


v.iiu !:■:! 


1 























k 



UI 



Verslag van proeven met Indische steenkolen , geno- 
men in April 1852 aan boord Z. M. stoomschip 
Vesuvius door den heer Gortn s . de Groot , Inge- 
nieur voor de mynen in Nederlandsch Indië > in 
kommissie vereenigd met de heer en P. A. Matthy- 
sen, bevelhebber , en I. F. Koopman, eersten officier 
van dien bodem. 

Deze proeven, genomen met kolen der mijn Oranje Nas- 
sau op Borneo en uit de mijn van Kantissan op de west- 
kust van Celebes, strekten ter bepaling van de algemeene waar- 
de der brandstof en die voor het stoomwezen in het bijzon- 
der. Tot dat einde zijn zij ook vergeleken met de Engelsche 
soort, zoo als die in Indië wordt verstrekt. Zij hadden in zee 
plaats. 

Uit de mijn Oranje-Nassau te Pengaron zijn 5 verschillende 
soorten of lagen gebezigd, en voor de volledigheid der waar- 
nemingen voor elke soort een afzonderlijke dag genomen. Uit 
de proeven, welker uitvoerige resultaten in de hiernevens ge- 
voegde staten zijn vereenigd, blijkt, dat de soorten A , C en D 
zeer gunstige resultaten opleverden, vooral tegenover de Engel- 
sche, welke te Onrust waren geladen. De berigtgevers beve- 
len ze dan ook aan , immers voor gewone ketels met vlamgan- 
gen gelijk de Vesuvius heeft , in het midden latende of zij te 
veel roet zouden geven om op den duur in tubulaire (vlam- 
pijp — ) ketels te worden gestookt. Ook is op te merken, dat 
deze steenkolen regtstreeks uit de mijn aan boord zijn gezon- 
den, terwijl de Engelsche door herhaald verschepen en lang 
liggen in de magazijnen in goede hoedanigheden achteruitgaan. 

De heer De Groot heeft ook de kolenlagen op den Noord- 
hoek van Poelo Lawut onderzocht , en zoowel de hoedanigheden 
als de zwaarte en strekking der lagen voortrefTelijk bevonden. 
De plaatselijke omstandigheden maken daar echter eene vesti- 
ging onmogelijk en bovendien loopen de kolen onder de zee 
weg, hetgeen natuurlijk de ontginning kostbaar zou maken. Het 



UZ 



onderzoek van het ijzerzand te Pagatan en op Poelo Lawut aan- 
wezig, heeft het als chromiumijzer doen kennen, doch de ver- 
wachting teleurgesteld van het ter exploitatie te kunnen aan- 
bevelen. 

De steenkolen van Kantissan hebben voorshands niet voldaan; 
zij verbrandden niet vlug genoeg en ontwikkelden geene ge- 
noegzame warmte om voortdurend de noodige hoeveelheid stoom 
te kunnen voortbrengen. Het verbruik tot stoom opstoken en 
dat per uur vereischt, is niet groot; doch er is wegens de 
langzame verbranding zooveel meer tijd noodig, en uit dien 
hoofde werden zij voor als nog als ongeschikt voor de stoom- 
vaart aangemerkt. Nadat bij de proef de stoom eene spanning 
van 5 Eng. pd per □ Eng. dm had bereikt, werden de werk- 
tuigen aangezet ; zij deden 20 omwentelingen in de minuut en 
gaven het schip eene snelheid van 6 3 / 4 mijl per wacht, doch 
reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorg- 
vuldig ook werd gestookt, tot op 3 en l ] / 2 Pd gedaald, en de 
omwentelingen zoowel als de vaart verminderden aanmerkelijk. 

De beide ketels van den Vesuvius houden te zamen 33500 
Ned. kan water en 18800 kub. palmen stoom-ruimte. Elk van 
de 4 vuurhaarden is lang 1,9, breed 0,9 el; de roosterstaven 
hebben 1 Ned. d m afstand ; de schoorsteen is 10 el hoog en 
van P/e el middeilijn. Om het uur is gespuid, vermoedelijk 
telkens 4000 Ned. kan. 



Minerale wateren van Maros op Celebes. 

De heer E. F. Graaf van Bentheih Teeklenburg Rheda, adsis- 
tent resident van Maros, berigt der Vereeniging, dat hij tijdens 
een bezoek der nieuw ontdekte kolenlagen in Maros, twee 
warme minerale bronnen heeft bezocht, waaromtrent hij het 
volgende mededeelt. 

Aan de beide lage oevers van de rivier Maros, op onge- 
veer 5 palen afstands van de hoofdplaats Maros, bij de kam- 



348 



pongs Amarang en Magemba bevinden zich twee warme mi- 
nerale bronnen. 

Het water van beide bronnen is helder, reukeloos , van een 
flaauw zamentrekkenden, prikkelenden, zuurachtigen smaak en 
heeft eene temperatuur van ongeveer 41° Cels. 

Het water der eene bron borrelt in de rivier zelve op , naast 
eene steenkolenlaag, en vermengt zich natuurlijk onmiddellijk 
met het rivierwater. Dat der andere bron welt, bij laag wa- 
ter, op 30 tot 40 schreden afstands van de rivier op. 

De heer Van Bentheim voegt er nog bij , dat zilver en ijzer in 
het water zwart worden en dat de ligging der bronnen uitmun- 
tend geschikt is voor de oprigting eener badplaats. 

Het is wenschelijk, dat eenige flesschen van deze wateren aan 
de Vereeniging worden gezonden, ten einde een scheikundig 
onderzoek verder over de waarde daarvan in geneeskundig op- 
zigt kunne beslissen. 



Kina- kuituur op Java, 

Bij brief van den 17den Augustus 1851 deelde ik der redaktie 
mede, dat er veel waarschijnlijkheid bestond, dat de kuituur der 
door den hoogleeraar Miquel gezondene kinaboompjes zou slagen. 
Thans gevoel ik mij verpligt op te merken , dat die verwachting 
niet verwezenlijkt geworden is, aangezien het bij de opening 
der kist, waarin gedachte boompjes zich bevonden, bleek, dat 
er slechts één jeugdig plantje leefde , waarvan echter de wor- 
tel reeds gedeeltelijk afgestorven was. 

De 1ste hortulanus van 's lands plantentuin te Buitenzorg , 
de heer Teijsmann, die er zelf veel belang in stelde, beproef- 
de alles wat wetenschap, in verband met ervaring, vermag, om 
het nog levende gedeelte in leven te houden , zonder nogtans 
zijne pogingen met gewenscht gevolg bekroond te zien. 

In het begin van de maand April j. 1. ontving het gouver- 
nement andermaal uit Nederland eene bezending kinaboompjes 
met het schip Prins Frederik der Nederlanden, kapt. P. Hru- 



844 



dekoper, van welke bezending evenwel, in weerwil der daar- 
voor gedurende de reis aan boord besteede zorgen , zoo als bij 
het openen der kisten te Buitenzorg bleek, maar één boompje 
het leven behouden had. De overigen waren allen dood. Dit 
levende boompje , genaamd China calisaija, met veel moeite en 
kosten door den hoogleeraar Vriese te Leiden uit den planten- 
tuin te Parijs verkregen, draagt den naam van de provincie in 
welke hare bast verzameld wordt doch is ook in den handel 
bekend onder den naam van Koningskina. De species welke 
deze kina levert, is tot dus ver nog onbestemd, hoezeer Von 
Humboldt en Bonpland meenen , dat ze afstamt van de Cinchona 
cordifolia Mutis. Zoo veel is zeker, dat in het jaar 1788 — 
1789 de eerste verzending van haren bast naar Madrid plaats 
had en daar voor het uitsluitend gebruik des konings gekocht 
werd. De bast bevat van alle bekende kinasoorten de meeste 
kinine. 

Ofschoon het hiervoren bedoelde boompje is overgevoerd in 
eea. daartoe opzettelijk vervaardigde glazen kast, heeft dit, ver- 
eenigd met de zorgvuldigste verpleging aan boord, toch niet 
kunnen beletten, het ontstaan eener versterving, die, eerst 
zijnen top innemende, zich thans reeds tot digt bij zijnen stam 
heeft uitgebreid. Met welke belangstellende zorg de heer 
Teijsmann die versterving tracht te beperken is te bevroeden. 
Mogten zijne pogingen ten deze onverhoopt niet slagen, dan 
geniet hij toch de zelfvoldoening, dat de drie door hem bij 
tijds afgezette gezonde en nu met jeugdige kracht groeijende 
stekken de geschiktheid van Java's bodem voor de kina-kultuur 
bewijzen; eene kuituur, die, wat de belangrijkheid en het nut 
betreft, voor geene andere behoeft onder te doen , en in de 
toekomst eene bron van welvaart belooft, waaruit schatten 
naar het moederland kunnen vloeijen. Ter staving dezer bewe- 
ring zal ik slechts aanhalen , dat naar luid der jongste berigten 
uit Zuid-Amerika jaarlijks voor meer dan 4000000 dollars aan 
kinabast alleen in Duitschland worden ingevoerd. 

Het gouvernement van Indië heeft aan den heer Huijdekoper 
voor de goede overbrenging van den kinaboom eene premie toege- 



MY> 



kend van f 500 en hern gedurende zijn aanwezen alhier ver- 
dere bewijzen van onderscheiding gegeven. 

De maand April van het jaar 1852 verdient met gouden 
letters in de geschiedboeken van Indië te worden aangetee- 
kend. 

Ik heb de eer te zijn, enz. 
Batavia, 7 Junij 1852. G. Wassink» 

Aan 

de Redaktie van het Natuurkundig Tijdschrift 
voor Nederlandsch Indië. 



Houtsoorten van Riouw. 

De heer E. Netscher, heeft de welwillendheid gehad der Ver- 
eeniging aan te bieden eene verzameling van houtsoorten van 
Riouw, bestaande uit de volgende 47 exemplaren. Achter de 
namen dier soorten is tevens aangeteekend , het gebruik, wat 
op Riouw daarvan wordt gemaakt. 

1. Merbau. — Stijlen van huizen. Inhouten van groote praau- 

wen. 

2. Ambalo. — Bouwen van huizen en huisraad. 

3. Daroe-daroe. — ld. 

4. Tambasoe. — Planken voor huizen en vaartuigen. Wordt 

niet door de witte mieren beschadigd. 

5. Tampinis. — Paalwerk in den grond en in het water. 

Wordt niet door witte mieren of zeeworm aangetast. 

6. Teralus. — Deksplanken van vaartuigen en huishoudelijke 

benoodigdheden. 

7. Medang. — Idem. 

8. Ambalo-boenga. — Fijne meubels. 

9. Eempas, — Grove meubels; roeren van vaartuigen en mas- 

ten van wangkangs. 
10. Penaga. — Kromhouten voor groote vaartuigen. 



346 



11. Kaledang. — Chinesche doodkisten. Knieën en kromhouten 

van schepen. 

12. Rengas. — Meubels, enz. 

13. Seraja. — Planken voor huizen , enz. 

14. Bintangor-batoe. Masten voor groote schepen en wangkangs. 

15. Krandji. — Meubels. Masten voor wangkangs. 

16. Palawan. — Paalwerk, enz. Wordt niet door de witte mie- 

ren aangetast. 

17. Kelat. — Huisraad. 

18. Merawan. — Paalwerk, enz. Wordt niet door de witte mie- 

ren aangedaan. 

19. Semaram. — Planken voor huizen en praauwen. 

20. Seloemar. — Paalwerk en huisraad. Wordt niet door wit- 

te mieren aangetast. 

21. Kroewing. ■ — Harsboom. Wordt ook gebruikt voor kielen 

van groote praauwen. 

22. Ambedalajam. — Paalwerk. Heeft niet van de witte mie- 

ren te lijden. 

23. Seranding. — Bouwen van huizen en kielen van vaartui- 

gen. 

24. Tiop-tiop. — Huisraad; planken, enz. 

25. Arang. — Klein huisraad. 

26. Baroeh lawut. — Meubels. 

27. Resak. — Kielen en buitenhuid van praauwen. Wordt niet 

door den zeeworm aangetast. 

28. Medang-merawas. — Planken van huizen en dekken van 

kleine vaartuigen. 

29. Benghoe. — Schuttingen enz., van huizen. Wordt niet door 

de witte mieren aangedaan. 

30. Tjengal. — Scheepsbouw. Lijdt niet door den zeeworm. 

31. Saloemar-boekit. — Huishoudelijke benoodigdheden. 

32. Koelim. — Idem. 

33. Merpoejang. — Paalwerk. Wordt niet door de witte mie- 

ren aangetast. 

34. Tampang. — Huisselijke benoodigdheden. 

35. Djeloetong. — Planken voor huizen. 



347 



36. Teroentoeng. — Paalwerk in zee. Wordt niet door den 

zeeworm aangedaan. 

37. Saga. — Ligte planken. 

38. Kaloempang. — Meubelen. 

39. Batjan-hoetan. — Fijne meubelen. 

40. Medang-paauw. — Ribben van huizen, enz. 

41. Kemap. — Paalwerk. Heeft niet te lijden van witte mie- 

ren. 

42. Groeng-gang. — Zeer ligte planken voor huizen. 

43. Kelat-paja. — Grove planken. 

44. Laka-oelar. — Stijlen van huizen. 

45. Medang-hoenjit. Kleine praauwen. Wordt niet door den 

zeeworm aangetast. 

46. Mer a-tamping. — Deksplanken voor vaartuigen. 

47. Meranti. — Zeewerken en scheepsbouw. Wordt niet door 

den zeeworm aangedaan. 

Sedert lang reeds houden zich in Nederlandsen Indië meer- 
dere liefhebbers bezig met het verzamelen van houtsoorten. 
Zulks heeft evenwel tot nog toe niet geleid tot aanmerkelijke 
uitbreiding van de botanische kennis der boomen, van welke ze 
afkomstig zijn, noch ook tot eene eenigzins ruime toepassing 
van een en ander op de industrie. Zulks schijnt voornamelijk 
toe te schrijven te zijn daaraan, dat de verzamelaars in het al- 
gemeen zich moeten bepalen tot het opgeven der inlandsche 
namen en van het gebruik. Maar die namen zijn op de onder- 
scheidene eilanden van den Archipel en zelfs op de verschil- 
lende gedeelten van een zelfde eiland verschillend en men weet 
daardoor niet, of sommige houtsoorten, uitmuntende door goe- 
de eigenschappen voor technisch gebruik en van onderscheidene 
streken onder verschillende namen vermeld, welligt niet tot 
eene zelfde soort behooren. 

Ten einde van dezen tak van kennis meer nut kunne ge- 
trokken worden voor de wetenschap en de industrie, acht 
de redaktie het wenschelijk, dat de verzamelaars van hout- 
soorten zich er op toeleggen, om daarbij tevens te verzamelen 
enkele takjes met de bladen , bloemen en vruchten der betrek- 



MS 



kelijke boomen en tevens aanteekening te houden van de juiste 
groeiplaats, van de hoogte en dikte der boomen, van de menig- 
vuldigheid of schaarschheid van voorkomen, van de gemakkelijk- 
heid of moeijelijkheid van vervoer, enz. 

De redaktie noodigt tevens de verzamelaars uit, om, in- 
dien zij zelven niet in de gelegenheid zijn te bepalen, tot welke 
planten-species de houtsoorten behooren, een exemplaar daar- 
van , vergezeld van takjes met bladen en bloemen en vruchten 
aan haar te zenden, zullende zij alsdan trachten tot eene juiste 
kennis van de betrekkelijke boomen te geraken en die kennis 
door haar tijdschrift algemeen te maken. 



Sciurus nigrovittatus Hors f. van Banka. 

De heer D. F. Schaap resident van Banka heeft der Ver- 
eeniging aangeboden een fraai opgezet specimen van Sciurus 
nigrovittatus Horsf. van Banka. Deze soort, volgens den heer 
Dr. S. Muller dezelfde als Sciurus plantani Horsf, is op Banka 
zeer zeldzaam en is de derde species van Eekhoorn , welke 
van Banka is bekend geworden, levende aldaar, behalve Sciu- 
rus nigrovittatus ook Sciurus vittatus Raffl. en Sciurus Rafflesii 
Vig. Horsf. 



Regering sbesluit omtrent de werkzaamheden der 

ingenieurs van het mijnwezen in Neder* 

landsch Indi'è. 

ïn de Javasche courant van den 12den Junij 1852 komt een 
regerings-besluit voor opzigtelijk de organisatie en de werk- 
zaamheden van het korps ingenieurs van het mijnwezen in 
Nederlandsch Indië. 



349 



De redaktie vermeent dit besluit wegens haren belangrijken 
inhoud hieronder in zijn geheel te moeten laten volgen enhulde 
te brengen aan den verlichten zin der regering, vooral ook ten 
opzigte van het beginsel der publiciteit, in dit besluit (art. 5) 
uitgedrukt. 

Extrakt uit het register der besluiten van den gou- 
verneur-generaal van 1\ Ederlandsch-Indiè . 

Büitenzorg, den 3den Junij 485%. (No. 5). 

Gelezen , enz. 

De raad van N ederlandsch-Indiè gehoord ; 
Is goedgevonden en verstaan : 

Eerstelijk: Onder nadere goedkeuring des konings, te be- 
palen als volgt: 

1°. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen, zijn 
werkzaam overeenkomstig de bevelen van den gouverneur 
generaal; doch onder leiding van eenen der oudsten en 
bekwaamsten onder hen, door den gouverneur-generaal 
met die taak belast. 

Te zamen werkende, zijn zij aan elkander ondergeschikt, 
naar den rang van hunne benoeming, indien geen andere 
rang door den gouverneur-generaal is bepaald. 
2°. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs zijn belast met: 

a. Geologische, mineralogische en mijnbouwkundige onder- 
zoekingen; 

b. Het ontwerpen en tot stand brengen van al wat noodig 
is tot de gouvernements mijnontginningen en de daar- 
uit voortvloeiende fabriekmatige inrigtingen; 

c. Het toezigt, van gouvernementswege, over de uitvoering 
van alle ontginningen van delfstoffen en daaruit voort- 
vloeijende fabriekmatige inrigtingen; 

d. Het vervaardigen van geologische kaarten en het ver- 
zamelen van delfstoffen ; 



3S0 



e. Het opsporen van berigten omtrent geologie en mine- 
ralogie, waarvan het gouvernement nog geene kennis 
draagt. 

3°. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen, zijn 
verpligt, de ontginningen van delfstoffen en de daaruit voort- 
vloeiende fabriekmatige inrigtingen, het zij door het gou- 
vernement, het zij door partikulieren gedaan, met hunne 
kennis bevorderlijk te zijn. 

4°. De ingenieur, aan wien de leiding der ingenieurs en aspi- 
rant-ingeneurs is opgedragen, stelt aan den gouverneur- 
generaal voor , wat hij in het belang van de onder zijne 
leiding werkende personen en van de dienst bij het mijn- 
wezen noodig acht. 

5°. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs maken het weten- 
schappelijke van hunnen arbeid voor openbaarmaking, door 
middel van de drukpers, gereed, en bieden hetzelve tot 
dit einde den algemeenen sekretaris aan, door middel van 
den ingenieur, onder wiens leiding zij gesteld zijn. 

6°. De hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur zijn ver- 
pligt aan de ingenieurs en aspirant-ingenieurs te verstrek- 
ken de middelen, tot uitvoering van de hun gegeven be- 
velen noodig, en zullen derzelver arbeid bevorderlijk zijn. 

7°. De ontginningen van delfstoffen en daaruit voortvloeiende 
fabriekmatige inrigtingen, gedaan voor rekening van het 
gouvernement, worden, onder het beleid der hoofden van 
gewestelijk en plaatselijk bestuur, beheerd door admini- 
strateurs en opzieners. 

8°. De administrateurs en opzieners bij de ontginningen, voor 
rekening van het gouvernement, en de daaruit voortvloei- 
jende fabriekmatige inrigtingen, zijn verpligt de inlichtin- 
gen te geven en de aanwijzingen te doen, welke van hen 
door de ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen 
worden verzocht, wanneer deze zich op de werken be- 
vinden. 
Ten Tweede: Den ingenieur der tweede klasse voor de 

mijnen in Nederlandsch-Indië, G. de Groot, te belasten met 






8S1 



de leiding der thans in Nederlandsch-lndie aanwezige aspirant- 
ingenieurs, overeenkomstig de bevelen, welke hem tot dit einde 
zullen worden gegeven door den gouverneur-generaal. 

Ten derde: Enz. 
Afschrift, enz. 

Akkordeert met voorschreven register. 
De algemeene sekretaris 
A. PRINS. 



Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1853. 

In de vergadering van de algemeene kommissie voor de Ten- 
toonstelling, gehouden den 12den Februarij jl. , is onder ande- 
ren besloten, dat door den toen verkozen president, vice- 
president en sekretaris uit de leden der algemeene-kommissie 
een besturend kommitté zou worden gevormd, tot leden waar- 
van zijn verkozen de HH. Dr. P. Blee&er, L. M. F. Plate 
en J. Tromp, welke heeren zich deze verkiezing hefrben laten 
welgevallen. 

Het werd al dadelijk wenschelijk geacht, om op eenige belang- 
rijke plaatsen op en buiten Java subkommissiën op te rigten. 
Ten dien einde zijn in dd. 17 Maart jl. uitnoodigingen gerigt 
aan de residenten van Soerabaja en Samarang , en aan de gou- 
verneurs ter westkust van Sumatra, van Celebes en onderhoo- 
righeden en van de Moluksche Eilanden. 

Het verheugt ons de mededeeling te kunnen doen, dat de 
heer P. J. B. de Perez, resident van Soerabaja met de meeste 
welwillendheid gevolg heeft gegeven aan deze uitnoodiging , 
en dat zich den 21sten April jl. aldaar een kommittee heeft ge- 
vormd, bestaande uit 

de H. H. P. ,T. B. dk Perez, President, P. Kervel, Thesfinrier, 
S. Bennett, C. G. von Dentscü, Ham kok ping, F. 'sJacob, 
A. Maclennan, D. Maclochlan, O. Matsen, F. N. Nie-uwen- 
huijzen, Pangeran Said Aloewi bin Said Hassan Al Habasslj , 
Raden Adipati Kromod.ioj.jo adj Nkgoro, A. Baron Slokt vak 



zw 



Oldruitenbörgh , H. B. Wardenaar , J. Hagrman J. c. zn. , Se- 

kretaris. 

Het kommittee te Soerabaja heeft nadere inlichtingen van het 
bestuur voor de Tentoonstelling gevraagd, betreffende de aan- 
wending der gelden waarvoor zal worden ingeschreven; deze 
inlichtingen zijn nog niet gegeven, omdat niet genoegzaam be- 
kend was het bedrag der inschrijvingen ter hoofdplaatse en in 
de binnenlanden van Java. 

Wij laten hier volgen eene opgave van ingeschreven gelden 
voor zoo verre de inteekeningslijsten zijn terug ontvangen. 

Zijne excellentie de gouverneur-generaal van N. I. f 1000. — 



Bantam. 


. 


. 


. 


. 


„ 100— 


Batavia. (*) . . „ 5483,50 


Buitenzorg. . 








„ 292— 


Krawang. 








„ 140— 


Preanger Regentschappen. 








„ 143— 


Tegal. 








„ 25— 


Pekalongan. 










„ 240— 


Japara. 










„ 321— 


Rembang. . 










„ 210— 


Pasoeroean. 










„ 300— 


Banjoewangi. 










„ Nihil. 


Bagelen. 










„ 121 — 


Banjoemaas 










„ Nihil. 


Kediri. 










, ; 1009,50 


Patjitan. 










„ 24— 


Soerakarta. 






.» 




„ 73— 


Djokdjokarfca. 










„ 1865— 


Kadoe 










„ 151— 


Banka 




. 


„ 48.— 


Bandjermasin. 





„ 57— 




Tol 


aal f 11603.— 



(*) Van de residentie Batavia zijn nog niet alle inteekeningslysten terng 
ontvangen. 



333 



Het is een verblijdend verschijnsel, dat in eenige residentiën 
de inlandsche vorsten en hoofden door ruime bijdragen bewij- 
zen hebben gegeven van warme belangstelling voor de onder- 
werpelijke tentoonstelling. 

Inzonderheid is zulks het geval in de residentie Djokdjokarta , 
waar door zijne hoogheid den regerenden sulthan is ingeschre- 
ven voor een bedrag van f 500 en door de overige leden van 
het hof nog bovendien voor f 605 , zèomede in de residentie 
Kediri , waar ook door de regenten en door zeer vele min- 
dere inlandsche beambten voor een aanzienlijk bedrag is deel 
genomen ; ook in eenige andere residentiën zijn de inlandsche 
hoofden niet ten achteren gebleven. Het is ons niet bekend 
of in alle residentiën de welgestelde inlanders en andere oos- 
terlingen in de gelegenheid zijn gesteld door bijdragen hunne 
belangstelling te doen blijken. 

Door den resident van Djokdjokarta, den heer J. J. Hasselman, 
in wiens residentie de ingezetenen zeer veel belangstelling doen 
blijken, is aan het bestuur voor de tentoonstelling in overwe- 
ging gegeven om, indien zulks uitvoerlijk mogt zijn, de te Ba- 
tavia ten toon gestelde voorwerpen later naar Samarang over 
te brengen , ten einde ook daar eene tentoonstelling te hou- 
den, uit aanmerking dat die plaats nagenoeg in het centrum 
van Java gelegen is , zoodat zich velen derwaarts zullen kun- 
nen begeven, die bezwaarlijk de reis naar Batavia kunnen on- 
dernemen. 

Aan vele personen, die zich thans in Nederland bevinden en 
voortdurend warme belangstelling betoonen in de welvaart en 
ontwikkeling der Nederlandsen Indische bezittingen, zijn intee- 
keningslijsten toegezonden. Wij voeden de hoop, dat de ten- 
toonstelling door ruime bijdragen uit Nederland krachtdadig zal 
worden ondersteund. 



Geschenken aan de Vereeniging. 

Naturaliën. 

1. Eene verzameling van 47 Houtsoorten van Riouw en nabij gelegene 

eilanden , hierboven vermeld op bladz. 345 , van het lid der Ver- 
eeniging den heer E. Netscher. 

2. Eene verzameling van Tinertsen van Banka , van het lid der vereeniging, 

den heer F. Schmitt. 

3. Eene flesch inhoudende eene bijzonder soort van zand van Banjoewangi, 

aangeboden door den heer Lindgreen. 
1. Voorts zijn aangeboden door den heer J. A. Vriesman , resident van 
Tagal, lid der Vereeniging, eenige kruiken mineraalwater uit de 
residentie Tagal , en door den heer Krajejtbrirk, lid der Vereeniging 
eenige kruiken mineraalwater uit de residentie Cheribon. Deze wa- 
teren alsook het sub 2 bedoelde zand worden door den heer P. J. 
Maier scheikundig onderzocht. 

Boekwerken. 

Verslag der werkzaamheden van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en wetenschappen van September 1850 tot April 1852, namens het 
bestuur des Genootschaps voorgelezen in de algemeene vergadering op 
den 27sten April 1852 door P. Bleeker , Batavia 1852. 4°. 

Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten eu Weten- 
schappen, Dl. 22 en 23. Batavia 1849 , 1850. 4° (van het Genootschap). 

Biang Lala , Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud , 
onder redaktie van W. L. Ritter en L. J. A. Tollens. Jaarg. I. 
1852. Aflev. 1 en 2 (van de redaktie). 

The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia , edited bij J. R. 
Logaiï , vol. VI. Afiev. Jan. — Maart. Singapore 1852. 8° (van de 
redaktie). 

Bijdrage tot de kennis der Haringachtige visschen van den Indischen Ar- 
chipel door P. Bleeker , Batavia 1851 4°. (van den schrijver). 

Bijdrage tot de kennis der Makreelacbtige visschen van den Indischen Ar- 
chipel door P. Bleeker. Batavia 1851. 4°. (van den schrijver). 

A descriptive Atlas of Astronomy and of Physical and political Geogrophy, 
ernbracing the latest informatvons and most recent discoveries in astro- 
nomical and geographical science , with descriptive letterpress by 
Tjïom. Milker. Lond. 4° (aangeboden door den heer H. D. A. Smit>). 




— 1 









«.te 



M. ] 



E 2 D (g, 1T E K3 ^/»>P3 E}OTT< 




BOEKIT MELANTIEN 



£*i£^ 




iMOA E NDE MOND DER RIVIER TJEBOtTJOEP ClENOMEN VAN DE BEN Tl MC 



4*"%*; 



m* 






C.R AF OP DEN "TOP VAN a TADOEI 



,/i ■ ;:*> 






6S2II (<V-|f \ï.m Va\IM itj ,i. i ir is) I7M1 



■fin 




C '- BE LI N DA 



C s BADAUW EN WESTELIJKE BERtEN GENOMEN VAN UEN Tül 
DER B " TOENCAL 



«ETCEBERGTETADJ EM GEZIEN VAN DEN TO P D E R B " TOENCAL 






Z dwéP' 




C ; PRAMOEAN VAN DEN TOP DER B" TOENCAI 



I Ml II O U JD. 



Afwering II & lil. 

BLADZ. 

ragen tot de geologische en mineralogische kennis van Neder- 
ndsch Indië, door de ingenieurs van het mijnwezen in Neder- 
ndsch Indië. 

III. Eiland Blitong (Biliton), door Corns. de Groot, met 

kaarten en platen. . . . . . . . .133 

rage tot de kennis der ichthyologische fauna van Timor, door 

r. P. Bleeker 159 

nkundig onderzoek van eenige op Java voorkomende minerale 
iteren , door P. J. Maier. 

De warme bronnen te Tjipannas, nabij paal 64 inde Preanger- 

regentschappen. 175 

Warme minerale bronnen, voorkomende op de noordnoordoos- 
telijke helling van den Gedeh, ter hoogte van 6775 rijnl. 
voeten 184 

De warme bronnen Tjipannas bij Lembang in de Preanger- 

regentschappen. 189 

•eksel uit een verslag over de oorzaken der uitsterving van 
ffijboomen in de residentie Kadoe, door Dr. F. H. Fromberg, 
é tabellen. . . ........ 195 

;age tot de kennis der ichthyologische fauna van de Moluk- 
he eilanden. Visschen van Amboina en Ceram. door Dr. P. 
leeker. 229 

.rnemingen voor de astronomische plaatsbepaling van Batavia. 

•or S. H. de Lange. 310 

diamantgronden van Koesan, door Dr. J. H. Ckoockewit Hz. 316 

kerts en kwik van Sumatra scheikundig onderzocht, door A. 
ïharlée. 322 

we plantensoorten in 'slands plantentuin te Buitenzorg, door 
E. Teijsmann en S. Binnendijk 326 

•JLpji v ^p-ving fier Natuurkundige Vereeni- 
ng, 'gehouden den 5den Mei 1852. 333 



Berïglen van verschillenden' aard : 

Aardbeving in de residentie Chcrihon op den 2i2stcn Maart 1852 

.,1'itbarsting van den Gedeh op den 20sten INTci 1852. 

Nog iets over de aardbeving op Bali van 17 Febvnarij 1S48 

Uitkomsten der waarnemingen met den t< rinomene'^ psychrome 
ter en byometer, gedurende het jaar ' laan te Simpam 

bij Socrabaja, door F. F. G. v ' : ' 

Verslag van proeven met Indische sté en in April 

1852 aan boord Zr. Ms. stoomschip , , ioOï Conus, de 

Guoöt, P. A. Mattiiyssen en I. F. Koopman. 

Minerale wateren van Maros op Celcbes 

ïvina-kultütir op Java, door G. Wassink. .... 

• lontsoorten van Riouw. ... ... 

Sciurus nigrovittatus Horsf. van Banka. .... 

llegei'ingsbesluit omtrent de werkzaamheden der ingenieurs ï 

het mijnwezen in Ncdcrlandsch Indië. > . . . 

Tentoonstelling te i>ntavia. te bonden in 1853. 

Geschenken aan tic Natuurkundige Verecniging in Nederlandsen 
Indië. 



ï^S- 



NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



VOOR 




EDEKLANDSCH INDIË. 



UITtiKGKVRN DOOK 



DE NATUURKUNDIGE VEREENIG1NG 






NEDERLANDSCH INDIE. 



Aflevering IV &, V. 



BATAVIA, 

l,ANGil<: & Co. 

18 5 2. 



-G\L> 




UITTREKSEL VAN HET RAPPORT 

EENER 

REIS OVER HET EILAND BILLITON, 0) 

het Gouvernement aangeboden den 15<*en April 1851, (2) 



J. ff. CROOCHEWIT Hz. 

Math. Mag. Phil. Nat. Doet. 



Voorwoord. 



Bij besluit van zijne excellentie den ministervan staat, gou- 
verneur generaal van Nederlandsen Indië, dd. 17 September 
1850, No. 3 en dd. 26 September 1850, No. 10, werd mij 
eene zending naar het eiland Billiton opgedragen. 

Deze zending had ten doel , het instellen van een onderzoek 
nopens het aanwezen van tin op het eiland Billiton en de mo- 
gelijkheid van exploitatie van dat mineraal, hetzij van gouver- 
nements wege, hetzij door partikulieren , met last, om desbe- 
trekkelijk zoo spoedig mogelijk te dienen van rapport. 

Bij bovengenoemde besluiten werd bepaald, dat ik met Zr. 

(1) In de spelling van dit woord heb ik het gebruik gevolgd; in alle 
gouvernementsstukken, en in alle mij bekende aardrijkskundige boeken 
is zij alzoo, ofschoon minder met de Malcischc schrijfwijze overeenkomende, 
aangenomen. 

(2) Verschillende omstandigheden hebben het eerder publiceren van het 
volgende verhinderd, terwijl reeds den 22sten April 11. daartoe verlof van 

'uvernement was bekomen. 

■»■ 28 



336 



Ms. stoorn-adviesvaartuig Tjipannas naar Banka zoude over- 
gevoerd worden , en verder naar Billiton met Zr. Ms. stoom- 
schip Bromo. 

Naar ik wel onderrigt ben, was den overste, kommandant 
van genoemd stoomschip, opgedragen, om onderzoek te doen 
naar de zeeroovers, die zich in de Billitonsche wateren ver- 
toond hadden , en waarover klagten bij den resident van 
Banka, bij schrijven van den depati van Billiton, waren in- 
gekomen, met last aan hem, om die maatregelen te nemen, 
welke hem het meest gepast voorkwamen. 

Ook was bij artikel 4 van het eerstgenoemde besluit bepaald, 
dat ik mij, bij mijnen terugkeer van Billiton naar Batavia, het- 
zij regtstreeks, hetzij over Banka, zou hebben te verstaan met 
den resident van Banka en met de kommanderende officieren 
van de in de Bankasche en Billitonsche wateren gestationeerde 
stoom- of andere oorlogsvaartuigen, terwijl verder bij artikel 5 
de waarnemende resident van Banka werd aangeschreven, om 
mij, ter bevordering der mij opgedragene taak , zooveel moge 
lijk hulp en bijstand te verleenen. 

Ik gevoelde al het gewigt dezer belangrijke zending en was 
doordrongen van de moeijelijkheden , met welke zij gepaard 
zoude gaan, welke bezwaren daarin bestonden: 

1°. Doordien artikel 4 van het genoemde besluit geheel zon- 
der kracht bleef, daar in de Billitonsche wateren geene Ne- 
derlandsche stoom- of andere vaartuigen gestationeerd werden, 
zoodat ik mij , zoo dikwijls ik mij op zee bevond , zoowel als 
bij mijnen terugkeer naar Banka, van de ranke praauwtjes der 
Billitonnezen moest bedienen, en mij daardoor daarenboven 
geheel van hen afhankelijk stellen. 

2°. De vooraf niet te berekenen zekerheid , dat de kom- 
mandant van de Bromo de zaak aangaande de zeeroovers, 
geheel in het vriendschappelijke èn naar wensch der Billitonne- 
zen, èn naar wensch van het hoofd van Billiton zoude schik- 
ken, terwijl toch immer de orang seka zouden moeten die- 
nen, om mij op mijne togten over zee, de behulpzame hand 
ie bieden. 



357 



3°. De juiste gezindheid van het hoofd van Billilon was 
niet zoo geheel bekend, en kon ook niet geheel uit de daar- 
omtrent bij het gouvernement berustende rapporten opge- 
maakt worden. Zeker is het, dat de depati, op verkeerde 
berigten af, vroeger door het gouvernement verongelijkt en 
in zijne regten verkort schijnt te zijn, en waarschijnlijk was 
het, dat zijne hierdoor opgewekte haat, bij de herstelling in 
zijne regten, zoude geweken zijn; maar zoude zijn wantrou- 
wen (uit welke bron of om welke redenen dan ook) niet we- 
der opgewekt worden, bij de komst van cenen gouverne- 
ments afgevaardigde, hetgeen in lange jaren niet plaats had 
gehad? Dit wantrouwen, als het bestond, moest nog toe- 
nemen, wanneer die ambtenaar het eiland in alle rigtingen 
ging doorkruisen en bij alle andere onderhoorige hoofden 
eenigen tijd wilde vertoeven. Volgens de verklaring der oud- 
ste Billitonnezen in de binnenlanden, was dit nog nooit door 
eenen Europeaan ondernomen. 

4°. Een onderzoek naar tinerts , — waarvan de depati op 
mijn verzoek van gouvernementswege werd geïnformeerd, — - 
daar dit toch niet kon verholen blijven, en het beter was er 
regt voor uit te komen, dan dat hij het van ter zijde 
vernam, — moest den depati en ook sommige minder door- 
denkenden onder de inwoners, minder aangenaam zijn. Im- 
mers werd dit metaal nu eerst opgespoord en gevonden, 
het was voorzeker met het doel, om het te gaan exploi- 
teren , hetgeen stellig de aanstelling van een Europeesch be- 
stuur zoude ten gevolge hebben , waarbij hij altijd minder 
magt behouden en de tweede persoon zou blijven. Hij zeide mij 
wel eens, toen ik mij, na eenige weken verblijfs, reeds wat 
vertrouwelijker voordeed , dat hij naar een Europeesch be- 
stuur op Billiton wenschte, maar gaf geene andere reden op 
waarom hij zulks verlangde, dan dat de Palembangers en 
andere vreemdelingen, gewoonlijk orang dagang (handelaars) 
geheeten, zijne bevelen niet wilden opvolgen, en hij hen alzoo 
niet regeren kon. Hij was zelfs zóó bevreesd voor hen, 
dat hij zich in de kampong Tandjongpandang, de hoofd- 



3S8 



plaats, waar zij bij elkander wonen en die ruim 200 schre- 
den van zijn verblijf verwijderd is, volgens getuigenis van vele 
Billitonnezen, in geene 5 jaren, ofschoon altijd door een groot 
gevolg vergezeld zijnde, heeft durven vertoonen, en toen de 
kommandant van het stoomschip met nog eenige Europea- 
nen zich naar de kampong begaf, al weifelende medeging. 
Deze eenige reden om zijnen wensen te verklaren, nam ik 
echter niet aan, even zoo als ik hem ongemerkt tot op den 
laatsten dag van mijn verblijf gewantrouwd heb. 

De hierboven genoemde redenen zal ik niet behoeven na- 
der te omschrijven, als ik aanhaal, hetgeen door den heer 
Bikrschill-, vroeger met het civiel gezag op Billiton belast, bij 
zijne missive aan den resident van Banka dd. 31 Januarij 
1830, No. V 10 medegedeeld wordt: 

„Dat, zoowel de hoofden als minderen op Billiton, den 
„sterkstcn tegenzin aan den dag legden, zoodra men hen 
„over dit onderwerp (het tin) aansprak, en stellig weigerden 
>? orn in het aanwijzen en helpen opzoeken van mijngronden 
„behulpzaam te zijn, zoodat ik, gedurende mijn vroeger ver- 
„ blijf aldaar, genoodzaakt was, mijne toevlugt tot vreemdelin- 
„gen, die aldaar gezeten waren, te nemen, ten einde de 
„noodige informatiën, betrekkelijk het al of niet aanzijn van 
„erts te verkrijgen." 

Hoc ik, omtrent dit punt, de zaken gevonden heb, zal 
in het vervolg van dit rapport behandeld worden. 

Een vijfde bezwaar was de tijd van het jaar, waarin dereis 
ondernomen werd. Men was toch weldra de westmoesson en 
alzoo regentijd te wachten, en deze bleef dan ook niet lang 
uit. Reeds in het begin van November, na schier zes maan- 
den bijna onafgebroken droogte (gelijk als eene zeldzaam- 
heid ook op Banka is waargenomen) werd de wind westelijk, 
en was na dat tijdvak, een dag, waarop het minstens niet 
een drietal uren stortregende, eene uitzondering. Alzoo wa- 
ren alras de beekjes en kleinere rivieren zeer gezwollen: de 
bruggen over de laatsten waren in eenen slechten staat, of 
soms geheel weggespoeld; de eersten werden gewoonlijk 



889 



doorwaad, hetgeen het bezwaar had, dat men alzoo een ge- 
deelte van den dag in natte kleederen moest doorbrengen. 
Eindelijk maakten de hevige westelijke winden, het varen langs 
denoord-en westkusten van het eiland , met kleine praauwtjes, 
langdurig en soms gevaarlijk, gelijk vooral op den terugtogt naar 
Banka is ondervonden. 

Alle deze omstandigheden in aanmerking nemende, zoo zal 
men deze reis noch onder de aangename, noch onder de ge- 
makkelijke rangschikken. Ik verheug mij echter, dat zulks 
mij niet heeft weerhouden, haar evenwel te ondernemen, ter- 
wijl tevens deze bezwaren volstrekt geen' invloed hebben ge- 
had op de uitvoering van alles, wat ik mij voorgesteld had. 

De administrateur van Blinjoe werd door den waarnemen- 
den resident aangeschreven, om twee kundige Chinesche mijn- 
werkers aan te duiden , die lust gevoelden, om tegen behoor- 
lijke belooning mij te volgen. De keus dezer menschen is zeer 
gelukkig geweest. Beide waren inboorlingen van Banka, en 
spraken alzoo zeer goed .Maleisen. Een hunner, Aouw genaamd, 
was hoofd eener partikuliere of kontrakt-mijn (eene der wei- 
nige mijnen op Banka, die hun tin tegen den prijs van f 13V 2 
de pikol, — er zijn enkele tegen /* 15 — aan het gouvernement 
leveren, maar geene voorschotten genieten), ruim 60 jaren oud, 
en had ruim 40 jaren het mijnwerk bij de hand gehad. Op 
het tin waren dan ook alle denkbeelden van dezen man zamen- 
gedrongen. Gedurende het grootste gedeelte van de reis op 
Biiliton droeg hij offer-en reukkaarsjes en offerpapier bij zich, 
om behoorlijk te kunnen bidden in het geval , dat er tinerts 
gevonden werd: was dit niet het geval, dan was het offeren 
en bidden volgens zijn gevoelen ook onnoodig. 

De andere, Bou-Sing geheeten, ruim 40 jaren oud, was 
hoofd eener mijn in het distrikt Blinjoe. Sedert hij het rege- 
len der werkzaamheden op zich genomen had, had die mijn. 
die vroeger onvoordeelig gewerkt had, betrekkelijk gunstige 
resultaten gegeven. Ook hij was niet minder dan de ander, 
met al wat het tin betrof, ingenomen. Beide hebben dan ook 
onvermoeid mij op mijne exkursien vergezeld, en zelfs in de 



360 



rusturen steeds onderzoekingen gedaan, door de schoone be- 
loften die ik hun deed, in geval zij mij tinerts bragten, hiertoe 
niet weinig aangespoord. 



Inrigting van het Rapport. 



% 



Het eiland Billiton, volgens den heer Melvill van C4rnbée 1 19 □ 
geographische mijlen of 2875 □ Javasche pafen groot, ligt tus- 
schen Banka en Borneo. Reeds vele toelichtingen, die dit ei- 
land van groot belang doen voorkomen, zoo voor koophandel 
als landbouw en nijverheid, zijn in het ter sekretarie berus- 
tende archief voorhanden. Zooals het er thans gesteld is, en 
ik geloof, dat er in de laatste decenniën weinig verandering in 
is gekomen, is het verre, dat ik omtrent deze omstandigheden 
hetzelfde oordeel zou durven uitspreken. Gaarne had ik alzoo 
hierover mijne bevindingen in dit rapport medegedeeld, maar 
ik vreesde, dat de uitgebreidheid alsdan, en de mogelijke be- 
langrijkheid van bijzaken, de hoofdzaken, het doel waarmede 
ik in kommissie gesteld was, konde nadeel doen. Ik zal al- 
zoo de bij mijne vroegere rapporten gemaakte verdeeling op- 
volgen, met dit onderscheid, dat ik de drie over Billiton ge- 
maakte hoofdtogten, omstandiger beschrijf dan vroeger opzig- 
lelijk Banka en Malakka geschied is, waarbij dan tevens eenige 
onderweg ondervonden moeijelijkheden kortelijk aangehaald zul- 
len worden. Ik acht dit noodzakelijk, opdat het voor mijn 
gevoel tot verantwoording kunne strekken , dat ik alles , met 
voorbijzien van alle bezwaren , en dikwijls van den raad van 
den depati, aangewend heb om tinerts (indien het op Billi- 
ton voorhanden is) te vinden: verder, omdat er geene kaart (1) 
van de binnenlanden van Billiton bestaat, en het toch niet on- 
verschillig zal zijn te weten, waar ik mij zoo al bevonden heb. 



(1) Namelijk toen dit rapport ingediend werd. 



861 



Uit deze beschrijving der reis zal ik een overzigt opmaken, 
waarin dan tevens eenige opmerkingen omtrent de geologische 
gesteldheid van het eiland zullen worden medegedeeld. In een 
volgend hoofdstuk zal ik , hetgeen mij bekend is , dat over de 
tinaangelegenheid van Billiton geschreven slaat, in korte woor- 
den, met eenige aanmerkingen daarop, mededeelen , terwijl ik 
ten slotte beredeneerd aantoonen zal, dat de gebruiken der 
Billitonnezen, volgens analogie met Banka, niet aan het daarzijn 
van tinerts op hun eiland kunnen doen denken, hetgeen ein- 
delijk door eenige scheikundige aanmerkingen over eene erts- 
soort, op Billiton gevonden, die veel op tinerts gelijkt, maar 
volstrekt geen tin in hare zamenstelling bevat, toegelicht zal 
worden. 



Op welke wijze een kaartje (1) zamengesteld is. 

Dat men in een bijna onbewoond land , zonder wegen en 
voor een groot deel met kreupelbosch begroeid, moegelijk zui- 
vere peilingen kan nemen, al had men ook de daarvoor be- 
noodigde instrumenten en middelen , wanneer eene juiste op- 
name niet het hoofddoel der reis is en men niet onbepaald 
over den duur der reis kan beschikken, dit is duidelijk; en 
dewijl ik mij alleen, als bijzaak, om mij, waar ik mij bevond 
te oriënteren, van een gewoon kompas bediend heb, zoo zal 
ik geenszins elk punt door mij gepeild, als onomstootelijk juist 
waargenomen verdedigen. Maar een klein verschil doet hier 
minder ter zake, terwijl door de vele genomen peilingen , de 



(1) Dit kaartje, te gelijk met het rapport aan het gouvernement inge- 
diend, kan hier zeer goed achterwege blijven, dewijl men de drie door 
mij in verschillende rigtingen over het eiland gemaakte reizen , op do 
kaart bij de vorige aflevering van dit tijdschrift gepubliceerd , genoegzaam 
zal kunnen nagaan. Ik heb evenwel gemeend dit hoofdstuk hier te moeten 
laten volgen , om niet aan de volledigheid der mededeeling mijner werk- 
zaamheden te kort te doen. 



saó: 



G2 



fouten niet zoo aanmerkelijk zullen zijn. Een inboorling in deze 
gewesten weet veelal beter, dan de Europesche landbewoner , 
waar hij zich bevindt op den weg, d. i. in welke rigtingen hij 
verschillende bekende punten van zich heeft. Hiervan had ik 
een duidelijk bewijs, toen ik mij op den GoenongTadjam (de 
hoogste van Billiton's bergen) bevond. Op den top van dien, 
geheel met hooge boomen begroeiden berg gekomen, was het 
zoo dampig, dat ik niets van beneden kon waarnemen. Ik nam 
een der oudsten uit het gevolg bij mij , en liet mij met de hand 
eenige bekende plaatsen aanwijzen , welke rigtingen ik op het 
kompas aflas en opteekende. Na een uur vertoevens werd het 
helderder: ik beklom toen, met kompas en verrekijker gewa- 
pend, een der hoogste boomen tot op 40 a 50 voeten hoogte 
en had een ruim uitzigt; ik peilde aldaar weder dezelfde pun- 
ten , en was verwonderd over de groote overeenkomst met 
de vorige peilingen. 

Alzoo liet ik mij over do geheele reis, in elke kampong 
waar ik aankwam, eenige bekende punten door de oudsten 
met de hand aanwijzen, uit welke peilingen ik, die, welke niet 
overeenkwamen verwerpende, een kaartje der binnenlanden 
heb opgemaakt. 

De afstanden heb ik op deze wijze bepaald, dat ik, bij elke 
kampong waar ik aankwam, ofwel, op elk punt waar ik peilde, 
den oppasser en de beide Chinezen (de inwoners van Billiton 
kennen toch geene maat voor tijd of afstanden) afvroeg, hoeveel 
palen, sedert eene vorige plaats volgens hunne meening afge- 
legd waren. Deze gevoelens vergeleek ik met den verloopen' 
tijd, rekenende in elk uur, wegens de slechte wegen, slechts 2V 2 
paal gemaakt te hebben. Hoe gebrekkig deze wijze van me- 
ten was zal men bevroeden, als men nagaat, dat door het 
kronkelen der wegen , soms 2 a 3 palen afgelegden weg , één 
paal vol d' oiseau zullen voorstellen. 

In dit rapport zal ik alle peilingen, wanneer zij tot niets 
als tot het zamenstellen van het kaartje gediend hebben, on- 
vermeld laten. 



8G3 

De reis van Batavia naar en over BilUton. 

Dentisten September 1850 'vertrok ik van Batavia aan 
boord van Zr. Ms. stoom-adviesvaartuig Ijipannas en ging 
den 2den Oktober aan boord van de Bromo over , welke mij 
naar mijne bestemming zoude overbrengen. Eerst werd de 
Klabat-baai , ten noorden van Banka, ingeloopen, alwaar 
eenige troepen, voor de Bankasche expeditie bestemd, ont- 
scheept en de beide Chinesche mijnwerkers aan boord ge- 
nomen werden. Den Uden ankerden wij voor Poeloe Le- 
par. 

Den 13den Oktober vroegtijdig onder stoom gaande, arri- 
veerden wij ten 3 ure des namiddags voor Tandjong Pandang, 
op de westkust van Billiton. Een schot uit eenen 80-ponder 
kondigde de komst van een van Zr. Ms. groote vaartuigen 
aan. Den volgenden dag, reeds vroeg in den morgen, kwam 
de depati met twee praauwen en eene menigte volks het 
stoomschip op zijde en vertoonde zich weldra op het dek. Een 
eeresabel , hem vroeger door het gouvernement ten geschenke 
gegeven, werd hem achterna gedragen. Zijn uiterlijk kwam 
mij zeer innemend voor, zijne manieren vrij beschaafd en beleefd, 
zonder dat ze al te kruipende waren : hij scheen mij toe 50 a 
55 jaren oud te zijn, terwijl hij nog volstrekt niet grijs is: zijne 
kleeding was netjes en eenvoudig. 

Het gehoor met den overste geëindigd zijnde, werd ik hem 
voorgesteld en een brief van den waarnemenden resident 
van Banka hem overhandigd. Na lezing verklaarde hij geene 
bezwaren tegen mijne kommissie te hebben, belovende mij, 
waarin hij maar konde, behulpzaam te zullen zijn. 

Den volgenden morgen ging de overste, vergezeld van een 
der officieren en mij, aan wal. Er lagen 3 a 4 grootere 
handels- en wel 100 kleine praauwtjes in de baai , die hier de 
monding van de rivier Tjeroetjoep vormt, langs wier strand 
aan de noordzijde de hoofdkampong van het eiland gebouwd 
is. De benting ligt op het uiterste der landtong, door de ri- 
vier en de baai gevormd, terwijl het huis van den depa- 



SG4 



ti, de landingsplaats en eene kleine mesdjid (moskee), tusschen 
de benting en de kampong in gelegen zijn. Het terrein waarop 
de benting gebouwd is , komt mij zeer geschikt voor. Deze 
bestaat uit eene palissadering, geplaatst op eenen heuvel van 
p. in. 50 voeten hoogte, waaruit èn de rivier, èn de baai, 
èn de kampong bestreken kunnen worden. Binnen deze palis- 
sadering zijn gelegen eene vrij goede kazerne en wachthuis 
en eene vroegere kommandants- woning (in welke wij ontvangen 
werden en welke allen door den depati onderhouden worden) , 
de vlaggestok, van welke de Hollandsche vlag wappert, be- 
nevens de resten van een steenen kruidhuis. Na genuttigd 
ontbijt en een over verschillende punten gehouden diskoers, 
gingen wij de kampong bezoeken, bij welke wandeling de de- 
pati ons vergezellen moest. Tegen den middag vertrok de 
overste en gevolg , terwijl ik aan wal bleef. 

Mijne goederen van boord gekomen zijnde , vestigde ik 
mij , zoo goed als de omstandigheden het toelieten , in de 
vroegere kommandantswoning , welke geheel op inlandsche 
wijze, dat is, zonder eenig venster gebouwd was: eene goede 
voor haar geplaatste pondokh was dan ook over dag mijn 
verblijf. Het aanwezige meubilair was niet noemenswaardig, 
zoodat ik mij hierin nog al behelpen moest, waaraan ik 
spoedig gewend raakte. Ik besloot alhier mijn verblijf te 
houden die dagen, welke ik niet in de binnenlanden door- 
bragt , en alzoo na eiken togt hier weder terug te keeren , 
ten einde van de doorgestane vermoeijenissen wat uit te rus- 
ten, mijne gedurende elke reis opgeteekende losse opmerkin- 
gen te verzamelen en uit te werken , en mijne korrespondentie, 
wanneer tot het verzenden van brieven gelegenheid bestond, 
bij te houden. 

Den 17den Oktober zond ik de beide Chinezen het land in , 
ten einde, vóór ik mij zelf op reis begaf, eenig berigt van de 
landstreek in te winnen. Zij waren ruim 4 palen noord- 
oostelijk opgegaan en langs eenen kleinen omweg, wat zui- 
delijker op, teruggekeerd. Hetgeen zij mij omtrent den 
toestand der wegen , die ook gewoonlijk in de onmiddellijke 



3G5 



nabijheid eener hoofdplaats, beier dan op grooteren afstand 
zijn, mededeelden, kwam ook met mijne verwachting overeen. 
Het land was vlak, met laag hout bewassen en zandig. Alhoewel 
minder opzettelijk daartoe uitgezonden, hadden zij oppervlak- 
kig geenen tinerts ontdekt. 

Den volgenden dag ging ik, door de Chinezen vergezeld, 
met eene kleine sampang de rivier Tjeroetjoep op. Even 
voorbij het fort is zij bij hoog water slechts 5 voeten 
diep, z. V 2 w. een geruim eind voortloopende. Men ont- 
moet vele groote, op elkander gestapelde granietrotsblok- 
ken, door welke dan ook de gansche kust als omzoomd is, 
en eenige eilandjes , van welke Poeloe Kapal het grootste is. 
Even voorbij het fort zal de rivier wel 150 passen breed 
zijn. Na volgens gissing 6 palen roeijens, — waarbij nog me- 
nige kronkeling der rivier afgesneden werd , — kwamen wij op 
den regteroever aan eene zeer kleine beek , waar een voetpad 
over gevelde boomen en hunne wortels, leidde naar eene 
kleine kampong, die echter te ver af lag. 

De bodem (het was laag water) bestond slechts uit zwar- 
ten moddergrond, welke bij hoog water onderliep, en alzoo 
niet dan met de grootste moeijelijkheden en kosten op de 
Chinesche wijze zoude te bewerken zijn. Tot hier was de 
rivier gemiddeld 12 voeten diep. Hare boorden zijn bijna 
uitsluitend met bakoen begroeid. Het water bleef tot hiertoe 
steeds zout. Iets merkwaardigs leverde dus deze rivier, in 
welke ik de Bankasche rivieren geheel terugvond, en in welker 
beschrijving ik alle rivieren van Billiton, die ik bezocht heb, 
beschreven heb, dus niet op. Ik kom hierop alzoo niet we- 
der terug. 

Den 20sten Oktober ging ik met de mijnwerkers in eene 
sampang langs het strand om de noord tot aan Soengie Koe- 
boe, p. m. 3 palen van de hoofdplaats verwijderd. Bijlaag 
water stonden ruim 3 voeten water voor den ingang. Zij 
loopt bijna onafgebroken oost op. Op circa 800 passen van de 
monding af wordt de regteroever iets hooger. Tot hier zal de 
rivier 35 passen breed zijn; nog 300 passen verder, en ze is voor 



mij 



de kleinste sampang niet meer bevaarbaar. Op den linker- 
oever stapte ik aan wal en kwam weldra aan ecne kampong, 
uit twee huizen bestaande en Kalamkoeboe geheeten. Op 
eene zeer laag gelegene plaats deed ik onderzoek met den 
Chineschen steker, sjam genaamd. Dit werktuig, in mijn 
rapport over de Banka-tinmijnen reeds beschreven, bestaat uit 
eene 16 voet lange ijzeren staaf, eindigende in eene holle 
kegelvormige punt, waarvan aan de eene zijde de rand iets 
hooger opstaat dan aan de andere. Deze opening wordt met 
een lapje, dat aan een touw bevestigd is, gesloten, en dan 
langzaam in het te onderzoeken terrein, onder op en neder- 
gaande bewegingen gestoken. Aan het geluid en het gevoel 
kan men bij eenige oefening, waarin de heer Heijdeman, ad- 
ministrateur van Soengijslan, mij onderrigt had, den aard der 
verschillende lagen ten naastebij onderkennen. Twijfelt men , men 
verwijdert het lapje en de holle kegel vult zich met den op 
die plaats aanwezig zijnden grond , die men dan verder onder- 
zoeken kan. Wanneer men over geene ruimere of meer te- 
zamengestelde middelen beschikken kan, acht ik, met de 
noodige voorzorgen, de sjam nog tot de beste middelen te 
behooren , om een vreemd terrein tot op eene zekere diepte 
te onderzoeken. 

Op 3 voeten diepte kwam men op eene laag witte pijp- of 
kaólin-aarde , die wel 10 a 11 voeten dik en onder welke 
eene laag wit grof zand gelegen was, hetwelk gewasschen 
zijnde , volstrekt geen' tinerts achterliet. Ook liet ik op on- 
derscheidene plaatsen een weinig grond uit 2 en 3 voeten diep- 
te wasschen, zonder ander resultaat. Ik hield mij echter ver- 
zekerd , en^de Chinezen bevestigden dit mijn gevoelen , dat, al 
ware hier tinerts gevonden , het toch hoogst bezwaarlijk zoude 
zijn, om het op de Bankasche wijze te exploiteren, daar wegens 
de gelijkheid van het terrein , het benoodigde water van eenen 
te grooten afstand moest aangevoerd worden. Een ander be- 
zwaar van geringeren aard, was, dat ook hier in den omtrek, 
geen hoog hout, om goede kolen van te branden, groeide. 

Over het zelfde terrein voortgaande , kwam ik aan de kam- 



867 



pong Kalamoe, groot 4 huizen, en na in 't geheel 5 a 6 pa- 
len gemaakt te hebben op Tandjong Pandang terug. 

De volgende dagen werden, met het maken van tocbereid- 
selen voor eene reis over Badau naar Blantoe doorgebragt. 
Ik begon met den depati dit mijn plan bekend te maken, 
die tegen het gaan naar Blantoe de grootste bezwaren had, 
zeggende, dat hij de menschen aldaar mistrouwde, en ik 
misschien vermoord, misschien door een langzaam werkend 
vergif ongelukkig zoude worden. Dergelijke geruchten had- 
den de Chinezen ook reeds in de kampong vernomen. 

Daar ik dacht, dat de depati wist, dat in dit distrikt tin- 
erts was, en door zulke bedreigingen slechts zocht mij van die 
plaatsen af te houden, zoo drong ik er te meer op aan, om 
mij hier heen te begeven. Ik werd hierin versterkt , door dat de 
depati den 23sten Oktober mij naar Tjeroetjoep , de plaats waar 
het oude fort stond, en waarvan thans niets als eene wilder- 
nis meer te vinden is, liet roeijen, mij een paar gidsen (ka- 
wans) behalve de benoodigde 4 koelies medegevende, die , 
toen wij geland waren , verklaarden den weg naar Badau niet 
te kunnen aanwijzen. Onverrigter zake moest ik dus dien 
dag weder, terug keeren. Of dit nu toevallig was of voorbe- 
dachtelijk afgesproken en beredeneerd , durf ik niet beslissen. 

In allen gevalle was nu de tijd daar, dat ik den depati in 
krachtige bewoordingen moest te kennen geven, hoe ik wensch- 
te behandeld te worden. Ik liet onmiddellijk den ingebeij van 
Badau bij mij ontbieden, die dien van Blantoe dadelijk van mij- 
ne komst. moest kennis geven en voor gidsen en koelies moest 
zorgen : op den 26stcn Oktober werd alzoo de reis bepaald. 
Den vorigen avond liet de vrouw van den depati mij nog goed- 
gunstig waarschuwen om toch niet naar Blantoe te gaan, en 
zulks in geen geval, voor ik tijding van het hoofd van Blantoe 
had terus bekomen. 



868 

Reis naar Badau en Blantoe* 

Des morgens ten 6 ! / 2 ure vertrok ik met 4 koelies en 2 ka- 
wans, de beide Chinezen en den oppasser, die mij te Banka 
toegevoegd was. Mijne beide bedienden moest ik wegens ziekte 
achterlaten. Het voetpad was aanvankelijk redelijk, ofschoon er 
op sommige plaatsen één voet of meer water op stond. De 
bodem bestond meestal uit grof zand, en was, zoo ver men 
zien kon, met laag hout en varens bedekt. Op 4 palen gaans 
ten oosten der hoofdplaats is eene rivier Soengie Raja gehee- 
ten, die in de ïjeroetjoep uitloopt. Hier was de grond mer- 
gelachtig en iets golvend. Op 2 en 3 voeten diepte bevatte 
de bodem eene uiterst kleine hoeveelheid eener zwartachtige 
zeer fijne ertssoort, die aldra door de Chinezen voor koppong 
(valsche tinerts, die geen tin bevat) erkend werd. Nabij de 
rivier, met de sjam beproevende, kwam men op eene zwart- 
achtige pijpaarde (door de Chinezen op Banka ka genoemd), 
die op ruim 14 voeten diepte niet veranderde, waarom men 
de proef hier staakte. Wanneer er erts was, dan zoude het 
terrein hier toegelaten hebben om kollong te werken. Latei- 
heb ik de Chinezen wat hoogerop gezonden , als wanneer zij van 
nabij Soengie Pantjoer eene groote hoeveelheid koppong-erts mede- 
bragten, een scheikundig onderzoek van welken later volgen zal. 

Ten 10 7 2 ure kwam ik te Tra was, eene kampong 3 huizen, 
groot, ging z. o. op en had ten n. o. de bergketen van Tam- 
boeroean, die uit een vijftal weinig verhevene heuvels bestaat. 
Hier begint reeds het landschap uit niets dan vroeger bewerkte 
of nieuw opgerigte ladangs (hooge rijstvelden) te bestaan , wel- 
ke laatsten het een treurig aanzien geven; onwillekeurig 
toch komt de opmerking voor den geest, welke vernieling het 
vuur, in de handen van den mensen, kan veroorzaken. Het 
gaan is hier zeer bezwaarlijk door het onophoudelijke over- 
klauteren of overstappen van sommige groote gevelde en niet 
verbrande boomstammen. 

Om 1V 2 uur kwam ik in de kampong Djankan, uit 3 ver- 
spreide huizen beslaande, en had langs de kronkelende voet- 



369 



paden naar berekening 15 palen afgelegd. Op het laatste eind 
van den weg beproefde ik in een tweetal beekjes , maar vond de 
cene keer slechts zand , de andere veel zand en een weinig pijp- 
aarde en dan daaronder zeer harden groven zaadgrond (passir 
garam in het Maleisen genoemd). De grond bleef bijna zon- 
der verandering zandig, was slechts op zeer enkele plaatsen geel 
leemachtig, zonder eenige overblijfselen van ontleeden graniet. 
In den omtrek van Djankan , waar ik den nacht verbleef, vindt 
men eenige groote rolsteenen , uit grofkorreligen graniet, mis- 
schien porfier te zamen gesteld : het hout is veelal laag. 

Den volsenden morgen beproefde ik op verscheidene plaatsen 
in 2 beekjes, maar vond geen spoor van tinerts, meestal wit- 
te soms zwartachtige kleiaarde , dan gewoon zand en daar- 
onder soms dezelfde konglaag, als waarop te Banka de erts- 
laag gewoonlijk rust. Om 9 uur ging ik langs eenen weg , 
die door hooger hout dan ik nog gezien had loopt, naar Ba- 
dau. Op V 3 uur afstand is eene vrij breede rivier, in welke 
thans door de droogte slechts 4 voeten water stond ; hier lag 
de kong zeer laag, met klei- en zandlagen er boven, terwijl 
op Badau, dat van Djankan 8 palen afligt, de kong in eene 
put van 3 voeten diepte reeds te voorschijn kwam. Ik werd 
door den ingebeij zeer voorkomend ontvangen en nam in een 
voor mij ontruimd koelit- (boomschors-) huis mijnen intrek. 

Naar mijn gevoelen meen ik hier met de vermelding van 
elke boring met de sjam verrigt , te kunnen eindigen. Al- 
len zijn in mijn gehouden journaal omstandig opgeteekend , 
maar komen gewoonlijk op hetzelfde neder. Dan eens is de 
bodem uit wat meer of wat minder zand, uit witte of geelachtige 
klei- en leemaarde zamengesteld, soms ligt de kong hooger, 
dan weder lager: waar hierop uitzonderingen gevonden zijn, 
daar zullen deze omstandig medegedeeld worden. Zeker is 
het, dat het nog niet vinden van tinerts, mij ten hoogste ver- 
wonderde (daar ook ik bij mijne komst op Billiton in het denk- 
beeld verkeerde, dat de bodem rijk aan tinerts was) en mijne 
onderzoekingen verdubbeld heeft, gelijk ik de eer had aan 
zijne excellentie den minister van staat, gouverneur generaal 



370 



mede te doelen den Uden November 1850. 

Zoo bragt ik twee dagen in de omstreken van Badau, steeds 
nasporingen doende, door. De depati zond mij nog twee zij- 
ner broeders achterna, om mij nogmaals af te raden om naar 
Blantoe te gaan , of wel om , wanneer ik van deze reis niet af 
te houden was , zorg voor mij te dragen. 

Den 30sten Oktober vertrok ik van Badau naar Blantoe. 

Na 4 palen afgelegd te hebben, kwam ik aan kampong San- 
datoe, genoegzaam z. van Badau gelegen. Hier in de nabij- 
heid loopt de ééne arm der rivier Tjeroetjoep, aan de gene 
kant van Badau de andere: beide ontspringen naar men mij 
zeide in den Goenong Tadjam. Nog 11 palen verder, terwijl 
de weg niets bijzonders opleverde, als dat hij vreesselijk slecht 
was, kwam ik aan een huis, in het midden eener ladang ge- 
legen, waar ik overnachtte. De grond blijft steeds zeer zandig: 
nergens kon ik een stukje kwarts of mica ontdekken, noch op 
de oppervlakte, noch met desjam. Het oog stuit hierop eene 
aaneenschakeling van heuvels, van 50 tot 200 voeten hoogte. 
Deze heuvels bestaan, voor zoover ik opmerken kon, uit 
geene vaste steensoort. De tusschen hen gevormde valleijen 
kunnen geen' tinerts bevatten, daar de beekjes die er ontsprin- 
gen geen tinerts afvoeren, of in hunne beddingen bevatten, en 
ook de koelit-grond nergens bij wassching tinerts achterlaat. 
Op verschillende plaatsen werden beide zaken dien dag on- 
derzocht. 

Den volgenden morgen vroegtijdig op reis gegaan, kwam, 
nadat ik 7 palen afgelegd had, een afgezant met volgelingen 
van den ingebeij van Blantoe mij te gemoet. Hij was even 
als de volgelingen met lans, kris en eenigen ook nog met den 
klewang gewapend, zeer voorkomend, en zoude op zijn uiter- 
lijk af, al dadelijk mijn vertrouwen gewonnen hebben, indien 
hij niet, onmiddelijk na het afleggen der gewone komplimen- 
ten, aan een mijner menschen gevraagd had, of het geweer, 
dat ik altijd zelf droeg, ook geladen was, en geen antwoord gaf, 
toen hij vernam, dat ik het iederen dag met den kogel in hun- 
ne tegenwoordigheid laadde. 



371 



Wij gingen den Goenong Mang, die ruim 14 palen van de 
plaats, waar ik liet laatst overnacht had, verwijderd is, over. 
De formatie van dezen berg is een jonge zandsteen. Hij vormt 
de afscheiding tusschen het distrikt Badau en het Oostelijke 
distrikt van den depati. Tot hiertoe is de bodem nog steeds 
zandig, verderop soms geel, klei- of mergelachtig van den 
ontleeden zandsteen : soms ligt de kong zeer hoog , maar 
sporen van tinerts vindt men hier nergens. Ik verbleef aan den 
voet van den berg, in een huis, kampong ïembali genaamd. 
Den volgenden dag werden de Badausche tegen Blantoesche 
koelies verwisseld en ging ik weder vroegtijdig op reis. De 
weg was over het algemeen genomen iets beter dan de voor- 
gaande dagen. Na ruim 12 palen afgelegd te hebben, kwa- 
men wij aan eene kleine vlakte, door eene heuvelketen van 
voor zoover ik zien konde, 6 heuvels, van welke de hoogste 
300 voeten hoog zal geweest zijn, ingesloten. De grond blijft, 
steeds fijn zandig welk zand minder het aanzien van zeezand 
heeft dan vroeger, soms met gele kleiaarde vermengd, welke 
echter volstrekt niet glibberig is. Na in het geheel 20 a 21. 
palen afgelegd te hebben , kwam ik aan eene kampong van 
2 huizen, Keloebi genaamd, waar ik verbleef. 

Den 2den November vertrok ik van hier, en ging over eene 
vrij lange kunstmatige brug, de rivier Kemiri over, die de 
grensscheiding is tusschen het distrikt Blantoe en het oostelij- 
ke distrikt van den depati. De weg liep genoegzaam den 
geheelen dag over ladangs (het distrikt Blantoe is een der meest 
bevolkte), naar berekening wel 24 a 25 palen. Nabij Blan- 
toe komende , werd de landstreek heuvelachtiger , en men 
onderscheidt er eenen berg, die wel G00 voeten hoog zal zijn. 
Mijn gevolg groeide tot een 40tal personen aan, daar uit 
elk huis waar ik langs kwam , een of meer personen , om 
mij eer te bewijzen, zich er bij voegden. Zoo kwam ik on- 
verwachts voor eene hooge palissadering, aan de vier hoeken 
met wachlhuisjes voorzien , binnen welke het huis van den 
ingebei van Blantoe zich bevond. 

Hier ecnige vrees te toonen zoude onvoorzigtig en ook co- 
lli. 29 



872 



noodig geweest zijn: teruggaan kon ik niet, en stapte dan ook 
maar de benting binnen. De zoon van den ingebei kwam mij 
hier te gemoet en noodigde mij uit in huis te komen, daar 
zijn vader oud en ongesteld was. 

Dit huis was aan beide zijden met groote metalen lilla's 
gewapend, die, zooals ik nader bemerkte, op de praauwen 
gebruikt worden. De ingebei heeft een zeer gunstig uiterlijk. 
Hij begon met mij om vergeving te vragen , indien hij eenige 
lompheid jegens mij mogt begaan , daar hij , zooals hij zeide , 
tot de boschmenschen behoorende, niet beschaafd genoeg was 
om met Europeanen behoorlijk om te gaan. 

Een huisje buiten de benting werd mij tot verblijf aange- 
wezen ; ook dit maakte weder mijn wantrouwen gaande, daar 
in de benting ook nog een ledig huisje was. Ik wilde voor 
mij en de mijnen rijst laten koken, maar de ingebei stond 
er op om hier zelf in te voorzien, iets dat ik, hoewel hem 
wantrouwende, niet durfde weigeren. Ik nam dit aanbod 
(dus aan, maar verlangde dan ook, dat voor mijne volgers te- 
vens zou gezorgd worden , die ik allen bij mij verzocht, en ik 
wist toen de voor mij bestemde spijzen met die der koelies 
te verwisselen. Ook des nachts was ik meer op mijne hoede 
dan gewoonlijk. 

Reeds vroegtijdig ontving ik den volgenden morgen een be- 
zoek van den ingebei en familie. Van dezen man vernam ik 
eenige bijzonderheden, die ik misschien anders niet te weten 
zou zijn gekomen. Zoo deelde hij mij mede, dat de inge- 
bei 's niet bezoldigd werden, maar een deel der rijstopbrengst 
in hun distrikt ontvangen. Verder, dat een gedeelte der in- 
woners in hun distrikt eenen zekeren tijd in het jaar verpligt 
zijn, tegen vrijen kost voor hen te werken. Het distrikt Blan- 
toe, zeide hij mij,-- -en dit is genoegzaam over het geheele ei- 
land het geval, — bevat geene eigenlijke kampongs; de inwo 
ners slaan de huizen in de elk jaar bewerkt wordende ladangs 
op. De voetpaden worden alzoo elk jaar verlegd , daar : 
steeds zoo veel mogelijk langs de woningen leiden. Daaraan 
kan men de weinige zorg voor begaanbare wegen toeschrijven 



373 



en ook het onbegrijpelijk kronkelen dier paden , terwijl ook 
de beste gids zich meermalen in den weg vergist. Het dis- 
trikt Hlantoe zoude 100 huizen bevatten. Over de orang sekah 
in zijn distrikt repte hij geen woord- 

Ik- ging naar de rivier, ruim V 2 paal van de benting ver- 
wijderd, over eenen uit wit zeezand (soms met eenig zwart- 
achtig zand vermengd) bestaanden bodem. De Chinezen gingen 
naar een beekje niet ver van de benting, waar zij op 4 voe- 
ten diepte reeds eene roodachtige kong vonden, en hierboyen 
eene fijne, eenigzins roodachtige aarde. Hiervan waschten wij 
drie klapperdoppen vol en verkregen eene zeer fijne helder- 
zwarte ertssoort, die ook dadelijk voor koppong-erts erkend werd, 
in hoeveelheid volgens mijne berekening naauwelijks V 4 wigtje. 
Volgens hun gevoelen was dit, indien dan al de erts goed ware, 
niet alleen te weinig om met voordeel bewerkt te kunnen worden, 
maar zelfs om het zoutin de rijst te verdienen. Later vernam 
ik, dat uit deze streken vroeger 4 mandjes erts verzameld en 
naar Muntok gezonden waren, ten einde gesmolten te worden, 
hetgeen de vader van den jaksa ondernomen heeft, welke den erts 
voor koppong verklaard had, daar hij geen spoor van tin 
opleverde. 

Den 4den November werd ik door des ingebei's zoon en ver- 
der gevolg in eene praauw noord op , naar Tandjongpandang 
begeleid. Het weder was niet al te gunstig, zoodat wij meer- 
malen bij harde windvlagen met de zwaar geladene praauw 
moesten ankeren en eerst den 5den November in den na- 
middag ter hoofdplaatse aankwamen. 

Meermalen vroeg ik mij af, wat den depati toch wel bewo- 
gen had, om mij de reis naar Blantoe , waar ik zoo goed ontvan- 
gen was, zoo bepaald af te raden, en deze als zoo gevaarlijk 
te beschrijven. Later vernam ik, dat hij geslagen vijand is 
met den ingebei, en wel om reden, dat deze laatste van zijne 
vrouws zijde aan Mas Agoks, het hoofd der Lepar-eilanden , 
naauw verwant is, en hij dus liever had, dat ik daar niet ging, het- 
zij dat hij bang was, dat ik met zijnen vijand ééne lijn zoude trek- 
ken, hetzij dat hij hoopte, dat, als ik het gouvernement kennis 



§74 



gaf, dat ik te Blantoe niet had kunnen komen, de ingebei en 
verdere familie uit het bestuur, misschien van het eiland, ver- 
wijderd zouden worden. 

Hoe het zij, ik wenschte mij zei ven bij mijne terugkomst ge- 
luk, dat ik mij aan alle deze praatjes niet had gestoord: was 
ik niet naar Blantoe gegaan, het ware eene groote leemte in 
mijne reis, en voor hen, die blijven beweren, dat Billiton rijk 
aan tinerts is, een schoon punt van aanval geweest. 

Zoo was ik, die in het vertrouwen, dat er veel tinerts op 
Billiton te vinden zoude zijn, naar dit eiland toeging, geheel 
in mijne verwachting bedrogen. Ook de Chinezen deelden mij 
bij de terugkomst van dezen eersten togt mede , dat zij zich 
schaamden, als zij geenen erts vonden, bij hunne landgenooten 
te Blinjoe terug komen, daar ook op Banka overal beweerd 
werd , dat Billiton rijk aan tinerts is , en men alzoo aan 
hunne kennis of wel werkzaamheid zoude gaan twijfelen. 



Reis naar Sidjoek en Boeding. 

Den 13den November in den vroegen morgen vertrok ik van 
Tandjongpandang, door hetzelfde personeel als vroeger verge- 
zeld, en ging n. o. op over eenen zeer zandigen bodem, die 
geheel met karmoentingstruiken begroeid was. Na 7 palen gaans 
kwam ik aan eene kampong van 2 huizen, die Assamloban{ 
heet, waar in de nabijheid een klein beekje stroomt, waarin 
ik boorde : ik vond slechts witten zandgrond of nog fijner 
loopzand en daaronder onmiddellijk witte kong. Nabij deze 
kampong vindt men eenige granietblokken van dezelfde graniet- 
soort en voorkomen als te Djankan. Nog 6 palen verder en 
ik bevond mij in de kampong Penjabing, 3 huizen groot. In 
den koelit-grond, nabij een beekje, Soengie Penjabing genoemd, 
vond ik, 3 voet onder den beganen grond, sporen van fijnen kop- 
pong-erts. Hier zoude, wanneer deze erts werkelijk tinerts was, 
naar der Chinezen oordeel, misschien een koelit-mijntje van 4 
a 6 man en 2 baociais (waterleidingen) de onkosten goed kun- 
nen maken, omdat er, volgens du kampongbewoners , steeds 



S75 



overvloed van water is. In de beek zelve kon men niet be- 
proeven, daar het water er te hoog in stond. Nergens in den 
omtrek kon ik iets dat tinerts was of aanduidde ontdekken. De- 
ze kampong is van zee p. m. 12 palen verwijderd. 

Den volgenden morgen liep ik stellig 10 palen ver, door uit- 
gewerkte ladangs, zonder één huis te zien. Steeds blijft de 
grond zandig. Hierop volgt een nog slechtere weg door een 
boschje, waarin vele beekjes overgetrokken moesten worden, over 
hoogst moeijelijk te begane kunstbruggen. Die beekjes be- 
vatten geen van allen tinerts: overal is vrij grof zand gevonden 
en daaronder de kong. De koelitgrond bevat nergens een spoor 
van tinerts. Wederom eenige groote graniet-rolsteenen gezien , 
en in hunne onmiddellijke nabijheid kleine kwarts of feldspaath- 
stukjes gevonden, stellig hunne ontledingsprodukten. Op en- 
kele plaatsen heb ik hier ook kleine stukjes roodijzersteen 
gezien, alsmede ook ijzerslakken, beiden waarschijnlijk daar aan- 
getroffen, door dat er vroeger ijzererts bewerkt werd. Het ter- 
rein wordt iets golvend, doch de hoogten bedragen niet meer dan 
18 a 20 voeten. Hier zag ik den eersten bamboestoel. Na 
dezen dag in het geheel 18 a 20 palen afgelegd te hebben, 
bevond ik mij aan de benting vanden ingebei van Sidjoek, die 
mij ook zeer voorkomend ontving. 

De monding van de rivier Sidjoek is van hier 8 palen, de 
kampong Sidjoek (3 huizen) 3 palen verwijderd. 

Den loden November ging ik den omtrek der benting met do 
Chinezen onderzoeken, ik ging ruim 27 2 paal zeewaarts op 
en zag vele rolstecnen van zeer groven graniet. De bode;n 
leverde noch aan dezen, noch aan den anderen kant der ben- 
ting, iets belangrijks op en van tinerts geene sporen. 

Den volgenden dag trok ik, om naar Soengei Padang te gaan, 
twee armen der rivier Sidjoek over. In een dezer armen met 
den sjam borende, stootte men tweemalen op rolslcencn, die 
hier in massa verspreid liggen: ik drong tot op 16 voeten 
diepte in de kong door, door zand, dat steeds grover werd. 
De koelitgrond werd meermalen vruchteloos gewasschen. Ook 
paste ik dien dag eene rcglhockige ladang af, die voor twee huis- 



876 



gezinnen of zes personen , voor een jaar voldoende rijst moest 
opbrengen: ze was p. m. 400 passen lang en 225 passen breed. 
Na 12 jaren kan dezelfde grond weder gebezigd worden, Zeven- 
tien palen afgelegd hebbende, kwam ik aan een huis, V 4 uur 
roeijens van de monding van Soengie Padang gelegen, waar ik 
verbleef. De rivier zal hier 150 passen breed zijn. 

Den 17den November de rivier uitgeroeid zijnde, zag ik, dat 
de ingang, even als de gelieele kust, met vele ontzaggelijke rots- 
massa's bezet was. Strand is hier niet, maar alles modder- 
grond. Teruggekeerd zijnde liet ik de Chinezen de rivier op- 
varen. Na 1 V 2 uur roeijens konden zij niet verder komen. 
Aan geen' der beide boorden van de rivier, noch overal in den 
omtrek, waar ik verbleven was, was tinerts te ontdekken. 

Den volgenden dag de Soengie Padang overgestoken zijnde, liep 
ik 9 palen en kwam aan de kampong Parak, de grensschei- 
ding tusschen de distrikten Sidjoek en Boeding. Van hier kon ik 
den Goenong Tadjam, den hoogsten van Billiton's bergen, zeer 
goed onderscheiden. 

Ik trok verder twee kleine beekjes over, die zich in de 
Soengie Boeding, — welke in den Goenong Tadjam ontspringt, — 
uitstorten. In een hunner werd rnet den sjarn gestoken. De 
zandige grond, die over den geheelen afgelegden weg zeer fijn 
en soms iets geelachtig gekleurd was, tot op 6 voeten diep- 
te door zijnde, stootte men op eene laag, die slechts 3 dui- 
men dik was, maar vele kwarts- en feldspaath-stukjes bevatte. 
Hier had men veel reden om tinerts te verwachten: onvermoeid 
werd dus op verschillende plaatsen iets van deze laag met den 
sjam naar boven gehaald, maar zelfs niet eene enkele maal hield 
men na wassching eenig spoor van tinerts of koppong over. On- 
der deze laag lag onmiddellijk de kong. Na dezen dag in het 
geheel 20 palen gemaakt te hebben, kwam ik in kampong 
Semoenjoe , 2 huizen groot. 

Den 18den November ging ik 1V 2 paal o. op naarde Soen- 
gie Djamat, die ook in de Soengei Boeding zich uitstort. 
Ruim 1 uur gaans hooger op van de rivier lag weleer het huis 
Yan den ingebei van Boeding , die sedert een jaar van woon- 



377 



plaats veranderd is. 
lang af, als wanneer ik in de Soengie Boeding kwam , die hier 
p. m. 80 passen breed zal zijn. Nog 1 J / 2 unrroeijens verder, 
en ik had ten oosten de Soengie Gomba, die wij ingingen. De 
monding van Soengie Boeding is een uur roeijens van hier. Na 
nog 5 / 4 uur geroeid te hebben, stapte ik aan wal, als wanneer nog 
2 palen tot aan het huis van den ingebei afgelegd moesten wor- 
den, welk huis, te midden eener nieuw aangelegde ladang, 
zeer onlangs opgetrokken was. Ik werd voorkomend door den 
ingebei ontvangen , die mij voorkwam de minst schrandere van 
alle Billitonsche hoofden te zijn, en die uiterlijk meer van een' 
koelie dan van een distriktshoofd heeft. Het onderzoek naar 
tinerts in deze omstreken , had geene betere resultaten dan 
vroeger. 

Door laag bosch liep ik den volgenden dag, zonder eene enkele 
woning te ontmoeten, een 12-tal palen tot aan kampong Moedoe. 
Onderweg geen' tinerts gevonden. Eenmaal op het vroeger ont- 
dekte laagje kwarts- en feldspaath-stukjes gestooten , doch ook 
hier was er geen tinerts in te ontdekken. De onderliggende 
kong was hier geelachtig gekleurd. De oppervlakte van den 
grond is hier nu eens zandig, dan weder ligt geel gekleurd klei-of 
mergelachtig. Ik trok eenen kleinen heuvel om, die geheel uit 
ijzererts scheen te zamengesteld, welke erts niet magnetisch was , 
maar toch zeer geacht werd. Zes palen verder bevond ik mij 
in kampong Seroe, waar ik in een ellendig en verlaten huis 
overnachtte, nabij denGoênong Seroe, die 150 voeten hoog zal zijn, 
en ten zuiden der kampong ligt. In eene put zag ik hier 
gele klei met roode aderen, even als ook wel op Banka ge- 
vonden wordt, welke daar, even min als hier, tinerts bevat» 
door de Chinesche mijnwerkers zapkong geheeten en door 
hen op Banka nergens bewerkt wordt. Deze kampong be- 
grenst ten zuiden het distrikt Boeding, ten noorden het oos- 
telijke distrikt van den depati. 

Den 21sten November ten 6 ure op reis gegaan zijnde, fcgdc ik 
11 palen af door een uitgestrekt bosch, waar sedert jaren geene 
ladangs bewerkt worden , dewijl de vroegere inwoners verhuisd 



878 



waren. Bet bevatte eenige hooge boomen, waaronder kajoe meian- 
ti, waaruit de dammarhars verkregen wordt. Oe bodem is steeds 
zandig. Bij uitzondering ziet men iigt-geel gekleurde leemaarde. 
Nergens bevat de koelit tinerts. Ook onderzocht ik in een beekje, 
dat in de Soengie Mangar zich uitstort, alsmede in eene der ar- 
men van Soengie Mangar, die ik overtrok, zonder ander resultaat. 

Op deze laatste ging de boor eerst door zand, waar een 
weinig leemaarde op volgde, daarop fijn zand en daaronder 
de kong op wel 16 voet diepte, in het laagste gedeelte der rivier. 
Des namiddags, na 22 palen naar gissing afgelegd te hebben, 
eerst o. opgegaan zijnde en daarna 4 palen n., kwam ik aan 
een huis in eene ladang , waar men mij zeide, het digst mo- 
gelijk bij den Goenong Boerongmandi te zijn, maar er nog wel, 
indien men den berg bereiken kon, een dag gaans af te 
wezen. Er bestond geen weg, van welken kant men ook den 
berg bereiken wilde, naar men mij hier zeide, en om dien 
te maken, dit was in dit jaargetijde bijna onmogelijk, daar 
de omstreken van den voet des bergs zeer laag zijn. In de 
nabijheid van dit huis werd geen' tinerts gevonden. 

Het is hier de plaats om te vermelden, aan welke mislei- 
dingen men op eene dergelijke reizen ai niet blootgesteld is. 
Naauwelijks was ik op Billiton te Tandjongpandang aange- 
komen, of een zeer oude man had zich bij de Chinezen 
vervoegd, verklarende Bankanees te zijn, weleer mandoer 
der mijnen in het distrikt Jeboes, ten bewijze hiervan chi- 
neesch sprekende, en met den heer Biersghill op Billiton te 
zijn gekomen, waar hij later als koopman is blijven wonen. 
Hij zeide den Chinezen vertrouwelijk, dat hij wel wist waar 
tinerts te vinden was en bewerkt was geweest, maar het 
niet durfde zeggen , daar de depati hem dan zoude doen 
vermoorden. Ik liet hem bij mij roepen, maar hij durfde 
uit vrees voor den depati niet komen, waarop ik op ze- 
keren avond zelf hem in de kampong bezocht. Door het be- 
looven- eener goede dagelijksche belooning, wanneer hij mij 
op mijne reizen wilde volgen , eener nog grootere belooning 
wanneer hij mij tingronden of plaatsen waar gewerkt was, 



379 



aanwees, en in het laatste geval ook vrije passage naar- en 
toestemming om op Ranks te blijven wonen, haalde ik hem 
over, om mij op reis te vergezellen. Bij mijn vertrek voor 
de eerste reis over Dadau en Blantoc, was hij ziek, of wel deed 
hij zich ziek voor, zoodat hij toen niet mede kon gaan. Op deze 
tweede reis bleef ik er op aandringen, vooral daarbij zeide, 
dat hij op den Boerongmandi de slakken van vorige smeltingen 
van tinerts wist aan te wijzen, en verleidde hem om mij te 
vergezellen, door hem een klein voorschot in geld te geven. 
Maar hoe was ik bedrogen en verontwaardigd, toen hij, in 
de nabijheid van de laatste kampong gekomen , niets van 
den weg afwist, mij zelfs eens een viertal palen mis liet loo- 
pen , en op mijn herhaald aandringen , eindigde met te ver- 
klaren, dat hij zelf er wel nooit geweest was, maar het al- 
leen van hooren zeggen had : zelf had hij nooit de bedoel- 
de tinslakken gezien. Den hoogen ouderdom van dien man 
in aanmerking nemende, liet ik de zaak hierbij. Het was 
echter eene les, om in dergelijke gevallen inlanders geen ver- 
trouwen te schenken. 

Van het laatste ladang-hnis dus niet verder naar den Goenong 
Boerongmandi door kunnende dringen, besloot ik den 22 
sten November terug te keeren. Ik moest alzoo denzelfden 
weg terug, en kwam aan een der oevers van de Socngie Mangar , 
die ik in eene kleine sampang afvoer tot in de hoofdrivier , 
zijnde 2 uren roeijens. Hier moest van praauwtje verwisseld 
worden , hetgeen eenige uren duurde voor de nieuwe eige- 
naar opgezocht was. Tegen 4 uur des namiddags roeiden 
wij de groote rivier af, maar landden ten 8 ure des avonds, 
daar de kleine praauw te lek was , om geladen den gansenen 
nacht te blijven liggen. Al spoedig maakten wij vuren aan , 
Kookten rijst en vleide ik mij op het zand onder den bloo- 
ten hemel neder, in mijnen mantel gewikkeld, die mij voor 
den stofregen dien nacht vrij wel beschutte. 
• Den volgenden morgen om 6 uur weder in de praauw 
gegaan zijnde, kwam ik om 10 uur aan de monding der Man- 
gar-rhier, waar de zee aar beide zijden een schoon strand 



380 



van zuiver zand vormt. Alras roeiden wij verder langs het strand 
noord op naar ïandjong Boerongmandi, waar de praauw 
van den depati, die ik verzocht had dat daar gezonden werd, reeds 
op mij wachtende was. Vier uren zeilens waren voldoende 
om mij nabij deze kaap aan wal te zetten, alwaar ik weldra 
ontdekte, dat het anders witte zeezand op sommige plaatsen 
eene grijsachtige kleur had , zooals men ook dikwijls op de 
Bankasche stranden waarneemt. Hier is een klein riviertje , 
Soengie Lolo genaamd, dat in den Goenong Boerongmandi ont- 
springt, maar door eenen dam van zand geheel toegespeeld was. 

In den bodem van dit riviertje was niets als zuiver zand 
te herkennen , hetgeen voorzeker vreemd zoude voorkomen, wan- 
neer de berg tinerts bevat. Het werd als eene onmogelijk- 
heid beschouwd om van hier den berg te genaken , daar mijn 
personeel te klein was en de middelen ontbraken om eenen 
weg te kappen, alsook daar de zeezijde van den berg geheel 
met borangs (scherpe bamboezen of ander hout, in den grond 
gestoken om den vijand te kwetsen), tegen de zeeroovers, 
die hier het wonen vroeger zeer onveilig maakten, beplant 
was. Hoe ik de zaak dus ook aanlegde , ik moet het tot mij- 
ne smart erkennen, de berg bleef voor mij in dit jaargetijde 
en met de mij ten dienste staande middelen, ongenaakbaar. 

Op het strand voor de kaap, vond ik V 2 voet onder het 
zeezand een' fijnen erts, die moeijelijk , wegens hare ligtheid, 
goed te spoelen en duidelijk laagsgewijze afgezet was. Ik liet 
een gat graven en verzamelde weldra V 4 pikol gewasschen erts, 
welk gat spoedig door het opwellende zeewater vol liep of 
instortte. Met de boor kon hier dus ook niets uitgevoerd 
worden, daar bij elke opgaande beweging, het gat zich met 
loopzand vulde. De kaap zelve, die uit eenen 30 voet hoo- 
gen grond van roodachtig gele aarde bestond, beklom ik, on- 
derzocht dien grond en bevond, dat de fijne erts waarschijn- 
lijk door het regenwater van haar afgespoeld was, daar 
deze grond ze ook bevatte. 

Talrijke verbazend groote granietblokken lagen hier op en 
voor de kaap verspreid. Tegen den avond stapte ik aan 



381 



boord der praauw van den depati en ging noord op. Ten 
noorden der kaap ligt de Goenong Boerongmandilawut, ter 
onderscheiding van den achter haar liggenden Goenong Boe r 
rongmandidarat. Zoo komt men verder voorbij Telok On- 
tong (vrij vertaald: baai van geluk, waar weleer een hoofd 
der zeeroovers zijn verblijf hield en waar zij bij vervolging 
eene veilige schuilplaats vonden), dan voorbij de Soengie Pring, 
die de grensscheiding tusschen Boeding en het oostelijke distrikt 
van den depati is. Ik had toen gelegenheid op te merken, hoe 
gehard en gespierd de orang sekah zijn, die als matrozen op 
de praauw dienen. Jongens van 12 a 14 jaren zaten 36 uren 
bijna onafgebroken aan de lange riemen. Den 25sten Novem- 
ber kwam ik te ïandjongpandang aan. 



Reis naar den Goenong Tadjam en Soengie Lingga. 

Den 5den December in den morgenstond aanvaarde ik de 
reis naar den Goenong Tadjam , genoodzaakt zijnde den oppasser 
en den ouden Chinees wegens zware koortsen achter te laten (een 
mijner jongens was weder hersteld). De weg leidde weder, 
even als toen ik naar Badau ging, eerst over Trawas, maar 
wegens de vele regens was het riviertje Ajer Raja zoo ge- 
zwollen , dat de vorige weg nu niet gevolgd kon worden. Ik 
ging dus wat noordelijker op, waar eene brug was, die wij 
overtrokken, echter nog tot aan de borst door het water wa- 
dende. Ik ging nog 4 palen verder, onder eenen vrees- 
selijken stortregen, tot kampong Ajerboelokklekkabaroe, uit 2 
huizen bestaande, waar ik verbleef. 

Den volgenden dag werd ik door den gids, een' Balinees, die 
sedert lang op Billiton woonde, zeer misleid, daar hij, ofschoon drie 
dagen vroeger van den Goenong Tadjam gekomen, zich in den weg 
vergistte. Hij bragt mij tot voor den berg Tamboeroean , toen 
wij weder terug moesten, altijd onder eenen harden regen. Ik 
gaf hem mijn misnoegen hierover eenigzins gevoelig te ken- 



382 



nen , in tegenwoordigheid van allen die mij volgden, beval 
hem, zich nimmermeer bij mij te vertooncn en liet mij van huis 
tot huis door eenen gids vergezellen. Toen kwam ik na 7 palen 
gaans weder langs eenen omweg in kampong Ajerboeloe- 
tombang, die, als men den juisten weg volgt, slechts 3 palen 
van de plaats waar ik overnacht had , verwijderd is. 

Den 7den December liep ik door bewerkt wordende en af- 
gewerkte ladangs op den Goenong ïadjamlaki aan. Ik moest ver- 
scheidene beekjes tot aan den buik of de knieën doorwaden. 
De grond bleef steeds zandig. Ik zag een paar weinig verhe- 
vene heuvels, die granietrolsteenen aan hunnen voet had- 
den liggen. Ik trok alzoo 4 kampongs, elk van 2 a 4 hui- 
zen door en den Goenong Tadjam van w. tot n. om. Hier komt 
men aan eene vlakte, welke uit het zuiverste witste zeezand 
bestaat, en, waar alleen een bijzonder laag struikgewas, geen 
enkele boom of andere plant, groeit. Hier lag ook veel rood- 
jjzersteen in grootere en kleinere stukken verspreid. Dien dag 
20 palen gemaakt hebbende, kwam ik aan een huis ten n. 
van den Goenong Tadjam gelegen. 

Het regenachtige weder weerhield mij, om dien dag nog den berg 
te beklimmen. De Chinees onderzocht de kleine beekjes, die van 
den berg afstroomen, en de lage streken in de nabijheid. Hij 
kon geen' tinerts ontdekken. De grond bestaat hier hoofdzakelijk 
uit eene gele leemaarde. Vele rolsteenen , geene grootere, 
meestal kleinere, die uit zandsteen bestaan, worden door die 
stroompjes medegevoerd of afgezet. Geene ontledingsprodukten 
van graniet hier aangetroffen. Beide omstandigheden deden alras 
vooronderstellen, hetgeen mij den volgenden dag duidelijk werd, 
dat de hoofdformatie van den berg geen graniet, maar zand- 
steen zoude zijn. 

Den 9den December begaf ik mij ten 5y 2 uur naar den 
berg. Ik ging z. op, over eenen vlakken bodem, toen ik 
eenen berg bereikte, die hier voor den Goenoeng Tadjam ligt. 
Deze berg moest eerst beklommen worden, en zal volgens mijne 
berekening wel 1000 voeten hoog zijn , zoodat men uit het 
huis, waar ik overnacht had, alleen dezen berg, en niets van 



383 



den Goenong Tadjam zien kon. Mijn barometer ontsteld zijnde, 
was achter moeten blijven. Den top van den eersten berg be- 
reikt hebbende, moest men weder y 3 van zijne hoogte dalen 
en toen den Goenong Tadjam bestijgen. Deze berg is volgens de 
inlanders 250 vademen hoog. Ik zal hem op 1200 voeten stel- 
len. Van den voet van den eersten berg tot aan den top van 
den Goenong Tadjam zal de weg wel 5 palen lang zijn. 

Op zijnen top gekomen, zag ik aldra de drie graven van 
Arabieren, die jaren oud zijn en zeer in eere worden gehou- 
den, en voor welke alzoo eerst gebeden en gewierookt werd. 
Het kostte vrij wat moeite, eer ik de koelies overgehaald had , 
om die boomen, — welke het gezigt uit den hoogen boom, 
dien ik beklommen had, beletteden, — om te kappen, daar 
zij meenden, dat hierdoor heiligschennis begaan werd. 

Ik peilde nu de punten , die ik zien kon of bij name ken- 
de , gelijk hierboven reeds medegedeeld is. Boven is de berg 
uit eene gele klei- of leemaarde zamengesteld. Op zijne 
helling ontmoet men vele steenen van eenen zachten geelach- 
tigen zandsteen , en blijkt het ook op vele plaatsen duide- 
lijk, dat deze steen de vaste massa des bergs uitmaakt. De 
medegenomene exemplaren kunnen mijn oordeel staven. Aan 
den voet des bergs vindt men veel roodijzersteen. Na een ver- 
blijf van 3 uren op den top werd de terugreis aangenomen. De 
weg, die over den berg leidt, is onbeschrijfelijk slecht en moeije- 
ljjk. De berg wordt slechts zeer zelden beklommen, zoodat 
de meeste Billitonnezen , die ik sprak , nooit op zijnen top 
waren geweest. Een Europeaan was nog nooit in de bin- 
nenlanden geweest, en had dus veel minder den berg bezocht. 
Zeer vermoeid kwam ik in den namiddag in de reeds ge- 
noemde woning terug, en werd een koortsachtig gevoel ge- 
waar, dat ik aan het steeds door en door nat zijn gedurende 
de vorige dagen, toeschreef. 

Den volgenden dag vertrok ik van daar. De weg leidde 
eerst door een bosch , waarin enkele groote boomen en bij- 
zonder veel bankoean (eene tot de Cycadeén behoorende plant) 
gevonden wordt, waarna men den eenen arm van de Soen- 



384 



gie Boeding overstak, die in den Goenong Tadjam ontspringt. 
Hier kon men niet onderzoeken, daar het riviertje, geheel 
met zandsteen- rolsteenen opgevuld was. Na 5 palen kwam 
men in eene vlakte, welke voor een klein gedeelte met gele 
klei- of leemaarde, even als het bosch, dat er geheel uit be- 
stond, met veel zand gemengd, te zamengesteld was. Verder 
op vond men niets als zeer zuiver wit zand. Geen' enkelen 
boom of plant ziet men hier, behalve eene tjemara, die ge- 
woonlijk alleen aan het zeestrand groeit. Ten z. z. w.' had 
ik eene lage bergketen in het gezigt, waarvan de Goenong 
Sepong den hoogsten heuvel vormde. In het geheel 12 pa- 
len gemaakt hebbende, kwam ik aan kampong Boeding, 
weder behoorende tot het distrikt Boeding. Ik was toen 
steeds oost opgegaan. Nu werd de Goenong Sepong geheel 
omgetrokken. Het terrein bleef bijna zonder uitzondering even 
zandig. De onderzoekingen naar tinerts leverden niets bij- 
zonders op; alleen negatieve resultaten. Na 22 palen afgelegd 
te hebben, kwam ik aan kampong Kajoeararambej, 3 hui- 
zen groot, waar ik verbleef. 

Den Uden December vroegtijdig op reis gegaan zijnde, be- 
zocht de koorts mij weder nadat ik had drie palen afgelegd. Nog 
5 palen moest ik over een gelijk terrein als dat van den vorigen 
dag voortgaan, toen ik het eerste huis bereikte, in eene zeer 
onlangs aangelegde ladang gebouwd en kampong Baroe ge- 
heeten. 

Den volgenden dag ging ik weder 9 palen verder. Ik 
trok twee armen der Soengie Lingga over, die in den Goenong 
Badau ontspringt, en kwam toen aan kampong Lingga, waar ik 
dadelijk tegen betaling eene handelspraauw van Blantoe preste 
om mij de rivier uit te brengen, waar volgens de afspraak, de 
praauw van den depati reeds 2 dagen op mij had moeten 
liggen wachten. Nergens zijn , uit vroegere vrees voor de 
zeeroovers, wegen van het strand naar de binnenlanden ge- 
maakt, terwijl om die reden dan ook eerst op eenen behoor- 
lijken afstand van het strand, inwoners en ladangs gevon- 
den worden. Geene andere praauw was er aanwezig. Te- 



385 



gen den avond bereikten wij de monding der rivier, maar 
de praauw van Tandjongpandang was nog niet aangekomen. 
Daar die echter niet lang meer achterwege konde blijven , zoo 
zond ik de handelspraauw op dringend verzoek van den eige- 
naar terug , en vleide mij in eene brandende koorts , onder 
eene katjangrnat, op het strand neder. 

Den 13den bezocht de koorts des morgens reeds vroeg 
mij weder. Tegen 8 uur kwamen drie praauwen met orang 
sekah aan wal: zij waren 18 man sterk. Het hoofd der 
praauwen kwam mij, onder de mat liggende, bezoeken. Een 
mijner volgelingen zeide mij, dat hij Ma Cottie heette, die met 
Ma Mina, Ma Rantjan, Pa Moeda en Ma Selat, des depati's 
bevelen niet hadden willen gehoorzamen, dezelfden, over welker 
rooverijen door den depati aan het bestuur te Banka geklaagd 
was. Hij bezag mijne wapens en vroeg om rijst te koop, dat 
ik weigerde , daar het overblijvende naauwelijks voor twee dagen 
meer voldoende was, waarop hij met de zijnen vertrok. Des 
avonds waren 8 groote sekah-praauwen, waarvan 2 de rivier 
instaken, misschien om mij, wanneer er iets voorviel den af- 
togt over land door het bosch af te snijden , in het gezigt. Zij 
schenen tot het donker was te willen wachten met te landen, 
en kruisten op V 2 mijl afstands voor de plaats, waar ik mij be- 
vond. Ik liet verscheidene vuren aansteken , en besloot om het 
uur wacht te laten houden, zelf, — de koorts was geweken, — 
het eerste voorbeeld gevende. Het weder werd vreesselijk storm- 
achtig, het stortregende den geheelen avond, zoodat wij allen 
maar moesten zorg dragen , dat ons eenigste beschutsel , de 
katjangrnat, niet weg woei. De praauwen konden bij dit weder 
toch onmogelijk landen en waren den volgenden morgen een 
gezigt ver terug geslagen. 

Den loden December bezocht de koorts mij weder; de me- 
degenomene rijst was nog voor dezen dag voldoende; het zout 
was reeds den vorigen dag opgebruikt, maar in de zee, die voor 
ons lag, was genoeg voorhanden. Als ware schipbreukelingen, 
was reeds honderd malen naar de plaats van waar de praauw 
moest komen gekeken, toen ten 1 ure de praauw van don 



386 



depati, vlag in top hebbende, herkend werd, welke praauw, 
wegens slecht weder en tegenwind, 4 dagen langer reis had 
gehad, dan men berekend had. Wij scheepten ons zoo spoedig 
mogelijk in, en bevonden ons (ten noorden weder het eiland 
om moetende, daar de westmoesson de zuidelijke passage moeijc- 
lijk en langdurig maakte) den 17den December weder te Tan-? 
.djongpandang, waar ik door het gebruik van kinine de koorts 
weldra verjoeg. 

Ik beschouwde nu mijne reizen over Billiton als geëindigd, 
hebbende ik het eiland in drie verschillende rigtingen doorkruist. 
Daar er geene Nederlandsche vaartuigen in de Billitonsche wa- 
teren gestationneerd waren, zoo besloot ik met de op het ein- 
de van elk trimester van Billiton naar Toboalij vertrekkende 
praauw, om rijst en het traktement van den depati te halen, 
mede te gaan. 

Ik was alzoo niet weinig gelukkig, toen ik op den 24sten 
December, hoewel in eenc zeer lekke praauw en bij ongunstig 
weder, mij inscheepte en het eiland Billiton verliet Dit zal niet 
toegelicht behoeven te worden, als men nagaat, welk een ellen- 
dig land ik doorreisd had. Een groot gedeelte van den dag 
moest men over zeer slechte voetpaden te voet gaan , met het 
hoofd gebukt, om toe te zien, op welke plaats men den voet 
nederzette, zonder eenige afwisseling in het afgrijsselijk leelijke 
landschap, gewoonlijk nog minder smakelijk gevoed, dan de 
minste koelie te Batavia, in ellendige huizen of onder den blooten 
hemel den nacht doorbrengende, die voor mij des avonds ten 
6 ure begon, daar wegens de muskieten geen licht kon aan- 
gestoken worden en een verpestende rook deze plaag alleen 
kon afweren. Verder deed zich dagelijks meer het gebrek aan 
één eenig persoon slechts, met welken ik spreken kon, met 
wien ik over alle die ongemakken kon schertsen, gevoelen, 
vooral daar op de togten noch lektuur, noch eene eenige 
zaak die voor den Europeaan gemak aanbrengt, mede genomen 
kon worden, zoowel wegens de wijze van pikelcn (dragen) in 
de kleine mandjes, — waarin alles bij regen doornat werd, hoe 
men ze ook verzorgde, — ais door gebrek aan koelies. 



387 



Den 27sten December kwam ik, na eene reis yan ongeveer 4 
dagen en 3 nachten te Toboali aan. Om van hier over zee naar 
Muntok te gaan , dit durfde ik met de oude ranke praauw niet on- 
dernemen : het was reeds een klein waagstuk te noemen om 
met haar van Billiton over te steken. Onophoudelijk toch moest 
het water door één , soms twee menschen te gelijk , uit haar 
geputst worden. Eene andere praauw was op Toboali niet 
aanwezig, zoodat mij niets anders overbleef dan de reis naar Mun- 
tok overland te maken. Dienzelfden nacht ving ik die dan ook 
aan, maar vorderde wegens gebrek aan koelies voor mijne 
goederen, die niet vooruit besteld konden worden en wegens 
vele zieken en sterfgevallen alsmede door het pressen voor de 
militaire operatiën, schaarsch waren, zeer langzaam. Ik zag 
toen in, dat het niet mogelijk was om de mailboot, die in do 
eerste helft van Januarij Muntok aandoet, aldaar nog aan te 
treffen, en reisde dus minder gehaast over de distrikten Koba, 
Soengislan en Pankal pinang. Van deze laatste plaats ging ik 
over Roemah bakon , waar het hoofdkwartier van den majoor 
kommandant der Bankasche expeditie was, naai" Kotta waringin, 
van waar ik met eene praauw, na 2 dagen en 2 nachten reis 
over zee, den 23sten Januarij 1851 te Muntok aankwam , en 
verder met de mailboot den 9den Februarij van daar vertrok, 
waarna ik den lOden dier maand te Batavia wederkeerde, 
na eene afwezigheid van bijna 5 maanden. 



Geologische beschrijving van Billiton, met Banka en het 
wèl of niet aanwezen van tinerts in verband gebragt. 

Een terrein geologisch te beschrijven is geene ligte zaak. 
Hoe verder men in de wetenschap der aardkunde indringt, 
hoe meer men de moeijelijkheden daarvan inziet en onder- 
vindt. Om een eiland van eene uitgestrektheid als Billiton goed 
geologisch te onderzoeken , daartoe behoort vrij wat langer 
tijd dan ik op het eiland heb doorgebragt, daartoe behoeft 
men vrij wat meer en meer zamengestelde middelen, dan 

III. 30 



883 



mij ten dienste stonden. Het is daarom, dat ik, bij het be- 
handelen van dit onderwerp, om bijzondere verschooning ver- 
zoek. Het hoofddoel der reis was een onderzoek naar tin- 
erts (i). Wat ik daarenboven geologisch opgemerkt heb, mag 
als bijzaak beschouwd worden. 

De hoofdformatie van Billiton is, dunkt mij, even duidelijk 
uitgedrukt als die van Banka. Op Banka is deze graniet of 
syeniet; op Billiton zandsteen. Elke door mij bezochte berg 
van eenige hoogte is op deze beide eilanden respectievelijk uit 
deze steensoorten gevormd. De granietrolsteenen, op Billiton 
gevonden, zijn alzoo van elders aangevoerd, even zooals het 
mogelijk kan zijn , dat dit voor een deel ook op Banka het 
geval is geweest: hierover heb ik meer breedvoerig gehandeld 
in mijne reisrapport over Banka en Malakka aan het gouver- 
nement. Op Banka treft men ook van dezelfde soort van 
zandsteen aan; ik herinner mij onder anderen te Muntok, waar 
dan ook in den omtrek gele mergel gevonden wordt. Of dus 
op Billiton de zandsteen op eene graniet-basis ligt, is, zonder 
diepere boringen, dan ik heb kunnen doen, niet gemakkelijk ge- 
heel uit te maken. Zeker is het, dat de graniet op Billiton, ner- 
gens waar ik geweest ben, ondubbelzinnig aan den dag komt. 
En op dit punt heb ik bijzonder de aandacht gevestigd, ten 
einde het in verband te kunnen brengen met de onderstel- 
ling, dat de tinerts op Banka gevonden, van Banka's bergen, 
of wel, gelijk ik vroeger aangenomen en verdedigd heb, van 
elders en wel van het noorden afkomstig is. De tinerts wordt 
eigenlijk alleen in primaire gesteenten, in graniet, porfier, 
enz., gevonden, en slechts alluviaal, wanneer genoemde tinerts 
bevattende gesteenten, door den invloed van lucht en water ont- 
leed zijn. Worden das aan de oppervlakte van een zeker 
terrein, geene groote massa's graniet, porfier, enz. , gevonden, 
die tinerts kunnen bevatten, er zal ook geen alluviale tinerts, 
als het van die plaats afkomstig moet zijn, gevonden kunnen 



(1) Met het oog op de techniek namelijk, hetgeen niet onduidelijk uit 
het vroeger aangehaalde gouvernementsbesluit blijkt. 



339 



worden. Dit nu is bet geval met Billiton , en voor hen , die 
de eerste stelling als waar aannemen en met kennis van zaken 
en terrein verdedigen, die zullen al dadelijk uit de afwezig- 
heid van groote massa's primaire gesteenten aan de oppervlak- 
te, besluiten, dat Billiton geen' alluvialen tinerts (1) kan bevatten. 
Verdedigt men daarentegen het omgekeerde der gemaakte stel- 
ling (2), zoo zal men de op de hoofdformatie van elk terrein 
liggende alluviale lagen nader moeten beschouwen. 

De pogingen om de onder den alluvialen tinerts gelegene kao- 
lienaardelaag (door de Chinezen konglaag genaamd) door te 
dringen, en die in mijn rapport over Banka medegedeeld zijn, 
zijn zonder resultaat gebleven. Men blijft dus ten naastenbij in het 
onzekere, wat er tusschen den graniet op Banka en de konglaag 
ligt, ofwel, als er zandsteen boven den graniet op vele plaat- 
sen ligt, of de kong onmiddellijk op den zandsteen ligt. Deze 
konglaag, uit ontleed veldspaath ontstaan, vindt men ook op 
Billiton. De meeste boringen op lage plaatsen , die ik in het 
werk gesteld heb en die in het vorige gedeelte van dit verslag 
beschreven zijn, werden als geëindigd beschouwd, wanneer 
deze laag aangetroffen werd. Niets magtigt ons, om deze laag 
te denken, op eenen anderen tijd ontstaan te zijn, als de 
Bankasche, en alzoo kan men, van deze laag af, alles wat op 



(1) Toe te lichten, hetgeen ik hieronder versta, zal onnoodig geacht 
worden: dit volgt trouwens dan ook op pag. 402 , „dat het eiland Billiton 
geen' tinerts in zijnen bodem bevat, namelijk niet op zulk een wijze enz./' 
welke plaats ik tot deze omschrijving mijner gevoelens hieromtrent als de 
meest geschikte uitgekozen heb, om eene gedurige herhaling te vermij- 
den. Daarenboven zal hier niet behoeven opgemerkt te worden, dat groote 
hoeveelheden alluvialen tinerts ("welke gedachte van het woord exploitatie 
onafscheidbaar is) als deze dan van primaire gesteenten afkomstig zal zijn, 
niet door de ontleding van zelden aangetroffen tinoxyde bevattenden graniet 
afgezet kunnen wezen. 

(2) Volgens deze stelling zoude Billiton even goed groote hoeveelheden 
tinerts hunnen bevatten, zonder dat er solide primaire gesteenten aange- 
troffen worden. 



890 



Banka en Billiton er boven ligt, als in hetzelfde tijdsverloop 
gevormd te zijn , zich voorstellen. 

Wie nu vraagt: waarom zijn de lagen boven de kong op Ban- 
ka en op Billiton nu niet dezelfde, wanneer zij toch in het- 
zelfde tijdsverloop gevormd zijn? — kan met hetzelfde regt vra- 
gen; waarom de snelheid van het licht niet grooter of minder 
groot is? waarom de sterkte van het licht zich in omgekeerde 
rede van het vierkant der afstanden verhoudt enz. Zóó zijn er 
in de natuurkundige wetenschappen , en in geene meer dan in 
de geologie, honderden zaken, die men door waarneming gron- 
dig kent, maar waarin men bij het „waarom"' het antwoord 
schuldig moet blijven. 

Dezelfde vraag kan men, wat Banka aangaat, opperen, waar- 
om twee nabij elkander gelegene valleijen niet even rijk zijn, 
of wel, waarom dezelfde vallei op eenige plaatsen zooveel 
rijker is dan op andere (1). In slechts enkele gevallen kan 
men deze vraag, en dan nog wel zeer gewrongen, beantwoorden. 

Maar kweten wij, dat op Banka en Malakkade tinerts nim- 
mer zonder de ontledings-produkten van het graniet voor- 
komt. Vindt men deze op Banka dan soms niet in den bo- 
vengrond (koelit), en wel tinerts, de reden daarvan kan ge- 
vonden worden, in hetgeen in een vorig rapport door op- 
merkingen in loco bijna is gestaafd, dat een tweede water- 
vloed waarschijnlijk op de door eene vroeger aangevoerde en 
afgezette tinertslaag ingewerkt heeft. Dit doet echter niets 
ter zake: de op de kong rustende tinertslaag is steeds met 
kwarts- en veldspaathstukjes vermengd (2) ; zeer dikwijls vindt 
men ook deze mineralen aan de oppervlakte van den bodem. 



(1) Welke groote verschillen in ertsrijkheid neemt men op Banka, in 
eene en dezelfde kollongmijn (eene oppervlakte van 10,000 G meters of 
meer of minder) op onderscheidene plaatsen soms niet waar. 

(2) Hetgeen ik in de vele verschillende door mij bezochte tinmijnen op 
Banka en Malakka heb gezien en opgemerkt, heeft mij tot dit besluit ge- 
leid. 



391 



Ontbreken deze, dan kan men bijna zeker reeds tot de af- 
wezigheid van tinerts besluiten, zonder dat daarom de aan- 
wezigheid van kwarts en veldspaath of ook wel hunne ont- 
ledings-produkten, ook het aanzijn van tinerts aantoonen, daar 
deze van primaire gesteenten, die geen' tinerts bevatten, afkom- 
stig kunnen zijn. Op één uitzondering na, die tot bevestiging- 
van het aangevoerde mag strekken, namelijk het laagje kwarts- 
en veldspaathstukjes drie duimen dik , in de reis over Billiton 
beschreven, is nergens, waar ik geweest ben, iets aangetrof- 
fen dat naar kwarts of veldspaath geleek. 

Verder vindt men op Banka en Malakka na zware regens 
op honderden plaatsen (1) steed.s tinerts uitgespoeld op de wegen 
liggen, soms met meer of minder mica-plaatjes vermengd. Niets dat 
daarop geleek, heb ik op Billiton waargenomen. 

Wanneer ik dan al toestem , dat de geologische gesteldheid 
van Billiton , verre van geheel bekend is , ik houde mij over- 
tuigd, dat, uit hetgeen men er van weet, stellig kan beslo- 
ten worden, dat alluviale tinerls op diepten, zooals ze op Banka 
voorkomt en op de Chinesche wijze bewerkt kan worden , op 
Billiton niet aanwezig kan zijn, mij steeds bepalende tot die 
streken, waar ik mij, volgens aanteekening op de kaart, be- 
vonden heb. 

Ten slotte van dit hoofdstuk Yoel ik mij genoopt aan te 
merken , dat het niet vinden van tinerts op Billiton , mijn ge- 
voelen omtrent den oorsprong van den Banka-tinerts volstrekt 
niet heeft veranderd , daar de onderstelling , dat Billiton tinerts 
zoude bevatten , maar weinig kracht bij zoovele andere waar- 
genomene daadzaken kan bijzetten. Valt nu deze onderstel- 
ling weg, dan zullen deze daadzaken dezelfde kracht be- 
houden en voldoende zijn, om het geuite gevoelen te staven. 



(I) Niet overal, daar met overal de omstandigheden daar zijn, dat dit 
plaats kan hebben , en toch ook op Banka zelf vele plaatsen aangetroffen 
worden, die zich tot eene tinexploitatie niet laten aanbevelen. 



Wat was er vóór deze reis over de Bülüonsche tinaangele- 
genheden bekend? 

Wanneer ik deze vraag naar mijn beste vermogen tracht te 
beantwoorden, zal ik mij geenszins bepalen tot die geschrif- 
ten, welke # door menschen, die persoonlijk niets van de zaak af 
konden weten, gepubliceerd zijn. Zoo zegt Dr. Epp in zijne „Schil- 
derungen aus Indiëns Archipel in 18-'» 1", terwijl hij nooit 
op Billiton is geweest: „wenn auch die Ausbeute von Zinn 
„auf Banka minder ergiebig werden sollte, so bietet doch die 
„ Insel Billiton ein reichhaltiges Lager von Zinnerz dar" en 
wat verder: „der Insel Billiton, die in ihrer Formation und 
„in ihren Naturproducten mit Banka übereinkomt , ist reien 
„an Zinn und Eisen." Zulke uit de lucht gegrepen gezegden 
zal ik niet wederleggen. 

Veel meer belang, dan in hetgeen daar zonder een eenig 
bewijs medegedeeld wordt, stel ik in de officiële stukken over 
Billiton , in 's gouvernements archief voorhanden , en verzocht 
daarom bij missive aan den algemeenen sekretaris , inzage van 
alle de stukken, het eiland Billiton betreffende. Hetgeen in 
deze over de tinaangelegenheid behandeld wordt, zal ik hier 
mededeelen, en, waar ik zulks noodig acht, toelichten. 

De voormalige raad van Indië H. W. Muntixghe heeft in eene 
nota dd. 9 Augustus 1820, betrekkelijk de inbezitname van het 
eiland Billiton, de volgende vraag behandeld : Is het bezit van 
Billiton voor ons belangrijk , niet alleen negatief, om afbreuk aan 
de zeeroovers te doen , maar ook wegens de produkten van dat 
eiland, als tin, enz.: zoo ja , welke zijn de vooruitzigten , welke 
het bezit van Billiton oplevert? 

Uit het opperen der vraag alleen, zou men moeten opmaken, 
dat het daarzijn van tinerts op Billiton met zekerheid bekend 
was en moet men dus verwonderd zijn, dat in de beantwoor- 
ding hierover niets bepaalds uitgesproken wordt. Dit punt 
wordt in genoemde nota dan ook zoo vlugtig behandeld, dat 
het niet alleen blijkt, dat alle inlichtingen hieromtrent ont- 
braken, maar dat men ook duidelijk opmerken kan , dat het 
aannemen van het aanwezen van tinerts alleen op overleverin- 



293 



gen en vertelsels berust. Niemand zal dus het hier verhandelde 
als een bewijs, dat er tinerts op Billiton gevonden wordt, durven 
beschouwen, daar men dan met hetzelfde regt ieder, die zoo iets 
bevestigend zegt, omdat hij het anderen heeft hooren vertellen, 
als een bewijs te meer voor de stelling zou kunnen bijhalen. 

Het kan alzoo niet onbelangrijk zijn, hetgeen in boven- 
genoemde nota over Billitonschen tinerts en tin gehandeld wordt, 
mede te deelen. De verschillende zinsneden zal ik alzoo over 
dit onderwerp hier verzamelen, als: 

„De hoeveelheden tin en ijzer, welke het eiland Billiton op- 
,, levert of zou kunnen opleveren, zijn niet bekend; evenmin is 
„bekend de wijze, waarop daarvan de bewerking en betaling 
„geschiedt. Er schijnt echter van deze produkten geene ver- 
„pligte leverantie aan den sulthan van Palembang te hebben 
„bestaan;" (hierop zal ik nader terug komen): „alleen van het 
„ijzer, in kleine schuitjes of tot spijkers geslagen , heb ik eene 
„kleine hoeveelheid bij wijze van geschenk of hommage zien 
„aanbrengen. De ingezetenen van Billiton verkochten het ijzer 
„gewoonlijk tegen 5 Sp. matten de pikol : even zoo zal het 
„ waarschijnlijk met het tin gelegen zijn , doch welke prijs daar- 
„voor verkregen wordt is mij onbekend." 

Deze laatste zinsnede, hoe bevreemdend ook, geeft toch 
wel eenig licht: werden toch tin en ijzer beiden bewerkt en 
van Billiton uitgevoerd, waarom zoude men alleen van het 
ijzer, — en het schijnt vrij zeker bewezen, dat dit sedert jaren 
bewerkt wordt, — den prijs kennen? — 

Verder bestaat er eene missive van den kapitein, civielen en 
militairen kommandant van Billiton, Mottk, aan den raad van 
Indië Muintinghk gerigt, dd. 5 November 1822, welke de vol- 
gende zinsneden, letterlijk overgenomen, bevat: 

„On me conseil de la (dix pas de Tanjong Tamelam) met- 
„tre un poste a" cause qu'il y a beaucoup de Tétain, mais 
„Ton me dit dans tous les cas si on va la que Ton doit bien 
„se fortifier a cause que c'est un passage des pirates et cette 
„position sera malsaine é cause qu'il y a beaucoup de Tetain etc. 

„On m'a aussi dit que Tanjong Birom Mandi est une po- 



394 



„sition a peu pres comme Tanjong Tamelam, que la il y a 
„aussi beaucoup de Tétain, que cette place est malsaine et 
„ encore déserte (sur Ie dire des plusieure personnes il y a 
„ environ 70 a 80 ans qu'il y a eu la un établissement Euro- 
peen ils y ont fait quelques retranchements et ils y ont pris 
„de 1'étain, il a fallu qu'ils abandonnent cette place a cau- 
„se qu'elle est tres malsaine, on na' pas pu nous dire qu' elle 
„nation qui a la été), etc." 

Verder: „il parait que Ie Depattie veut livrer leferluimême 
„ au gouvernement. Quant a 1'étain il n'en parle pas , parce- 
„que les gens de Billiton ne s'avent pas Ie travailler, il est 
„ venu ici quelques Chinois de Pontiana qu'ils m'ont dit que 
„si Ie gouvernement voulait faire quelques avances qu'il vien- 
„draient beaucoup des Chinois de Pontiana a Billiton pour 
„commercer et travailler, etc. 

„Radeen Badau me dit qu'il en n'a tiré (de 1'étain) a Tan- 
„jong Binga, et Intje Oemaar me dit qu'il en n'a tiré a Tan- 
jong Padang. 

Het moet verwondering baren, dat alles wat in genoemden 
brief over tinerts handelt, zoo onbepaald, onduidelijk en on- 
waarschijnlijk voorgesteld wordt door iemand, die langer dan 
eenige andere Europeaan op Billiton verbleven is, die als ci- 
viele kommandant het best in de gelegenheid was , de noo- 
dige berigten over tinerts in te winnen. 

Men raadde den kapitein aan, om een fort op Tanjong Tamelan 
te bouwen, want men zeide, dat aldaar veel tin was; ook zei- 
de men hem, dat het aanwezen van tinerts de plaats zeer on- 
gezond maakte. Dit laatste punt zal der wederlegging niet 
noodig gekeurd worden. — Nabij Tanjong Tamelan heb ik in 
een riviertje valschen erts (koppong) in eene uiterst kleine hoe- 
veelheid ontdekt: aldaar deelde een der oudsten mij mede, 
dat hij zelf, voor vele jaren, 4 gevlochten mandjes met derge- 
lijken erts, naar Muntok heeft overgebragt, waar de vader van 
den tegenwoordigen jaksa dien heeft getracht te smelten , maar 
er niets geen tin uit heeft kunnen verkrijgen. Ook dit ver- 
klaart de jaksa zich nog te herinneren. 



39S 



Het is alzoo meer dan waarschijnlijk , dat de tinerls , waar- 
over de kapitein heeft hoor en spreken, koppongerts is geweest. 
Hetzelfde mag men over hetgeen van Tandjong Boerongman- 
di gezegd wordt, besluiten. Ook daar heb ik niets anders, 
dan koppongerts gevonden en dat nog wel in groote hoeveel- 
heid. Alweder is hetgeen men den kapitein gezegd heeft, 
over het bewerken van tinmijnen aldaar , vóór 70 a 80 jaar , 
zeer wel overeenkomende met hetgeen de oude Bankanees mij 
voorgelogen heeft en waarover op pag. 379 hiervoren gehandeld 
is, iets dat alzoo tot de vele inlandsche sprookjes zal behooren. 

De tegenstrijdigheden, welke verder de brief bevat zijn opmer- 
kelijk. Volgens den kapitein toch, wil de depati wel ijzer 
aan het gouvernement leveren , maar over tin wil hij niet spre- 
ken, daar de Billitonnezen dit niet bewerken kunnen (dit 
metaal is gemakkelijker uit zijnen erts te verkrijgen dan het ijzer), 
en laat er dan dadelijk op volgen , dat Raden Badau tin op 
Tandjong Binga bewerkt heeft en Intje Oemaar op Tandjong 
pandang. 

Toevallig is het zeker, dat mij, zoo als men mij zeide uit 
het kabinet van het Bataviaasch Genootschap, erts van Tan- 
djong Binga is geworden, die mij gebleken is niets als kop- 
pong-erts te zijn, en dat S. Pantjor, waar ik ook koppong- 
erts gevonden heb, zoo nabij Tandjong pandang is gelegen. 
Op drie van de vier verschillende plaatsen, of in hunne nabij- 
heid, waar dus volgens de nota van den kapitein Motte tin- 
erts aangetroffen of bewerkt is, heb ik koppong-erts gevonden, 
en aangaande de vierde plaats (Tandjong Binga) is hetzelfde 
resultaat verkregen. 

Ten slotte bevreemdt het mij , dat Pontianaksche Chinezen 
(Bankasche zou een geheel ander geval zijn) tinmijnen op Bil- 
liton zouden komen bewerken: wilden zij daar komen om 
handel te drijven, of een ambacht uit te oefenen, dit is het, 
wat een 20-tal Chinezen thans op Billiton aan den kost 
helpt, maar het is er verre van af, dat ieder Chinees uil 
onze bezittingen, Banka uitgezonderd, het tin mijn werk zoude 
verstaan. — 



396 



Een niet gedagteekend rapport over Billiton, opgemaakt door 
een inlandsch kind, schrijver van bovengenoemden kapitein, en 
door den laatsten herzien en verbeterd, bevat over Billiton's tin- 
aangelegenheden niets anders als hetgeen de kapitein woor- 
delijk zelf medegedeeld heeft. — 

Een rapport van den heer J. J. Van Sevenhoven over het 
eiland Billiton , dd. in Julij 1823, bevat, over de voortbreng- 
selen van Billiton handelende , het volgende : „ het harte der 
„aarde bevat onderscheidene kostbare metalen, als: goud, tin 
„en ijzer; van het laatste wordt reeds veel bewerkt, meestal 
„tot spijkers, enz. Omtrent het tin, dat te Billiton nog in de 
„aarde is, zoude ik van oordeel wezen, dat men aan den tijd 
„en de ontwikkeling van de industrie moet overlaten, wan- 
„neer er mijnen zullen worden ontgonnen." 

Bevreemdend is het, dat in het zoo uitgebreide rapport 
van den heer Van Sevenhoven, zoo ter loops en ook onbe- 
paald over deze gewigtige aangelegenheid gehandeld wordt. 
Blijkbaar is het, dat er naar het aanwezen van tinerts volstrekt 
geene onderzoekingen zijn ingesteld, en dat alleen is opgeteekend, 
wat waarschijnlijk door den civielen en militairen komman- 
dant medegedeeld is. — 

In eene missive van den resident van Banka , De la Fon- 
taine, van 17 Oktober 1823, wordt het punt, dat er tin- 
mijnen op Billiton te openen zouden zijn, omslagtig behan- 
deld, en duidelijker en bepaalder dan in elk ander geschrift 
gezegd, dat er tinerts op Billiton aanwezig is, dus luidende: 

„Mij onledig gehouden hebbende, met hieromtrent de noo- 
„dige informatiën te nemen, welke allen zeer gunstig zijn, en 
„ den grond van Billiton doen voorkomen als bijzonder rijk aan 
„tinerts, zoo hebben mijne zorgen zich daar alleen niet bij 
„bepaald, maar door den panumbahan Sarif Mohammad eene 
„zekere hoeveelheid tinerts herwaarts hebbende doen over- 
„ brengen, heb ik die met het beste gevolg doen smelten, 
„ en het resultaat daarvan heeft getoond , dat Billiton niet 
„ alleen rijk aan erts , maar ook dat de erts zelf rijk is enz. 

Verder heeft de resident den kapitein-chinees te Muntok 



mi 



voorgesteld, om een of meer mijnen in de nabijheid van hel 
etablissement te openen , zullende het verkregen tin tegen den 
prijs van 6 Sp. matten de pikol, even als op Banka (1), aan 
het gouvernement geleverd moeten worden. 

Hieruit schijnt vrij duidelijk te blijken, dat er tinerts op Billiton 
is en zal het naauwelijks geoorloofd geacht worden om hieraan 
te twijfelen. Maar een zestal punten, die mij minder helder voor- 
komen, zal ik echter aanhalen: 

1°. Is het vreemd, dat er niet vermeld wordt, van waar 
de beproefde erts afkomstig was. Overal zal Billiton toch wel 
geen' tinerts bevatten; dit is zelfs met het rijke Banka het 
geval niet. 

2°. Bevreemdt het mij , dat juist aan Sarif Mohamad de toe- 
zending van den erts is opgedragen. Misschien had deze slimme 
inlander, toen hij op dat oogenblik juist op het punt stond uit 
zijne betrekking ontslagen te worden, er toen voordeel bij , met 
te beweren dat Billiton tinerts bevatte; volgens de overige be- 
rigten toch, toonden de inlanders anders eenen grooten afkeer, 
dat er tinerts op Billiton bearbeid zoude worden. 

3°. Is het wonder, dat na deze eerste proef geene verdere 
navorschingen, zoo door den resident, als door zijne opvolgers, 
ingesteld zijn. Wij zullen toch later zien, dat de adsistent resi- 
dent Bierschill nog zeer over dit punt in het onzekere verkeerde. 

4°. Was het noodzakelijk, dat de hoeveelheid bekomen tin 
wat nader beschreven was. Een proef, waar zooveel van af- 
hing, en die alléén tegen zoovele onderstellingen over staat, 
kan niet genoeg met alle plaats gehad hebbende omstandig- 
heden beschreven worden, terwijl het zelfs niet te verwerpen 
ware geweest, dat zij in de tegenwoordigheid van den 
resident genomen of herhaald ware. 

5°. Begrijp ik niet, hoe de uitslag der smelting heeft kun- 
nen aantoonen, dat Billiton rijk aan tinerts is. 

6°. Is het opmerkelijk, dat de kapitein-chinees niet tegen 



(l) Op Banka wordt het tin met 13$ gulden zilveren munt of 5 */ t T Spaansche 
matten de pikol door het gouvernement betaald. 



398 



den bedongen prijs mijnen heeft geopend. Daarenboven had 
het smokkelen van tin vrij wat gemakkelijker uit Billiton dan 
van Banka uit kunnen geschieden, wanneer men toch al ligt 16 
a 18 Sp. matten voor de pikol op Singapore of elders kan 
bekomen. — 

De heer Haase, resident van Banka, schrijft in eene missi- 
ve dd. 16 Februarij 1827 aan den luitenant gouverneur ge- 
neraal van Nederlandsch Indie: „Hoezeer het lang genoeg be- 
ekend is geweest, dat Billiton, even als Banka, in deszelfs 
„schoot rijke lagen van tin bevat, zoo is hiervan nimmer 
„ eenige partij getrokken /' en heeft op grond hiervan een kon- 
trakt met den kapitein der Chinezen op Muntok Tan Hong Kwe ge- 
sloten, waarbij dezen veroorloofd werd, om tinerts op Billiton 
voor eigene rekening te bewerken, mits het te bekomen tin aan 
het gouvernement afstaande tegen 12 Sp. mattende pikol: een 
prijs, meer dan eens zoo hoog, als bij het Bankasche kon- 
trakt bedongen is. Te verwonderen is het, dat (1) aan dit kon- 
trakt nooit eenig gevolg is gegeven , daar een rijke Chinees, on- 
der zulke voordeelige voorwaarden , toch wel wat wagen en 
ondernemen durft. Deze voorwaarden zijn dan ook, volgens de 
verklaring van den resident, zoo bijzonder voordeelig gekozen, om 
eenen aanvang met de exploitatie uit te lokken. Zeker is het, dat 
men in niet één stuk, mij toegezonden, iets naders over dit kontrakt 
vermeld vindt, en moet men de niet-nakoming, naar mijn oor- 
deel, het allereerste aan het niet-aanzijn of aan de schaarschte 
van tinerts op Billiton toeschrijven. Alle andere omstandighe- 
den, die den kontraktant konden afschrikken, waren bij het 
sluiten van het kontrakt toch reeds vooraf bekend. 

Op Billiton , — maar ik stel in dit gezegde niet te veel 
vertrouwen , — zeide een inwoner uit de binnenlanden mij , 
dat voor vele jaren een twintigtal Chinezen door den kapitein- 
chinees van Banka gezonden was , om den grond te onder- 



rij) Wanneer het aanwezen vau linerts, tot exploitatie geschikt, op Bil- 
]iton niet twijfelachtig ware. 



zoeken: dat die Chinezen slechts een vijf-en-twinligtal palen het 
land in waren geweest , en toen verklaarden , dat Billiton geen' 
tinerts bevatte, en zij ook wegens de onbegaanbaarheid der 
wegen niet verder konden doordringen. 

Het gevoelen door den resident van Banka Du Bun in zijne 
missive dd. 5 Julij 1830 medegedeeld , als zoude de door den 
resident Haase met den kapitein-chinees in het gesloten kon- 
trakt bepaalde prijs te hoog gesteld zijn, zal ik hier, om bo- 
vengenoemde redenen, noch verdedigen, noch verwerpen. — 

De heer Bierschill, weleer adsistent resident op Billiton, 
handelt in een rapport over dat eiland dd. 31 Januarij 1830, 
ook over het openen van tinmijnen op Billiton , zooals hierbo- 
ven op pag. 358 reeds aangehaald is. Het aldaar medegedeel- 
de bevat den hoofdinhoud van hetgeen door hem hierover is 
aangeteekend , en toont ten duidelijkste aan, hoe onzeker ook hij. 
nog over die aangelegenheid denkt. Het valt toch ieder ligt, 
om over eene uitgemaakte zaak op eene heldere wijze te 
schrijven ; verre echter is het er af, dat ik dit van de me- 
degedeelde zinsnede kan zeggen. Hoe toch kan de heer Bier- 
schill klagen, dat de bevolking van Billiton alles wat moge- 
lijk was in het werk stelde, om het openen van tinmijnen 
op dat eiland te beletten , en weigerde om in het aanwijzen 
van mijngronden behulpzaam te zijn, wanneer hij er onmid- 
dellijk op laat volgen, dat hij vreemdelingen moest bezigen, 
om de noodige informatiën betrekkelijk het al of niet aanzijn 
van tinerts te verkrijgen. — 

Geene stukken van latere dagteekening dan dit rapport op dit 
onderwerp betrekking hebbende zijn mij uit 'sgouvernements 
archief geworden , en bestaan er alzoo niet. Ik houd mij 
overtuigd, dat er met mij in toegestemd zal worden, dat 
wanneer men alles, wat over de tinaangelegenheid van Billiton 
geschreven is, in een onderling verband brengt, er niet één 
direkt bewijs bestaat, dat er ooit tinerts op Billiton bewerkt 
is, noch zelfs, dat er tinerts op het eiland gevonden is. 



400 



Is het ivaarschijnlijk dat er tinerts op Billiton voorhanden 

is, uit hetgeen men uit het domestieke leven der Billitone- 

zen kan opmaken? 

Even als Banka behoorde ook Billiton weleer aan den sul- 
than van Palembang. Volgens de overlevering is in 1710 , bij 
het aanleggen van een rijstveld (Iadang), door het afbranden 
der gevelde boomen, tinerts op Banka ontdekt. Immers de 
aan de oppervlakte liggende tinerts werd door het branden- 
de hout herleid; door de inwoners werd eenig dus uitge- 
smolten metaal gevonden , en aan den sulthan van Palembang 
gebragt. Door kundige Chinezen liet deze het metaal onder- 
zoeken, waarop de sulthan uitgravingen liet ondernemen, en zelfs 
Chinesche uitgewekenen in zijne dienst nam. Ook deed de sul- 
than als eene belasting eiken getrouwden Bankanees, even als 
ook op Linga ingevoerd moet zijn geweest, eene jaarlijksche 
schatting, uit één schuitje ( x / 2 pikol) tin bestaande, opbrengen. 

Deze omstandigheden, op beide eilanden plaats gehad hebbende, 
met Billiton vergelijkende, zoo zal het wel minder vreemd voor- 
komen, dat, indien er tinerts was, deze niet op eene even toe- 
vallige wijze als op Banka ontdekt is , dan dat het ons ver- 
wonderen moet, dat de sulthan, in dit geval, niet van deze 
zaak voordeel zoude getrokken hebben. 

De schatting of liever de geschenken, die vroeger, volgens 
het officiële schrijven van den heer Van Wetering Buus, 
jaarlijks aan den sulthan van Palembang door het bestuur van 
Billiton gezonden werden, bestonden uit: 

1000 kleine staafjes ijzer van eene span lengte en 3 vingers 
breedte, en 

50 matjes van 6 voeten lengte en 3 voeten breedte. 

Verder gaf de depati ten dien tijde nog als een bewijs zijner 
persoonlijke onderdanigheid 2 katties garoehout, 5 katties wit 
was, 2 katties vogelnestjes, en 10 stuks matten aan den sulthan 
ten geschenke. Opmerkelijk mag het dus zijn, dat ten dien tijde 
alleen produkten opgebragt werden, die ook thans nog verkre- 
gen worden, terwijl van tin geen woord gerept wordt, en 



401 



verder, dat de opbrengst van een produkt, dat zulke groote 
winsten oplevert, indien het land het bevatte, van deBillitone- 
zen niet gevorderd werd. 

Verder komt het mij onbegrijpelijk voor, dat de Billitonees 
ijzererts en geen' tinerts zou kunnen herleiden. De laatste, of- 
schoon wel eene groote warmte vorderende, wordt toch vrij wat 
ligter dan het ijzeroxyde herleid. En dan nog komt de vraag 
op, hoe de Bankanees en de Linganees het konden doen. Ik 
onderstel toch niet, dat bij de bewoners dezer drie eilanden, 
die zoo nabij elkander liggen, de natuurlijke beschaving zoo zeer 
zoude verschillen. Dit niet kunnen bewerken van tinerts kan 
ook aan den sulthan niet als eene verontschuldiging opgegeven 
zijn, waarom de Billitonezen de tinbelasting niet konden vol- 
doen; immers zou hij er dan wel Bankasche deskundigen heb- 
ben heengezonden. 

Ten slotte merk ik op , dat de Billitonees. vrij wat on- 
voordeeliger en met vrij wat meer moeite ijzer smelt, dan dat 
hij tinerts zoude smelten! Hij toch doet dit alleen als hij bijv. 
een onmisbaar ijzeren werktuig zich aanschaffen wil en geen 
geld heeft om het te koopen, of wel, als hij door den hon- 
ger of naaktheid genoodzaakt is , eenige spijs of een enkel 
kleedingstuk zich aan te schaffen. Bij welgelukken toch kan 
hij gedurende een nacht (12 uren) ijzersmeltens , slechts 25, 
hoogstens 30 duiten verdienen: daarvoor moet hij dan nog den 
erts soms 10 palen ver halen, de kolen branden, hetsmelthuis 
bouwen en onderhouden, en hamers, smeltoven, enz, zelf 
vervaardigen. Hoeveel grooter zouden zijne verdiensten niet zijn, 
indien hij tinerts in stede van ijzererts in dienzelfden oven slechts 
herleidde. Men twijfele er dus niet aan, dat, indien er voldoen- 
de tinerts ware, de onbeschaafdste Billitonees verkiezen zoude 
om dezen alleen , en minder uitsluitend den ijzererts te bewerken, 
zooals in het distrikt Koba op Banka ook plaats heeft. (1) 



(1) Het tinnen huisraad, dat zoo zelden op Billiton in vergelijking 
met Banka, onder de bevolking aangetroffen wordt, is naar men mij ver- 
zekerde, zonder uitzondering van Toboali (z. o. kust van Banka) afkom- 
stig. 



402 



Besluit. 

Uit dit, volgens mijne opregte en innige overtuiging geschre- 
ven rapport, geloof ik, dat het duidelijk genoeg blijkt, dat het ei- 
land BUliton geen tinerts in zijnen bodem bevat , namelijk niet 
op zulke wijze, als tot heden toe de tinerts op Banka gevonden 
wordt en aldaar bewerkt kan worden , want over „ het harte 
der aarde van Billiton " waarvan de heer Van Sevenhoven 
spreekt, kan ik niet oordeelen, even min als over „ de schoot 
van Billiton" waarover de heer Haase in zijn rapport handelt. 

Alzoo opsommende, hetgeen ik breedvoerig heb uiteengezet, 
zoo besluit ik daartoe : 

1°. Omdat ik, het eiland in drie verschillende rigtingen 
doorkruisd hebbende, geenen tinerts (1), noch aan de opper- 
vlakte , noch tot op eene diepte, waarop dit op Banka en Ma- 
lakka gewoonlijk voorkomt, gevonden heb, en ook zelfs niet 
of zeer zelden, die ligchamen (kwarts, veldspaath en mica), die 
het op genoemde plaatsen gewoonlijk vergezellen, en ik ook 
nergens plaatsen, alwaar vroeger gewerkt is, aangetroffen heb, 
noch de overblijfselen (tra) van tinertssmelting heb gevonden. 

2°. Omdat met groote waarschijnlijkheid geologisch kan be- 
wezen worden , dat Billiton geene noemenswaardige hoeveel- 
heid tinerts aan zijne oppervlakte (p. m. 30 voeten diepte) 
kan bevatten. 

3°. Omdat uit alle de officiële stukken over Billiton , in 
's gouvernements archief voorhanden, geenszins blijkt, dat ooit 
tinerts van Billiton door ooggetuigen gezien is. 

4°. Omdat uit alle die officiële stukken niet blijkt , dat ooit 
eene tinmijn op Billiton aangelegd is geweest. 

5°. Omdat nooit iemand, zoo te Banka, Billiton of el- 
ders, tinerts of tin, bepaald van Billiton afkomstig, gezien heeft (2) 



(1) In eenige belangrijke hoeveelheid, want het gevondene, op pag. 37-1 
vermeld, kan hier niet wel in aanmerking komen. 

(2) In het Kabinet van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en 
Wetenschappen zijn ook, volgens de etiketten, tinerts en tin, van Billiton 
afkomstig, voorhanden. Aangaande den tinerts heb ik reeds op pag. 395 



•403 



en het ook niet blijkt, dat van Billiton ooit tin is uitgevoerd. 

6°. Omdat een zoo voordeelig kontrakt , als den Bankaschen 
kapitein der Chinezen aangeboden is, zonder eenig gevolg 
is gebleven. 

7°. Omdat verder het domestieke leven der Billitone- 
zen, het vermoeden, dat aldaar tinerts zoude zijn, weder- 
spreekt. 

8°. Omdat er wel eene ertssoort gevonden wordt, die op 
tinerts uiterlijk wat gelijkt, maar volgens de scheikundige en 
mechanische eigenschappen, volstrekt geen tin in hare zamen- 
stelling bevat. Onkundigen hebben dezen koppong-erts voor- 
zeker voor tinerts aangezien , waaruit de vele overleveringen 
omtrent tinerts op Billiton , waarschijnlijk haren oorsprong 
hebben genomen. 



Scheikundige aanteekeningen. 

Het is eene waarheid, en ik heb het in mijn rapport over 
Banka's tinmijnen ook reeds aangehaald, dat het specifiek 
gewigt van den tinoxyde-erts , zóó groot is, dat men dien 
daaraan, behalve nog door het uiterlijke, zonder eenige uit- 
zondering ligt kan onderkennen. Ik heb vroeger twee erts- 
soorten van ïoboali op deze eigenschap onderzocht en bevon- 
den, dat zij 6.51 en 6.62 malen zwaarder dan gedestilleerd 
water waren. 



gehandeld, toen het mij bij onderzoek gebleken is, dat de vermeende 
tinerts volstrekt geen tin bevatte. Noch de plaats van waar op Billiton 
het tin afkomstig zoude zijn, noch de tijd wanneer , noch door wien dit 
uitgesmolten is, zijn bekend gesteld. 

Later heeft men vernomen (waarmede het op pag. 135 van do lic 
Aflevering Uien Jaargang van dit tijdschrift vermelde in verband staat) , 
dat eenige proefstaafjes tin, van Billiton afkomstig, door den heer Baron 
Van Tuijll van Seeooskerken te Batavia medegcbragt zijn; beide welke 
omstandigheden, in verband met het voorkomende op pag. 388, dit 5de 
aangevoerde bewijs toch weinig zullen kunnen wijzigen. 



.404 



Op gelijke wijze heb ik in een fleschje, welks inhoud be- 
kend en voor de proef bijzonder ingerigt was, op eene gevoe- 
lige balans een weinig der ertssoort, van Billiton afkomstig, af- 
gewogen, en daarop onderzocht, hoeveel het verlies aan ge- 
wigt van dezen erts in gedestilleerd water was. Zoo heb ik 
wederom met goeden tinerts van Muntok de proef genomen, 
welks densiteit 6.41 bedroeg. 

De erts , te Boerongmandi verzameld , en zoo goed mo- 
gelijk gewasschen , had een specifiek gewigt: 
bij de 1ste proef van 4.79 
„ „ 2de proef „ 4,83 



gemiddeld 4.81 dat is 1.G0 verschil 
met den Muntokschen tinerts. 

Dit groote verschil kan al dadelijk doen besluiten, dat deze 
erts geen tinerts is , wanneer ook de volgende proeven het 
niet bewezen, terwijl ze waarschijnlijk ook niet met goeden 
tinerts vermengd' kan zijn , daar deze bij het vele wasschen 
dan alleen terug zoude zijn gebleven. 

De erts van Soengie Pantjor had bij dezelfde proef een soorte- 
lijk gewigt van 4.32, dus 2.09 verschil met den goeden Mun- 
tokschen tinerts. Eindelijk onderzocht ik op deze eigenschap 
ook eenen koppongerts, van Koba (Banka) afkomstig, door 
alle Chinezen als zoodanig erkend, welke 4.15 tot densiteit 
had. 

Behalve deze physische eigenschap, heb ik ook op scheikun- 
dige wijze willen aantoonen, dat deze ertssoorten geen tinerts 
zijn, noch tinoxyde in hunne zamenstelling bevatten. Ik heb 
daartoe den erts van Soengie Pantjor in een' agaten mortier zoo 
fijn mogelijk afgewreven, en in sterk zeezoutzuur twee dagen 
lang gekookt. Er was nog maar zeer weinig opgelost gewor- 
den, hetgeen ook het geval was, toen ik het overblijvende nog 
eenen dag met koningswater kookte. Ik zag alzoo in , dat op 
deze wijze de erts niet te analyseren was, en sloeg toen eenen 
anderen weg in. 

De zoo fijn mogelijk verdeelde erts werd met driemaal zijn 



40o 



gewigt koolzure soda innig gemengd, en in een gesloten pla- 
tina kroesje, dat tusschen koolpoeder in eenen geslotenen hessi- 
schen kroes geplaatst was , 3 uren lang wit gloeijend gehou- 
den. De oven, waarin dit geschiedde, is geheel overeenkomen- 
de, zoowel als de blaasbalg, met de inlandsclic goudsmids- 
ovens , in welke eene bijzonder hooge temperatuur kan ver- 
kregen worden. 

Door deze gloeijing en smelting loste de erts volkomen in 
de koolzure soda op. Deze werd daarop in verdund zeezout- 
zuur gekookt, als wanneer een vlokkig praecipitaat, dat niet an- 
ders als silica kon zijn, ontstond. Dit werd afgeflltreerd en 
de vloeistof nader op tinoxyde in den oplosbaren staat, onder- 
zocht. Bij deze zeezoutzure oplossing zwavelwaterstofgas in water 
opgelost, gevoegd zijnde, ontstond een wit zeer fijn verdeeld 
praecipitaat, dat na toevoeging van meer opgelost zwavelwater- 
stofgas niet verdween. Duidelijk was dit praecipitaat afgescheidene 
zwavel en deed yzeroxyde vermoeden. Ware hier een helder 
citroengeel of oranjegeel praecipitaat ontstaan, men had lin 
of arsenicum te vermoeden. De kenmerken van deze praeci- 
pitaten zijn echter zoo duidelijk, dat men zich hierin niet ver- 
gissen kan, en het dus zeker is, dat deze metalen in den on- 
derzochten erts niet bevat zijn. De zwavel werd afgeflltreerd, 
en de doorgeloopen vloeistof met ammonia een w r einig alka- 
lisch gemaakt, waarop na toevoeging van zwavelammonium , 
een zwart praecipitaat ontstond, dat afgeflltreerd werd. 

Het zwarte praecipitaat werd in zeezoutzuur geheel opgelost 
onder afscheiding van zwavel. Noch nickel noch kobalt heeft 
men kunnen onderkennen. Het praecipitaat toont ijzer aan. 
Op nog andere zelfstandigheden werd hier niet onderzocht. 

In dezen valschen erts van Soengie Pantjor, die ook niet door 
den magneet aangetrokken wordt, zijn alzoo met zekerheid 
silica en yzeroxyde, en geen tinoxyde ontdekt. Kwantitatief 
is hij niet geanalyseerd , daar dit geen nut konde hebben , 
dewijl de kleine stukjes silica, door de loupe ligt daarin te 
herkennen, niet mechanisch konden verwijderd worden. 

Reeds op Billiton heb ik der Chinezen gewone proef op tin- 



406 



erts, op den aldaar gevonden' erts toegepast, namelijk ge- 
tracht om hem te smelten in eenen ijzeroven met houtskolen , 
en ook om hem in eene ijzeren kwalie met olie gemengd 
te gloeijen. Op beide wijzen kreeg ik geen spoor van tinme- 
taal. Van de reis teruggekeerd , heb ik deze ertsen in eenen 
gedekten hessischen kroes gegloeid, en zulks onder anderen 
in tegenwoordigheid van den heer baron Vincent van Tuyll 
van Serooskerren. Noch van den erts van Soengie Pantjor, 
noch van dien van Tandjong Boerongmandi, en ook niet van 
den reeds genoemden koppongerts van Koba, werd de klein- 
ste korrel tinmetaal verkregen. Ik vermeende toen op te mer- 
ken , dat de heer Van Tuijll aan mijne smeltingswijze en on- 
derzoek begon te wantrouwen , waarop ik een weinig Mun- 
tokschen erts op dezelfde wijze behandelde, en een staafje tin, 
dat p. m. 15 wigtjes woog, daaruit verkreeg, ten bewijze 
dienende, dat, als de Billitonsche erts tinoxyde bevatte, ik 
stellig eenig metaal had moeten verkrijgen. 
Met regt besluit ik alzoo uit deze onderzoekingen, op drie 
verschillende wijzen ondernomen, dat de op Billiton gevonden 
erts, geen tinoxyde bevat. 



ZESDE BIJDRAGE 



TOT DE KENNIS DER 



ICHTHY0L0G1SCHE FAUNA VAN BORNEO. 

VISSCHEN VAN PAMANGKAT, BANDJERMASSIN&, 
PRABOEKARTA EN SAMPIT, 



»r. Ï». ËliEHHKR, 



Mijne vroegere bijdragen tot de kennis der vischfauna van. 
Borneo heeft de wetenschap te danken aan den belangeloozen 
ijver van mijne ambtgenooten en vrienden, de heeren J. Wolff 
en Dr. J. Einthoven. Ik heb daarin het aantal van Borneo 
bekende vischsoorten kunnen brengen tot 117. Beide mijne 
bovengenoemde vrienden hebben mij kort daarna nog nieuwe 
verzamelingen doen geworden, de heer Wolff weder van 
Bandjermassing , de heer Einthoven van Pamangkat, gelegen 
aan de monding der rivier van Sambas en vermaard geworden 
door den zege, in 1850 daar behaald door de Nederlandsche 
troepen op de oproerige Chinezen van Westelijk Borneo. 

Eenige maanden later ontving ik nog een aantal visschen van 
Borneo door de vriendschappelijke welwillendheid van den 
heer Dr. J. H. Croockewit. Deze visschen vormen twee ver- 
zamelingen, een van zeevisschen uit de baai van Sampit, aan de 
zuidkust van Borneo, ongeveer 2 graden westelijk van Ban- 
djermassing, en een van riviervisschen, bijeengebragt te,Praboe- 

III. 31 



403 



karta in de binnenlanden van Koesan , gelegen aan de rivier 
Koesan in de nabijheid van het meer Betamboan. 

ïn het begin van Junij 1852 had ik het genoegen te ontmoe- 
ten mevrouw Ida. Pfeiffer , de beroemde reizigster , die toen 
juist wa% teruggekeerd van Borneo , waar zij met eenen in 
eene vrouw naauwelijks denkbaren moed , alleen en zonder 
bescherming de Dajahsche stammen van het stroomgebied der 
Kapoeas heeft bezocht. Van Sarawak uit drong zij tot ver in 
de binnenlanden door , kwam , na het Batangloepar gebergte 
te voet overgetogen te zijn, bij het meer Danoe loear, endaal- 
de langs de Kapoeas af naar Pontianak. Deze merkwaardige 
vrouw houdt zich ook onledig met het maken van verzame- 
lingen van natuurlijke historie, en met bijzondere welwillend- 
heid heeft zij, tijdens haar verblijf te Batavia, aan mij afgestaan 
eene kleine verzameling van visschen uit de rivier Kapoeas, 
welke zij te Pontianak had bijeengebragt. 

Deze vijf verzamelingen stellen mij in de gelegenheid, de 
kennis der fauna van Borneo op nieuw aanmerkelijk te ver- 
rijken en het aantal bekende vischsoorten van dit merkwaar- 
dige eiland te brengen van 117 op niet minder dan 176. 

De bedoelde verzamelingen zijn zamengesteld als volgt: 

PONTIANAK (verzameling van mevrouw Ida Pfeiffer). 

1. Ambassis Wolffii Blkr. 9. Apocryptes raacrolepis Blkr. 

2. Polynemus raacronema Blkr. 10. Rohita Schlegelii Blkr. 

3. Anabas scandens CV. 11. Leuciscus dusonensis Blkr. 

4. Ophiceplialus striatus BI. 12. Engraulis PfeifFeri Blkr. 

5. Scatophngus argus CV. 13. Rhombus lentiginosus Richards. 

6. Toxotes jaculator CV. 14. Synaptura panoïdes Blkr. 

7. Mastacembelus erythrotaenia Blkr. 15. Tetraödon potamophilus Blkr. 

8. Gobius kokius CV. 16. » modestus Blkr. 

PAMANGKAÏ (verzameling van Dr. J. Einthoven). 

1. Lates nobilis CV. 4. Corvina Kuhlii CV. 

2. Polynemus tetradactylus CV. 5. » trachycephnlus Blkr. 

3. Synaneeia asteroblepa Richards. 6. Drepane loogimana CV. 



•409 



7. Scatophagus argus CV. 

8. Trichiurus haumela CV. 

9. Caranx Forsteri CV. 

10. Equula gerreoïdes Blkr. 

11. Mugil macrolepis Blkr. 

12. Gobius chlorostigma Blkr. 

13. Arius truncatus CV. 

14. Belone caudimacula Cuv. 

15. Hemiramphus Gaimardi CV. 

16. Pellona Grayana CV. 

17. t> xanthopterus Blkr. 

18. » Russellii Blkr. 



19. Spratella pseudopterus Blkr. 

20. Engraulis melanochir Blkr. 

21. » Brownii CV. 

22. Coïlia borneënsis Blkr. 

23. » macrognathos Blkr. 

24. Conger talabon Cuv. 

25. Rhombus lenliginosus Richards. 

26. Plagusia potous Cuv. 

27. Tetraödon lunaris Cuv. 

28. » potamophilus Blkr. 

29. » naritus Richards. 



SAMPIT (verzameling van Dr. J. H. Cuoockewit). 



1. 

2. 

3. 

4. 

5. 

6. 

7. 

8. 

9. 
10. 
11. 
12. 
13. 
14. 
15. 
16. 
17. 
18. 
19. 



Ambassis nalua CV. 20. 

Serranus crapao CV. 21. 

Mesoprion unimaculatus QG. 22. 

Therapou servus CV. 23. 

Sillago acuta CV. 24. 

Polynemus tetradactylus CV. 25. 

» longifilis CV. 26. 

t> macronema Blkr. 27. 

Platycephalus scaber CV. 28. 

Corvina sampitensis Blkr. 29. 

Pristipoma nageb Rüpp. 30. 

» argyreum CV. 31. 
Diagramma crassispinum Rüpp. 32. 

Drepane longimana CV. 33. 

Scatophagus argus CV. 34. 
Choriuemus Commersonianus CV. 35. 

Trachinotus mookalee CV. 36. 

Selar Kuhlii Blkr. 37. 
Equula ensifera CV. 



Equula filigera CV. 
Mugil melanochir K. v. II. 

» macrolepis Blkr. 
Trypauchen vagina CV. 
Callionymus sagitta Pall. 
Batrachus grunniens CV. 
Echeneis neucrates L. 
Chirocentrus hypselosoraa Blkr. 
Belone caudimacula Cuv. 
Pristigaster tartoor CV. 
Pellona Russellii Blkr. 
Engraulis rhinorhynchos Blkr. 

» tri Blkr. 

Rhombus lentiginosus Richards. 
Plagusia microlepis Blkr. 
Tetraödon oblongus BI. 
Triacanthus Nieuhofii Blkr. 
Rhinobatus lisonifer Cant. 



BANDJERMASSING (verzameling van den heer J. , \Yolff) 



1. Ambassis "Wolffii Blkr. 

2. Polynemus longifilis CV. 

3. » macronema Blkr. 

4. » polydactylus Blkr. 

5. Corvina polykladiskos Blkr. 

6. r> trachycephalus Blkr. 



7. Lobotes hexazona Blkr. 

8. Anabas scandens CV. 

9. Polycanthus Einthovenii Blkr. 

10. Trichopus trichopterus CV. 

11. üphicephalus striatus BI. 

12. » lucius K. v.ff. 



.410 



13. Scatophagus argus CV. 28. 

14. Toxotes jaculator CV. 29. 

15. Equula ensifera CV. 30. 

16. Gobius kokius CV. 31. 

17. » borneënsis Blkr. 32. 

18. Eleotris urophthalmus Blkr. 33. 

19. » marmorata Blkr. 34. 

20. » melanorhynchos Blkr. 35. 

21. Silurus apogon Blkr. 36. 

22. » cryptopterus Blkr. 37. 

23. Pangasius macronema Blkr. 38. 

24. » polyuranodoa Blkr. 39. 

25. Bagrus Wolffii Blkr. 40, 

26. Bagroïdes melanopterus Blkr. 41. 

27. Arius borneënsis Blkr. 42, 



Pimelodus borneënsis Blkr. 
Clarias pentapterus Blkr. 
Systomus truncatus Blkr. 
» melanopterus Blkr. 

» bulu Blkr. 

Rohita melanopleura Blkr. 

» Hasseltii CV. 
Leuciscus dusonensis Blkr. 
Belone caudimacula Cuv. 
Hemiramphus borneënsis Blkr. 
Engraulis melanochir Blkr. 
Coïlia borneënsis Blkr. 
Achiroïdes melanorhynchos Blkr. 
Tetraödon modestus Blkr. 
Pristis zysron Blkr. 



PRABOEKARTA (verzameling van Dr. J. H. Croockgwit) 



1. Anabas scandens CV. 

2. Ophicephalus lucius K. y. H. 

3. Silurus bicirrhis CV. 

4. Bagrus micracanthus Blkr. 

5. » Hoevenii Blkr. 

6. Arius borneënsis Blkr. 

7. Clarias melasoma Blkr. 



8. Systomus apogon CV. 

9. Barbus kusanensis Blkr. 

10. Rohita Schlegelii Blkr. 

11. Leuciscus dusonensis Blkr. 

12. » oxygastroïdes Blkr. 

13. Tetraödon leiurus Blkr. 



De hierboven opgesomde visschen van Pamangkat, Pontianak, 
Sampit en Praboekarta zijn de eersten, welke van die plaatsen 
bekend gemaakt geworden. Velen hunner waren ook nog niet van 
Borneo bekend en enkelen zijn nieuw voor de wetenschap. Die 
van Bandjermassing kwamen voor het grootste gedeelte reeds 
voor in vroegere verzamelingen van die plaats, doch meerde- 
ren er van zijn insgelijks nieuw voor Borneo en enkelen ook 
voor de wetenschap. 

De mij thans van geheel Borneo bekende vischspecies zijn 
de volgende. Achter hare namen zijn uitgedrukt, de plaatsen, 
waar zij door mij zijn beschreven en de plaatsen van voorkomen. 
Pm. beteekent Pamangkat; B. beteekent Bandjermassing; Sb. 
Sambas; Pr. Praboekarta; Sp. Sampit; Sr. Sarawak; D. Doe- 
son ; Pont. Pontianak; Z. zee plaats onbepaald. 






/lil 



1. Lates nobilis CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. Pm. 

2. Ambassis Wolffii Blkr. (Ikan Baga baga) Nat. Tijds. N. 

Ind. I. p. 9. B. Pont. 

3. » apogonoïdes Blkr. ibid II p. 200. B. 

4. » nalua CV. Verh. Bat. Gen. XXTI Pérc. Sp, 

5. Serranus crapao CV. ibid. Sp. 

6. Mesoprion unimacnlatus OG. ibid. Sp. 

7. Tberapon servus CV. ibid. Sp. 

8. Sillago acuta CV. ibid. Sp. 

9. Poiynemus tetradactylus CV. ibid. Pm. Sp. 

10. » longifilis CV. B. §p. 

11. » macronema Blkr. B. Sp. Pont. 

12. » polydactylus Blkr. B. 

13. Platycephalus insidiator BI. Verh. Bat. G. XXII Sclerop. 'B. 

14. » scaber CV. ibid. Sp, 

15. Apistus cottoïdes CV. Z. 

16. Synanceia asteroblepa Richards. Pm. 

17. ütolithus borneënsis Blkr. N. T. N. Ind. I p. 268. B. 

18. Corvina Kuhlii CV. Verh. B. Gen. XXIII Spiaen. Pm. 

19. » trachycephalus Blkr. N. T. N. Ind. II p. 200. B. Sp. Sb. 

20. » Wolffii Blkr. ibid. p. 66. B. 

21. » polykladiskos Blkr. B. 

22. » sampitensis Blkr. Sp. 

23. Pristipoma nageb Rüpp. Verh. B. Gen. XXIII Sciaen. Sp. 

24. » argyreum CV. ibid. Sp. 

25. Diagramma crassispinum Rüpp. ibid. Sp. 

26. Lobotes hexazona Blkr. N. T. N. Ind. lp. 9. B. Sb. 

27. Anabas scandens CV. Verh. B. Gen. XXIII Doolh. K. B. Sb. Pr. Pont. 

28. Helostoma Temminckii K. t. II. ibid. B. 

29. Polyacanthus Einthovenii Blkr. N. T. N. Ind. II. p. 423. B. Sb. 

30. Trichopus trichopterus CV. V. B. G. XXIII V. Doolh. K. B. 

31. » striatus Blkr. ibid. N.T.N. Ind. I p. 106. B. 

32. Osphromenus olfax Comm. Verh. B. G. XXÏTI Doolh. K. B. Sb. 

33. Betta anabatoïdes Nat. T. N. Ind. I p. 269. B. Sb. 

34. Ophicephalus striatus BI. Verh. B. G. XXIII V. Doolh, K. B. Sb. Pont. 

35. » lucius K. v. H. ibid. B. Sb. Pr. 

36. » micropeltes K. v. II. ibid. B. Sb, 

37. » pleurophthalmus Blkr. N. T. N. Ind. I.p. 270. B. 

38. » melasoma Blkr. ib. II. p. 424. Sb. 

39. » marulioïdes Blkr. ib. Iï. p. 424. Sb. 

40. » rhodotaenia Blkr. ib. II p. 425. vSb. 

41. Scatophagus argus CV. (IkanKeppcr) Verh, 15. G. XXIII 

Chaet. ' .-. ii.Pm..Sp. Pont. 



■412 



42. Drepane longimana CV. ibjd. B. Pm. Sp, 

43. Toxotes jaculator CY. (Ikan Soempit) ibid. B. Pont. 

44. Chorinemus Commersonianus CV. ibid. XXIV Makr. Sp. 

45. Trachinotus raookalee CV. ibid. Sp. 

46. Trichiurus haumela CV. ibid. Pm. 

47. Caranx Forsteri CV. ibid. Pm. 

48. Ecjuula filigera CV. ibid. Sp. 

49. » ensifera CV. ibid. B. Sb. Sp. 

50. » gerreoïdes Blkr. ibid. N. T.N. Ind. lp. 371. Pm. 

51. Amphacanthus marmoratus CV. Z. 

52. Mastacembelus erythrotaenia Blkr. (Ikan Telong) N. T. N. 

Ind. lp. 10. B.Sb. 

53. Mugil borneënsis Blkr. ibid. II p. 201. B. 

54. » melanochir K. y. H. Sp. 

55. » macrolepis Blkr. Pm. Sp. 
5G. Gobius kokius CV. (Ikan Boeloesob) Verh. B. Gen. XXII 

Gobioïd. B. Sb. Pont. 

57. » chlorostigma Blkr. ibid. Pm. 

58. » Hoevenii Blkr. Nat. Tijds. N. Ind. II p. 426. Sb. 

59. » borneënsis Blkr. ibid. I p. 10. B. 

60. Apocryptes macrolepis Blkr. ibid. II p. 66. B. Pont. 

61. » changua CV. Verh. B. G. XXII Gob. B. 

62. Trypauchen vagina CV. ibid. Sp. 

63. reriophthalmus borneënsis Blkr. N. T. N. Ind. I p. 11. B. Sb. 

64. Boleophthalmus Boddaertii CV. Verh. B. G. XXII Gob. B. 

65. Eleotris melanostigma Blkr. ibid. B. 
6G. » Wolffii Blkr. Nat. Tijds. N. Ind. I p. 253. B. 

67. » urophthalmus Blkr. ibid. II p. 202. B. 

68. » marmorata Blkr. B. 

69. Philypnoïdes surakartensis Blkr. Verh. B. G. XXII Gob. B. 

70. Callionymus sagitta Pall. Nat. Tijds. N. Ind. I p. 31. Sp. 

71. Batrachus grunniens CV. ibid. II p. 487. Sp. 

72. Catopra fasciata Blkr. ibid. I[ p. 65. B. 

73. Glyphisodon modestus T. Schl. Z. 

74. » uni.i aculatus CV. Z. 

75. Wallago dinema Blkr. (Ikan Laïs) N. T. N. Ind. II p. 202. B. 

76. » Leerii Bikr. ibid. II p. 427. Sb. 

77. Silurus apogon Blkr. ibid. II p. 67. B. 
cryptopterus Blkr. (Ikan Laïs) ibid. I p. 270. B. Sb. 
phalacronotus Blkr. ibid. II p. 429. Sb. 
laïs Blkr. II p. 428. Sb. 
hexapterus Blkr. (Ikan Laïs poeti) ibid. II p. 203. B. 
macronema Blkr. (Ikan Laïs) ibid. II p. 203. B. 



78. 


7> 


79. 


» 


80. 


» 


81. 


9 


82. 


» 



41S 



83. Silurus phaiosoraa Blkr. ibid. II p. 428. Sb. 

84. » bicirrhis CV. ibid. I p. 271. Pr. 

85. Bagrus micracanthus Blkr. Verb. B. G. XXI Silur. Pr. 

86. » Hoevenii Blkr. ibid. Pr. 

87. •» neraurus CV. (Ikan Singirian katjang) ibid. B. Sb. 

88. » Wolffii Blkr. ( » )N. T.N. Ind. II p. 205. B. 

89. Bagroïdes melanopterus Blkr. ibid. II p. 204. B. Sb. 

90. Pangasius macronema Blkr. (Ikan Rios tjoring) ibid. I 

p. 11. B. 

91. » rios Blkr. (Ikan Rios tjoring) ibid. II p. 205. B. 

92. » polyuranodon Blkr. B. 

93. Ketengus typus Blkr. N. T. N. Ind. I p. 271. B. 

94. Arius borneënsis Blkr. (Ikan Gangoet) ibid. II p. 67. B. Pr. 

95. » truncatus CV. Pm. 

96. Pimelodus borneënsis Blkr. Nat. T.N. Ind. II p. 430. B. Sb, 

97. Clarias pentapterus Blkr. ibid. II p. 206. B. Sb. 

98. » leiacanthus Blkr. ibid. II p. 430. Sb. 

99. » punctatus CV. Verh. B. G. XXI Silur. B. 

100. » melasoma Blkr. Pr. 

101. Barbus Hoevenii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 207. B. 

102. » kalopterus Blkr. ibid. I p. 13. B. 

103. » kusanensis Blkr. Pr. 

104. Systomus truncatus Blkr. N. T. N. Ind. I. p. 13. B. 

105. » melanopterus Blkr. ibid. I p. 11. B. 

106. » microlepis Blkr. ibid. I p. 12. B. 

107. » bulu Blkr. (Ikan Boeloe boeloe) ibid. II p. 207. B. 

108. » apogon CV. Pr. 

109. Capoeta enoplos Blkr. N. T. N. Ind. II p. 431. Sb. 

110. » microlepis Blkr. ibid. II p. 206. B. 

111. Dangila spilurus Blkr. ibid. I p. 272. B. 

112. Rohita Hasseltii CV. B. Sb. 

113. y> vittata CV. B. 

114. » Schlegelii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 432. B. Pr. Pont. 

115. » Artedii Blkr. ibid II p. 434. Sb. 

116. » melanopleura Blkr. B. 

117. Leuciscus oiygastroïdes Blkr. Pr. 

118. » kalochroma Blkr. N. T. N. Ind. I p. 272. B. Sb. 

119. y> Einthovenii Blkr. ibid. II p. 434. Sb. 

120. » dusonensis Blkr. ibid. I p. 14. B. Sb. Pont, 

121. » uranoscopus Blkr. ibid. I p. 14. B. Sb. 

122. Cobitis barbatuloïdes Blkr. ibid. II p. 435. Sb. 

123. Belone caudimacula Cuv. (Ikan Djolong djolong) Verh. 

B. Gen. XXIV Snoek. P. Pm. Sp. 



41 -4 



124. Hemiramphus borneënsis Blkr. (Ikan Dandoelang) N. T. 

N. Ind. II p. 68. B. 

125. » GaimardiCY. Verh.B.G. XXIV Snoek. Pm. 

126. Panchax melanotopterus Blkr. ibid. B. 

127. Aperioptus pictorius Richards. Z. 

123. Luciocephalus pulcher Blkr. N. T. N. Ind. I p. 273. III p. 99. B. 

129. Chirocentrus hypselosoma Blkr. N.T.N. Ind. III p. 71. Sp. 

130. Osteoglossum formosum M. Schl. ibid. II p. 436. Sb. D. 

131. Notopterus borneënsis Blkr. ibid. II p. 437. Sb. 

132. » maculosus Blkr. ibid. II p. 438. Sb. 

133. Clupeoïdes borneënsis Blkr. ibid. I p. 275. B. Sb. 

134. Pellona Grayana CV.? Verh. B. G. XXIV Har. B.Pm. 

135. » Russellii Blkr. ib. N.T.N. Ind. III p. 72. Pm. Sb. 

136. » xanthopterus Blkr. ibid. II p. 439. Sb. Pm. 

137. Spratella pseudopterus Blkr. Pm. 
133. Pristigaster tartoor CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Har. Sp. 

139. Alausa toli CV. Z. 

140. Engraulis crocodilus Blkr. (Ikan Piringpiring) N. T. N. 

Ind. L p. 15. B. 

141. » Pfeifferi Blkr. Pont. 

142. » melanochir Blkr. (Ikan Piring piring) Verh. 

B. G. XXIV Har. B. Sb. Pm. 

143. » Brownii CV. ibid. Pm. 

144. » rhinorhynchos Blkr. ibid. Sp. 

145. » tri Blkr. ibid. Sp. 

146. Coïlia borneënsis Blkr. ibid. B. Pm. 

147. » macrognathos Blkr. Pm. 

148. Rhombus lentiginosus Richards. Verh. Bat. Gen. XXIV 

Pleur. Pm. Sp. Pont. 

149. Synaptura panoïdes Blkr. (Ikan Lidah} ib. N. T. N. Ind. 

IT p. 440. B. Pont. 

150. » ommatura Solea ommatura Richards.}. Z. 

151. Achiroïdea melanorhynchos Blkr. (Ikan Lidah) N. T. 

N. Ind. I. p. 15. B. 

152. Plagusia microlepis Blkr. (Ikan Lidah) ibid. I p. 413. B. Sp. 

153. » pótous Cuv. Verh. Bat. G. XXIV Pleuron. Pm. 

154. Echeneis neucrates L. ibid. Chiroc. Lut. Sp. 

155. Conger talabon Cuv. . Pm. 

156. Ophisurus hypselopterus Blkr. ibid. II p. 69. B. 

157. Muraena bullata Richards. Z. 

158. » reticulata Richards. Z. 

159. Symbranchus immaculatus 61. (Tetrabanchus microph- 

thalmüs Blkr.) B, 



VIS 



160. Tetraódon potamophilus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV 

Blootk. V. B. Pra. Pont. 

161. » modestus Blkr. N.T.N. Ind.I p. 16. B. Pont. 

162. » lunaris Cuv. Yerh. B. G. XXIV Blootk. V. Pm. 

163. » oblongus BI. ibid. Sp. 

164. » naritus Richards. Pra. Sar. 

165. » leiurus Blkr. Pr. 
166. . Balistes aeuleatus L. Z. 

167. » rectangulus BI. Schn. Z. 

168. Triacanthus Russellii Blkr. Verh. B. G. XXIV Balist. B. 

169. » Nieuhofii Blkr. ibid. Sp. 

170. Synguathus boaja Blkr. N. T. N. Ind. I p. 16. B. 

171. » heterosoma Blkr. ibid. II p. 441. Sb. 

172. SphyrnaBlochii MH. Verh. B. G. XXIV Plagiost. Sb. 

173. Pristis zysron Blkr. B. 

174. Rhinobatus ligonifer Cant. Verh. B. G. XXIV Plagiost. Sp. 

175. Pteroplatea micrurus MH. Z. 

176. Amphioxus Belcheri Gray. Z. 

Alzoo: Percoïden 12, Scleropareën 4, Sciaenoïden 10, 'Os- 
phromenoïden 14, Chaetodontoïden 3, Scomberoïden 7, Teu- 
thiden 1, Notacanthinen 1, Mugiloïden 2, Gobioïden 14, Cal- 
lionyanoïdeii 1, Pediculaten 1 , Nandoïden 1, Kamschubbige La- 
broïden 2, Siluroïden 26, Cyprinoïden 22, Esocioïden 5, Lucio- 
cephaloïden 1, Cliirocentroïden 1, Hyodontes 1, Notopteren 2, 
Clupeoiden 15 , Pleuronecteoïden 6, Echeneoïden 1 , Muraenoïden 
4, Symbranchoïdcn 1, Gymnodontes 6, Balistinen 4, Lopho- 
branchiën 2, Carchariën 1, Squatinorajen 2, Trygones 1, 
Leptocardiën 1. 

Van de opgesomde 176 soorten is de kennis van niet min- 
der dan 156 te danken aan de verzamelingen van de heeren 
Wolff, fiiNTHOVEN en Croockuwit en aan die van mevrouw 
Pfeiffer, zijnde tot op den tegenwoordigen tijd, voor zoover 
mij bekend is , door anderen in het geheel slechts 20 vischspecies 
van fiorneo bekend gemaakt. 

De nieuwe soorten, hieronder beschreven, zijn ten getale van 
18, t. w. PoU/nemas poly dactylus , Polynemus macronema , Cor- 
vina polykladiskos , Corvina sampitensis , Mugil macrolepis , 
Eleolris marmorata , Pangasius polyuranodon , Clarias melaso- 



416 



ma , Barbus kusanensis , Rohita melanopleura , Leuciscus oxy- 
gastroïdes , SpraleUa pseudopterus , EngrauHs Pfeifferi , /in- 
graulis tri , Engraulis rhinorhynchos , Coïlia borneënsis , Coïlia 
macrognathos en Pristis zysron. 

Van enkelen dier soorten zijn de beschrijvingen reeds opge- 
nomen in het binnen kort uit te geven 2'iste deel der Ver- 
handelingen van het Dataviaasch Genootschap van Kunsten en 
Wetenschappen en hier overgenomen. 



DESCRIPTIONES SPECIERÜM DIAGNOSTICAE. 



PERGOIDEÏ. 

Polynemus poly dactylus Blkr. 

Polynem. corpore elongato compresso, altitudine 5|. circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 5| circiter in lon- 
gitudine corporis , longiore quam alto ; oculis diametro 5 *. circiter in 
longitutline capitis; linea rostro-frontali supra oculum deciivi rectiuscula; 
rostro obtuso rotundato ; maxilla superiore inferiore longiore, paulo post 
oculum desinente, 2.|- circiter in longitudine capitis; praeoperculo rotun- 
dato denticulato, spina majorenulla; operculo acuto postice membranaceo; 
squamis lateribus 100 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsalibus al- 
titudine subaequalibus , corpore paulo humilioribusj dorsali 2* et anali 
vix emarginatis; pectoralibus acutis pinnam analem subattingentibus ; 
radiis pectoralibus liberis 14, radiis superioribus corpore multo longioribus 
inferiovibus pinnas ventrales attingentibus ; ventralibus acutis pectoralibus 
duplo circiter brevioribus; spina ventrali ante pinnam dorsalem l m inserta; 
caudali lobis acutissimis, superiore longiore 3£ circiter in longitudine 
corporis; colore corpore superne coerulescente , inferne flavescente; pinnis 
flavis vel flavo-aurantiacis. 

B. 7. D. 8-1/15 vel 1/16. P. 15 -+- 14 solitar. V. 1/5. A. 3/12. C. 
17 et lat. brev. 

Habit. Bandjermassing, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici (absque filis) 185'". 

Aanm. Deze Polynemus heeft in habitus en lengte van draden het 
meest van Polynemus longifüis CV. , doch laat zich daarvan ge- 
makkelijk bij den eersten oogopslag onderkennen door hare 
veel kleinere schubben , terwijl zij tevens het dubbele van het 
aantal vrije borstdraden heeft van Polynemus longifilis CV. Bij 
mijn specimen zijn de twee bovenste vrije borstdraden meer 
dan twee maal zoo lang als het ligchaam. Deze is de eenige 
mij bekende soort, welke een zoo groot aantal van die dra- 
den heeft. 



418 



Polynemus lonyifilis CV. Poiss. III p. 270. 

Polynem. covpore elongato compresso, altitudine G circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 6 ad 5£ in 
longitudine corporis, longiore quam alto ; oculis diametro 5 ad 7 in lon- 
gitudine capitis; linea rostro-frontali supra oculum concava; rostro obtuso 
rotundato ; maxilla superiore inferiore longiore, post oculum desinente 
2*. circiter in longitudine capitis; praeoperculo rotundato denticulato, 
angulo dente unico majore spinaefonni; operculo acuto postice membra- 
naceo; squamis lateribus 60 ad 70 in serie longitudinali; pinnis dorsalibus 
altitudine subaequalibus, corpore humilioribus; dorsali 2* ef anali vix 
emarginatis; pectoralibus acutis pinnam analem attingentibus ; radiis pec- 
toralibus liberis 7, radiis superioribus corpore longioribus , inferioribus 
apicem ventralium attingentibus vel subattingentibus ; vcntralibus acutis 
pectoralibus duplo vel plus duplo brevioribus; spina ventrali spinis dor- 
salibus anterioribus opposita; caudali lobis acutissimis, superiore longiore 
2*. ad 3 in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo inferne 
flavo; pinnis flavis, dorsalibus fusco arenatis. 

13. 7. D. 7 vel 8-1/16 vel 1/17. P. 15 ad 17 + 7 solitar. V. 1/5. A* 

3/12 vel 3/13. C. 17 et lat. brev. 
Synon. Pentanernus Seba Thesaur. III p. 74 tab. 27 fig. 2. 

Polynemus quinquarius Li. Syst. nat. ed. Gmel. I p. 1400. 
Polynemus paradiseus L. ibid. p. 1401. 
Tupsee Mutchey Russ. Cororn. Pish. II p. 69 fig. 185. 
Polynemus riöita Ham. Bucb. Gang. Pish. p. 228. 
Polynemus aureus Ham. Bucb. ? ibid. 
Polynemus toposui Ham. Buch.? ibid. 

Poisson mangue ou de paradis Edwards Av. 208 tab 208. 
Polyneme a longs filets CV. Poiss. III p. 270. 
Top si muatz Bengalens. 
Na denimbia Birman. 

Poisson mangue, Pêche mangue et Mango-fish Gall. et Brilt. Ind 
oriënt. 
Habit. Bandjermassing et Palembang, in fiuviis; Sampit, in mari. 
Longitud© 8 speciminum 90'" ad 190'". 

Aanm. Ik beschreef deze soort vroeger (Nat. Tijdschr. N. 
Ind. I p. 269) naar een enkel zeer jeugdig specimen. Sedert 
ontving ik nog zeven grootere specimina van Palembang en 
Bandjermassing en Sampit, welke het stellen eener meer juiste 
diagnose hebben toegelaten, hetwelk te meer noodig was, om 



419 



de verschillen aan te toonen tusschen deze soort en de hier- 
onder beschrevene nieuwe species Polynemus macronema, welke 
zeer na aan haar is verwant. 

Polynemus macronema Blkr. 

Polynern. corpore elongato compresso, altitudine 6 cireiter in ejus lon- 
gitudiue, latitudine \\ cireiter in ejus altitudine; capite 5 ad 5| in lon- 
gitudine corporis, longiore quam alto ; oculis diametro 7 cireiter in lon- 
gitudine capitis; linea rostro-frontali supra oculum convexiuscula; rostro 
obtuso rotundato ; maxilla superiore inferiore longiore, longe post oculum 
desinente, \\ ad 2 in longitudine capitis; praeoperculo rotundato , den- 
ticulato, spina majore nulla; operculo acuto postice membranaceo; squamis 
lateribus 65 p. m. in serie longitüdinali; pinnis dorsalibus altitudine sub- 
aequalibus , corpore humilioribus ; dorsali radiosa et anali non vel vix 
emarginatis; pectoralibus acutis capite longioribus; radiis pectoralibus li- 
beris 7, radiis superioribus corpore longioribus, inferioribus apicem ven- 
tralium attingentibus vel subattingentibus; ventralibus acutis pectoralibus 
duplo vel plus duplo brevioribus; spina ventrali spinis dorsalibus anterio- 
ribus opposita; caudali lobis acutissimis S.i ad 4 in longitudine corporis; 
colore corpore superne coeruleo inferne flavo; pinnis flavis, pectoralibus 
magna parte nigerrimis, dorsalibus candalique fuscescente arenatis ; radiis 
pectoralibus liberis superioribus adultis fuscis. 

B. 7. D. 8-1/16 vel 1/17. P. 17 vel 18 + 7 solitar. V. 1/5. A. 3/12 
vel 3/13. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Bandjermassing et Pontianak, in fluviis; Sampit, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 185'" ad 245'". 

Aantn. Deze soort, hoe na ook verwant aan Polijnemus Ion- 
gifilis CV. is er toch bij den eersten oogopslag van te onder- 
kennen door min of meer konveks voorhoofd, langere boven- 
kaak en grootendeels zwarte borstvinnen. De lengte harer 
vrije borstdraden doet niet onder voor die van Polijnemus 
longifilis CV- Van Polynemus melanochir CV. verschilt zij ten 
duidelijkste door veel langere vrije draden, ranker ligchaam 
veel talrijker schubben op eene oveiiangsche rei enz. 

SGLEROPAREI. 

Synanceia asterohlepa Richards. Voyage of the Sul- 
phur Zool. p. 69 tab. 89 fig. 1 — 3. 

Synanc. corpore subelongato antice cylindraceo postice compresso, alti- 



hlQ 



tudine 4£ ad 4*. in ejus longitudine; capite alepidoto tuberculis et cristia 
osseis sulcato et tuberculato, 3£ ad 4*. in longitudine corporis, vix lon- 
giore quam alto ac lato; vertice fronteque depressionibus vel foveis mag- 
nis nullis; oculis supevis orbitis non elevatis, diametro 9 ad 11 in lon- 
gitudine capitis, diametris 3 ad 4 a se invicem distantibus; fossa subo- 
cularinulla; ore simo; maxilla inferiore verticaliter adscendente; labio 
inferiore mentoque fimbriatis, mento cirris 2 majoribus; ossibus suborbi- 
talibus tuberculatis antice processubus 2 obtusis; praeoperculo processubus 
4 osseis obtusis; operculo cristis 2 osseis; cute alepidota, capite dorsoque spi- 
nulis minimis vix conspicuis sparsis scabriuscula; pinnis, caudali excepta, 
radiis fere omnibus simplicibus; dorsali spinosa radiosa paulo humiliore 
sed plus duplo longiore, spina postica spinis ceteris longiore; dorsali ra- 
diosa ante basin caudalis desinente; pinnis pectoralibus radiis longissimis 
capite vix brevioribus ; ventralibus capite duplo circiter brevioribus mag- 
na parte liberis; anali rotundata; caudali convexa 5 circiter in longitu- 
dine corporis; colore corpore superne viridi-nigricante, inferne dilute vi- 
ridescente; dorso lateribusque guttis et maculis numerosis nigricantibus; 
pinnis nigricantibus, pectoralibus caudali que viridi vel rufescente variega- 
tis et marmoratis; caudali postice rufo marginata. 

B. 7. D. 16/6 vel 16/5. P. 15 vel 16. V. 1/4. A. 3/7 vel 4/6. C. 12 I 
vel 14 et lat. brev. 

Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo 2 speciminum 100"' et 154'". 

Aanm. Deze soort was tot nog toe slechts van Nieuw Gui- 
nea bekend en werd eerst in de laatste jaren beschreven en 
afgebeeld door den heer J. Riciiardson. Bij mijne beide spe- 
cimina tel ik slechts 4 en niet 5 buikvinstralen (zoo als de heer 
Richardson opgeeft) en voorts 15 en 16 buikvinstralen. 

SCIAENOÏDEI. 



Corvina polykladiskos Bik 



tr. 

Corvin. corpore oblongo compresso, altitudine 4 et paulo in ejus lon- 
gitudine, latitudine 1£ in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitudine 
corporis; altitudine capitis 1-J. circiter, latitudine 2 fere in ejus longitudine; 
oculis diametro 5 et paulo in longitudine capitis; rostro convexo, oculo 
paulo longiore, non ante os prominente; linea frontali leviter concava . 
maxilla superiore ante inferiorem prominente, sub pupilla desinente; 
maxilla inferiore inferne poris 4; ore antico rictu parum obliquo: dentibus 
maxillis bene conspicuis, maxilla superiore serie extern a utroque latere 






421 



p. m. 18 ; praeoperculo mavgine posteriore valde obliquo, leviter dentato, 
angulo rotundato; linea dorsali rotundata , linea ventrali multo convexiorej 
linea laterali usque sub 2" tertia parte pinnae dorsalis radiosae curvata, 
singulis squamis ramulis numerosis flabelliforme dispositis; squamis late- 
ribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali parte spinosalongitudine 
]|. in parte radiosa sed parte radiosa altiore et corpore duplo circiter hu- 
miliore, spina 4 a ceteris longiore, 2' 4 S duplo fere breviore, penultima ultima 
multo breviore,- pinnis pcctoralibus 1|- circiter in longitu.line capitis; ven- 
tralibus radio 1° in filum anum attingentem producto; anali spina 2 a 1». in 
longitudine capitis ; caudali rhomboidea 6£ circiter in longitudine corporis ; 
colore corpore superne griseo inferne argenteo ; dorso vittis obliquis nu- 
merosis nigricantibus; pinnis flavescentibus, dorsali fusco arenata. 

B. 7. D. 10-1/27 vel 1/28. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/7 vel 2/8. C. 17 
et lat. brev. 

Habit. Bandjermassing, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 230'". 

Aanm. Deze soort is na verwant aan Corvina cuja CV. en 
Corvina miles CV., van welke beiden zij echter door meerdere 
kenmerken is te onderkennen. Ik heb haar genoemd naar de 
talrijke fijne vertakkingen, welke de zijlijn op elke harer schub- 
ben vertoont. 

Corvina sampitensis Blkr. 

Corvin. corpore oblongo compresso, altitudine 4£ circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite A\ circiter in 
longitudine corporis; altitudine capitis 1-J., latitudine 2 circiter in ejus 
longitudine; oculis diametro 4 in longitudine capitis; rostro convexo 
oculo breviore, non ante os prominente; linea rostro-dorsali fronte non 
concava; maxilla superiore vix ante maxillam inferiorem prominente, 
sub posteriore oculi parte desinente ; maxilla inferiore inferne poris 4 vel 
5; ore antico, rictu obliquo ; dentibus maxillis bene conspicuis, maxilla 
superiore serie externa utroque latere p. m. 14; praeoperculo rotundato 
dentato; linea dorsali rotundata linea ventrali multo convexiore ; linea laterali 
usque sub posteriore dimidia parte pinnae dorsalis radiosae curvata, singulis 
squamis ramulis 2 vel 1 vel nullis; squamis lateribus 45 ad 50 p. m. in serie 
longitudinali ; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa duplo breviore sed ea 
altiore et altitudine \\ circiter in altitudine corporis, spinis gracilibus 3* ceteris 
longiore, 2" tertia paulo breviore, penultima ultima longiore ; pinnis pec- 
toralibus \\ circiter in longitudine capitis; ventralibus non productis anum 



422 



non attingcntibus ; anali spina 2" capite duplo breviore; caudali rbombni- 
dea 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo- 
griseo inferne argentep, pinnis flavescente. 

B. 7. D. 9-1/29 vel 9-1/30 vel 10/29 vel 10/30. P. 2/15. A. 2/7 vel 
2/8. C. 17 et lat. bvev. 

Habit. Sarapit, Borneo australis , in mari. 

Longitudo speciminis unici 111'". 

Aanm. Ook deze soort is verwant aan Corvina miles CV. 
doch ranker van ligchaam, heeft kleineren kop, den snuit 
korter dan het oog, een rugdoorn minder, de zijlijn niet noe- 
menswaardig getakt, enz. 

MUGILOÏDEI. 



Muyil macrolepis Blkr. 



Mug. corpore oblongo compresso , altitudine 4 fere in ejus longitudine ,- 
capite depresso 5 fere in longitudine corporis; altitudine capitis 1£, lati- 
tudine 1? circiter in ejus longitudine; oculis diametro 3 et paulo in lon- 
gitudine capitis, 1£ in capitis parte postoculari , diametro 14. circiter a 
se invicem distantibus; membrana palpebrali iridem non tegente ; linea 
rostro-dorsali capite declivi rectiuscula; rostro non convexo, depresso, oculo 
breviore; naribus anterioribus rotundis, posterioribus subriixiaeformibus ; 
osse suborbitali eniarginato , postice truncato, denticulis bene conspicuis ; 
osse maxillari superiore ore clauso inconspicuo; labio superiore carnoso 
non papillato; denticulis maxillaribus oculo armato tantum conspicuis; 
maxilla superiore deorsum valde protractili; tuberculo inframaxillari sym- 
pbysali subtetragono ; dentibus palatinis in thurmas 2 elongatas colloca- 
tis; lingua periplieria thurmis denticulorum parvis obsita; foramine prae- 
vomerino nullo ; praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine pos- 
teriore obliquo emarginato ; squamis lateribus 26 p. m. in serie lougitudi- 
nali , parte basali striis 6 ad 8 ; squamis axillaribus brevibus ; pinnis dor- 
salibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se invicem distantibus , 
altitudine subaeqtialibus , corpore multo humilioribus, spinosa spinis cras- 
sis, l a ceteris longiore et crassiore; dorsali radiosa acuta, non vel vix emargi- 
nata; pinnis pectoralibus capite paulo brevioribus ; ventralibus angulatis 
pectoralibus paulo brevioribus; anali acuta vix emarginata, dorsali radiosa 
vix altiore, spina 3" radio 1° minus duplo breviore; caudali leviter emar- 
ginata 4*. circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi 
inferne argenteo , pinnis hyalino vel flavescente. 



428 



B. 6. D. 4-2/7 vel 2/8. P. 2/12. V. 1/3. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 et 
lat. brèv. 

Habit. Pamangkat, in fluviis, Sampit, in mari. 
Longitudo 4 speciminum 54'" ad 79'". 

Aanm. Deze soort is vooral herkenbaar aan haar kort lig- 
chaam , groote schubben en korten kop , die bijkans even 
hoog is als lang. Het komt mij voor, dat deze soort na ver- 
want moet zijn aan Mugil amarulus CV., doch de beschrijving 
daarvan in het groote vischwerk is zoo onvolledig, dat ik 
daarnaar niet over de mogelijke identiteit of verschillen kan oor- 
deelen. Zoo zie ik in die beschrijving geen gewag gemaakt 
van de hoogte des ligchaams , van het aantal schubben op 
eene overlangsche rei, van de lengte van het achteroogkuils- 
gedeelte van den kop enz. Daar ik de bovenbeschrevene 
species tot geene der bekende kan terugbrengen, stel ik voor 
haar een' nieuwen soortnaam te geven , afgeleid van hare be- 
trekkelijk groote schubben. 

Mugil melanochir K. v. H. CV. Poiss. XI p. 106. 

Mug. corpore subelongato, antice subcylindrico , postice cempresso , 
altitudine 4£ ad 5 in ejus longitadine ; capite convexo , 4£ ad 4|. in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis 1|. ad li-, latitudine 1.| ad 1|. in ejus 
longitudine ; oculis diametro 2|. ad 4A in longitudine capitis, 2 ad 2£ in 
capitis parte postoculari, diametro 1* ad 2*. a se invicem distantibus; 
palpebris oculi bulbum non tegentibus; linea rostro-frontali convexa ; ros- 
tro junioribus oculo breviore, adultis oculo longiore; naribus anterioribus 
rotundis, posterioribus ovalibus majoribus ; osse suborbitali emarginato , 
denticulis valde conspicuïs; labio superiore gracili non fïmbriato; maxilla 
superiore deorsum valde protractilij osse maxillari superiore ore clauso 
inconspicuo ; dentibus maxillaribus vix conspicuis; maxilla inferiore sym- 
pbysi tuberculo subconico ; dentibus palatinis minimis in tburmas 2 vit- 
taeformes parvas collocatis; lingua peripheria thurmis denticulorum 
parvi6 obsita; foramine praevomerino magno; praeoperculo acutangulo 
angulo rotundato, margine posteriore oblique postrorsum descendente; 
squamis lateribus 25 ad 30 in serie longitudinali; squamis axillaribus 
brevibus; pinnis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se 
invicem distantibus; dorsali spinosa radiosa buiniliore, spinis crassis; dorsali 
radiosa et anali altitudine acqualibus, corpore bumilioribus, acutis, apice 
rotundatis, non emarginatis; pectoralibus acutis 1|. circitcr in longitudine 

III. 32 



424 



capitis; ventralibus obtusis pectoralibus brevioribus; caudali subintegra vix 
emarginata, 4|. ad 4.| in longitudine corporis; colore corpore superne oli- 
vaceo-viridi inferne argenteo; pinnis pectoralibus maxima parte nigris; 
pinnis ceteris viridescentibus vel fuscescentibus ; lateribus interdum vittis 
longituclinalibus fuscescentibus. 

B. 6. D. 4-1/3 vel 4-1/9. P. 2/15 vel 2/16. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. 

C. 14 et lat. brev. 
Synon. Muge, christian QG. Voy. de Preycin. 
Mugil melanoptcrus Ehr. 
Mugil macroiep idotus Rüpp. Atl. R. N. Afr. F. R. M. p. 140 tab. 

35 fig. 2. 
Muge macrolépidote CV. Poiss. XI p. 99. 
Muge a pectorales noires CV, Poiss. XI p. 106. 
Arabi Arab. Or. Mar. rubr. 
Ikan Greh Indig. Surabaj. 
Ucan Bdanakh Mal. 
Habit. Sampit, Batavia, Samarang, Surabaja, Kammal, Padang, Banka, 

in mari. 
Longitudo 16 speciminum 40'" ad 260"'. 

Aanm. Mugil meïanochir K. v. II. is, volgens de talrijke spe- 
cimina die ik er van heb waargenomen, de jeugdige visch van 
Mugil macro! epidotus Rüpp. 

GOBIOÏDEI. 

Eleotris mar mor at a Blkr. 

Ëleotr. corpore elongato , antice cylindrico postice compresso , altitudiue 
5|. ad 6 fere in ejus longitudine; capitc acuto, depresso , 3.J. ad 3*. in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis 2, latitudine 1-| circiter in ejus lon- 
gitudine; linea rostro-frontali declivi concaviuscula; oculis diametro 9 
circiter in longitudine capitis, diametris 2 circiter a se invicem distanti- 
bus; orbitis glabris ; regione temporali sulcata; rostro ex parte squamoso; 
dentibus maxillis pluriseriatis parvis , serie externa majoribus conicis; 
maxilla superiore inferiore breviore, sub oculo desinente; rictu obliquo; 
squamis ctenoïdeis flabelliforme striatis , lateribus 70 p. m. in serie longi- 
tudinali; appendice anali oblonga compressa; pinna dorsali spinosa dorsali 
radiosa paulo humiliore; dorsali radiosa et anali postice oblique rotunda- 
tis, corpore multo humilioribus; pectoralibus ventralibus longioribus sed 
capite multo brevioribus; caudali obtusa rotundata 5 ad 5£ in longitudine 
corporis; corpore toto fusco profundiore et aurantiaco pulcherrime mar- 






•423 



niorato et nebulato; pinnis omnibus nigro , rubro et fusco variegatis, ni- 
gro pinnis dorsalibus praevalente. 

B. 6. D. 6-1/9 vel 1/10. P. 18 vel 19. A. l/S vel 1/9. C. 12 vel 14 

et lat. brev. 
Habit. Bandjermassing , Borneo austro-orientalis, et Palembang, Sn- 

matrae austro-orientalis , in fluviis. 
Longitudo 2 speciminum 230"' et 253'". 

Aanm. Deze fraaije soort heeft in habitus veel van Philyp- 
nus dormüator CV. en behoort in haar geslacht tot de groep 
van Eleotris gyrinus CV. en Eleotris guavina CV. , doch is 
duidelijk genoeg daarvan onderscheiden , vooral door haar 
fraai met bruin en oranje gemarmerd en gewolkt ligchaam. 

SILUROÏDEI. 

Pangasius polyuranodon Blkr. 

Pangas. corpore elongato compresso, altitudine 6 in ejus longitudine, 
latitudine 1.| circiter in ejus altitudine; capite obtuso vix convexo, 5§. 
in longitudine corporis; altitudine et latitudine capitis l£ circiter in ejus 
longitudine; linea rostro-frontali vix convexa; oculis posteris , diametro 
3i circiter in longitudine capitis, superne diametris 2£, inferne diametro 
1|. a se iuvicem distantibus ; cirris 4, supramaxillaribus os liumerale paulo 
superantibus, inframaxillaribus oculo plus duplo longïonbus; maxillis denti- 
bus plurïseriatis , parvis, aequalibus; maxilla inferiore snperiore breviore ; 
dentibus vomerinis et palatinis parvis conicis, vomerinis in thurmam mag- 
nam quadratam , palatinis in tburmas 2 oblongas parvas ad latera tburmae 
vomerinae collocatis ; scuto capitis cristaque interparietali rugosis; linea 
laterali rectiuscula ramosa; linea dorsali linea ventrali convexiore; pinna 
dorsali radiosa acuta , non emarginata , corpore vix humiliore, spina pos- 
tice serrata; pinna adiposa gracili, pinnae analis parti posteriori opposita, 
multo altiore quam longa, altitudine oculum subaequante; pinnis pectora- 
libus acutis , capite paulo brevioribus, spina postice serrata; ventralibus 
pectoralibus minus duplo brevioribus, analem non attingentibus; auali 4 
fere in longitudine corporis; caudali profunde incisa, lobis acutis 5£ circi- 
ter in longitudine corporis; colore corpore plumbeo-coeruleo, inferne ar- 
genteo; pinnis flavescentibus. 

B. 7. D. 1/7. P. 1/12. V. 1/5. A. 5/33. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Bandjermassing, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 160'". 



426 



Aanm. Deze soort is kenbaar aan hare in eene groote vier- 
kante groep bijeenstaande ploegbeenstanden, gering aantal kieuw- 
stralen enz. Ik bezit nog eene na aan deze verwante nieuwe 
soort van Palembang , welke ik Pangasius juaro heb genoemd 
en welker beschrijving nog niet is gepubliceerd. Deze heeft de 
ploegbeenstanden even zoo gerangschikt en ook 7 kieuwstralen , 
doch de voeldraden zijn er aanmerkelijk korter , vooral de 
kindraden , en de oogen staan er hooger , terwijl ik er in de 
aarsvin slechts 4/30 stralen tel , niettegenstaande het specimen 
meer dan tweemaal grooter is als het boven beschrevene. 

Arius truncatus CV. Poiss. XV p. -48. 

Ar. corpore elongato compresso , altitucline 7£ ad 8 in ejns longitu- 
dine; capite acuto, a rostro usque ad apicem operculi 41. ad 4JL, a vostro 
usque ad apicem cristae interparietalis Si ad 3*. in longitudine corporisj 
latitudine capitis 1|- ad 2 in ejus longitudine usque ad apicem operculi; 
oculis diametro 6 ad 7 in longitudine capitis usque ad apicem operculi, 
diametris 2 circiter a se inviccm distantibus; linea rostro-dorsali occi- 
pite convcxa, fronte recfciuscula; rostro antice subtruncato ; scuto capitis 
irregulariter sulcato et granulato , sulco antice glabro elongato , granulis 
parcis; crista interparietali minus duplo longiore qnam basi lata, tota 
sulcata et granulata, apice leviter emarginata os interspinosum parvum 
granulatum attingente; cirris G, supramaxillaribus os humerale , infra- 
maxillaribus externis et internis apcrturam branchialem attingentibus vel sub- 
attingentibus ; maxillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, superiore 
inferiore longiore ; ore infero; dentibus palatinis conicis parvis in thurmas 
2 oblongo-ovales antice et lateraliter in palato collocatis; osse scapulari 
glabro; spïnis dorsali et pectoralibus crassis, antice granulosis, apice et 
postice dentatis, non in lila productis, dorsali G ad 6*., pectoralibus 7 
ad 7£ in longitudine corporis; pinna dorsali radiosa acuta corpore multo 
altiore; pinna dorsali radiosa acuta corpore multo altiore; pinna adiposa 
anali plus duplo breviore, oblonga, rotundata, aeque alta fere ac basi 
longa; pinnis pectoralibus ]i circiter, ventralibus angulatis 2 in longitu- 
dine capitis; radio ventrali postico non tumefacto vel cartilagines; anali 
angulata, vix emarginata, longiore quam alta; caudali profunde excisa 
lobo superiore acutiusculo inferiore longiore 5-| ad 5|. in longitudine cor- 
poris; colore corpore superne plnmbeo , inferne argenteo, pinnis flaves- 
cente ; dorsali radiosa superne nigro marginata. 

B. 6. D. 1/7. P. 1/9. V. 1/5. A. C/16 vel 7/17. C. 15 et lat. brev. 

Synon. Arius a nez ironqué CV. Poiss. XV p. 48. m 



427 

Habit. Pamangkat, in fluviis. 
LoDgitudo 2 speciminum 121"' et 144'". 

Aanm. Mijne specimina laten zich geheel terugbrengen tot 
de korte beschrijving van Arins truncatus CV. , zoodat ik niet 
aarzel , ze te beschouwen als daartoe behoorende. De heer 
Valencibnnes geeft van deze soort op dat ze door Leschenault 
op Java zou verkregen zijn. Tot nog toe is mij echter van 
Java nog geen enkel specimen onder de oogen gekomen. 

Clarias melasoma Blkr. 

Clar. corpore elongato, antice subcylindrico postice compresso , altitudine 
B£ ad 7£ in ejus longitudine; capite depresso 4i ad 4.| in longitudine 
corporis; altitudine capitis 2£ ad 2, latitudine li. circiter in cjus longitu- 
dine; scuto capitis leviter granuloso; impressionibus frontali et occipitali 
distantibus , ovalibus , frontali occipitali majore; oculis diametro 12 cir- 
citer in longitudine capitis; cirris nasalibus et inframaxillaribus internis 
medias pinnas pectorales attingentibus, supramaxillaribus pinnas pectora- 
les superantibus, inframaxillaribus externis apicem pectoralium fere attin- 
gentibus; vitta dentium vomerinorum medio postice non producta; osse 
interparictali lato, postice obtuso; pinnis dorsali, caudali et anali non 
unitis, postice rotundatis, dorsali membrana tenui radiis conspicuis, radiis 
longissimis corpore minus duplo humilioribus; pinnis pectoralibus ventra- 
libusque rotundatis; pectoralibus ventralibus minus duplo longioribus et 
capite minus duplo brevioribus , spina crassa antice dentata capite plus 
duplo breviore; ventralibus analem attingentibus; caudali 7 ad 7% in lon- 
gitudine corporis; colore corpore pinnisque nigro. 

B. 9. D. GD vel 70. P. 1/9. V. 1/5. A. 57. C. 17 = D. A. C. 143. 

Synon. Ikan Leleh Palembangens. 

Ilabit. Prabukarta, Eornco austro-oricntalis , in finmine Kusan ; Palem- 
bang, Sumatrae austro-orientalis , in flumine Mussi. 

Longitudo 2 speciminum 170"' et 300'". 

Aanrn. Deze soort Ijeeft zeer groote verwantschap met Cla- 
rias mcladcrma Blkr. van Java. Wat mij noopt haar als eene 
eigene soort te beschouwen is, dat zij aanmerkelijk ranker 
is van ligchaam en minder hoog van rug, en dat hare verti- 
kale vinnen niet vleezig zijn. Clarias fuscus CV. van Sumatra 
zou slechts 48 aarsvinstralen hebben en 67 rugvinstralen. In- 



423 



dien de afbeelding van Macroptéronote brun Lacép. tot Clarias 
fuscus CV. betrekking heeft en eenigzins naauwkeurig is , dan 
wijkt Clarias fuscus CV. bovendien nog af, zoowel van Clarias 
melasoma als van Clarias meladerma^ door kortere voeldraden 
en veel spitsere interparietaalkam. 

GIJPRINOÏDEI. 

Systomus apogon CV. Poiss. XVI p. 299. 

Systom. corpore oblongo compresso, altitudine 3|. ad 3 in ejus longi- 
tudine, latitudine 2£ ad 3 in ejus altitudine: eapite acntiuscnlo 4f ad 5 
in longitudine corporis; altitudine capitis 1-| ad ]i, latitudine 2 eirciter 
in ejus longitudine; linea vostro-dorsali vertice coneava ; oculis diametro 
3 ad 3£ in longitudine capitis, 1* ad 1|- in capitis parte postoculari ; 
distantia interoculari 21. ad 3 in longitudine capitis; rostro acutiusculo 
antice leviter convexo, non ante os prominente, non truncato, junioribus 
oculo breviore, aetate provectioribus oculo non breviore; maxilla supe- 
riore inferiore paulo longiore, ante oculum desinente, yerticaliter deor- 
sum valde protractili ; maxilla inferiore non uncinata; ore antico labiis 
carnosis non lobatis ; dentibus pharyngealibus triseriatis , serie externa 5 
uncinatis; osse scapulari trigono obtuso; dorso elevato angulato ventre 
multo convexiore; linea laterali rectiuscula lineam rostro-caudalem non 
attingente; squamis parte libera longitudinaliter striatis , lateribus 35 p. 
m. in serie longitudinali, 13 p. m. in serie transversali; inguinibus squamis 
elongatis; pinnis dorsali et anali basi vagina squamosa bumili; dorsali 
post pinnas ventrales incipiente, acuta, emarginata, corpore multo hu- 
miliore, spina crassa postice dentata eapite breviore; pectoralibus et ven- 
tralibus acutis, subaequalibus, eapite brevioribus; pectoralibus ventrales 
attingentibus; ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, non vel 
vix emarginata, corpore plus duplo humiliore; caudali profunde incisa , 
lobis acutis 4 ad 4|. in longitudine corporis ; colore corpore superne viri- 
di inferne argenteo ; squamis lateribus plurimis basi macula verticali fusca 
vel nigra; pinnis membrana viridibus, radiis vulgo rubris; membrana 
pinna dorsali analique frequenter fusco arenata; cauda junioribus basi 
pinnae macula diffusa nigra. 

B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. J/16. V. 1/9. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. 
brev. 

Synon. Barbus apogon Kuhl. CV. Poiss. XVI p. 299. 
Ikan Lawak et Ikan Lalawak Mal. Batav. 



i29 



Habit. Prabukarta, Borneo austro-oricntalis in flumine Kusan \ Palem- 
bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi ; Batavia, 
in flumine Tjiliwong. 

Longitudo 2-i speciminum 85"' ad 198"'. 

Aanm. Het blijkt meer en meer, dat de stroomgebieden der 
groote Soenda- eilanden tamelijk rijk zijn aan soorten van Sys- 
tomus. Van Java ken ik er thans 2 , van Borneo 5 en van 
Sumatra 5. De Javasche zijn Systomus lawak Blkr. en Systo- 
mus apogon CV. ; de Borneosche Systomus apogon CV. , Sys- 
tomus melanopterus Blkr., Systomus microlepis Blkr., Systomus 
bulu Blkr. en Systomus truncatus Blkr.; de Sumatrasche Sys- 
tomus apogon CV., Systomus bako Blkr., Systomus melanopte- 
rus Blkr., Systomus bulu, Blkr. en Systomus truncatus Blkr. 
Alle deze soorten zijn afgebeeld in mijne nog niet afgedrukte 
verhandeling over de Cyprinoïden van den Indischen Archipel. 

Systomus melanopterus beschreef ik in eene vroegere bijdra- 
ge over de ichthyologie van Borneo onder den naam van 
Barbus melapterus, naar een jeugdig specimen. Sedert ontving 
ik grootere specimina van Borneo en Sumatra welke geen 
spoor van voeldraden bezitten, zoodat, wat ik bij het kleine 
specimen voor draadjes heb aangezien, stellig gescheurde lippen 
moeten geweest zijn, aan welke misvatting men bij kleine spe- 
cimina met teedere lippen ligtelijk bloot staat. Bij de andere 
individu's is het ligchaam betrekkelijk aanmerkelijk hooger dan 
bij de jongere. 

Barbus kusanensis Blkr. 

Bavb. corpore oblongo compvesso , altitudine 2\ circiter in ejus longi- 
tudine , latitudine 2* in ejus altitudine; capite acutiuscnlo non couvexo , 
4*. circiter in longitudine corporis ; altitudine capitis 1-jL, latitudine 1*. ïh 
ejus longitudine; oculis diametro S|. in longitudine capitis, diametro 1 a 
se invicem distantibus; rostro non convexo , acuto, oculo paulo breviore; 
maxilla superiore inferiore vix longiore, deorsum valde protractili, ante 
oculum desinente ; ore antico; cirris labialibus maxillaribus longioribus 
opercula attingentibus , maxillaribus oculi partem posteriorem attingenti- 
bus; dentibus pharyngealibus triseriatis, serie externa 5 subuncinatis ; 
osse scapulari trigono obtuso rotundato; linea frontali declivi rectiuscula; 



430 



dorso elevato carinato; linea dorsali angulnta, ventrali rotundata; linea 
laterali declivi leviter concava, lineam rostro-caudalem attingente, lineae 
ventrali magis quam lineae dorsali appreximata; squamis medio reticula- 
tis, peripberia subradiatim striatis, lateribus 23 p. m. in serie longitudinali. 
9 ad 10 in serie transversali ; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali 
acuta non emarginata, altitudine 1* in altitudine corporis , spina denticu- 
lata capite breviore, paulo post pinnas ventrales inserta; pinnis pectorali- 
bus ventralibusque acutis, pectoralibus ventralibus longioribus sed capite 
brevioribus, ventrales attingentibus; anali acuta non emarginata, corpore 
plus duplo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis, 4 et paulo in 
longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; pin- 
nis roseis , dorsali, anali caudalique leviter fusco marginatis. 

B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 2/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. 
brev. 

Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis , in flumine Kusan. 

Longitudo speciminis unici 70'". 

Aanm. Deze soort is na verwant aan Barbus bilitonensis 
Blkr. (Nat. Tijdschr. N. Ind. III p. 97) doch mist de violet- 
kleurige rugvlek, is iets hooger van ligchaam, heeft den rug- 
doorn achter de buikvinnen ingeplant en de borstvinnen tot 
aan de buikvinnen reikende. Zij moet ook zeer na verwant 
zijn aan Barbus roseipinnis CV. van Pondichery, maar deze 
soort zou den onderrand der staartvin zwartachtig hebben. 
Elders heb ik overigens reeds gezegd , dat de beschrijving van 
deze soort in het groote vischwerk te oppervlakkig is, om 
over de mogelijke identiteit met de bovengenoemde verwante 
soorten behoorlijk te oordeelen, eene identiteit, welke echter, 
het verschil van woonplaats in aanmerking genomen, niet waar- 
schijnlijk is. 



Rohita melanopleura Blkr. 



Rohit. corpore oblongo compresso , altitudine 3* ad 3*. in ejus longitu- 
dine, latitudine 2*. ad 2|. in ejus altitudine; capite obtuso 4.| ad 5* in 
longitudine corporis; altitudine capitis 11. ad Ij., latitudine 1| ad 1| in 
ejus longitudine; oculis diametro 3i ad 4 et paulo in longitudine capitis, 
1 et paulo ad 1£ in capitis parte postocularij distantia interoculari 2 fere 
ad 1£ in longitudine capitis; rostro non convexo, poris non conspicuis, 
vix ante os prominente, oculo longiore; maxilla superiore inferiore paulo 
longiore, longe ante oculum desinente; cirris labialibus maxillaribus vix 



481 



longioribus, oculum attingentibus, maxillaribus angulnm ovis superantibus; 
labiis valde carnosis papillis gracilibus eiliatis, papillis labio inferiorc lon- 
gioribus; dentibus pharijngealibus triseriatis vix curvatis , serie cxterna 5; 
osse scapulari tri gou o , obtuso; linea rostro-dorsali capite declivi rectius- 
cula; dorso elevato ventre convexiore; -linea latevali antiee declivi postice 
rectiuscula, lineam rostro-caudalera vix vel non attingente; squamis parte 
libera longitudinaliter striatis, latcribus 50 p. m. in serie loiigitudinali , 
20 p. ra. in serie transversali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali 
ante pinnas ventrales incipiente, acuta, paulo emarginata, corpore multo 
liumiliore, basi 3£ ad 3£ in longitudine corporis; pectoralibus ventralibus- 
que acutis, capite brevioribus; pectoralibus ventrales non attingentibus; 
ventralibus pectoralibus paulo longioribus, analera non attingentibus; anali 
acuta non vel vix emarginata, corpore multo bumiliore; caudali profuude 
incisa lobis acutis, superiore paulo longiore 4 ad 5 et paulo in longitu- 
dine corporis; colore corpore pinnisque viridi; lateribus post medias pin- 
nas pectorales maculis nigris reticulatis. 

B. 3. D. 4/17 vel 4/18. P. 1/16. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. 

Habit. Bandjermassing, Borneo austro-orientalis , et Palembang, Su- 
matrae austro-orientalis , in fluviis. 

Longitudo 3 speciminum 126'" ad 320'". 

Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren gladden, niet 
bollen en niet vooruitstekenden snuit, lange voeldraden, talrijke 
schubben , netsgewijze zwarte teekening der zijden achter het 
midden der borstvinnen enz. 

Leuciscus oxycjastroïde§ Blkr. , 

Leucisc. corpore oblongo compresso, altitudine 3* ad 4*. in ejus lon- 
gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5£ ad 6 in 
longitudine corporis; altitudine capitis li-, latitudine 2-J. circiter in ejus 
longitudine; oculis postero-inferis , diametro 2A ad 3 et paulo in longi- 
tudine capitis, 1 ad 1|- in capitis parte postoculari ; distantia interoculari 
3 ad 4 in longitudine capitis; rostro acuto, oculo breviore; maxilla su- 
periore inferiore breviore, parum protractili , ante oculum desinente; 
maxilla inferiore maxime adscendente sympbysi subuncinata ; dentibus 
pharyngealibus triseriatis, serie cxterna 5 uncinatis ; osse scapulari tri- 
gono, apice acutïusculc rotundato ; linea rostro-dorsali capite concava ; 
lincis dorsali et ventrali rotundatis, ventrali dorsali multo convexiore; 
ventre cultrato; linea laterali valde curvata, postice lineae ventrali multo 
magis quam lineae dorsali approximata, tota fere infra lineam rostro- 
caudalem sita; squamis maguitudine inaequalibus , non vel vix striatis. 

III. 33 



432 



lateribus 40 p. m. in serie longitudinali, 12 p. m. in serie transversali ; 
pinna dorsali radiis posticis radiis analibus anterioribus opposita, acuta, 
non emarginata, corpore multo humiliore; pectoralibus acutis, capite multo 
longioribus, ventralium basin superantibus ; ventralibus acutis pectoralibus 
plus duplo brevioribus, analem non attingentibus; anali acuta, emargi- 
nata, corpore plus duplo humiliore; caudali profunde incisa, lobis acutis, 
inferiore longiore 4£ ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superne 
viridescente inferne argenteo; pinnis flavescente-hyalinis marginem poste- 
riorem versus plus minusve fnscescentibus vel nigricantibus. 

B. 3. D. 2/7 vel 2/8. P. 2/12 ad 2/14. V. 1/6. A. 3/29 ad 3/32. C. 
19 et lat. brev. 

Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan; Palem- 
bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi; Batavia, 
in fluviis. 

Longitudo 9 speciminum 50"' ad 148'". 

Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Leuciscus oxygas- 
ter CV. van Java, doch onderscheidt er zich van door meer 
zamengedrongen ligchaam, minder talrijke schubben op eene 
overlangsche rei , verder achterwaarts reikende borstvinnen en 
door het gemis van de overlangsche violetachtige banden op 
de staartvinkwabben. 

CLUPEÓIDEL 

Spratella pseudopterus Blkr. 

Spratell. corpore elongato compresso, altitudine 5 in ejus longitudine, 
latitudine 2 circiter in ejus altitudine ; capite acutiusculo 5*. in longitudine 
corporis, longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longitudine 
capitis ; ore antico rictu parvo; rostro oculo breviore; maxilla superiore 
edeutula sub oculi parte anteriore desinentej maxilla inferiore symphysi 
tactu scabra, denticulis inconspicuis; dentibus palatinis vix conspicuis utro- 
que latere in vittam gracilem dispositis ; lingua medio tantum crista den- 
ticulis vix conspicuis scabra; lineis dorsali et ventrali regulariter rotun- 
datis, ventrali dorsali convexiore; linea laterali conspicua; squamis parte 
basali vulgo longitudinaliter , parte ltbera vulgo nee striatis nee fimbria- 
tis , lateribus 37 p. m. in serie longitudinali ; ventre cultrato scutis p. m. 
18 postice spinatis serrato ; pinna dorsali maxima parte in anteriore di- 
midio corporis sita, acuta, corpore minus duplo humiliore, non vel vix emargi- 
nata; pectoralibus acutis capite minus duplo brevioribus et ventralibus 
minus duplo longioribus; ventralibus ante pinnam dorsalem insertis; anali 
corpore duplo humiliore, radiis 2 posticis a cetera pinna remotis, pin- 



43B 



nam spuriam efficientibus; caudali profunde incisa lobis acutis 5 ad 5*. in 
longitudine corporis; colore corpore superne viridescente, inferne argen- 
teo; pinnis hyalino-viridescentibus. 

B. 6. D. 13 vel 14. P. 12 vel 13. V. 1/7. A. 14 4-2. C. 19 et lat. brev. 

Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo 2 speciminum 48"' et 51"'. 

Aanm. Deze soort is gekenmerkt door hare slanke gedaan- 
te, voorwaartsche plaatsing der buikvinnen en vooral door 
eene kleine tweestralige valsche aarsvin , welke zich achter de 
eigenlijke aarsvin bevindt. 

Enyraulis Pfeifferi Blkr. 

Engraul. corpore oblongo compresso , altitudine 4 *. circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 4 in ejus altitudine; capite subtrigono, acuto, 7 circi- 
ter in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali con- 
vexa; lineis dorsali angulata, ventrali rotundata; oculis totis velatis, dia- 
metro 6 circiter in longitudine capitis; rostro acuto, oculO vix breviore; 
maxilla inferiore ante superiorem prominente; maxilla superiore curvata, 
concavitate antrorsum spectante , postice rotundata, ante aperturam bran- 
cliialem desinente; dentibus maxillaribus , vomerinis et palatinis parvis, 
aequalibus, numerosis ; operculo margine posteriore valde obliquo, con- 
vexo, non emarginatp; squamis lateribus cycloïdeis, plurimis striis basi 
longitudinalibus, lateribus curvatis, parte libera reticulatis; squamis lateribus 
50 p. m. in serie longitudinali; linea laterali inconspicua; ventre cultrato 
^spinis 27 p. m. armato; pinna dorsali non squamosa, acuta (radiis par- 
tim abruptis), corpore minus duplo humiliorë, radio 1° radio anali 10° cir- 
citer opposifa, spina erecta valde conspicua; pinnis pectoralibus radio 1° 
in filum posterïorem pinnae analis partem attingentem producto, radio 2° 
capite breviore ; pinnis ventralibus acutis radio pectorali 2° minus duplo 
brevioribus; anali non squamosa, corpore plus duplo humiliorë, corpore 
vix plus duplo breviore; caudali profunde incisa, lobis (partim abruptis); 
colore corpore superne griseo-coeruleo inferne flavescente vel argenteo; 
dorso medio fusco arenato; pinnis flavescentibus. 

B. 18. D. 1 spin. + 3/14. P. 1/12. V. 1/6. A. 3/58. C. 19 et lat. brev. 

Habit. Pontianak, Borneo occidentalis , in flumine Kapuas. 

Longitudo speciminis unici 225'". 

Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Engraulis te- 
lara CV. doch verschilt daarvan nog aanmerkelijk. Zij behoort 
tot de groep van Engraulis, bij welke de borstvinnen draad- 



hU 



vormig verlengd zijn, de bovenkaak stomp is, niet tot aan de 
kieuwopening reikt en de rugvin achter het begin der zeer 
lange aarsvin is geplaatst. Zij is bij den eersten oogopslag her- 
kenbaar aan de lange onderkaak, die voor den snuit uitsteekt 
en aan het niet uitgesneden zijn van den achterrand des oper- 
kels. Van Engraulis telara CV. is de formule der stralen bo- 
vendien opgegeven als volgt: B. 14 vel 13. D. 13. P. 14. 
V. 7. A. 70, welke getallen aanmerkelijk van die van Engrau- 
lis Pfeifferi afwijken. Op de afbeelding van Engraulis telara 
CV. in de groote Histoire naturelle des Poissons zijn boven- 
dien slechts ongeveer 17 buikkieldoornen aangeduid, terwijl 
ik er bij Engraulis Pfeifferi 27 tel. 

De bovenbeschrevene koplengte doelt op de lengte van de 
punt des snuits tot aan het onderste gedeelte van den ach- 
terrand des operkels. De lengte van de punt des snuits tot 
aan den bovenhoek der kieuwopening gaat ongeveer 1 1 ^ inaal 
in de lengte des geheelen ligchaams. 

De heer Cantor beschreef in zijnen Catalogue of Malaijan 
Fishes bladz. 306 eene insgelijks aan Engraulis Pfeifferi ver- 
wante soort onder den naam van Engraulis brevicej)s, doch 
welke hooger is van ligchaam , grootere oogen en kortere 
borstvindraden heeft, slechts 16 kieuwvliesstralen bezit enz. 

Ik draag deze soort op aan mevrouw Ida Pfeiffer, welke 
haar te Pontianak heeft ontdekt en mij met welwillendheid 
afgestaan. 

Engraulis rhinorhynchos Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV 
Haring. V. p. 40. 

Engraul. corpore oblongo compresso , altitudine 4 ad 4£ in cjus lon- 
gitudine , latitudine 3*. ad 4£ in cjus altitudine; capite acuto 4£ ad 5 in 
longitudine corporis; altitudine capitis l£ in ejus longitudine ; oculis dia- 
metro 3 ad 3|. in longitudine capitis, totis velatis; rostro valde promi- 
nente, acuto, oculo vix breviore; maxilla superiorc ante inferiorem pro- 
minente, postice acuta, operturam branchialem attingente; dentibus 
maxillaribus , palatinls et vomerinis minimis, maxillaribus numerosissimis 
eunspicuis; squamis reticulatis , lateribus 35 p. m. in serie longitudinali ; 
axillis inguinibusque squamis elongatis; linea laterali inconspicua; ventre 



435 



spiuis serrato; pinna dorsali tota antepinnam analemsita, acuta, margiue 
superiore convexa, corpore humiliore; spiua dorsali valde conspicun; 
pinnis pectoralibus acutis, capite multo brevioribus; ventvalibus pectora- 
libus duplo circiter brevioribus; anali corpore duplo humliore, longitudine 
3| ad 4 in longitudine corporis; caudali profundc incisa lobis acutis 5 
eirciter in longitudine corporis ; colore corpore supcrne coerulescente , 
lateribus inferneque flavescente-argenteo ; macula lmmerali fusca ; pinnis 
flavescentibus, dorsali antice vulgo fuscescente. 

B. 11. D. 1 spin. + 3/10 vel 3/11. P. 1/11. V. 1/6. A. 3/31 vel 

3/32. C. 19 et lat. brev. 
Synon. Engraulis hammalensis Blkr. Ichth. Madur. p. 13, in Verh. Bat. 
Gen. XXII. 
Ikan Bulu hajam Mal. Batav. 
Ikan Tri Jav. et Madur. 
Habit. Sampit, Borneo australis, in mari. 

Batavia, Surabaja, Kammal, in mari. 
Longitudo 24 speciminum 70'" ad 110"'. 

Aarim. Deze soort is zeer kenbaar aan haren vooruitsteken- 
den snuit, rugdoorn, scherpe doch korte bovenkaak, kort 
ligchaam, onverlengde borst- en buikvinstralen enz. 

Engraulis tri Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. 
Vissch. p. 40. 

Engraul. corpore elongato compresso , altitudine 5 ad 5£ in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 ad 2± in ejus altitudine; capite acuto , convexo 5 
circiter in longitudine corporis 5 altitudine capitis ]A in ejus longitudine; 
oculis diametro 3 ad 3i in longitudine capitis, totis velatis ; rostro valde 
prominente, oculo brcviore, acuto, convexo; maxilla superiore ante in- 
fcriorem prominente, postice acuta, aperturam brancliialem attingente; 
dentibus maxillaribus, palatinis vomerinisque minimis, maxillaribus nu- 
merosissimis conspicuis; squamis maxima parte vel centro reticulatis, 
lateribus 30 p. m. in serie longitudinali ; axillis inguinibusque squamis 
elongatis; linea latcrali inconspicua; pinna dorsali ante pinnam analem 
incipiente, radiis posticis radiis analibus anterioribus oppositis , acuta, 
corpore humiliore; pectoralibus acutis capite multo brevioribus; ventrali- 
bus pectoralibus duplo brevioribus; anali corpore duplo humiliore, lon- 
gitudine 6 ad C§. in longitudine corporis ; colore corpore flavescente-hya- 
lino; fascia cephalo-caudali lata argentea; pinnis flavescentibus, caudali 
fere tota nigro marginata. 

B. 11. D. 1 spin. f 3/11 vel 3/12. P. 1/11 vel 1/12. V. 1/6. A. 3/17 
ad 3/19. C. 19 et lat. brev. 



486 

Synon. Ikan Tri Mal. Batav. 
Habit. Sampit, Batavia, in mari. 
Longitudo 20 speciminum 55 fir ' ad 120"'. 

Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Engraidis Brow- 
nii CV. Men onderkent haar echter voldoende aan den korten 
rugdoorn, die bij Engraulis Brownii CV. ontbreekt en aan 
de netsgewijze gestreepte schubben. Zij is ook wat platter 
dan Engraulis Brownii CV. en heeft den zilverglanzigen band 
der zijden veel breeder, terwijl de schubben tevens vaster op 
het ligchaam bevestigd zijn, zoodat men haar gewoonlijk met 
schubben bedekt aantreft, terwijl Engraulis Brownii gewoon- 
lijk de schubben verloren heeft. 

Coïlia macroynathos Blkr. 

Coïl. corpore elongato compresso, altitudiue 5i ad 5* in ejus longitu- 
dine, latitudine 2£ circiter in ejus altitudine ; cauda gracili; capite acuto, 
absque processu maxillari 6 circiter in longitudine corporis; rostro acuto, 
ante os prominente ; oculis diametro 5*- circiter in longitudine capitis 
absque processu maxillari ; maxilla supWiore postice maxime producta 
pinnas ventrales fere attiugcnte, denticulis majoribus et minoribus alter- 
nantibus, parte producta autem parte orali majoribus; maxilla inferiore 
denticulis parvis , symphysi tuberculata; dorso angulato; ventre ante pin- 
nas ventrales spinis 12 vel 13, post pinnas ventrales spinis 27 serrato; 
squamis cyclo'ides reticulatis , lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; 
pinna dorsali postice in 1* tertia corporis parte incipiente, acuta, corpore 
paulo humiliore, spina brevi ante radium l m ; pinnis pectoralibus filis li- 
beris initium pinnae analis multo superantibus , parte non producta capite 
non breviorej ventralibus dorsali oppositis, capite minus duplo breviori- 
bus; anali cum caudali unita, basi corpore ante eam paulo breviore ; 
caudali acuta 5A ad 7£ in longitudine corporis; colore corpore superne 
plumbeo inferne flavescente-argenteo ; pinnis dorsali, pectoralibus et ven- 
tralibus flavis, anali caudalique aurantiacis. 

B. 10. D. 1 spin. brcv. + 3/11 vel 3/12. P. fil. lib. 6 4- rad. 11 vel 
fil. lib. 5 + rad. 11. V. 1/6. A. 2/71 vel 2/60. C. 10. 

Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo 2 speciminum 205'" et 215'". 

Aanm. In de laatste jaren zijn meerdere soorten van Coïlia 
in de wetenschap bekend geworden. De boven beschrevene 



■437 



is het naaste verwant aan Coïlia Graiji Richards. door de sterke 
verlenging der bovenkaak , doch verschilt er van , door niet 
uitgesnedene staartvin, die onmerkbaar in de aarsvin overgaat, 
doordien er de aarsvin korter is dan het ligchaamsgedeelte 
voor haar gelegen enz. 

Coïlia borneënsis Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Har. V. 
p. 45. 

Coïl. corpore elongato compresso , altitudine 6 ad 5 fere in ejus longi- 
tudine , latitudine 1£ ad 2£ in ejus altitudine; cauda gracili; capite acuto 
5 f. circiter in longitudine corporis; rostro acuto, ante os prominente; 
oculis diametro 3.* ad 4 in longitudine capitisj maxilla superiore usque 
ad aperturam branchialem producta; dentibus maxillis parvis aequalibus, 
conspicuis; dorso angulato; ventre spinis praeventralibus 4, postventrali- 
bus 7 armato ; squamis cyclo'ideis, lateribus 50 ad 60 in serie longitudi- 
nali, dimidio libero reticulatis , dimidio basali longitudinaliter striatis; 
pinna dorsali postice in l a tertia corporis parte incipiente, acuta, corpore 
non vel vix humiliore, spina brevi ante radium l m ; pinnis pectoralibus 
filis liberis 2 m tertiam partem pinnae analis attiugentibus, radiis non pro- 
ductis capite plus duplo brevioribus; ventralibus angulatis capite minus 
duplo brevioribus; anali antice corpore triplo circiter humiliore, longitu- 
dine 1£ ad 2 fere in longitudine corporis; anali et caudali distinctis ; 
caudali acutiuscule rotundata inferne leviter vel vix emarginata, 8 ad 9 
in longitudine corporis; colore corpore pinnisque flavescente-hyalino; la- 
teribus immaculatis. 

B. 9. D. 1 spin. + 3/10 vel 3/11. P. fil. liber. 12 ad 14 + rad. 6 
ad 8. V. 1/6. A. 84 ad 87. C. 19. 

Habit. Bandjermassing, Pamangkat , in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo 9 speciminum 90"' ad 140"'. 

Aanm. Deze soort schijnt groote verwantschap te hebben 
met Coïlia Rexjnaldi CV. Poiss. XXI p. 59, doch laat er zich 
niet mede vereenigen, omdat, volgens den heerVALENCiENNES, Coïlia 
Reynaldi 110 aarsvinstralen heeft. De beschrijving van den 
heer Valenciennes is overigens te kort, om over mogelijk 
verder bestaande verschillen te oordeelen. Van Coïlia Dussu- 
mierii CV. is Coïlia borneënsis bij den eersten oogopslag te 
onderkennen door het gemis van de fraaije goudkleurige zij- 
Ylekken ; van Coïlia Hamiltoni CV. door minder langen staart 
en aanmerkelijk minder talrijke aarsvin- en buikYinstralen; 



488 



van Coïlia quadragesimalis CV. door een meer dan dubbel 
aantal aarsvinstralen, en van Coïlia Grayi CV. en Coïlia 
Playfairii CV. door het niet verlengd zijn der bovenkaak tot 
achter de kieuwopening. 

Ik ontving 4 specinrina dezer soort van den heer J. Wolff 
van Bandjermassing en 5 van den heer Dr. J. Einthoven van 
Pamangkat. 

SIJMBRANGHÓÏDEL 

Sijmbranchus immaculatus BI. J. Miill. Cant. 

Symbranch. corporc valde elongato, antice cylindrico postice compresso, 
altitudine 27 ad 28 in cjus longitudine; capite acuto 10A- ad 11.* in lon- 
gitudine corporis, triplo circiter longiore quam alto; linea rostro-frontali 
declivi eoncaviuscula rostro apice tantum convexa; oculis diametro 20 p. m. 
in longitudine capitis; naribus non tubulatis, interocularibus, oculis ap- 
proximatis ; rostro acuto, autice rotundato, 9 ad 10 in longitudine capi- 
tis; labiis carnosis; maxilla superiore inferiore paulo longiore ; rictu longe 
post oculos producto , 3 circiter in longitudine capitis; dentibus maxillis 
conicis subaequaiibus, inframaxillaribus supramaxillaribus majoribus, late- 
ralibus uniseriatis, anticis in thurmulas collocatis; dentibus vomero-pa- 
latinis conicis aequalibus , in arcum antice rotundatum dispositis, uuiseria- 
tis; radiis membrana brancbiostega 6 approximatis, basi osseis , apieem 
versus flexilibus subfiliformibus; cute laevi squamis inconspicuis; linea la- 
terali conspicua; pinnis bumilibus, dorsali paulo ante anum incipiente, 
caudali radiis aliquot conspicuis; ano postice in 4" quinta corporis parte 
sito ; colore corpore pinnisque viridi-nigricante. 

Synon. Synbranchus immaculatus BI. Ausl. Fisch IX p. 87 tab. 419 fig. 
1. BI. Sclm. Syst. posth. tab. 103 fig. 1. Shaw Gen. Zool. IV 
p. 3G. Cuv. Règn. anim. 
Ungefleckte Salskieme BI. Ausl. Fisch. tab. 419 fig. 1. 
Synbranche ixnmaculê BI. ibid. 
Spotless synbrank BI. ibid. 
Sijmbranchus immaculatus J. Müll. Myxinoïd. in Abb. Königl. 

Akad. Berl. 1S39 p. 245. Cant. Mal. Fish. p. 337. 
Oplii sternon bengalensis J. M. Apod. Fish. of Béng. in Calc. 
Joum. Nat. Iïist. V. p. 197 et 220, tab. 11 fig. 1, 2 fsecund. 
Cantor, an recte?) 
Tetrabranchus microphthalmus Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 69. 
Habit. Bandjermassing, Borneo-austro-orientalis, in fluviis. 

Calcutta, in flumine Hooghly. 
Longitudo 4 speciminum 240'" ad 332'". 






•439 



Aanm. De heer Dr. Cantor te Calculta had onlangs de goed- 
heid, mij 3 Calcuttasche exemplaren dezer soort toe te zenden. 
Ik ben daardoor in staat gesteld geworden, mijn specimen van 
Tetrabranchus microphthalmus van Borneo daarmede te verge- 
lijken en heb bij deze vergelijking geene soortelijke verschillen 
kunnen ontwaren. Deze identiteit was niet op te maken 
uit de vergelijking van mijn specimen met de afbeeldingen 
van Symbranchus immaculatus van Blocii , in welke de ge- 
daante der kieuwopening geheel verkeerd is afgebeeld en 
de kleuren onjuist zijn. Volgens de heer Cantor zou Ophister- 
non bengalensis MacClell. insgelijks identisch zijn met Symbran- 
chus immaculatus. Ik aarzel zeer, deze meening aan te nemen, 
vermits de habitus van den kop en van het tandenstelsel der 
afbeelding van den heer MacClelland geheel en al afwijkt van 
dien van Symbranchus immaculatus BI., zijnde de neusopenin- 
gen op die afbeeldingen boven de oogen geplaatst en de kaak- 
en ploegbeen-gehemeltetanden blijkbaar driereijig. 

In zijnen Catalogue of Malaijan Fishes heeft de heer Can- 
tor eene nieuwe soort van Symbranchus, 5. caligans , be- 
schreven en afgebeeld , welke in geslachtskenmerken volko- 
men aan Symbranchus immaculatus BI. beantwoordt, doch er 
soortelijk van verschilt, doordien de kop er slechts 8| tot 8 3 / 4 
maal gaat in de lengte des ligchaams, de kleur des ligchaams 
paarsachtig rood is enz. Symbranchus gutturalis Richards van Dam- 
pier's Archipel (Ichth. Voy. Freb. Terror p. 49 tab. 30 fig. 14), 
heeft eene leverbruine kleur, een betrekkelijk korter ligchaam, 
welks hoogte slechts 20 maal schijnt te gaan in de lengte enz. 

GYMNODONTES. 

Tetraödon naritus Richards. Voyag. of the Sa mar. 
Fish. p. 18, tab. 8 (piscis adultus), Carit. Ga- 
tal. Mal. Fish. p. 383 tab. 10 (jun). 

Tetraöd. corpore oblongo compresso , altitudine 4 circitcr in ejus longi- 
tudine, latitudine !■§. circiter in ejus altitudine ; capite obtuso 3*. ad 3|. in 
longitudine corporis ; linea rostFO-frontali convexa; oculis superis, diametro 



440 



4 ad 5 in longitudine capitis, diaraetris 2 f e re a se invicera distantibus ; 
loco nariura utroque latere depressione infandibuliformi margine membra- 
naceo elevato bipapillato; labiis valde carnosis; maxilla superiore ante 
inaxillam inferiorem prominente; capite postice, lateribus antice ventreque 
usque ad anum spinulis maxime conspicuis scabris ; capite antice, dorso , 
lateribus postice caudaque glabris ; linea laterali rostro incipiente , infra 
oculum decurrente, tum dorsum versus aclscendente et curvatura lata ad 
pinnam caudalem desinente ; cauda lineis lateralibus 2 accessoriis, supe- 
riore pinnae dorsali, inferiore pinnae anali approximata et ante anum 
caput versus adscendentc; pinnis dorsali et anali obtusis rotundatis, basi 
duplo vel plus duplo longioribus quam altis; caudali integra leviter con- 
vexa, 6 in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-viridi, 
inferne flavo; pinnis pulchre flavis. 

I). 4/32 vel 5/31. P. 2/15. A. 2/26 vel 3/25. C. 9 vel 1 1 et lat. brev. 

Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo speciminis unici 87'". 

Aanm. Van deze merkwaardige soort bestaan reeds twee 
goede afbeeldingen, die van de heeren Richardson en Cantor, 
boven aangehaald. Mijn specimen behoort tot een jong indi- 
vidu, dat nog ongeveer 40'" korter is dan het door den heer 
Cantor afgebeelde. Het mist volkomen de groote zwarte vlek- 
ken op de vertikale vinnen, welke op de afbeelding van den 
heer Cantor voorkomen. 

Tetraödon modestus Blkr. 

Het exemplaar, gediend hebbende tot het ontwerpen der 
diagnose, voorkomende in den eersten jaargang van dit tijd- 
schrift (bladz. 19) was slechts 60'" groot en in onvolkomen' 
toestand van bewaring. Later ontving ik nog verschillende 
specimina van 46'" tot 89'" lengte. Hierbij liet zich goed 
waarnemen , dat ter plaatse der neusgaten even zoo eene 
trechtervormige verdieping is met opstaande vliezige randen , 
als bij Tetraödon naritus Richards., aan welke Tetraödon mo- 
destus in vormen en vaderland het naaste verwant is. Bij de 
oudere specimina is de zijlijn zigtbaar en vind ik 2/14 borst- 
vinstralen. 

Tetraödon leiurus Blkr. (diagnosis emendata). 

Tetraöd. corpore oblongo depresso, latiore quam alto, altitudine 4 ad 



Ml 



4£ in ejus longitudine; capite obtuso 3 ad 3-1 in longitudine corporis; 
linea rostro-frontali declivi rectiuscula ; oculis subsuperis diametro 4 ad 5 
in longitudine capitis, diametris 2 ad 2|. a se invicem distantibus ; papilla 
nasali utroque latere 1 oblonga, apice bifida; maxilla superiore ante infe- 
riorem prominente ; vertice, operculis, dorso, lateribus ventreque totis 
spinulis armatisj rostro caudaque glabris; linea laterali conspicua, rostro 
incipiente, infra oculos decurrente, turn dorsum versus adscendente et cur- 
vatura ad basin pinnae caudaiis desinentej pinnis dorsali et anali obtusis 
rotundatis aeque altis fere ac latis ; caudali convexa 5 circiter in longitu- 
dine corporis; colore corpore fuscescente-viridi, inferne flavescente vel 
argenteo; corpore, ventre medio tantum excepto, maculis viridibus rot'undis 
obsito, maculis lateribus dilutioribus ; pinnis viridibus immaculatis , caudali 
postice violascente marginata. 

D. 3/11. P. 1/21 vel 1/22 vel 2/20. A. 2/9. C. 8 vel 10 et lat. brev. 

Synon. Ikan Buntak Mal. Batav. 

Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan; Batavia 
in fluviis; Solok, Sumatrae occidentalis, in fluviis. 

Longitudo 11 speciminum 60'"" ad 115"'. 

Aanm. Ik beschreef deze soort vroeger naar jaren lang in 
wijngeest bewaarde exemplaren, welke hunne vlekteekening 
volkomen verloren hadden en bij welke ik de zijlijn niet 
meer kon waarnemen. Bovenstaande beschrijving is genomen 
naar versche specimina- De soort is na verwant aan Tetraödon 
potamophilus Blkr. , doch deze laatste heeft de neustepels dub- 
bel aan elke zijde of althans de neustepels slechts aan de 
basis vereenigd, de oogen lager staande, het profiel boller, 
de staartvin met meerdere zwarte bauden geteekend enz, 

Pristis zijsron Blkr. : V I et4rr- Bat; G en . XXIV Plagiosk 
p, fifi (g^rrn)- 

Prist. corpore elongato depresso; capite 2| circiter, rostro 3^ circiter 
in longitudine totius corporis; rostro medio latitudine 9 ad 1 1 in ejus 
longitudine, postica sexta ejus parte glabro, dentibus gracilibus longis plus 
triplo longioribus quam latis, non sagittatis, basi membrana nulla unitis, 
verticaliter serra insertis, postice non sulcatis , utroque latere 20 ad 26, 
anticis minus dimidia eorum longitudine, posticis 4 vel 5 tota vel plus 
eorum longitudine, sed omnibus plus eorum latitudine a se invicem dis- 
tantibus, anticis dimidia latitudine serrae anterioris longioribus, mediis 
latitudine serrae mediae duplo vel plus duplo brevioribus; oculis rostri 
medii latitudine duplo brevioribus ; foramine temporali oculo non vel vix 



W2 



rainore, vix plus cjas longitudine ab oculo remoto; naribus plus earum 
longitudine ante rictum sitis, a margine rostri remotis, valvulis anteriore 
oblonga, posteriore elongata gracili; squamis toto corpore pinuisque con- 
spicuis ; pinnis dorsalibus altioribus quam basi longis, emarginatis, apici- 
bus acutiusculis rotundatïs; dorsali 1* minus dupla ejus longitudine (basi) 
a dorsali 2" reraota; dorsali 2 a dorsali 1* breviore sed non bumiliore; 
pinnis pectoralibus latioribus quam longis, non emarginatis, angulo ante- 
riore acutiusculo posteriore acuto; ventralibus pectoralibus brevioribus, 
vix emarginatis, latioribus quam longis, angulis anteriore obtusiusculo, 
posteriore acuto; caudali pectoralibus multo longiore, inferne post angu- 
lum emarginata, margine inferiore 2 in longitudine marginis superioris, 
li in longitudine marginis posterioris, angulo acutiuscule rotundato ; co- 
lore corpore superne viridi , inferne albescente. 

Habit. Bandjermassing, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 900"'. 

Aanm. De zaag van deze soort heb ik beschreven in mijne 
Bijdrage tot de kennis der Plagiostomen van den Indischen Ar- 
chipel, opgenomen in het 2iste deel der Verhandelingen van 
het Bataviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen. 
Sedert ontving ik eene zaag met den kop en huid van een 
specimen derzelfde soort. De zaag van dit specimen is aan- 
merkelijk korter en heeft slechts eene lengte, tot aan den ach- 
tersten tand, van 222'" en bezit bovendien aan elke zijde 6 
tanden minder. 



Scripsi Batavia Calendis Junü mdccclii. 



B IJ D R A G E 



TOT DE KENNIS DER 



ICHÏHYOLOGISCHE FAUNA 



EILAND BAN KA. 



DOOR 



l>r. P. BLEEKER. 



De eerste kennis der vischfauna van Banka heeft de welen- 
schap te danken aan eene kleine verzameling, welke de heer 
Dr. J. H. Croockewit mij met vriendschappelijke welwillend- 
heid heeft afgestaan. Ik berigtte daaromtrent in 1850 in den 
eersten jaargang van dit tijdschrift en maakte daar melding 
van 22 soorten, welke toen het geheel onzer kennis van de 
Bankasche vischfauna voorstelden. 

Na in verschillende artikels, insgelijks in dit tijdschrift op- 
genomen, te hebben kunnen bijdragen tot de vischfauna van 
Biliton, Biouw en Singapore, werd de wensen levendiger in 
mij , om ook de zee- en zoetwaterfauna van Banka naauwkeu- 
riger te leeren kennen. De heer ï), F. Schaap, resident van 
Banka, heeft de welwillendheid gehad, te voldoen aan mijn 
verzoek , om vischsoorten uit de zee en de zoele wateren van 
Banka voor mij te doen verzamelen , waarvoor ik dezen ver- 
dienstelijken hoofdambtenaar hier openlijk mijnen dank be- 



uu 



Gelijk vroeger van de geheele vischfauna van Banka niets be- 
kend was in de wetenschap , heerschte tot nog toe ook volstrekte 
duisternis over de fauna zijner zoete wateren. Ook hierom- 
trent kan ik thans eenige mededeelingen doen, en hoezeer het 
aantal mij van daar gewordene zoetwatervisschen slechts 12 
bedraagt, waarvan 11 reeds van andere plaatsen bekend zijn, 
behoort de twaalfde dezer species tot een geslacht, waarvan 
nog geen vertegenwoordigster in den Indischen Archipel ge- 
vonden was. Deze soort is eene nog onbekende van het 
geslacht Chaca, hetwelk tot dusverre slechts op het vasteland 
van Azië werd aangetroffen. 

In het geheel bevatten de verzamelingen van den heer Schaap 
100 soorten, waarvan slechts 5 zich bevonden onder de 22 
species van Banka van den heer Croockewit. Het geheel der 
mij thans van Banka's zoute en zoete wateren bekende vis- 
schen is daardoor gekomen tot de hieronder genoemde 117 
species. 

1. Apogon quadrifasciatus CV. Verh. 19. Platycephalus scaber CV. ibid. 

Bat. Gen. XXII Perc. Sclerop. 

2. » endekataenia Blkr. 20. » punctatus CV. Nat. 

3. » kalosoma Blkr. N. Ind. lp. 25. 

4. Ambassis nalua CV. Verh. Bat. 21. Scorpaena polyprion Blkr. Verh. 

Gen. XXII Perc. Bat. Gen. XXII Sclerop. 

5. » urotaenia Blkr. Nat. T. 22. Ptcroïs kodipungi Blkr. 

N. Tnd. III p. 23. Minous monodactylus CV. Verh. 

6. Serranus crapao CV. Verh. Bat. Bat. Gen. XXII Sclerop. 

Gen. XXII Perc. 24. Otolithus argenteus K. v. H. Verh. 

7. » nebulosus CV. ibid. Bat. Gen. XXIII Sciaen. 

8. Therapon theraps CV. ibid. 25. Corvina catalea CV. ibid. 

9. » puta CV. ibid. 26. Pristiporaa caripa CV. ibid. 

10. Mtsopron phaiotaenia Blkr. ibid. 27. Scolopsides monogramma K. v. H. 

11. » annularis CV. ibid. ib'.d. 

12. » Russellii Blkr. ibid. 28. » leucotaenia Blkr. 

13. Sphyraena jello CV. ibid. 29. Diagramma crassispinum Rüpp. 

14. Sillago acuta CV. ibid. Verh. B. G. XXIII Sciaen. 

15. Polynemus tetradactylus CV. ibid. 30. » punctatum Ehr. ib. 

16. Upeneoïdes vittatus Blkr. ibid. 31. Dentex tolu CV. ibid. Spar. 

17. » bivittatus Blkr. ibid. 32. Lethrinus opercularis CV. ibid. 

18. » variegatus Blkr. ibid. 33. Gerres poetie CV. ibid. Maen. 



Uö 



34. Gerres abbreviatus Blkr. ibid. 67. Gobius kokius CV. Verh. B. Gen. 

35. *Betta anabatoïdes Blkr. Nat. T. XXII Gobioïd. 

N. Ind. I p. 269. 68. » caninus CV. ibid. 

36. * » trifasciata Blkr. ibid. I. p. 107. 69. » criniger CV. 

37. * Ophicephalus lucius K. v. H. V. 70. Callionymus sagitta Pall. Nat. T. 

B. G. XXIII V. Doolh. K. N. Ind. I p. 31. 

38. * » marginatus CV. ibid. 71. » Schaapii Blkr. 

39. * » striatus BI. ibid. 72. * Nandus nebulosus Blkr. Nat. T. 

40. Platax Blochii CV. ibid. N. Ind. III p. 92. 

41. Chaetodon oligacanthus Blkr. ib. 73. * Catopra fasciata Blkr. ibid. II p. 

Chaetod. 65. 

42. Chelmon rostratus CV. ibid» 74. Amphiprion bifasciatus BI. Schn. 

43. Scatophagus argus CV. ibid. ibid. III p. 282. 

44. Drepane longimana CV. ibid. 75. Glyphisodon bengalensisCV. Verh. 

45. Holacanthus semicirculatus CV. Bat. Gen. XXI Gladsch. Labr. 

46. Scomber kanagurta CV. Verh. 76. * Bagrus nemurus CV. Verh. Bat. 

B. Gen. XXIV Makr. Gen. XXI Silur. 

47. Cybium Croockewitii Blkr. N. T. 77. » sondaicus CV. ibid. 

N. Ind. I p. 161. 78. Arius tonggol Blkr. ibid. 

48. » konara Blkr. Verh. Bat. 79. » macruropterygius ibid. 

Gen. XXIV Makr. 80. Plotosus lineatus CV. ibid. 

49. » guttatum CV. ibid. 81. » unicolor CV. ibid. 

50. Chorinemus Comraersonianus CV. 82. * Chaca bankanensis Blkr. 

ibid. 83. * Barbus lateristriga CV. N. Tijds. 

51. » tol. CV. ibid. N. Ind. III p. 95. 

52. Trachinotus mookalee CV. ibid. 84. * » binotatus K. CV. 

53. Trichiurus savala CV. ibid. 85. *Leuciscus cephalotaenia Blkr. Nat. 

54. Elacate mottah CV. ibid. T. N. Ind. III p. 97. 

55. Megalaspis Rottleri Blkr. ib. 86. Belone caudimacula Cuv. Verh. B. 

56. Selar raalam Blkr. ibid. Gen. XXIV Snoek. 

57. Carangoïdes citula Blkr. ibid. 87. Hemiramphus Gaimardi CV. ibid. 

58. Gnathanodon speciosus Blkr. ibid. 88. » Dussumierii CV. ibid. 

59. Stromateoïdes atoukoia Blkr. ibid. 89. Chirocentrus dorab CV. ib. Chiroc. 

60. Equula gomorah CV. ibid. 90. Albula bananus CV. ibid. 

61. » lineolata CV. ibid. 91. Iiarengula dispilonotus Blkr. 

62. Amphacanthus Kopsii Blkr. Nat. 92. Pellona Grayana CV. Verh. Bat. 

Tijdschr. N. Ind. II p. 483. Gen. XXIV Har. 

63. Mugil cunuesius CV. 93. Rogenia argyrotaenia Blkr. ibid. 

64. » parsia IIB. CV.? Nat. T.N. 94. Alausa kanagurta Blkr. ib:d. 

Ind. lip. 166. 95. » ctenolepis Blkr. ibid. 

65. » melanochir K. v. H. 96. Engraulis rhinorhijnchos Blkr. ib. 

66. Atherina duodecimalis CV.? Nat. N. T. N. Ind. III p. 

Tijdschr. N. Ind. II p. 485. 97. » Grayi Blkr. ibid. 



U6 



98. Engraulis Brownii CV. ibid. 103. Achirus pavoninus Lacep. ibid. 

99. » tri Blkr. ibid. III p. 435. 109. Plagusia bilineata K. v. II. ibid. 

100. » setirostris CV Verh. 110. » javanica K. v. H. ibid. 

B. Gen. XXIV. Har. N. T. N. Ind. I p. 414. 

101. Chatoessus chacunda CV. ibid. 111. Tetraödon oblongus BI. Verh. 

102. » selangkat Blkr. ibid. B. G. XXIV. Blootk. V. 

103. Saurus ophiodon Cuv. ib. Chiroc. 112. » lunaris Cuv. ibid. 

104. » tracbiaus T. Schl. Nat. T. 113. Triacanthus Nieuhofii ibid. Bal. 

N. Ind. III p. 114. Carcharias (Prionodon) menisor- 

105. Saurida tombil CV. Verh. Bat. rah Val. ib. Plag. 

Gen. XXIV Chiroc. 115. » (Scoliodon) acutus 

106. Rhombus lentiginosus Richards. Rüpp. MH. ibid. 

ibid. Pleur. 116. Trygon zugei Burg. ibid. 

107. Hippoglossus erumei Cuv. ibid. 

Van deze soorten zijn nieuw voor de wetenschap Apogon 
endekataenia , Apogon kalosoma, Scolopsides leucotaenia, Calli- 
onymus Schaapü, Chaca bankanensis en Harengula dispilono- 
tus. Meerdere andere soorten zijn voor het eerst door mij 
beschreven, doch reeds in vroegere verhandelingen bekend ge- 
maakt als bij of op andere eilanden van den Indischen Archi- 
pel voorkomende. 

De soorten met een * gemerkt behooren tot de zoetwater- 
fauna van Banka, doch de juiste plaats van voorkomen kan 
ik niet opgeven, evenmin als die van een groot gedeelte der 
zoutwatersoorten, welke gedeeltelijk bij Muntok, bij Tandjong 
biat, gedeeltelijk in de Klabat-baai en elders op Banka zijn gevan- 
gen, en gedeeltelijk zelfs afkomstig zijn van de Lepar -eilanden. 

De soorten afkomstig van Tandjong Mal, in de nabijheid 
van Muntok, zijn Apogon quadrifasciatus CV., Mesoprion Rus- 
sellii Blkr., Mesoprion phaiotaenia Blkr., Upeneoïdes variega- 
tus Blkr., Minous monodactylus CV., Diagramma crassispinurn 
llüpp., Lethrinus opercularis CV., Holacanthus semicirculatus 
CV., Platax Blochii CV., Scomber kanagurta CV., Chorinemus 
Commersonianus CV., Chorinemus tol CV., Trachinotus moo- 
kalee CV. , Elacate moltah CV., Megalaspis Rottleri Blkr., 
Carangoïdes citula Blkr., Glyphisodon bengalensis CV., Chiro- 
centrus dorab CV., Saurus ophiodon Cuv., Achirus pavoninus 
Lacép. en Carcharias (Scoliodon) acutus Rüpp. MH. 



447 



Ik moet hier nog gewag maken van eene soort van Silu- 
rus en Clarias , welke zich in de verzamelingen van den heer 
Schaap bevonden, doch welker minder goede toestand van bewa- 
ring geene naauwkeurige beschrijving toeliet. De soort van Silurus 
heeft groote verwantschap met Silurus phaiosoma Blkr., doch 
langere en eenkleurige voeldraden , zoodat zij waarschijnlijk 
eene eigene species is. De Clarias van Banka heeft veel 
van Clarias melasoma Blkr., doch het eenige door mij ge- 
ziene specimen was, wat huid en spieren betreft, grooten- 
deels vergaan, zoodat geene juiste bepaling mogelijk was. 






34 



DESCRIPTIONES SPECIERÜM DIAGNOSTICAE. 



PERCOIDEI 

Apocjon kalosoma Blkr. 

Appg. corporc oblorgo comprcsso, altitudine 3». circiter in ejus longi- 
tudine , latitudine 2 in ejus altitudine; capite 3£ circiter in longitudine 
corporis, longiorc quam alto; linea rostro-frontali dcclivi rectiuscula; ocu- 
lis diametro 3 circiter in longitudine capitis; maxilla inferiore maxilla 
superiore vix breviore; praeoperculo rotundato, margine posteriore leviter 
denticulato; linea lajterali vix arborescente ; squamis lateribus 36 p. ra. in 
serie longitndinali , 15 p. m. in serie transversali ; dorso elevato ; pinna 
dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore, spina 3" spïnis ccteris longiore 
et crassiore; dorsali radiosa obtusa corpore humiliore; pectoralibus obtu- 
sis ventralibus acutis vix longioribus, 5 circiter in longitudine corporis; 
anali obtusa dorsali radiosa paulo humiliore; caudali emarginata, lobis 
acutiuscule rotundatis 41. circiter in longitudine corporis; colore corpore 
aureo-flavo , fasciis ocuio-caudalibus 2 fuscis, superiore curvata in parte 
superiore squamarum lineae lateralis, inferiore recta cauda cum fascia 
superiore unita; dorso lateribusque utroque latere insuper vittulis serpen- 
tinis longitudinalibus fuscis p. m. 14; cauda ad basin pinnae caudalis 
macula magna rotunda nigra ; pinnis pulchre rubris, dorsali radiosa ana- 
lique basi vitta nigra, dorsali spinosa antice nigricante , ceteris margini- 
bus violascentibus. 

B. 7. D. 7—1/9 vel 1/10. P. 2/13. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 et 
lat. brev. 

Habit. Banka vel Insul. Lepar, in mari. 

Longitudo speciminis unici 69'". 

Aanm. Deze fraaije soort is zeer kenbaar aan hare kleur- 
teekening. De goudkleurige grond is zeer fraai geteekend met 



449 



de 2 breedere en de talrijke smallere bandjes, welke laatsten 
slangsgewijs van den kop naar den staart loopen. De twee 
breedere banden laten een driehoekig veld tusschen zich, waar- 
in zich insgelijks 2 smallere slangsgewijze bandjes bevinden. 

Apogon endekataenia Blkr. 

Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 3.| circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine ; capite 3*. circiter in lougi- 
tudine corporis, longiore quam allo; oculis diametro 3 circiter in longi- 
tudine capitis; linea rostro-frontali convexiuscula; tnaxilla superiore infe- 
riore longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore et inferiore 
denticulato; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in 
serie transversali ; linea laterali subarborescente ; dorso humili; pinna dor- 
sali spinosa radiosa humiliore, spina 3„ spinis ceteris longiore; dorsali radiosa 
et anali acutiusculis, dorsali anali altiore et corpore paulo humiliore; pec- 
toralibus obtusis ventralibus acutis longioribus , 5 et paulo in longitudine 
corporis; caudali emarginata, lobis acutiuscule rotundatis 4 et paulo in 
longitudine corporis; colore corpore aureo-flavo ; vittis longitudinalibus 11 
nigricantibus; vitta superiore medio dorso; utroque latere vittis 5, superi- 
ore supraoculo-caudali, 2 B et 3» rostro-oculo-caudalibus , 4* maxillo-cau- 
dali, inferiore gastro-anali ; cauda basi pinnae caudalis macula magna 
rotunda nigra; pinnis rubris, dorsali radiosa analique basi vitta nigricante. 

B. 7. D. 7-1/9 vel 1/10. P. 2/13 vel 2/14. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. 
C. 17 et lat. brev. 

Habit. Banka, vel Insul. Lepar, in mari. 

Longitudo speciminis unici 57"'. 

Aanm. Het zou niet onmogelijk zijn, dat boven beschreven 
soort dezelfde is als Apogon taemalus Ehr. Ik zie deze laatste 
species slechts kortelijk vermeld in de groote Histoire naturelle des 
Poissons, doch die korte beschrijving duidt op verschillen, welke, 
zoo zij bestaan, geene vereeniging daarmede van de boven beschre- 
vene toelaten. Deze verschillen laten zich afleiden uit volgende 
opgaven omtrent Apogon laeniatus t w.: D. 7 — 1/8. P. 19; 
ronde zwarte vlek op de schouders ; doornachtige rugvin van 
voren zwart; buikvinnen zwart. Op grond daarvan breng ik 
de boven beschrevene species voorloopig als eene eigene op. 

De soorten van Apogon schijnen in den Indischcn Archipel 



UÖ 



bijzonder talrijk te zijn. Apogon endekataenia is de 18de soort, 
welke ik thans reeds van deze gewesten bezit. Bovendien zijn 
nog 4 andere species door andere ichthyologen beschreven, zoo- 
dat mij thans 22 soorten van de Soenda-Moluksche wateren 
bekend zijn. 

SGLEROPAREL 



F ter o is kodipungi Blkr. 



Pter. corpove oblongo compresso, altitudine 4*. ad 4£ in ejus longitudine, 
latitudine 1-*- ad ]§. in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitudine 
corporis; oculis diametro 3A ad 4 in longitudine capitis, minus diametro 
1 a se invicem distanti bus 9 vertice, temporibus, orbita rostroque spinis 
vel spinulis arm at is ; cirris vel iïmbriis cutaneis supraorbitalibus , rostrali- 
btis et peaeopereularibus oculo brevioribus vel vix longioribus; ossibus 
suborbitalibus crista spinosa, diametro oeuli 4 circiter ab oculo remota;praeo- 
percnlo rotundato spinis 3 vel 4; operculo spina unica plana; squamis late- 
ribus 70 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa corpore altiore, 
spinis mediis spinis ceteris longioribus, membrana basi tantum unitis; dorsali 
i-adiosa rotundata corpore non vel vix humiliore; pectoralibus adultis pinnant 
eaudalein attingentibus, junioribus caudalem superantibus; ventralibus anum, 
aiiali basin pinnae caudalis superantibus,- candali obtusa rotundata, 3£ 
circiter in longitudine corporis; capite corporeque rufis , fasciis numerosis 
transversis fuscescentibus; pinnis verticalibus rubris , candali, dorsali et 
anali radiosis immaculatis; pectoralibus membrana violacea vel nigricn;ite 
radiis dilutioribus vulgo nigricante punctatis; ventralibus fuscescente-vio- 
laceis guttis pulcherrime fiavis ; humero macula fusca. 

B. 7, D. 12/1/12. P. 13. V. 1/5. A. 3/8. C. 14 et spin. lat. brev. 6. 

Synon. Kodipungi Russ. Corom. Fisli. II p. 25 iig. 133. 
Ikan Krapo matjcui Mal. Batav. 

Habit. Banka, Batavia, Padang , in man'. 

Longitudo 11 speciminum 100'" ad 230'". 

Aanin. Deze soort heeft groote verwantschap met Pteroïs 
volitans CV. , Pterois antennata CV. en Pteroïs lunulata T. Schl. 
Van de beide eerstgenoemden laat zij zich reeds bij den eer- 
sten oogopslag herkennen, door het volkomen ongevlekt zijn 
der vertikale straalachtige vinnen, en van de laatstgenoemde 



Am 



door anders geteekende borst- en huikvinnen en langere oog- 
kasdraden. Ik houd haar voor dezelfde als de Kodipungi van 
Russkll, van welke een ouder exemplaar, waarbij de borst- 
vinnen naauwelijks tot aan de staartvin reiken , in het aange- 
haalde werk van Russell is afgebeeld. Deze soort is vroeger 
ten onregte door mij onder de synonijmen van Ptero'ïs volitans 
CV. opgenomen. Bij mijne kleinste exemplaren reiken de borst- 
vinnen fot ver achter de staartvin, doch de borstvmnen wor- 
den met toenemenden leeftijd korter en bij mijn grootste spe- 
cimen strekken zij zich niot verder uit dan tot nabij het begin 
der staartvin. 

SGIAENOÏDE1. 



Scolopsides leucotaenia Blkr. 

Scolopsid. corpore oblongo compresso, altitudine 3*. circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; eapite acuto, 4 cir- 
citer in longitudine corporis, longiove quam alto; linea rostro-dorsali 
fronte convexa; fronte inter oculos sqnamosa; oculis diametro 2.| in lon- 
gitudine corporis; osse suborbitali sub oculo oculo plus duplo humiliore, 
postice spina unica brevi, infra spinam edentulo; osse supramaxillari gla- 
bro; rostro oculo breviore; labiis carnosis; praeoperculo obtusangulo, 
margine posteriore leviter emarginato dentibus valde conspicuis; squamis 
lateribus ciliatis, 36 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinis me- 
diocribus, 3' et 4" spinis ceteris longioribus corpore minus triplo humiliori- 
bus, parte radiosa parte spinosa paulo altiore rotundata; pinnis pectoralibus 
obtusis 5, ventralibus radio 1° producto 4 et paulo, caudali emarginata 
angulis acuta 5 circiter in longitudine corporis ; anali spina media spina 
1" et 3* multo longiore et crassiore , parte radiosa spina 2' humiliore ro- 
tundata; colore corpore superne olivaceo-llavo inferno flavescente; fasciis 
cephalo-caudalibus 3, superiore fusca supra oculuni incipiente et ad finem 
pinnae dorsalis desincnte, media nitida margaritacea, inferiore fusca rostro 
incipiente et ad mediam basin pinnae caudalis desinente; pinnis flaves- 
centibus, dorsali spinosa dilute violascente. 

B. 5. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/17. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. C. 17 et 
lat. brev. 

Habit. Banka vel Insul. Lepar , in mari. 

Longitudo speciminis unici 65'". 



h^ 



Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren overlangschen 
parelkleurigen band, die tusschen twee bruine banden verloopt, 
alsmede aan hare ongetande onderoogkuilsbeenderen , welke 
slechts den gewonen doorn bezitten, enz. 

CH&ETODONTOÏDEI. 

Holacanthus semicirculatus CV. Poiss. VII p. 148 tab. 
188. 

Holac. corpore disciformi ovali, diametro dorso-vcntrali 2 circiter in 
longitudine corporis; capite obtuso 3* circiter in longitudine corporis, 
altiore quam lor.go; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; linea rostro- 
dorsali linea rostro-ventrali vix breviore; osse suborbitali oculo humiliore 
dentibns inconspicuis ; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis ; 
spina praeoperculari oculo multo breviore, apertura m branchialem vix vel 
non superante; squamis lateribus 70 p. m. in serie longitudinali; pinnis 
dorsali et ïmali rotundatis , dorsali spinis posticis ccteris longioribus ; pec- 
toralibus rotundatis 4* circiter, ventralibus acutis radio 1° producto 3». 
circiter, caudali obtusa rotundata 5 circitei' in longitudine corporis; colore 
corpore pinnisque pulchre coeruleo, vittis transversis curvatis (curvatura 
antrorsum spectante) albis et dilute coerulcis alternantibus p. m. 19, vit- 
tis albis vittis coeruleis latioribus. 

B. 6. D. 13/23. P. 2/15. V. 1/5. A. 3/21. C. 17 et lat. brev. 

Synon. lïolacanihe a demi cercles CV. Poiss. VII p. 143. tab. 183. 
Mami Indig. Waigiens. 

Habit. Tandjong Biat , prope Muntok, in mari. 

Longitudo speciminis unici 47'". 

Aanm. Mijn specimen is een zeer jeugdig individu, hetwelk 
nog niet de halve grootte heeft van de afbeelding dezer soort 
in het groote vischwerk. De getallen der rugvinstralen, in dit 
werk opgegeven, zijn 14/21 en wijken alzoo eenigzins van 
die bij mijn specimen af. Ook zijn bij mijn specimen de witte 
en ligt blaauwe banden veel minder gebogen dan op de aan- 
gehaalde afbeelding, wat waarschijnlijk aan den jeugdigen 
leeftijd is toe te schrijven. 

De soort was reeds bekend van Timor, Waigioe, Boeroe en 
Nieuw Ierland. 



GOBIOÏDEL 
Gobius criniger CV. Poiss. XII p. 62. 

Gob. corpore elongato compresso, altitudine 6 in cjus longitudine, Ia- 
titudine 1£ ad 1£ in ejus altitudine ; capite obtuso , convexo, A\ in lon- 
gitndine corporis; latitudine capjtis 1.*, altitudine 1-4 circiter in ejns lon- 
gitudine; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis, minus diametro 
i approximatis, in anteriore dimidio capitis sitis ; maxillis aequalibus, 
dentibus pluriseriatis parvis, serie externa 10 ad 14 paulo majoribus, 
caninis nullis j rictu obliquo, ante oculum vel sub oculi raargine anteriore 
desinente; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; nucha et 
vertice alepidotis; appendice anali conica j pinnis dorsalibus corpore hu- 
milioribus, altitudine subaequalibus, dorsali l a spinis 2* et 3 a tantum in 
fila brevia productis; dorsali 2 a postice angulata; pectoralibus rotundatis 
5 et paulo, ventralibus 6 circiter in longitudine corp-oris; anali dorsali 
radiosa humiliore postice angulata; caudali obtusa rotundata 5|. circiter 
in longitudine corporis ,- colore corpore viridi inferne margaritaceo ; dorso 
lateribusque fuscescente-viridi variegatis, lateribus maculis majoribus fus- 
cescente-viridibus 3 , l a post pinnas pectorales , 2" sub pinna dorsali radi- 
osa, 3 a ad basin pinnae caudalisj pinnis fiavescentibus, dorsalibus et 
caudali fusco maculatis, anali fusco marginata. 

B. 4. D. 6-1/8 vel 1/9. P. 18. V. 1/5. A. 1/9 vel 1/10. C. 12 vel 
13 et lat. brev. 

»Synon. Gobie porte-crin CV. Poiss. XII p. 62. 
Habit. Banka, in mari. 
Longitudo speciminis unici 76"'. 

Aanm. Mijn specimen beantwoordt zeer goed aan de be- 
schrijving van Gobius criniger CV. op eenige verhoudingen in 
de afmetingen na; het heeft ook de tanden der buitenste rei 
aanmerkelijk grooter dan die der binnenste reijen en mist de 
dwarsche bruine wang- en operkelvlekken. De soort is zeer 
kenbaar aan hare onbeschubte kruin en nek. 



454 

MUGILOÏDEI. 

Muyil cunnesius CV. Poiss. XI p. 84. 

Mug. corpore subelongato compresso , altitudine 4| ad 5 in ejus longi- 
tudine; capite obtuso eonvexo , 5 ad 5£ in longitudine corporis; altitudine 
capitis. 1*. circiter, latitudine 1-| circiter in ejus longitudine ; oculis dia- 
metro 3*. ad 31. in longitudine capitis, 1|. ad 1* in capitis parte posto- 
culari, diametro 1£ ad 1§. a se invicem distantibus; iride postice mem- 
brana palpebrali tccta; linea rostro-dorsali vertice convexiuscnla ; rostro 
valde eonvexo' oculo breviore; naribus anterioribus rotundis, posterioribus 
subrimaeformibus majoribus; osse suborbitali mediocriter emarginato den- 
ticulis bene conspicuis ; osse maxillari superiore ore clauso non conspi- 
cuo; labio superiore carnoso non papillato; denticulis maxiliaribus non 
conspicuis; maxilla superiore deorsum valde protractili ; tuberculo infra- 
maxillari subquadrato; dentibus palatinis in thurmas 2 oblongo-trigonas 
dispositis; lingua peripheria thurmis denticulorum parvis scabra ; im- 
pressione pracvomerina superficiali irregulari; praeoperculo angulato an- 
gulo rotundato , margine pusteriorc obliquo vix emarginato; squamis 35 p. 
m. in serie longitudinali, parte basali striis 5 vel 6; squamis axillaribus 
longis ; pinnis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se 
invicem distantibus, altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus , 
spinosa spinis gracilibus , 1" et 2 a subaequalibus, radiosa acuta emargina- 
ta; pinnis pectoralibus longitudine caput subaequantibus ; ventralibus an- 
gulatis pectoralibus multo brevioribus; anali acuta emarginata, altitudine 
dorsalem radiosam subaequante, spina 3 a radio 1° minus duplo breviore; 
caudali extensa truncata 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore 
superne viridi inferne argenteo ; pinnis hyalinis, viridescentibus vel flaves- 
centibus; caudali postice nigro marginata. 

K. 6. D. 4-1/8 vel 4-1/9. P. 2/14. V. J/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 

et lat. brev. 
Synon. Kunnesee Russ. Corom. Eish. II p. 65 tab. 181. 

Muge Kunnesee CV. Poiss. XI p. 84. 

Ikan Belanahh Mal. Batav. 

Jkan Kaddah Iudig. Tegal. Pekalong. 

Ikan Greh Indig. Surabaj. 

Ikan Kodok Indig. Pasur. 
Habit. Muntok , Bankae insulae , in mari. 

Batavia, Tegal, Pekalongan, Samarang, Surabaja, Bezuki , 

Pasuruan, Javae insulae, in mari et piscinis. 
Karamal, Madurae insulae, in mari. 






455 

Padang, Sumatrae occidcntalis, in mari. 
Longitudo 12 speciminum 140'" ad 188'". 






GALLIONIJMOIDEI. 

Callionijmus Schaapii Blkr. 

Callion. corpore clongato depresso, altitudine 1 5 circiter, latitudine maxi- 
ma 6 in ejus longitudine ; capite acuto, depresso, 5 circiter in longitu- 
dine corporis, vix longiore quam lato; oculis fere contiguis, diametro 3i 
circiter in longitudine capitis; orbitis glabris; rostro acuto ; operculo ob~ 
tuso ; processu praeoperculari curvato operculi limbura posteriorem non 
attingente , basi externe dcnte unico, postice dentibus 6 magnis cur- 
vatis armato; foramine branchiali nucnalij appendice anali lönga gracili; 
pin na dorsali l" radiis valde elongatis, longissimis corpore vix duplo 
brevioribus; dorsali 2 a corpore duplo fere altiore radiis posticis anticis 
multo longioribus; pectoralibus et ventralibus capite paulo brevioribus ; 
caudali integra 3 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne 
olivaceo fusco variegato, inferne albo ; pinnis viridi-violascentibus, dorsali 
radiosa radiis omnibus, pectoralibus radiis anticis et anali postice basi 
fusco vel nigricante puuctatis; ventralibus analique nigro mafginatis. 

B. 6. D. 4-10 vel 11. P. 1/17. V. 1/5. A. 10 vel 11. C. 10 et lat. brev. 

Habit. Banka, in mari. 

Longitudo speciminis unici 95'". 

Aanm. Deze soort is verwant aan Caliongmus filamentosus 
CV. doch er voldoende van onderscheiden. Ik noem haar ter 
eere van den heer D. F. Schaap, resident van Banka, aan 
wiens wetenschappelijke bereidvaardigheid hare kennis te dan- 
ken is. Het bovenbeschreven specimen is een mannetje, zijnde 
het wijfje mij nog onbekend. 



SILUROIDEI. 

Chaca bankanensis Blkr. 

Chac. corpore antice maxime depresso, postice valde compresso, altitu- 
dine 10, latitudine maxima 4 fere in ejus longitudine; o.ipite maxime 
depresso, 3 circiter in longitudine corporis; latitudine capitis I.J., altitu- 



456 



dine 4 circiter in ejus longitudine; oculis minimis; rostro obtuso antice 
(osse vomere) processubus 2 osseis divergentibus; maxilla inferiore pro- 
minente, obtusa, rotundataj dentibus maxillis pluriseriatis parvisj cir- 
ris ....?; scuto capitis glabro; processu interparietali brevissimo os in- 
terspinosum attingente; pinna dorsali 1* spina crassa glabra corpore non 
vel vix altiore; dorsali 2 a et analibus corpore humilioribus ; pectoralibus 
spina valde crassa spina dorsali longiore dentibus. 5 magnis armata; ven- 
tralibus pectoralibus brevioribus; colore corpore pinnisque viridi-nigricante. 

B. 7. D. 1/5-20? P. 1/7? V. 6. A. 7? C? 

Habit. Banka, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 68'", 

Aanm. Deze soort is de eerste van het geslacht Chaca, 
welke mij van den Indischen Archipel is bekend geworden. 
Zij is blijkbaar eene andere species als Chaca lophwïdes CV. 
van Bengalen, en vooral kenbaar aan hare vijf groote gekrom- 
de borstvindoorntanden. Mijn specimen bevindt zich in een 
zeer gebrekkigen toestand van bewaring, waaraan het onvol- 
ledige van de bovenstaande deskriptie toe te schrijven is. 

CLUPEOÏDEL 

Harengula dispilonotus Blkr. 

Hareng. corpore oblongo compresso , altitudine 4 fere in ejus longitu- 
dine , latitudine 2*. circiter in ejus altitudine ; capite acutiusculo 5 in lon- 
gitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis diametro 3 circiter 
in longitudine capitis; ore antico rictu parvo; rostro oculo breviore; linea 
rostro-frontali declivi recta; maxilla superiore sub oculi parte anten ore 
desinente postice denticulis vix conspicuis ; maxilla inferiore vix promi- 
nente, sympbysi denticulis aliquot, tactu mag is quam visu conspicuis; 
dentibus palatinis et pterygoïdeis utroque latere in thurmam oblongam dis- 
positis; vomere edentulo; lingua radice tantum denticulata; lineis dorsali 
et ventrali rotundatis, ventrali dorsali paulo convexiore ; squamis trans- 
versim vel irregulariter bi- ad quiuque-striatis, lateribus 32 p. m. in 
serie longitudinali ; ventre valde cultrato spinis 25 p. m. serrato; 
pinna dorsali postice in aateriore dimidio corporis sita, media ter- 
tia parte ventralibus opposita, acuta, non emarginata, corpore minus 
duplo humiliore ; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus 
longioribus ; anali corpore plus quadruplo humiliore et dorsali paulo bre- 



•4S7 



viore ; caudali lobis acutis 4£ ad 4-J. in longitudine corporis; colore cor- 
pore superne coerulescentc lateribus avgcnteo vel flavescente-argenteo ; 
dorso linea media maculis 2 rotundis nigris , 1* ad radios pinnae dorsalis 
posteriores, 2* post pinnam; pinnis hyalinis vel flavescentibus. 

B. 6. D. 18 vel 19. P. 16 vel 17. V. 1/7. A. 17 vel 18. C. 17 et lat. 
brev. 

Habit. Banka, in mari, 

Longitudo 3 speciminum 75'" ad 82"'. 

Aanm. Deze soort heeft in habitus groote overeenkomst met 
Ilarengida latulus CV. van de Ëuropesche zeeën, doch ver- 
schilt er van door afwezigheid van tusschenkaakbeenstanden, 
door minder talrijke schubben op eene overlangsche rei en 
minder talrijke buikkieldoornen, door hare twee zwarte rug- 
vlekken, ligte verschillen in de getallen der vinstralen enz. 

Rogenia argijrotaenia Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV 
Haringacht. Vissch. 

Kogen, corpore oblongo compresso, altitudine 3£ ad 4 in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 ad 5-|. in lon- 
gitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 circiter in lon- 
gitudine capitis; rostro oculo breviore; ore antico rictu parvo; maxillis 
aequalibus superiore sub medio oculo desiuente tota edentula , inferiore 
symphysi vulgo denticulis aliquot tactu magis quam visu conspicnis ; den- 
tibus palatinis pterygoïdeisque utroque latere in thurmam oblongam dis- 
positis; vomere antice denticulato; lingua crista media denticulata; dorso 
carinato; ventre cultrato dorso convexiore, scutis p. m. 26 dentatis scrra- 
to ; squamis parte basali striis 1 ad 4 transversis, parte libera non stria- 
tis glabris, lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; inguinibus squamis 
elongatis; linea laterali rectiuscula lineac dorsali magis quam lineae ven- 
trali approximata; pinna dorsali postice in anteriore dimidio corporis 
tota vel fere tota post ventrales sita, non emarginata , corpore duplo bu- 
miliore; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus duplo lon- 
gioribus; anali bumili dorsali longiore; caudali lobis acutis 41 circiter 
in longitudine corporis ; colore corpore subdiaphano-flavescente; fascia ce- 
phalo-caudali argentea; peritoneo argenteo sub cute conspicuo; pinnis 
hyalinis vel flavescentibus, caudali postice nigricante arenata vel mar- 
ginata. 

B. 6. D. 15 vel 16. P. 13 vel 14. V. 1/7. A. 17 ad 19. C. 19 et lat. 
brev. 



458 

Synon. Ilcan Tembang puti Mal. Batav. 
Habit. Muntok, Batavia, in maxi. 
Longitudo 47 speciminum 75'" ad 85"'. 

Aanm. Deze kleine soort is zeer kenbaar door de achter- 
waartsche plaatsing der rusvin, door haar halfdoorschijnend 
ligchaam, zilverkJeurigen zijband, betrekkelijk groote schubben 
en weinig talrijke buikdoornen. Zij leeft gezellig in scholen en 
komt nu en dan te Batavia bij duizenden te gelijk ter markt , 
vooral in de maanden Junij en Julij. Zij is de eenige species 
van Rogenia, welke mij tot nog toe van de buiten Europesche 
zeeën is bekend geworden. 

Chatoessus selangkat Blkr. Verli. Bat. Gen. XXIV 7 
Har. Vissch. p. 47. 

Chatoess. corpore oblongo, compresso, altitudine 3 ad 3j. in ejus lon- 
gitudine, latitudine 3 in ejus altitudine; capite 4£ ad 4| in longitudine 
corporis , longiore quam alto; rostro angulato brevi, ante os prominente; 
ore parvo , rictu sub oculi parte anteriore clesinente; oculis diametro 3 
ad 3|- in longitudine capitis; squamis transversim striatis, latcribus 40 p. 
m. in serie longitudinali; vcntre spinis 28 p. m. serrato ; pinna dorsali 
medio pinnis ventralibus opposita, corpore duplo circiter breviore , radio 
nullo in filura producto; pinnis pectoralibus acutis capite brevioribus, 
ventrales non attingentibus; ventralibus pectoralibus minus duplo brevio- 
ribus; anali humillima longitudine dorsalem subaequante; caudali profunde 
incisa lobis acutis 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore su- 
perne coerulescente-griseo inferne argenteo ; dorso vittis longitudinalibus 
fuscescentibus; macula scapulari oblonga fusca; pinnis fiavescentibus, dor- 
sali et candali fusco marginatis. 

B. 5. D. 3/15. P. 1/15. V. 1/7. A. 2/18. C. 19 et lat. brev. 

Synon. Ikan Selangkat Mal. Batav. 

Habit. Muntok, Batavia, in mari. 

Longitudo 4 speciminum 82"' ad 147"'. 

Aanm. Niettegenstaande de groote overeenkomst dezer soort 
met Chatoessus chacunda CV. houd ik haar voor eene eigene 
species. De verschillen vallen meer in het oog, wanneer men 
exemplaren van dezelfde grootte van beide soorten met elkan- 
der vergelijkt. 



459 



Bij Chatoessvs chacunda is de kop stomper, de rug hooger 
en boller , de schoudervlek grooter en donkerder en het lig- 
ehaam betrekkelijk korter. Bij twee exemplaren van dezelfde 
grootte, een van elke soort, vind ik de volgende evenredig- 
heden. 



Chatoessus chacunda CV. 

■ Hoogte des ligchaame 2V£ 
in zijne lengte; kop 5 in de 
lengte des ligchaams, hooger 
dan lang; staartvin k-V 2 in de 
lengte des ligchaams ; schouder- 
vlek zwart, ovaal, zoo groot 
als het oog; rug- en staartvin 
zonder bruine randen. 



Chatoessus sclangkat BIkr. 

Hoogte des ligchaams 3 1 /, 
in zijne lengte; kop 4 2 / 3 in de 
lengte des ligchaams, langer 
dan hoog; staartvin 4 in de 
lengte des ligchaams; schou- 
dervlek dof bruin, iangwerpig, 
de helft kleiner dan het oog; 
rug- en staartvin met bruine 
randen. 



BALISTINI. 



Triacanthus Nieiihofii BIkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Ba- 
list, p. 26. tab. h % 9. 

Triacanth. corpore oblongo compresso , altitudine 2£ in ejus longitudine, 
latitudine 4 fere in ejus altitudine; capite 4*. in longitudine corporis , 
multo altiore quam longo; oc.ulis diametro 3 in longitudine capitis ; linea 
rostro-frontali rostro concaviuscula fronte eonvexa ; rostro oculo minus du- 
plo longiore vel altiore; parte capitis praeoculari plus duplo altiore quam 
longa; maxillis squamosis dentibus biseriatis, serie externa 8 vel 10 cu- 
neiformibus, serie interna obtusis rotundatis 2 ad 6, mediis ceteris majo- 
ribus; apertura branchiali subvorticali, ante pinnam pectoralem desi- 
nente; squamis parvis sed bene conspicuis , seabris; linea laterali con- 
spicua ante spinam dorsalem cruciata; pinnis radiis plurimis divisis; dor- 
sali spina 1 a tota scabra 3£ circiter in longitudine corporis, spina 2* spina 
1* plus duplo breviore, spinis ceteris oculo brevioribus ; dorsalt radiosa 
liumili obtusa rotundata; pectoralibus obtusis rotundatis; anali angulata; 
caudali biloba lobis acutis 5 fere in longitudine corporis; spinis ventrali- 
l>us totis seabris 4£ circiter in longitudine corporis; colore corpore superne 
griseo, inferne flavescente vel argenteo; pinna dorsali spinosa aurantiaco- 
fusco marginataj pinnis ceteris flavescentibus. 

D. 5-25. P. 14. V. 1. A. 19. C. 12. 



•460 



Synon. Jloornvisch Nieuh. Gedenkw. Zee- en Lantreize p, 272 fig. 

Piscis cornutus Willougbb. Ichth. app. tab. 10 fig. 1. 
Habit. Muntok et Sibogha (Sumatrae occidentalis) in mari. 
Longitudo 3 speciminum 52'" ad 110"'. 

Aanm. Deze soort onderscheidt zich van de bekende en 
verwante species door hooger ligchaam , stomperen kop enz. 
Het komt mij voor, dat tot deze soort betrekking heeft de 
Eoornvisch, afgebeeld in het aangehaalde werk van Nikuhof 
en overgenomen door Willoughbij. 



Scripsi Batavia Calendis Junii mdcgclii. 






SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 

VAN 

EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN. 

DOOR 
E". J. 1IAIE ït. 



Be Arragonietheuvels van Eoeripan en hunne 
minerale ivateren. 

De heer Bleeker heeft in het jaar 1844 deze heuvels be- 
zocht en daarvan de volgende beschrijving gegeven , mij in 
handschrift medegedeeld. 

„Op het alluvieterrein , dat zich van de Java-zee tot aan den 
„breeden voet van het veelkruinig systeem des Goenoeng Sa- 
„riboe uitstrekt en zich van de kust af eerst onmerkbaar en 
„dan heuvelachtig tot aan den voet van dat gebergte, tot 7ÖÖ 
„voeten boven de zeevlakte verheft, ziet men, op het land Koe- 
„ripan in het distrikt Parong van de residentie Buitenzorg, 
„niet ver van het Sariboe-gebergte , op ongeveer 380 voeten 
„hoogte boven zee, een paar heuvels , welke zonderling afste- 
„ken bij de rijstveldvlakten, te midden van welke zij zich 
„bevinden". 

„Men ziet daar nog niets van de trachiet- of van de kalk- 
„rotsen, welke meer zuidelijk de bergen vormen of op de 
„berghelling rusten; maar eene humus- en yzeroxyderijke klei 
„vormt den bodem van den omtrek der heuvels tot op eenige 
„palen afstands in alle rigtingen. Slechts in de beddingen der 
„riviertjes ziet men geweldige trachietblokken, als rolsteenen 



462 



, afgerond, welke, eenmaal uit der vulkanen boezem met naau- 
,welijks denkbare kracht geworpen, of van de bergen losge- 
scheurd, door vroegere krachtigere stroomen zijn herwaarts 
.gevoerd". 

„De gezegde heuvels liggen nabij het dorp Waroe, dewoon- 
,plaats van den demang van het distrikt Parong. Als tweelin- 
gen verheffen zij zich op 200 tot 300 schreden afstands van 
,elkander tot 70 en 50 voeten boven de omliggende rijstvel- 
den, zoodat men ze reeds op een' vrij grooten afstand kan 
,herkennen. De noordelijke heuvel, door de inlanders Goenoeng 
,Kapoetiean genaamd, strekt zich van het w. naar het o. met 
,eene basis van ongeveer 250 voeten lengte en 80 tot 100 
, voeten breedte uit, heeft eene kegelvormige gedaante en 
,verheft zich ruim 50 voeten boven den omringenden bodem 
,of ruim 430 voeten boven de zeevlakte. De zuidelijke heuvel, 
, Goenoeng Kintjana genaamd, strekt zich uit van het n. naar het 
.z. , is aan zijn' voet meer dan 300 voeten lang en 80 tot 90 
, voeten breed en verheft zich tot ruim 70 voeten boven de om- 
liggende rijstvelden of tot ruim 450 voeten boven de zeevlakte. 
,Hij is gevormd uit op elkander gestapelde kegels , welke van 
,de einden der lengteas tot aan den top allengskens grooter 
, worden en den heuvel een eigenaardig aanzien geven. 

„De vorming dezer heuvels is thans in volle werkzaamheid 
,en nergens welligt treft men sprekender voorbeelden aan 
,van het ontstaan van dergelijke heuvels, dan hier , waar men 
,ze als het ware ziet geboren worden. Zoowel de Kapoetiean 
.als de Kintjana zijn hun ontstaan en voortgaande ontwikke- 
ling verschuldigd aan de warme minerale wateren, welke thans 
,uit hun binnenste opwellen. 

„De Kapoetiean heeft nog slechts één wel, met meerdere 
,kleine en grootere openingen nabij zijne kruin, hoezeer de 
.vorm dezes heuvels op het vroeger aanzijn van meerdere 
, wellen duidt, welke welligt bij de ontwikkeling des heuvels 
,hun water in de tegenwoordige hoofdwei uitgestort hebben 
,en thans zich slechts door weinige openingen ontlasten. 

„De Kintjana daarentegen bezit nog meerdere wellen in volle 



•463 



„werking en hier voornamelijk ziet men het bijzonder schoon, 
„hoe deze heuvels of de hen zamenstellende heuvelkegels 
„zich uit het minerale water afzonderen en kristalliseren. Aan 
„zijne noordelijke helling zijn nog 8 wellen in volle werking. 
„Zij openen zich op verschillende hoogte van den voet des 
„heuvels tot op de kruin en hebben een' natuurlijken trap ge- 
„vormd van eenige voeten breedte, langs welken men den top 
,.kan beklimmen. Aan de zuidelijke helling bevinden zich nog 
„2 wellen, kort bij elkander, slechts 2-3 voeten van een lig- 
„gende en bij den top. Hierdoor is deze helling des heuvels 
„ook veel steiler, zelfs zoo, dat het beklimmen hier zeer moei- 
Jeüjk is. 

„Nabij de kruin van den Kapoetiean en Kintjana zijn grootere 
„en kleinere bekkens rondom de wellen in de rotsen uitgehou- 
„wen, om daarin het minerale water, dat als fonteinen de 
„rotsen doorboort , te vergaderen. Die bekkens konden niet 
„ruim genoeg worden gemaakt om het steeds in groote hoe- 
veelheid uitspringend water te bevatten en om nu den afloop 
,,van het water te bepalen, heeft men de randen dier bekkens 
„nu eens hier en dan weder daar doorgebroken, waardoor 
„het water genoodzaakt werd , den voorgeschreven' weg te 
„volgen en daar nieuwe kalkmassen af te zetten. Vooral is zulks 
„het geval met het weibekken van den Kapoetian, dat onge- 
„veer 5 voeten lang, 3V 2 voeten breed en I — \h voeten diep 
„is en tijdens mijn bezoek zoodanig was uitgehouwen , dat het 
„water genoodzaakt was van de noordzijde des heuvels af te 
„loopen, waar zich ook reeds eene aanmerkelijke korst van 
„nieuwe vorming had afgezet , waaronder de oudere vegetatie 
„was begraven en thans geene nieuwe vegetatie kan wortelen. 
„Vroeger had men het water aan de w r estzijde des heuvels la- 
„ten afloopen, waarvan de sporen nog duidelijk zigtbaar wa- 
„ren , hoezeer de vegetatie hier en daar zich reeds van die 
„naakte kalkvlakten had meester gemaakt. 

„Op den Goenoeng Kintjana bestaan nog slechts twee van 
„die bekkens en wel bij zijne laagste en hoogste wellen. 
„Zij zijn echter van slechts geringen omvang en loopen aan 

111. 35 



464 



,,alie zijden over, zoodat daardoor in den natuurlijken vorm 
„der heuvelkegels geene merkbare wijziging wordt gebragt. 

„Van gewigtigeren invloed echter op den vorm dezer heuvels 
„is de kalkbranderij , die sedert 1812 aan de voet des Kapoe- 
„tian bestaat. Sedert men had ontwaard , dat de rots na het 
„branden een' goeden kalk gaf, heeft men er opvolgend in een 
„tijdvak van 33 jaren 237,600 takkers kalk gebrand of weg- 
,, gehouwen. Hierdoor is reeds een aanmerkelijk gedeelte des 
,, heuvels verdwenen, maar de vorming van nieuwen kalk wordt 
„er niet door belet — De wellen zetten steeds nieuwe kalk- 
„lagen uit haar bruisend water af. 

„Tijdens het verblijf ter dezer plaatse van den heer Blume , 
„die gedurende 14 dagen de omstreken met een plantenkun- 
„dig doel heeft onderzocht, heeft men een' nog in ontwikkeling 
„zijnden kalkkegel van den Kintjana afgezaagd , welke naar 
„Batavia is vervoerd. Wat van dien kalkkegel is geworden , 
„bleef onbekend; maar op dezelfde plaats heeft zich reeds we- 
„der een nieuwe kegel gevormd, die geen vervoer meer toe- 
„laat , wegens zijnen omvang en zwaarte en dus in 20 jaren tijds 
„zich heeft gevormd of binnen nog korteren tijd, indien , wat 
„men verhaalt, latere bezoekers de nieuw wordende kegels 
„meermalen hebben weggenomen of verbroken. 

„Merkwaardig is de flora dezer heuvels , niet zoo zeer door 
„talrijkheid van individu's als wel door talrijkheid van soorten. 
„De heer Blume heeft er meer dan 40 species aangetroffen en 
„beschreven en thans telt men er meer dan 50 , ongerekend 
„nog de kleine mossoorten en enkele onbepaalde Gramineën. 
„Van de Filices ziet men er Anthrophyum obtusum Kaulf., Pteris 
„crenata L., Polijpodium phymatodes (Pakis goenoeng), Acros- 
„tichum speciosum (Warakas) en soorten van Lycopodium (Pakis 
„aloes), Dysmodium en Aspidium. Van de Commelineae ziet men 
„er Commelina auriculata; van de Liliaceae soorten van Hemero- 
„callis en Sanseviera (Hanjokan); van de Gramineae en Cyperaceae 
„de Rompoet Paroempoeng en Seriengsin ; van de Aroïdeae Ty- 
„phonium cuspidatum ; van de Orchideae Dendrocolla amplexi- 
9 ,caulis , Dendrocolla appendiculata, Aërides elongata (Kwawoe) , 



463 



„Hnbenaria reflexa, Adenostylis emargioata; van de Dioscoreae 
„Dioscorea tripliylla L.; van de Moreae Ficus chrysocorna BI., 
„Ficus gibbosa BI. (Kiara waling); van de Urticaceae Urtica mol- 
„lissima BI., Böhrneria longifoiia Endl.; van de Artocarpeae Trophis 
„spinosa Rxb. ; van de Jasmineae Philyrea robusta Rxb., Myxo- 
„porum nervosum ; van de Asclepiadeae Calotropis gigantea R. 
„Br., Leposma juvanicum BI., Secamone macrophylla BI., Per- 
,, gularia parviflora BI., Hoya diversifolia BI., Oxystelma Hoo- 
„perianum BI. (Aroy Tjapoe toehoer), Leptostemma hirsutum 
„BI.; van de Apocynaceae Alstonia villosa BI.; van de Rubia- 
,,ceae Hedyotis pterita BI., Cephaëlis diversifolia BI.; van de 
„Compositae Mikania volubilis Willd., Cacalia sarmentosa BI.; 
„van de Aurantiaceae Murraya longifoiia BI.; Van de Lauri- 
„neae Cinnamomum neglectum ; van de Acanthaceae Justicia 
„salicifolia BI., Lepidagalhis parviflora BI.; van de Asperifoliae 
„Tournefortia tetrandra; van de Convolvulaceae Convolvulus nym- 
„phaeaefolius, Convolvulus bifidus, Argyreia mollis; van de MaU 
„vaceae Hibiscus spathaceus BI., (Jrena tornentosa BI ; van de 
„Büttneriaceae Visenia umbellata Houtt; van de Tiliaceae Trium- 
„fetta spicata BI.; van de Lythrarieae Cuphea barbata Endl. (Tjoen- 
„kankan); van de MenispermeaeCoccuIus corymbosus BI., Cocculus 
„ovalifolius; van de Melastomaceae Melastoma malabathricum 
„(Harendong); van de Loranthaceae Loranfchus pentandrus (Ka- 
„rnadoean); van de Verbenaceae Clerodendrum serratum (Djan- 
„goeboe); van de Euphorbiaceae Fluggea microcarpa (Melattian), 
„Euphorbia pilulifera L. (Nanankaan), Tragia hirsuta BI., Rottlera 
„dispar BI.; van de Cucurbitaceae Momordica bicolor BI. (Aroy 
„Papassang); vaii de Rhamneae Illigera pulchra BI.; vandeAno- 
„naceae Uvaria velutina Rxb., Guatteria macrophylla BI. (Kisan- 
„hoen); van de Papilionaceae Abrus precatorius (Dsaga , Obat 
„seriawan); en van de Mimoseae Acacia Farnesiana (Garoet)". 

Tot zoover de mededeeling van den heer Blkeker. 

Dekker Vernstra, in leven apotheker der Ie klasse, heeft 
deze wateren scheikundig onderzocht. Beide wateren kwamen 
kwalitatief geheel met elkander overeen. Er werden namelijk 
koolzure kalkaarde, koolzure bitteraarde, chloorsodium, chloor- 



Am 



magnium en chloorcalcium in gevonden, en voorts koolzuur, zwa- 
velwaterstofgas , sporen van zwavelzuur en van org. zelfstandig- 
heden. Het soortelijk gewigt van het water van den Kapoetian is 
1,0201 en van dat van den Kintjana 1,02025, bij 25° R. warmte. 

1. Bepaling van hel Zwavelwaterstof gas. 

a. 1000 grm. Kapoetiean-water hadden ter bepaling van dit 
gas 0,0192 grm. jodiurn gevorderd, beantwoordende aan 
0,00259 grm. zwavelwaterstof gas. 

b. 1000 grm. Kintjana-water 0,0704 grm. jodiurn, beant- 
woordende aan 0,0095 grm. 

2. Bepaling van het Koolzuurgas. 

a. 1000 grm. water in eene retort gekookt en de dampen 
door barietwater geleid, vormden bij het Kapoetian-water 
4,767 grm. gewassehen en gedroogde koolzure barietaarde, 
waarin 1.0659 grm. koolzuur; 

b. 1000 grm. Kintjana-water gaven 4,938 grm. koolzure 
barietaarde, waarin 1,1032 grm. koolzuur. 

3. Bepaling der Koolzure halkaarde en der Koolzure 
bitteraarde. 

Het praecipitaat, dat zich gedurende de koking bij de 2de 
proef in de retort afzette, werd op een filtrum verzameld en 
gewogen , vervolgens in overmaat van verdund zoutzuur opge- 
lost, met ammonia en oxalas ammoniae behandeld, het praeci- 
pitaat gedroogd, gebrand en de koolzure kalkaarde gewogen. 
Vervolgens werd het gewigtsverlies als koolzure bitteraarde 
berekend. 

a. Het praecipitaat van 343 grm. Kapoetiean-water woog 
0,445 grm., waaruit verkregen werden 0,400 grm. koolzure 
kalkaarde en 0,045 grm. koolzure bitteraarde; voor 1000 grm. 
water 1,1662 grm. koolzure kalkaarde en 0,1312 grm. kool- 
zure bitteraarde gevende. 

b. Het praecipitaat van 356 grm. Kintjana-water woog 
0,410 grm.; waaruit verkregen werden 0,380 grm. koolzure 
kalkaarde en bij gevolg 0,030 grm. koolzure bitteraarde. 



•467 



1000 grm. water bevatten dus 1,0674 grm. koolzure kalk- 
aarde en 0,08427 grm. koolzure bitter aar de. 

4. Bepaling van het Chloor s odium. 

a. 50 grm. Kapoetiean-water, gekookt en gefiltreerd, gaven, 
met salpeterzuur zilver behandeld, 3,165 grm. gedroogd chloor- 
zilver, voor 1000 grm. water 63,3 grm. bedragende , waar- 
in 15,648 grm. chlorium; volgens de 5de en 6de bepaling 
moeten 3,817 grm. chlorium worden afgetrokken. Er blijven 
dus nog 11,831 grm. chlorium, gevende 19,598 grm. chloor - 
sodium. 

b. 50 grm. Kintjana-water , gekookt en gefiltreerd , gaven 
3,190 grm. chloorzilver, voor 1000 grm, water 63,8 grm. 
bedragende, waarin 15,771 grm. chlorium. Volgens de 5de en 
6de bepaling 3,8784 grm.; afgetrokken, blijft 11,893 grm. chlo- 
rium, gevende 19,701 grm. chloor sodium. 

5. Bepaling van het Chloor calcium. 

a. 100 grm. Kapoetiean-water, gekookt en gefiltreerd, met 
chloorammonium en oxalas ammoniae behandeld, gaven oxalas 
calcis, gebrand 0,396 grm. koolzure kalkaarde gevende; 1000 
grm. water dus 3,960 grm., beantwoordende aan 4f,392i grm. 
chloor calcium , waarin 2,8081 grm. chlorium. 

b. Van 100 grm. Kintjana-water verkreeg men 0,402 grm. 
; koolzure kalkaarde; 1000 grm. water 4,02 grm., beantwoor- 
' dende aan 4,4587 grm. chloor calcium , waarin 2,8507 grm. 

chlorium. 

6. Bepaling van het Chloormagnium. 

Het filtraat van den oxalas calcis werd met ammonia en 
phosphorzure soda behandeld , en het verkregen praecipitaat 
gedroogd , gebrand en gewogen. 

a. Van 100 grm. Kapoetian-water verkreeg men 0,160 grm. 
phosphorzure bitteraarde, voor 1000 grm. w*ter 1,6 grm. be- 
dragende, en beantwoordende aan 1,368 grm. chloormagnium, 
waarin 1,0089 grm. chlorium 



.m 



b. Van 100 grm. Kintjana-water verkreeg men 0,163 grm. 
phosphorzure bitieraarde, voor 1000 grm. water 1,63 grm. 
bedragende, en beantwoordende aan 1,3936 grm. chloormag- 
mum, waarin 1,0278 grm. chlorium. 



Resultaat. 



100 grm. water bevatten 

Koolzure kalkaarde . 

,, bitteraarde 

Chloorsodium 

„ calcium 

„ magnium . 

vaste deelen 
Koolzuur 

Zwavelwaterstofgas . 
Zwavelzure kalkaarde 
Org. zelfstandigheden (1) 



grm. 



Kapoetiean. 

i 0,11662 
0,01312 
1,9598 

. 0,43921 

. 0,1368 



Kintjana. 
0,10674 
0,00842 
1,9701 
0,44587 
0,13936 



2,66555 
0,10659 
0,00026 
sporen, 
id. 



2,67049 
0,11042 

0,00095 

sporen. 

id. 



Reeds in 1839 heeft J. Lastdrager den arragoniet van Koe- 
ripan scheikundig onderzocht (2) en in 100 gewigtsdeelen ge- 
vonden : 



(1) In de maand Mei 1846 is mij eene kruik mineraalwater toegezon- 
den, dat afkomstig was van den Kapoetiau of Kintjana. Daar mij hier- 
omtrent de voldoende zekerheid ontbrak, heb ik dit water slechts kwali- 
tatief onderzocht. Het had eenen zout- en bitterachtigen smaak , eene 
naauwelijks zigtbare alkalische reaktie, rook naar zwavelwaterstofgas en 
had een soortelijk gewigt van 1,0219 bij 27,7° C. warmte. In een glas 
gegoten, parelt het water en zet onder gasontwikkeling na eenigen tijdeen 
praecipitaat af. Van 238,3 grm. water verkreeg ik door uitdamping 6,672 
grm. droog zout of 2,8 ten honderd water. Dit zout met gedestilleerd 
water behandeld, gaf een filtraat, bevattende chloorpotassium , chloorsodi- 
um, chloorcalcium, chloormagnium, sporen van joodmagnium en van zwavel- 
zure kalkaarde. De in water onoplosbare deelen van het zout bevatte- 
den koolzure kalkaarde, koolzure bitteraarde, sporen van ijzeroxijde en 
van aluinaarde; voorts zeer kleine hoeveelheden kiezelaarde en organische 
zelfstandigheden. 

(2J) Tijdschrift voor Nederlandsch Indië 2de Jaargang 1839. 



469 

Koolzure kalkaarde . . . .92 
„ strontiaanaarde . . . 3.25 

IJzeroxijde , aluinaarde , kiezelaarde en niet 
onderzochte stoffen .... 3.75 

Water . . . . . . 1. 



100.00 deelen. 

Als eigenschappen van den arragoniet was opgegeven , 
dat hij eene harde, broze, onregelmatige, witte, half door- 
schijnende, vetglanzige verbinding is van 2,921 soortelijk gewigt, 
waarvan de boven- en ondervlakte met eene sterk aanhangen- 
de grijze korst was bedekt. De enkele kristal een zeszijdig 
prisma , glasglanzig en doorschijnend. 

De heer Blgeker heeft eenige exemplaren van den arrago- 
niet medegebragt , waaruit de heuvel Kintjana zamengesteld is, 
waarmede ik de volgende scheikundige analijse heb bewerk- 
stelligd. 

Deze arragoniet stelde eene witte , kristallijne , vaste massa 
daar , naar de kanten der buitenvlakten toe hier en daar 
stralig afgezonderd. Geen enkele kristal was duidelijk waar 
te nemen. Deze kristallijne arragonietmassa krast het kalk- 
spaath , is aan de kanten doorschijnend, bezit eene schel- 
pachtige tot oneffene breuk , eenen sterken vetglans , witte 
streek, heeft gemiddeld 2,7 soortelijk gewigt en is onder opbrui- 
sing gemakkelijk bijna geheel oplosbaar in zout- of salpeterzuur. 
Voor de blaasbuis verhit, verspreidt de verhitte plaats een 
sterk licht, wordt wit en dof, reageert nu alkalisch en ver- 
hit zich bij opgieting van water. 

Stukjes van dit mineraal, in een glazen kolfje verhit , ver- 
deelen zich, alvorens de gloeihitte bereikt te hebben, doch zon- 
der uitbotting, met hevigheid tot een meer of min fijn poeder. 

Het kwalitatief onderzoek heeft, behalve koolzure kalkaarde, 
kleine hoeveelheden van koolzure bitteraarde en strontiaan- 
aarde, kiezelaarde, aluinaarde en ijzeroxijde doen kennen, ter- 
wijl chloorsodium in eene naauwelijks bepaalbare hoeveelheid 
aanwezig was. 

Het kwantitief onderzoek leverde de volgende uitkomsten op, 



470 



1. Van 2,157 grm. van dezen arragoniet verkreeg men 0.004 
grm. water, voor 100 grm. dus 0,18544 grm. bedragende. 

2. Van 2,837 grm. verkreeg men 0,015 grm. gegloeide 
kiezelaarde ; 0,008 grm. gegloeide aluinaarde met ijzeroxijde 
en 0,0534 grm. gegloeide phosphorzure bitteraarde. 

100 grm. arragoniet bevatten dus 0,52873 grm. kiezelaarde, 
0,28198 grm. aluinaarde met ijzeroxijde en 1,4255 grm. kool- 
zure bitteraarde. 

3. 5 grm. arragoniet in zoutzuur opgelost, gefiltreerd , het 
filtraat met salpeterzuur gekookt , chloorammonium en am- 
monia toegevoegd, gefiltreerd en vervolgens met koolzure am- 
monia ontleed; het verkregen praecipitaat met salpeterzuur be- 
handeld , de oplossing tot volkomen droogwordens toe uitge- 
dampt, met watervrijen alkohol behandeld , het onopgelost 
geblevene met water opgenomen, en het filtraat met zeer ver- 
dund zwavelzuur ontleed , verkreeg men bij 100° C. gedroogde 
zwavelzure strontiaanaarde, v/egende 0,054 grm. , voor 100 grm. 
1,080 grm. bedragende, beantwoordende aan 0,86788 grm. 
koolzure strontiaanaarde. 

4. Van 2,837 grm. arragoniet verkreeg men 4,025 grm. 
bij 100o C. gedroogden oxalas calcis en oxalas strontianae, voor 

100 grm 141,874 grm. bedragende; 

hiervan afgetrokken . . . 1,137 „ oxalas 
strontianae, blijft . . . 1 ï0,737 „ oxalas 

calcis, beantwoordende aan 96,396 grm. koolzure kalkaarde. 

Resultaat, 



100 grm. Arragoniet bevatten 
Koolzure kalkaarde 

,, strontiaanaarde 

,, bitteraarde 
Kiezelaarde 

Aluinaarde en ijzeroxijde 
Water .... 

Chloorsodium 



grm. 

96,396 
0,86788 
1,4255 
0,52873 
0,28198 
0,18544 

99,68553 
Sporen. 



471 



Warme minerale bron , gelegen op de grensscheiding 

van Lembang en Djambocdwipa , residentie 

Preanger Regentschappen. 

In de nabijheid der grensscheiding van het distrikt Lembang 
en Djamboedwipa, omtrent 4 palen w. n. w. van Lembang 
en 5 palen n. o. van Djamboedwipa, op eene hoogte van 4077 
Rijnl. voeten boven de oppervlakte der zee, komt dit minerale 
water te voorschijn. 

Het komt uit een heuvelachtig terrein bij wijze van een klein 
beekje, zonder gasontwikkeling, uit eene kleine ronde opening, 
verliest zich vervolgens in den grond , om eenige voeten ver- 
der wederom uit te komen, verzamelt zich daarna met eene 
warmte van 95 tot 96°. F. ( temperatuur der lucht 72°. F. ) 
in een gemetseld bekken, van waar het door eene aldaar aan- 
gelegde badinrigting afvloeit. 

Dit heuvelachtige terrein is eene lavaachtige trachietrib van den 
Tankoeban prahoe en reeds tot op eenige voeten diepte zoo- 
danig ontleed, dat men daar slechts eenen rooden meer of min 
weeken kleigrond waarneemt. In den naasten omtrek der bron 
is het terrein voornamelijk met glaga , varens en melastoma- 
ceén begroeid. 

De heer Phlippeau te Lembang heeft, met een menschlie- 
vend doel, deze bron tot algemeen nut der Javanen doen in- 
rigten , door haar op eigen kosten op eene zeer doelmatige 
wijze in te dijken en haar met eene zeer nette en bevallig 
gebouwde badinrigting, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, 
te voorzien. 

Deze badinrigting kan als model dienen , hoe dergelijke in- 
rigtingen dienen te worden gemaakt. — De badplaats is ovaal , 
bezit eene lengte van 16 en eene breedte van 12 voeten, ter- 
wijl de waterstand, naar verkiezing, tot op eene hoogte van 
4 voeten gebragt kan worden. 

Het door deze inrigting afvloeijende mineraalwater zet gedu- 
rende zijnen loop een geel okerachtig bezinksel af. 

Tijdens mijn bezoek bij deze minerale bron , den 30sten Ok- 



•472 



tober 1851, in gezelschap der heeren Phlippeau en Bleeker, 
konden in een sekonde tijds 1V 2 Nederl. kannen mineraalwa- 
ter vergaderd worden. Evenwel bleek, uit eene mededeeling 
van den heer Phlippeau, dat deze hoeveelheid niet standvas- 
tig is. — Gedurende eene zeer aanhoudene droogte, die in 18o0 
plaats had, leverde de bron slechts eene kleine hoeveelheid 
mineraalwater, terwijl zij na die droogte gedurende eenigen 
tijd geheel droog was. Onlangs heeft de heer Phlippeau mij 
medegedeeld, dat de bron eene buitengewone hoeveelheid 
water opgeleverd had. 

Reuk bezat het water niet; de smaak was zuur - inktachtig. 
Soortelijk gewigt bij 27° C. 1,001. 

Het water, tot kokens toe verhit, ontwikkelde in het be- 
gin gasblazen van koolzuurgas en bleef helder. — Is het voor 
een groot gedeelte verdampt, dan komen witte, naaldvor- 
mige kristallen te voorschijn. — Na de geheele verdamping ver- 
kreeg men een wit geelachtig zout, hetwelk een netwerk daar- 
stelde van naaldvormige kristallen en bij vermeerderde hitte 
zoutzure dampen uitstiet, bruin van kleur werd en schubach- 
tig van den bodem van het platinaschaaltje afsprong. 

Het water met salpeterzuur en salpeterzure barietaarde be- 
handeld, vormde zwavelzure barietaarde; — met salpeterzuur 
zilveroxyde, chloorzilver. 

Met cyaanyzerpotassium behandeld, kreeg het water eene 
heldere blaauwwitte kleur. Aan de lucht blootgesteld , werd 
allengskens een schoon blaauw praecipitaat gevormd. 

Met cyaniedyzerpotassium behandeld , werd dadelijk in het 
water eene intensief groenblaauwe kleur gevormd, na eenigen 
tijd een praecipitaat afzonderende. 

Blaauw lakmoespapier in de wel gehouden , kreeg eenen 
roodachtigen schijn. Na het droogen in de lucht werd het bij- 
na wederom blaauw , bleef echter eenigzins bleek. — Tot 
een klein volumen uitgedampt, bezit het water eene blijvend 
zure reakti^ op lakmoespapier. 

Veel water (ongeveer een kilogram) tot droogwordens toe 
uitgedampt, met weinig water opgenomen, het Altraat met 



47B 



amylumpap en chloorwater behandeld, liet noch jodium noch 
bromium herkennen. De hierbij afgescheidene, in water on- 
oplosbare deelen , in zoutzuur opgelost, gefiltreerd , het filtraat 
met potassa-oplossing bijna geneutraliseerd, vervolgens oplos- 
sing van acetas potassae en een weinig yzerchloried toegevoegd, 
vertoonde zich niets bijzonders. 

Het gefiltreerde water bleef met gipsoplossing helder; ge- 
concentreerd zijnde en met potassa-oplossing gekookt en een 
staafje met zoutzuur er overgehouden, vormden zich eenige 
witte nevels. 

Het water, in eene retort verhit en de dampen door ba- 
rietwater geleid, ontstond koolzure barietaarde. Vervolgens 
het water tot droogwordens toe uitgedampt, het zout met 
alkohol en eenig zwavelzuur overgoten en aangestoken , gaf 
deze verbranding geene buitengewone verschijnselen. 

Op bekende wijze werden voorts potassa, soda, kalkaarde, 
bitteraarde, kiezelaarde en aluinaarde in het water opgespoord, 
en eindelijk bleek het, dat daarin, behalve de reeds gevondene 
bestanddeelen, nog sporen van mangaanprotoxyde en organi- 
sche zelfstandigheden aanwezig zijn. 

Het water, met barietwater gekookt, gefiltreerd, het filtraat 
met koolzure ammonia behandeld, gefiltreerd, het filtraat uit- 
gedampt, gegloeid, vervolgens met gedestilleerd water opgeno- 
men en gefiltreerd, ontstond eene zeer zwak alkalisch reage- 
rende vloeistof, welke, met salpeterzuur en salpeterzuur zilver- 
oxyde behandeld , chloorzilver vormde. 

Kwantitatieve analyse. 
1. Bepaling van het Chlorium. 

260,24 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzilver, 
wegende 0,2437 grm., bevattende 0,06024 grm. chlorium. 
100 grm. water 0,02315 grm. chlorium. 

2. Bepaling van het Zwavelzuur. 

260,24 grm. water gaven bij 100° C. gedroogde zwavelzure 
barietaarde, wegende 0,2455 grm. 



kik 



100 grm. water dus 0,09434 grm., waaain 0,03241 grm. 

zwavelzuur. 

3. Bepaling de Kiezelaarde. 

260,24 grm. water, tot droogwordens toe uitgedampt, het 
zout gegloeid, vervolgens met zoutzuur behandeld ,%gaven 0,0355 
grm. gegloeide kiezelaarde. 

100 grm. water 0,01364 grm. 

4. Bepaling der Aluinaarde en van het Yzeroxyde. 

Het filtraat der kiezelaarde met chloorammonium en am- 
monia behandeld, gaf aluinaarde- en yzeroxydehijdraat, het- 
welk door potassa oplossing ontleed is in: 
0,0193 grm. gegloeide aluinaarde en 

0,019 „ „ yzeroxyde. 

100 grm. water beantwoorden dus aan 0,00742 grm. aluin- 
aarde en aan 0,0073 grm. yzeroxyde of aan 0,00657 grm. 
yzerprotoxyde. 

5. Bepaling der Kalkaarde. 

Het filtraat der aluinaarde en van het yzeroxyde gaf bij 100° 
C. gedroogden oxalas calcis, wegende 0,0675 grm, bevattende 
0,02589 grm. kalkaarde. 

100 grm. water dus 0,00995 grm. kalkaarde , ge- 

vende met 0,01421 „ zwavelzuur 



en 0,00639 „ water 

kalkaardehydraat. 



0,03055 grm. zwavelzuur 



6. Bepaling der Bitter aar de. 

Het filtraat van den oxalas calcis gaf bij 100° C. gedroogde 
phosphorzure bitteraarde- ammonia 0,035 grm., beantwoor- 
dende aan 0,0276 grm. gegloeide phosphorzure bitteraarde , 
bevattende 0,010113 grm. bitteraarde. 

100 grm. water dus 0,003886 grm. bitteraarde, 
gevende met 0,007539 „ zwavelzuur 



0,011425 grm. zwavelzure bitteraarde. 



ATÓ 



7. Bepaling der Zwavelzure aluinaarde. 

De geheele hoeveelheid zwavelzuur in 100 grm. water be- 
draagt 0,032414 grm. — Gebonden aan de kalkaarde zijn 
0,01421 grm., en aan de bitteraarde 0,00754 grm.; bedraagt 
te zamen 0,02175 grm.; afgetrokken van de geheele hoeveel- 
heid, blijft . . 0,01066 grm. gevende met 

0,00456 ,, aluinaarde. 



0,01522 grm. zwavelzure aluin- 
aarde (Al 2 O 3 + 3 SO 3 .). 

8. Bepaling van het Chloorpotassium 
Van 195,18 grm. water verkreeg men op bekende wijze 
bij 100° C. gedroogd chloorplatina - chloorpotassium, wegende 
0,055 grm., beantwoordende aan 0,01679 grm. chloorpotassium. 
100 grm. water dus 0,008606 grm. chloorpotassium, waar- 
in 0,00409 grm. chlorium. 

9. Bepaling van het Chloor sodium. 

260,24 grm. water met barietwater gekookt, enz. gaven 
0,066 grm. chlooralkaliën, voor 100 grm. water 0,02536 grm. 
bedragende. — Hiervan afgetrokken 0,00861 „ 

chloorpotassium, blijft 0,01675 grm 

chloorsodium, waarin 0,010115 grm. chlorium. 

Dat het potassium en sodium in dit water aan het chlorium 
gebonden zijn, blijkt, wanneer men het chloorzilver weegt, 
dat daargesteld is volgens de bij het slot der kwalitatieve 
analyse vermelde wijze. Van 250 grm. water verkreeg men 
bij 100° G. gedroogd chloorzilver, 0,133 grm. wegende. 

10. Bepaling van het Chlooryzer. 

100 grm. water bevatten 0,00657 grm. yzerprotoxyde, be- 
antwoordende aan 0,01158 grm. chlooryzer. (Fe. Cl.), waarin 
0,006 V7 grm. chlorium. 

11. Bepaling van het Chloor aluminium. 

100 grm. water bevatten 0,02315 grm. chlorium; gebonden 
aan het potassium zijn 0,00Ï09 grm. 
„ „ sodium 0,01011 „ 



476 



aan het ijzer 0,00617 gram. 

Te zamen 0,02067 grm.; afgetrokken van de geheele 

hoeveelheid, blijft 0,00247 grm. 

gevende met 0,00063 ,, 

aluminium 0,0031 grm. chloor aluminium (Al 2 Cl 3 ) 

12. Bepaling der Aluinaarde, noch aan het zwavelzuur 

gebonden, noch aan het chlorium beantwoordende. 

De geheele hoeveelheid aluinaarde in 100 grm. water zijn 

0,00742 grm ; — gebonden aan het zwavelzuur zijn 0,00456 grm. 

en aan het chlorium beantwoorden 0,00119 „ 

te zamen, . . . 0,00575 grm. 

afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijven 0,00167 grm. 

aluinaarde. 

Resultaat. 

100 grm. water. bevatten grm. 

Zwavelzure kalkaarde 0,03055. 

bitteraarde 0,01142. 

aluinaarde 0,01522. 

Chloorpotassium 0,00861. 

„ sodium t 0,01675. 

,, aluminium 0,0031. 

yzer 0,01158. 

Aluinaarde . . . 0,00167. 

Kiezelaarde 0,01364. 

0,1 1254 grm 

Koolzuurgas onbepaald 

Chloorammonium sporen 

Mangaanprotoxyde id. 

Organische zelfstandigheden id. 

Dit water bezit dus eene groote overeenkomst met de 
wateren, die aan de noordelijke helling van den Tankoeban 
prahoe te voorschijn komen , bv. de bron Tjipabla en Tjipan- 
nas, in de residentie Krawang gelegen. 

Batavia, den lOden Mei 1852. 



SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 



TWEE MINERALE WATEREN VAN JAPAN. 



r. J. MAIER, 



a. Be minerale bron Oeresino. 

Deze bron is door den heer Dr. Mohnike den 22sten Februarij 
1850 bezocht en doorhem, volgens ontvangene opgave, beschre- 
ven als volgt: 

„Tusschen Nagasakki en Eokoera liggen de bronnen Oeresi- 
,,no en Takiwo; beiden in het landschap Fezin; Oeresino op 
„19 li (28,2 li a 15 geogr. mijlen) afstands van Nagasakki; 
,, Takiwo of Tsoekasakkiop2 1 / 2 li afstands van Oeresino verwijderd. 
„De badinrigting te Oeresino bestond uit vijf gemetselde naast 
„elkander liggende bekkens , elk ongeveer 50 voeten lang en 
„wat minder breed. Het minerale water loopt uit het eene 
„bekken in het andere en blijft daarin altijd op dezelfde hoog- 
„te, om reden er evenveel water uit het laatste bekken af- 
„loopt, als er in het eerste toevloeit. Door deze inrigting be- 
„zit het water dezer vijf bekkens verschillende temperatu- 
ren. Tevens werd door het aanhoudende doorstroomen 
„het water der vijf bekkens steeds vernieuwd. Ongeveer 1 1 / 2 
„voeten beneden de oppervlakte van het water in deze bek- 
„kens, waarin het eene hoogte van 3V 2 voeten bereikt, is 
„langs den geheelen binnenkant eene twee voeten breede bank. 
„De badplaatsen zijn van geen afdak voorzien, slechts door 



478 

„houten planken van elkander gescheiden. De temp. van het 
„water bedraagt tusschen 90 en 100° C. , bij eene buitenlucht 
„van 8,4° G. ('s morgens 914 uur bepaald). Het water was 
„helderen had een 1 sterken zwavelwaterstofgasachtigen reuk. De 
„rotssoorten, waaruit het te voorschijn komt, bestaan uit au- 
„giet, trachiet en trachietachtig konglomeraat". 

De Japansche scheikundige, van wien ik reeds vroeger heb 
melding gemaakt (1), heeft mij onlangs toegezonden een fleschje 
met 200 grein (med. gew.) zout, volgens zijne schriftelijke mede- 
deeling verkregen door uitdamping van 37,5 katjes mineraal- 
water. 

Volgens Dr. Moiinike is het gewigt monme de eenheid van 
het in Japan gebruikelijke gewigt, en staat gelijk met 57 grein 
med. gew. Tien monme is één zjoemonme zz 570 grein; het zes- 
tienvoudige van een zjoemonme — 9120 grein of 593,75 grm. 
is een katje. 

37,5 katjes zijn dus gelijk aan 22265,62 grm. en 200 grein 
med. gew. aan 13,0208 grm. Hieruit volgt, dat 100 grm. 
mineraalwater 0,0585 grm. vaste deelen bevatten, die echter 
bij 100° C. gedroogd zijnde 6,6186 ten honderd water ver- 
loren. 

Het zout was eenigzins geelachtig, hygroskopisch, aardachtig, 
van alkalisch zoutachtigen smaak en meer of min loogachtigen 
reuk. In een platinalepeltje verhit ontwikkelt het een weinig 
water. Bij vermeerderde hitte werd het graauw van kleur, smolt 
later en stelde na bekoeling eene meer of min homogene 
gesmoltene zoutmassa daar, met eenen blaauwachtigen eenigzins 
groenachtigen tint aan hare oppervlakte. 

Door een kwalitatief onderzoek bleek de aanwezigheid der 
volgende stoffen. 

Potassa, soda, kalkaarde, bitteraarde, aluinaarde, yzeroxyde, 
kiezelaarde, koolzuur, zwavelzuur, chloor; voorts sporen 
van sodium, org. zelfstandigheden en van mangaanoxydule. 
Kwantitatief onderzocht, zijn de volgende uitkomsten verkregen. 



(I) Zie Jaarg. I. bladz. 382. 






100 



479 



grm. bij 100°. C. gedroogd zout 
Koolzure soda 

,, kalkaarde 

„ bitteraarde 
Zwavelzure kalkaarde 
Cliloorpotassium 

„ sodiuin 
Aluinaarde „ 
Yzeroxyde „ 
Kiezelaarde „ 



bevatten grm. 
58,301 
1,3991 
1/23869 
0,69858 
3,135 
24,1901 
0,1772 
0,0-1997 
9,3381 



Ie zamen 



98,52774 
1,47226 

Sporen 



Water en verlies . 

Joodpotassium 

Mangaanoxydeoxydule . 

Org. zelfstandigheid . , 

l)e koolzure kalkaarde en koolzur 
daarin bevatte vrij koolzuurgas opgelost , dat gedurende de uit- 
damping is uitgedreven. Het yzeroxyde is als koolzuur yzerprot- 
oxyde en het mangaan als koolzuur mangaanprotoxyde aanwezig. 

100 grm. mineraalwater bevatten grm. 



e bitteraarde zijn in het 



Koolzure soda 

„ kalkaarde 

„ bitteraarde 

„ yzerprotoxyde 

Zwavelzure kalkaarde 
Chloorpotassium 

„ sodium 
Aluinaarde 
Kiezelaarde 

Koolzuur mangaanprotoxyde 

Joodpotassium 

Org. zelfstandigheid 

Koolzuurgas 

Zwavelwaterstof . 

III. 



0,03231 
0,00977 
0,00067 
0,00004 
0,00039 
0,00174 
0,01311 
0,00009 
0,00517 

0,05459 

Sporen 



onbepaald 
36. 



480 

De aanwezigheid van koolzuurgas en zwavelwaterstofgas 
blijkt tevens uit de mededeelingen van den Japanschen schei- 
kundige. 

b. Be minerale bron Takiwo. 



Ook deze bron is door den heer Dr. Mohnike den 22sten 
Februarij 1850 bezocht en aldus beschreven. 
„De badinrigting te Takiwo verschilt van die te Oeresino 
„slechts daarin , dat er hier, behalve zes met afdaken voorziene 
„bekkens voor de lagere menschenklasse , nog twee andere 
„door een' muur van de eerste gescheidene zijn, die ruim en 
„zindelijk zijn ingerigt en voorzien van elegante verblijfkamers 
„tot badplaatsen voor den landsheer en zijne familie. Het mine- 
raalwater had bij eene luchttemperatuur van 10,2 C, 's mid- 
„dags 4V 2 uur, eene warmte van 45,5°. C. en was geheel zonder 
„smaak en reuk. Het ontwikkelde slechts spaarzaam blaasjes 
„van koolzuurgas. De geognostische gesteldheid van het terrein 
„te Tawiko verschilt niet van die te Oeresino. Bij de intrede 
„van de voor het volk bestemde bekkens is een vertrek , 
„waarin elk voor een bad omtrent % cent moet betalen 1 '. 

Van dit mineraalwater zijn door den boven bedoelden Ja- 
panschen scheikundige 30,625 katjes uitgedampt en 137,5 
grein, med. gewigt, vaste bestanddeelen verkregen , welke te 
Batavia gewogen 144,5 grein a 9,408 grm. bedroegen en bij 
100° C. gedroogd 10,062 ten honderd water verloren. 

30,625 katjes a 18183,6 grm. water, bevatten dus bij 
100°. G. gedroogde vaste bestanddeelen 8,4614 grm.; bedra- 
gende voor 100 grm. mineraalwater 0,01653 grm. 

De eigenschappen en het kwalitatief onderzoek van dit zout 
kwamen bijna geheel overeen met het zout, verkregen door uit- 
damping van het water te Oeresino; slechts was het iets wit- 
ter van kleur. 

Door het kwantitatief onderzoek van het zout is de zamen- 
stelling van dit mineraalwater gebleken te zijn als volgt: 



481 



100 grm. mineraal wate 


r b 


evatten grm. 


Koolzure soda 


. 


. 0,03097 


„ kalkaardc 


. 


. 0,00028 


„ bitteraarde 


. 


. 0,00019 


,, yzerprotoxyde 


. 


. 0,00006 


Zwavelzure kalkaarde 


• • 


. 0,00016 


Chloorpotassium 


, 


. 0,00007 


,, sodium 


* 


. 0,00892 


Aluinaarde . 


. 


. 0,00035 


Kiezelaarde . 


• • 


. 0,00347 




Te zamen 0,04447 


Koolzuurgas 


• • 


. onbepaald 


Zwavelwaterstofgas 


• 


? 


Joodpotassium 


. 


Sporen 


Koolzuur mangaanprotoxyde » 


• • >> n 


Org. zelfstandigheden 


. 


• • j» >) 



BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. 



Aantee kening en van de aardschuddingen, waargenono- 
men te Indramajoe in 1847 , door S. L. P. D. Niepce. 



Tijdstip Getal 

.p. f waarop de aard- schud- 
1Jatum, schuddingen heb- din- 
ben plaats gehad. gen. 

Nov. 16 11 uur 45 minut. 1 Zware schok. 
„ „ 11 u. 5 rn. 4 Van dezen kan de tijd niet wor- 

den opgegeven. 
Veel zwaarder dan de eerste. 
12 u. 55 m. 1 Ligte schudding. 

1 u. 5 m. 1 Dito, doch zwaarder. 

I u. 15 m. 1 Ligte schudding. 

u. 40 rn. 1 LigLe schudding. 
6 u. 5 rn. 1 Idem. 

1 u. 30 m. 1 Zware schudding. Van 9 uur 
tot 5 uur hebben er verschei- 
dene schuddingen plaats ge- 
vonden, waaronder die ten 
y/2 u. de zwaarste was. 

17 5 u. 30 m. 1 Ligte schudding. 

1 ld. doch nog al van aanbelang. 

2 Schuddingen opeenvolgende. 



5 


u. 


30 


m. 


6 


u. 


5 


m. 


6 


u. 


30 


m. 






483 



Tijdstip Getal 

~ . waarop de aard- schud- 
Datum. , ,K , , ,. 

schuddingen heb- din- 

hen plaats gehad. gen. 



Nov. 


17 


7 u. 






1 


Ligte 


schudding. 


>» 


>> 


7 u. 


30 


m. 


1 


ïd. 


vrij lang van duur. 


>> 


>> 


4 u. 






1 


Ligte 


schudding. 


5> 


>> 


7 u. 


45 


m. 


1 


Schudding van aanbelang 


yy 


18 


1 u. 


30 


m. 


1 


Ligte 


schudding. 


t> 


20 


1 u. 


30 


m. 


1 




Idem. 


>) 


yy 


8 u. 


45 


m. 


1 




Idem. 


»» 


>> 


10 u. 


30 


m. 


1 




Idem. 


f» 


j> 


1 u. 






1 




Idem. 


>> 


21 


5 u. 


30 


m. 


1 




Idem. 



„ 12 u. 

;, 2 u. 

„ 3 u. 

23 12 u. 30 m. 

26 6 u. 30 m. 
„ 11 u. 30 m. 
„ 2 u. 15 m. 
„ 8 u. 

„ 10 u. 
„ 4 u. 

27 5 u. 30 m. 
„ 12 u. 

29 13 u. 's middags 

9 11 u. 's avonds 

10 11 u. 30 m. 's morg. 



Den gansenen nacht heeft men 
een aanhoudend onderaardsch 
gedruisch gehoord doch geene 
schokken gevoeld. 
1 Ligte schudding. 
1 Idem. 

1 Zwaardere schudding. 
1 Ligte schudding. 
Idem. 
Idem. 
Idem. 

1 Schudding van aanbelang. 
1 Ligte schudding. 

1 Schudding van aanbelang. 

2 Schuddingen. 

1 Ligte schudding. 

1 Idem. 

1 Ligte schudding o. en w. van 

redelijk aanbelang. 
1 Schudding van p. m. 8 sekonden 

o. en w. van aanbelang. 



.484 



Tijdstip Getal 

~ . waarop de aard- schud- 
Datum. . ,*. . , ,. 

schuddingen heb- din- 

ben plaats gehad. gen. 

„ 25 9 u. 30 m. 2 schokken van aanbelang , nog 

steeds met onderaardsch ge- 
druisch. 

„ 27 8 u. 30 m. 1 Als boven een schok, zeer he- 

vig, met onderaardsch ge- 
druisch. 



Aardbeving te Kediri. 

Volgens de Javasche Courant van den 28sten Julij 1852 is 
te Kediri in den morgen van den 2den Julij 1852 eene aardbe- 
ving waargenomen in de rigting van het zuidoosten, welke 
echter geene schade van eenig belang heeft veroorzaakt. 



Kunstmatige bevruchting der Vanille te Buitenzorg. 

De heer F. D. J. van der Pant, adsistent bij het landbouw- 
scheikundig laboratorium te Buitenzorg heeft, bij brief van den 
9den Julij 1852, der redaktie medegedeeld, dat het hem, na 
een mikroskopisch onderzoek der bloem van Yanilla planifoUa, 
op het landgoed Pondokh Gedeh van den heer Mr. J. H. 
Graaf van den Bosch, den 2den Julij jl. gelukt is, daarmede 
kunstmatige bevruchtingen daar te stellen , daar de vier bloe- 
men, op genoemden dag geopend, reeds 7 dagen later peulen 
hadden voortgebragt van een' vinger lengte en een pink dikte. 

De heer Van der Pant deelt voorts nog mede, dat bij de 
bloem der vanille , de anthera aan de achterzijde van de bloem- 
kroon is vastgehecht en op den stamper sluit , waardoor de 
benedenwaarts gekeerde holle zijde van de anthera, waarin het 
pollen is bevat onzigtbaar is ; — dat de opening van het stigma 
door een klepje is gesloten en het stuifmeel daardoor verhin- 



485 



derd wordt er op te vallen ; — dat de oppervlakte van dit 
klepje kleiner is dan die der anthera en dat , bij het opligten 
van dit klepje, het helmknopje zich naar de opening van het 
stigma buigt en bij eene Iigte drukking het stuifmeel er op 
laat vallen; — dat, wanneer de plaats bevrucht is, de bloem 
en het daaraan bevestigde vruchtbeginsel zich omkeert en dit 
laatste na een drietal dagen in lengte en dikte toeneemt. 

De heer Van der Pant voegt er bij , dat hij nader zal aan- 
bieden eene naauwkeurige beschrijving van de groeiwijze der 
plant, der bevruchting enz. met bijvoeging van teekeningen. 

Het is der redaktie bekend, dat de heer Teijsmann te Buiten- 
zorg, reeds sedert geruimen tijd er in geslaagd is de vanille 
kunstmatig te bevruchten en dat door zijne zorg eene aanmer- 
kelijke en bloeijende aanplanting van vanille te Buifcenzorg is 
daargesteld. Omtrent de bijzonderheden der kunstmatige be- 
vruchtingen was men echter alhier tot nog toe in het onzekere. 



Iets over de Garn hier kuituur. 

De gambier is een van die artikelen, welke zoowel voor 
den handel in Indië als voor de Europesche markt van groot 
belang zijn. Vroeger werd geheel Indië van gambier uit den 
Iliouwschen Archipel voorzien , doch thans voorziet het schier- 
eiland Malakka grootendeels of misschien geheel in de behoefte 
van de Europesche markt en van het meerendeel der eilan- 
den, oostwaarts van Java gelegen. 

De gambierkultuur is op Java beproefd en schijnt goed te 
slagen. De uitbreiding van die kuituur op Java zou gewis 
spoedig kunnen bijdragen tot verlevendiging van den handel 
van dit eiland met den Oostdijken Archipel. Wij vermeenen 
dus de aandacht te mogen vestigen op deze belangrijke kui- 
tuur, door mededeeling te doen van eenige opgaven betreffen- 
de den bouw en de bereiding van den gambier, welke ons zijn 



486 



verschaft door den heer J. H. Walbeehm, algemeenen ontvanger 
te Riouw. 

De gambierkultuur vereischt eenen zeer vruchtbaren grond en 
voor de bereiding wordt een hout- of boschgrond in de on- 
middellijke nabijheid gevorderd van ongeveer gelijke oppervlak- 
te als de bouwgrond. 

De gambier wordt gezaaid op beddingen van eenigzins voch- 
tige en zachte aarde, welke vooraf goed omgewerkt moet 
worden. 

De beddingen worden luchtig gedekt met allang-allang of 
gedroogde klapperbladen, bij wijze van een dak, zoodat zij 
ook voor de op- en ondergaande zon beschut zijn, tot dat de 
plant 4 a 5 duim is opgeschoten, wanneer zij overgeplant 
moet worden in het daartoe ontgonnen terrein. 

Hiertoe graaft men, op afstanden van 6 voet, vierkante gaten 
van V a voet breed en diep, waarin de plant gezet wordt, 
welke men met 2 a 3 duim aarde bedekt, terwijl het overige 
onaangevuld wordt gelaten. Men maakt dan een dijkje van 
hout om de plant, ten einde deze te beveiligen tegen de stor- 
ting van aarde bij regens, tot dat zij 1 a \% voet hoogte 
heeft. Alsdan moet de grond omgewerkt worden, zonder dat 
evenwel de plant mest behoeft. De uitschietende takjes moet 
men ombuigen om de uitspruitsels te vermeerderen. Wanneer 
goede gronden gebezigd worden, kunnen de bladen binnen 
12 of 14 maanden gesneden worden. 

De inzameling der bladen geschiedt des morgens zeer 
vroeg en men bezigt hiertoe een snoeimesje van de gedaante 
van een chineesch scheermes ; de uitschietende takjes worden 
afgesnoeid, in manden verzameld en naar de kokerij gebragt, 
waar de bladen worden afgestroopt in eenen ijzeren pan van 
ongeveer 4 voet middellijn,. 

De bladen worden met zeer zuiver water afgekookt tot dat 
het sap er geheel uitgetrokken is. De uitgekookte bladen wor- 
de er dan uitgehaald en het vocht laat men tot de vereischte 
dikte inkoken, waarna het in vierkante houten bakjes wordt 



487 



gestort om te stollen. Zonder deskundigen zal eene gambier- 
plantaadje niet ligt slagen. 

Eene goede plantaadje kan het geheele jaar door genoegzame 
hoeveelheid bladen opleveren voor het gambierkoken. 

Eene uitgestrektheid zeer vruchtbaren grond van 300 vade- 
men in het vierkant (4| bouw), of, wanneer de grond min- 
der vruchtbaar is, van 500 vademen in het vierkant, levert 
dagelijks 60 a 70 katties gambier op. Men berekent 4 a 5000 
Amsterd. pond goed zwaar brandhout per pikol gambier te 
behoeven. Elk kooksel levert 35 katties gambier en men kookt 
tweemaal daags. Te Riouw zijn voor zulk eene plantaadje 
benoodigd: één koker, drie koelies om bladen en hout aan 
te brengen en af te stroopen of te kloven en twee koelies voor 
het wieden en schoonhouden van den grond, doch deze ver- 
dienen allen een hoog loon. 

H. D. A. Smits. 



De Lagam-olie van Sumatra. 

De civiele en militaire kommandant ter Sumatra's Westkust, 
de kolonel Van Swieten, heeft, naar aanleiding van hetgeen in 
den 3den jaargang pg. 332 van het Tijdschrift van Neêii. ïndie 
omtrent het voorkomen der Lagamolie vermeld is, namelijk dat 
door den natuurkundige Horner op het eiland Pingie, eene soort 
van vloeibare hars gevonden werd, minjak lagam genaamd, 
welke in alle zijne hoedanigheden met den Amerikaanschen 
kopaiva-balsem overeenkomt en uit de ingekapte stammen van 
eene groote boomsoort in aanmerkelijke hoeveelheid uitvloeit, 
den adsistent resident van Ajerbangies en Rau, den heer 
Van der Vinne opgedragen, eene kleine hoeveelheid dezer olie 
te vergaderen, ten einde ze aan een nader onderzoek konde 
onderworpen worden , om daaruit te ervaren , of zij van nut 
voor de geneeskunde zoude kunnen zijn. 



488 



In December 1851 is door den heer Van der Vinne een 
fieschje dezer Iagamolie verzameld en verzonden, met opgave 
dal: de lagamboom op de Batoe-eilanden, op het eiland Pingie, 
aan den vasten wal te Ajerbangies en langs de rivier bij 
Moeara Keawe groeit; voorts, dat deze boomsoort nooit in 
grooten getale vereenigd voorkomt, maar hier en daar in 
de bosschen enkele boomen daarvan gezocht moeten worden. 

Het onderzoek dezer olie, dat mij in Januarij 1852 werd 
opgedragen, heeft de volgende uitkomsten opgeleverd. 

De Iagamolie is vuilwit van kleur, van talkachtige konsis- 
tentie , smelt bij verwarming onder ontwikkeling van water en 
aetherische olie-dampen , welker reuk veel overeenkomst heeft 
met dien van een weinig terpentijnolie bevattenden kopaiva bal- 
sem. Zij kookt bij vermeerderde verwarming, ontvlamt en 
brandt met eene heldere sterk licht en roet gevende vlam, 
laat eindelijk eene zeer geringe hoeveelheid, gemakkelijk te 
verbranden, kool achter, die slechts sporen van eene witte 
eenigzins graauwachtige asch bevat. 

De smaak der iagamolie is verkoelend, etherisch, eenigzins 
kopaivaachtig en Iaat een scherp gevoel in den mond achter. 

Aan de lucht in lagen van omtrent een millimeter dikte op 
glazen platen blootgesteld, droogt de Iagamolie allengskens , 
doch langzaam. Na verloop van 8 dagen was slechts hare 
oppervlakte geheel droog. Met water gekookt , ontwikkelt 
de Iagamolie met etherische oliedampen bezwangerde water- 
dampen. Zij nam wel het tienvoudige aan omvang toe, kreeg 
eerst eene harde boterachtige konsistentie van zuiver witte kleur, 
werd allengskens hard, stijf en minder homogeen. Het water 
reageerde nu zwak zuur , had echter slechts sporen er van 
opgelost, want eene kleine hoeveelheid in een' platinalepel 
verdampt, gaf sporen van een residuum, hetwelk , na het bran- 
den , een naauwelijks zigtbaar spoor van asch achterliet. Her- 
haaldelijk met water gekookt tot de dampen naauwelijks nog 
reuk bezitten , wordt de Iagamolie taai , vermindert wederom 
van omvang en na verdamping van al het water, blijft eene 
schoone hars achter, die de volgende eigenschappen bezit. 



439 



Deze hars, tot omtrent 60 ten honderd in de lagamolie be- 
vat, is doorschijnend, van gele lichtbruinachtige kleur, hard, 
broos, van onregelmatige breuk, laat zich gemakkelijk tot 
een witachtig, eenigzins zamcnhangend poeder wrijven, bezit 
nog eenigzins den reuk der lagamolie, en smelt en verbrandt 
bij vermeerderde hitte, zooals reeds is aangehaald. 

In water is ze onoplosbaar. In 4 tot 6 deelen kouden alko- 
hol van 95% lost ze zich op , blijvende slechts eene zeer gerin- 
ge hoeveelheid niet tot de hars behoorende stof, onopgelost. 
Deze oplossing is helder , van eenen eenigzins geelachtigen tint, 
en zonder reaktie op lakmoespapier. In de kookhitte reageert 
zij echter zwak zuur. De geringe hoeveelheid onopgelost ge- 
blevene stof bleef onoplosbaar in kokenden alkohol. Met wa- 
ter verdund , scheidde zich uit deze oplossing de hars in eenen 
witten poederachtigen vorm af. De oplossing is kleverig. 
Eene gepolijste metaalvlakte, daarmede overgoten, was na het 
opdroogen met een wit, dof, meer of min vast hechtend be- 
kleedsel bedekt. 

In gezuiverde terpentijnolie is de tot poeder gewrevene hars 
gemakkelijk tot op eene zeer geringe hoeveelheid na oplosbaar. 
Na verwarming is deze oplossing zeer kleverig, lichtbruinach- 
tig geel van kleur en bezit alle eigenschappen van een 
zeer goed en bruikbaar vernis , hetwelk , op de markt bekend 
zijnde, een gezocht handelsartikel zou zijn. Ik heb daarmede 
hout- en lederwerk en gepolijste metaalvlakten overtrokken , 
en het vernis na verloop van 24 uren bijna geheel opgedroogd 
bevonden, hetwelk bij andere soortgelijke vernissen gewoon- 
lijk eenen veel langeren tijd vereischt Het zoude belangrijk 
zijn, daaromtrent proeven meer in het groot te nemen. 

In vette olie is de hars oplosbaar. Deze oplossing biedt 
echter geene bijzonderheden aan. Zij kan slechts tot genees- 
kundige doeleinden in aanmerking komen. Overigens is deze 
hars zeer geschikt om in de geneeskunde het kolophonium te 
vervangen, wanneer het gemakkelijk en niet al te kostbaar 
mogt verkrijgbaar zijn. 

De etherische oliedampen , die gedurende het koken der 



.490 



lagamolie met water , met den waterdamp zich ontwikkelen , 
behoorlijk opgevangen en van het water gescheiden zijnde , 
vormden eene olie, van eene eenigzins dikke olieachtige kon- 
sistentie met eenen zwak geelachtigen tint. Haar soortelijk 
gewigt is 0,94 ; hare reuk kopaivaachtig , hare smaak eerst 
kopaivaachtig, daarna verkoelend, onaangenaam bitter. 

In gelijke deelen watervrijen alkohol is zij oplosbaar. Be- 
vat de alkohol eenig water, dan wordt er meer daartoe ver- 
eischt. Bij zachte warmte vervlugtigt de olie geheel. Bij ver- 
meerderde hitte ontvlamt zij en brandt met eene heldere roet 
gevende vlam. Door herhaalde destillatie met water is deze 
olie misschien waterhelder te verkrijgen. Zij is tot 24 ten 
honderd in de lagamolie bevat en zal slechts tot geneeskun- 
dige doeleinden kunnen worden aangewend. Of zij den kopaï- 
vabalsem kan vervangen, is mogelijk, doch blijft aan de be- 
slissing van deskundigen overgelaten (1). 

Weltevreden 4 Maart 4832. P. J. Maier. 



Visschen van Solor. 

De heer Van Stockum, officier vau gezondheid 2de kl. bij 
de koninklijke marine , heeft de welwillendheid gehad mij 
eenige naturaliën van Solor aan te bieden. Hierbij bevinden 
zich 3 vischsoorten, verzameld te Katottoe, t. w. Balistes con- 
spicillum BI. Schn. , Ostracion cornutus L. en Ostracion rhino- 
rhijnchos Blkr. In een vroeger berigt (Nat. Tijdschr. N. Ind. 
II. p. 347) heb ik reeds 7 Solorsche vischsoorten vermeld, t. w. 
Serranus marginalis CV., Caesio coerulaureus Lacép. , Chaeto- 
don vittatus BI. Schn., Chaetodon unimaculatus BI., Chaetodon 



(1) Indien ik mij niets vergis, is reeds eenige jaren geleden eene soort 
van lagamolie door de heer J. C. A. Diederichs onderzocht en door 
hem op de belangrijkheid daarvan opmerkzaam gemaakt. Deze soort van 
olie had de konsistentie van den kopaivabalsem en was, geloof ik, te Ben- 
koelen vergaderd. 



491 



virescens CV., Acanthurus scopas CV. en Glyphisodon melas 
K. v. H. , zoodat thans 10 vischspecies van Solor bekend zijn, 

Blreker. 



Tentoonstelling te Batavia , te houden in 1855. 

Ten vervolge op het verslag, voorkomende op pag. 351 van 
dezen jaargang, deelen wij thans mede, dat door den resident 
van Samarang, daar ter plaatse, een kommittee is te zamenge- 
bragt, doch dat, in weerwil der goede pogingen door de leden 
van dat kommittee aangewend, aldaar niet veel belangstelling 
in deze onderneming betoond wordt. 

Wij mogen ons evenwel verheugen dat in vele andere ge- 
westen groote belangstelling aan den dag wordt gelegd , waar- 
van de aanzienlijke inschrijvingen, welke onlangs zijn ingeko- 
men , getuigen. 

Toen het voorgaande nummer van dit tijdschrift in het licht 
verscheen , waren bekend : 

inschrijvingen tot een bedrag van f 11603. — 

sedert zijn ontvangen inteekeningslijsten van 

Bezoeki „ 298.— 

Samarang „ 667. — 

Soerabaja (1) stad en voorsteden f 1961. — 
afdeeling Madura . „ 669. — 
afdeeling Soemanap 

en Pamakassan . „ 659. — 
afdeeling Grissee . „ 398. 50 
afdeeling Modjokerto „ 15. — 

f 3702. 50 „ 3702. 50 

Cheribon „ 1311. — 

Batavia (2) „ 1210.50 

Totaal f 18792.— 

(1) Van Soerabaja worden nog eenige lijsten te gemoet gezien. 

(2) Ook te Batavia cirkuleren nog eenige lijsten; tot dusverre is hier 
ingeschreven voor ƒ 7656.50. 



492 



Z. H. de sulthan van Soemanap, de rijksgrooten en regen- 
ten van Madoera , alsmede de regenten en inlandsche hoofden 
in de residentie Cheribon hebben door ruime inteekening be- 
wijzen gegeven van groote belangstelling in de tentoonstelling. 

Het is ons ook eene aangename taak te vermelden, dat door 
de leden van de Vereeniging Musis te Batavia nog is aangeboden 
eene som van f 240, afgescheiden van de persoonlijke inschrij- 
vingen van die heeren. 

In eene algemeene vergadering, gehouden den loden Julij , 
is besloten: om gevolg te geven aan het voornemen om de 
tentoonstelling in September 1853 tot stand te brengen, waar- 
van openlijke mededeeling is gedaan in de Javasche couranten 
van 21 en 24 Julij. 

De inning van de gelden, te Batavia ingeschreven, is opge- 
dragen aan den sekretaris der kommissie voor de tentoonstel- 
ling, den heer Smits, terwijl de gouverneurs en residenten 
van de overige gewesten, en de kommitees te Soerabaja en 
Samarang zijn uitgenoodigd om elders de gelden te willen doen 
ontvangen en die onder hunne berusting te houden tot nadere 
beschikking. 

Wijders is besloten, om al de reeds ingeschreven en nog in 
te schrijven gelden aan te wenden tot het doen vervaardigen 
van belangrijke voorwerpen van inlandsche nijverheid , welke 
niet dan door dadelijken aankoop voor de tentoonstelling ver- 
kregen kunnen worden. 

De verzameling van voorwerpen , welke aldus zal worden 
vergaderd, is men voornemens, na expositie te Batavia, ter 
beschikking te stellen van het gouvernement , ten einde die 
goederen ook in Nederland te kunnen doen tentoonstellen op 
eene expositie van Indische voorwerpen , welke zijne excel- 
lentie de minister van koloniën in Nederland wenscht te zien 
tot stand gebragt. 

De verschillende gouverneurs , de residenten en de kom- 
mittees te Soerabaja en Samarang zijn uitgenoodigd om , zoo- 
veel mogelijk, te willen mededeelen, welke voorwerpen voor 
de tentoonstelling zouden kunnen verkregen worden door vrij- 



hm 



'illige inzending; — welke belangrijke voorwerpen van inland- 
le nijverheid opzettelijk voor de tentoonstelling zouden moeten 
worden vervaardigd en niet dan door dadelijken aankoop verkre- 
gen kunnen worden ; — alsmede eene raming van de uitgaven , 
welke gevorderd worden voor den aankoop van die voorwerpen. 
Door den heer C. T. Deeleman , ingenieur van den water- 
staat , is het projekt aangeboden voor een gebouw voor de ten- 
toonstelling. 

Het programma voor de tentoonstelling wordt nu opgemaakt, 
en zal gepubliceerd worden , nadat het zal zijn aangenomen 
door de algemeene kommissie. 



Levensberigt van Mr. D. W. J. G, Baron van Lijnden. 

De Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië heeft 
een gevoelig verlies geleden in het haar ontvallen van Mr. D. 
W. J. C. Baron van Lijnden, die in' nog jeugdigen leeftijd te 
Timor koepang overleden is. 

Dirk Wouter Jacob Carel Baron van Lijnden w T erd geboren 
te Wageningen den 23sten December 1818. Zijne ouders waren 
Jan Carel Elias Graaf van Lijnden en Antoinetta Jacoba Mar- 
garetha Barones yan Pabst tot Bingerden. Na zijne studiën 
aan de Leidsche hoogeschool volbragt te hebben en aldaar in 
de regten te zijn gepromoveerd, kwam hij in November 1841 
in Nederlandsch Indië , als ambtenaar der lste klasse. In Janua- 
rij 1842 werd hij ter beschikking gesteld van den algemeenen 
sekretaris van de Indische regering en in April 1843 benoemd 
tot hoofdkommies ter algemeene sekretarie. Spoedig daarna , in 
Julij 1845, werd hij bevorderd tot referendaris en in Janij 
1846 tot adsistent resident van Pontianak , van welke betrek- 
king hij in Januarij 1848 ontheven werd , ten einde de rege- 
ring van hem tijdelijk gebruik zou kunnen maken bij de invoering 
der nieuwe regterlijke organisatie in Nederlandsch Indië. Kort 



494 



daarna werd hij benoemd tot lid in den raad van justitie te Bata- 
via. In Oktober 1848 volgde zijne benoeming tot resident van 
Timor, in welke belangrijke betrekking hij den 22sten Mei 
1852, in 33jarigen leeftijd, overleed. 

Deze korte maar schoone loopbaan had Van Lijnden te dan- 
ken aan zijne buitengewone bekwaamheden , welke de regering 
dezer gewesten wist op prijs te stellen. Zoo afwisselende en 
belangrijke werkkringen hebben Van Lijnden weinig tijd gela- 
ten om veel aan den tempel der wetenschap te bouwen, maar 
toch heeft de wetenschap aan zijnen ijver en kennis twee be- 
langrijke verslagen te danken over het Stroomgebied der Ka- 
poeas en over de groep om Timor gelegene en tot dex residen- 
tie Timor behoorende eilanden , beide welke stukken zijn op- 
genomen in dit Tijdschrift en kunnen getuigen van de kennis 
en waarnemingsgeest van den schrijver. Maar veel heeft nog 
Van Lijnden voor de wetenschap gedaan door de bescherming 
en ondersteuning, waarmede hij natuurkundige reizigers heeft 
vereerd en waaraan menige botanische ontdekking is te dan- 
ken. De heer Zollinger, de ijverige plantenkundige, die zoo- 
veel tot de kennis van Java , Sumatra , Bali , Lombokh en 
Soembawa heeft toegebragt, heeft vroeger reeds hulde gebragt 
aan dien ijver en zucht van Van Lijnden voor de wetenschap- 
pen , door een nieuw geslacht van Memecyleae naar hem te 
noemen (1). 



(I) Lyndenia laurina Zoll. Mor., beschreven in, Systematisches Verzeich- 
niss der von H. Zollinger in den Jahren 1842—1844 auf Java gesam- 
melten Pflanzen, nebst einer kurzen Beschreibungder neuen Gattungen und 
Arten von A. Moritzi, Solothurn 1845 — 1846, 8° p. 10; en daaruit in 
het Natuur- en Geneeskundig Archief voor Nederlandsen Indië, Jaarg. IV, 
1847 p. 27. 



495 

Personaliên. 

Vertrokken. 

Gewone leden. 

ü. F. W. J. Hugüenik, van Batavia naar Sumatra's Westkust (in zending). 

Dr. 0. G. J. Mohnike , van Batavia naar Sambas (overgeplaatst). 

P. Jakles , naar Nederland (tot herstel van gezondheid). 

Dr. F. C. Schmitt , van Batavia naar Poerworedjo (overgeplaatst). 

H. vorr Dewall , na tijdelijk verblijf te Batavia, naar Borneo's Oostkust (in 

kommissie) 
C. F. A. Schneider , van Batavia naar Palembang (Lahat). 
V. Baron van Tuijll van Serooskerken, naar Nederland. 



. Geschenken aan de Vereeniging. 

Naturaliën. 

1. Een kistje met tinerts van Soengieliat (Banka), aangeboden door den 

heer J. H. Croockewit Hz. 

2. Een kistje met kopererts van Surnatra , aangeboden door den heer 

W. H. Smit , officier van gezondheid 1ste kl. bij Zr. Ms. zeemagt. 

3. Een bamboezen koker , inhoudende eenige lood- en koperertsen van 

Sumatra's Westkust (aangeboden door den heer H. W. Schwanek- 
feld , lid der vereeniging). 

Boekwerken. 

Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten- 
schappen Dl. XXIV 1852, 4°. (van het genootschap). 

Verhandeling over scheikundige metaalverbindingen , door J. H. Crooc- 
KEWIT Hz. (van den schrijver). 

Der elektromagnetische Telegraph in den einzelnen Stadiën seiner Ent- 
•wicklung und in seiner Ausbildung und Anwendung , nebst einer 
Einleitung über die optische und akustisehe Telegraphie und einem 
Anhange über die elektrischen Uhren; bearbeitet von H. Schellew; 
Braunschweig , 1850 8° (aangeboden door den heer J. H. Croocke- 
■wit Hz.) 



•496 



Biang Lala , Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud , 
onder redaktie van W. L. Ritter en L. J. A. Tollens. Jaarg. I. 
1852. Aflev. 3 (van de redaktie). 

The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia , edited bij 
J. R. Logan , vol. VI, aflev. April 1352 (van de redaktie). 

Bijdrage tot de kennis der Blootkakige visschen van den Indischen Ar- 
chipel, door P. Bleeker, Batavia 1851 4° (van den schrijver). 

Bijdrage tot de kennis der Snoekachtige visschen van den Indischen Ar- 
chipel , door P. Bleeker , Batavia 1851 4 o (van den schrijver). 

Geologie appliquée ou traite de la recherche et de 1'exploitation des mi- 
néraux utiles , par A. Burat 2 e édit. Paris 1846 8 Q (aangeboden doo r 
den heer J. G. X. Broekmeijer, lid der vereeniging). 



IIHOIID. 



A /levering IV & V. 



Bladz. 



J. H. Croockewit Hz., Uittreksel van het rapport eener 
reis over het eiland Billiton. ..... 355 

P. Bleeker , Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyolo- 
gisehe fauna van Borneo. Visschen van Pamangkat, Ban- 
djermassing, Praboekarta en Sampit. .... 407 

P. Bleeker , Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van het eiland Banka. ....... 443 

P. J. Maier, Scheikundig onderzoek van eenige op Java 
voorkomende minerale wateren. 

De Arragonietheuvels van Koeripan en hunne mine- 
rale wateren. 46 1 

Warme minerale bron , gelegen op de grensscheiding 
van Lembang en Djamboedwipa, residentie Prean- 

ger-regentschappen. 471 

P. J. Maier, Scheikundig onderzoek van twee minerale 
wateren van Japan. 

a. De minerale bron Oeresino 477 

b. De minerale bron ïakiwo 480 

Berigten van verschillenden aard: 

Aanteekeningen van de aardschuddingen waargenomen te 

Indramajoe in 1847, door S. L. P. D. Niepce. . 482 
Aardbeving te Kediri, waargenomen den 2den Julij 1852. 484 
Kunstmatige bevruchting der Vanille te Buitenzorg, door 
F. D. J. van der Pant. . . . . . . 484 



Bladz. 

Iets over de Gambierkultuur, door H. D. A. Smits. . 485 
De Lagam-olie van Sumatrn , door P. J. Maier. . . 487 

Visschen van Solor, door P. Bleeker 490 

Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1853. . . ,, 

Levensberigt van D. W. J. C. Haron van Lijnden. . . 493 
Personaliën. . . . . . . . .493 

Geschenken aan de Natuurkundige Vereeniging in Neder- 
landsen Indië. ........ 495 



rsxs>- 



-e^> 



NATUURKUNDIG TIJDSCIIItlFT 




VOOK 



NEDERLANDSCH IlXDIË. 



UITGEGRVF.N DOOR 









DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 



w 



NEDERLANDSCH INDIE. 



WKRHK JilRGi^T*. 
Aflevering' II. 



BATAVIA, 

IAIGE & C». 

1 8 5». 



«ys- 






OVER HET WATERGEHALTE IN VERSCHILLENDE LUCHT 

DROOGE KOFFIJSOORTEN EN DE DAARVAN 

AFHANGENDE HOEDANIGHEDEN. 



DOOR 



O*. P. F*. M. FROUfBERfi. 



Tot dit onderzoek, is ter mijner beschikking gesteld ge- 
worden een aantal koffijsoorten van Java, welke ik vooraf kor- 
telijk zal beschrijven. 



Namen der plaatsen. 



o 



C O o; 

voeten 



Beschrijving der koffij, zooals die was 
bij de ontvangst. 



I. Pelmolen te Sisir. 



IL Pakhuis te Sisir W. 
Ind. berei 
bevolking. 

III. Idem gewone be- 
reidingswijze. 

IV. Genting. 



O \V. Tjigoegoer. 

M 

U /VI. Tjiroke. 



HL 



2700 



2500 



2000 



700 



Ontvangen September 1850. — Graauw- 
groen, ongevlekt, vrij gelijk van 
grootte. 

Ontvangen als boven. — Lichtgroen- 
achtig geel; meerendeels groote boo- 
nen. 

Ontvangen als boven. — Vuilgeel , mee- 
rendeels groote boonen. 

Ontvangen 23 December 1851. — Gelijk- 
matig graauwgroen, ongevlekt, on- 
gelijk van grootte; de meeste boonen 
middelmatig. 

Ontvangen als boven. — Een deel der 
boonen graauwgroen, een ander lichter, 
tot geelachtig groen, sommige met 
lichte vlekken, zeer ongelijk van 
grootte. 

Ontvangen als boven. — Alle boonen 
gevlekt, meestal donker graauw-groen, 
deels lichter tot vuilwit, de meeste 
middelmatig , deels zeer groot. 

37 



498 



Namen der plaatsen. 





.', 




> 


ei 


O 


o 


'... 


0) 
















OJ 






fi, 


o 


-1 


O.T3 


5 


O 

o 


o 


— i 


13 




voeten 



Beschrijving der koffij, zooals die was 
bij de ontvangst. 



•VIL Lingadjati. 

VIII. Baijoening. 
° |IX. Tji walen. 

M I 

P3 ]X. Soekasahari. 

W 

O 

XI. Mandirantjan. 



^ ƒ XII. Malejbar. 

P, 

Pm 
< 

g ÏXIII. Pengilingan. 

^ <f XIV. Lembaug. 

8 

P4 

pi 

O S XV. Tjiseroepan. 

P3 



1500 



2200 



2700 



;000 



1000 



3500 



4 4 '00 



3880 



3770 



Ontvangen als boven. — Alle boonen 
gevlekt, meer licht dan donker ge- 
kleurd; de meeste graauw-groenach- 
tig wit; meerendeels kleine boonen, 
de grootste middelmatig. 

Ontvangen als boven. — Meest alle de 
boonen gevlekt; de graauw-groene 
kleur overwegende; zeer ongelijk 
van grootte. 

Ontvangen als boven. — Bij uitstek ge- 
vlekt, vele mcerendcels lichtgroen 
graauw met enkele donkere vlekken; 
zeer ongelijk van grootte. 

Ontvangen als boven. — Zeer weinig 
gevlekt; de meeste graauwachtig 
groen, wat licht, enkele graauwgeel, 
de meeste middelmatig, sommige zeer 
groot. 

Ontvangen als boven. — I>e lichtste 
van allen ; grondkleur vuilgeel , met 
allerlei nuancen van grijs en graauw- 
groen op dezelfde boon j zeer ongelijk 
van grootte. 

Ontvangen 6 Januarij 1852. — De ach- 
terkant der boonen vrij gelijkmatig 
graauw-groen, de voorkant met 
graauwgele vlekken; een mengsel van 
kleine en middelmatige boonen. 

Ontvangen als boven. — Minder gevlekt, 
meer bruinachtig van tint, meer on- 
gelijk van grootte. 

Ontvangen als hoven. — Zeer gelijk van 
kleur, ongevlekt, donkerder dan de 
beide vorige, bruinachtig van tint; 
vrij gelijk van grootte. 

Ontvangen als boven. — Meer gevlekt 
dan die van Malejbar; kleur ongeveer 
als die van Pengilingan, maar ongelijk 
bij verschillende boonen; zeer ongelijk 
van grootte. 



Vergeleken met de koffij van Sisir , zijn deze vier soorten 
(Preanger) bijna blaauw-grijs te noemen , en iets donkerder 
van kleur. 



499 



Graad van droogte. 

Het watergehalte werd bepaald, kort na de ontvangst der 
koffij, en tevens op nieuw dat der drie soorten uit Malang, om 
te weten of het bestendig was gebleven. 

De drooging geschiedde bij 100° G. ; maar tot op 120° C. 
verliest de koffij nog eenig vocht. 

De uitkomsten zijn als volgt: 

Watergehalte bij de ontvangst. 



ti / 


Van 


den pelmoler 


te 


Sisir. 




9,1% 


c 1 


>> 


de bevolking 


W. 


I. 




13,5 „ 


* i 


>> 


)? )» 


gewone ber 


eiding. 


14,7,, 


*3 \ 








Gemiddeld dezer twee 


14,1o/ 


, 


Van 


Genting. 








13,7% 


c l 


>j 


Tjigoegoer. 








13,5 „ 


o 1 


5> 


Tjiroke. 








14,5 „ 


"^ 1 


il 


Lingadjati. 




• 




14,5 „ 


c? 


ii 


Baijoening. 








14,6,, 




ii 


Tjiwalen. 








16,1 „ 


CJ I 


)> 


Soekasahari. 








14,2,, 


V 


J> 


Mandirantjan. 






Gemiddeld 


15,1 „ 




14,5% 


*■* ( 


Van Malejbar. 








16,6% 


bc y 


>> 


Pengilingan. 








16,4 „ 


ed 1 

<v f 


>> 


Lembang. 








14,4 „ 


'— f 


»> 


Tjiseroepan. 






Gemiddeld 


15,8,, 

15,8% 



Daaruit blijkt: 
Ie. Dat de koffij uit de Preanger-Regentschappen het meeste 

t water bevatte; dat die van Cheribon ongeveer gelijk staat 
met de twee soorten uit Malang, door de bevolking bereid, 
en dat die van den pelmolen te Sisir een derde minder wa- 
ter bevat dan de laatstgenoemde. 
2e. Dat die van Sisir 2 proc. water meer inhield, dan voor onge- 
veer zeven maanden, door het van tijd tot tijd kortstondig 
openen der flesch. 
Hieruit kreeg ik aanleiding, om te onderzoeken, welken in- 



500 



vloed het klimaat der plaats, waar de koffij bewaard wordt, op 
haar watergehalte heeft , onafhankelijk van het oorspron- 
kelijke. 

De uitkomsten zijn als volgt: 

Watergehalte op den 24sten Watergehalte op den oden 
Januarij 185%. Maart 1852. 






g> (Pelmolen te Sisir 8,8°/ 

Boonen. js i Bevolking W. I. 13,5 „ 

Groote Kleine g \ „ gew. bereiding 14,9,, 

Gemidd. der twee 14.2% 

/VanGenting 16,2°/ 15,6°/ 14,3,, 

a\ „ Tjigoegoer. 16,1,, 16,3,, 13,5,, 

o \ „ Tjiroke 16,1 „ 16,0,, 15,3,, 
f ) „ Lingadjati 16,7,, 16,3,, 
„ Baijoening 16,7,, 16,6,, 

„ Tjiwalen 16,8,, 16.5,, ë /Malejbar 16,7% 

,, Soekasahari 16,7,, 16,7,, c jLembang 15,4,, 

„ Mandirantjan 16,3,, 16,2,, S wjiseroepan 16. 4, , 

Gemiddeld 16,5% 16,3°/ ^ Gemiddeld 16,2o /o 

Zij toonen aan: 
Ie. Dat hier reeds na 22 dagen, enkel door het nu en dan 
openen der flesschen, bij al de soorten eene vermeerdering van 
watergehalte had plaats gehad, — en wel onafhankelijk van den 
oorspronkelijken graad van droogte, tot een bijna gelijk bedrag. 
Wat hieraan nog ontbreekt , is alleen een gevolg van het korte 
tijdsverloop tusschen de eerste en tweede waterbepaling. In- 
derdaad, schijnen de aanvankelijk droogere soorten minder vocht 
aangetrokken te hebben, dan de minder drooge, gelijk voor- 
al blijkt door de koffij van Sisir. 

Van deze deed ik den 5den Maart op nieuw eene waterbe- 
paling, en vond toen (bij 100°/ o G. graden gedroogd) 8,8 n / , 
dus 0,3% minder dan twee maanden vroeger. 
2e. Dat het watergehalte op dezelfde plaats, bij minder regen- 
achtige dagen , weder kan afnemen , het meest bij de aan- 
vankelijk droogere soorten. 
Doch hierin maakt de Preanger- koffij eene uitzondering; 
3e. Dat er geen verschil in watergehalte bij kleine en groote 
boonen gevonden wordt, of althans spoedig verdwijnt. 



SOI 



Er is, naar deze uitkomsten, wel niet te twijfelen aan den 
invloed van het klimaat op het watergehalte der koffij , mis- 
schien zoo wel bij de oorspronkelijke drooging, als bij de 
latere opschuring. Die invloed is echter voor het eerste geval 
van grooter gewigt. 

Is op de plaats der bereiding de hoogte der temperatuur on- 
afgebroken en duurzaam genoeg, de lucht langen tijd hel- 
der, dan ondergaat de koffij met de sterkere drooging, eene 
inkrimping, die het later opnemen van water in de pakhuizen 



De goede uitwerking daarvan op andere eigenschappen der 
koffij zal straks nader worden aangetoond. 

Daar de acht pelmolens in Cheribon, waarvan de onder- 
zochte koffij afkomstig is, allen op veel geringere hoogte liggen , 
dan de vier van de Preanger-Regentschappen, is de gemiddel- 
de temperatuur er hooger. Van daar dat het watergehalte dezer 
Cheribonsche koffij iets minder is. 

Ik heb gepoogd te bepalen, hoeveel water de verschillende 
koffijsoorten in zekeren tijd kunnen opnemen, bij ruimen toe- 
gang der lucht onder ligte bedekking, met het doel om te we- 
ten, of ook dan het oorspronkelijke verschil in watergehaite 
der koffij van verschillende hoogte herkenbaar blijft. 

De uitkomsten zijn als volgt: 





~ ^ T3 


a 


1 CD 

co e 


i 




— -, 'S 


co 

03 <*Z 


£ fl c 


bc <v 
'— bc 


Namen der Koffijsoorten. 


ronke 

ehalte 

bepa 


=3 co 
en bD 


se» 


'S c a 




CU ?*>u 

£ 5 o 


$ § 


>. CU bc 


— *"* co 






w" 5 


05 O O 

o -- c 




Sisir. 


9,1% 


90,9°/,, 


14,8% 


->2 1°/ 

— J > * /o 


Malang, W. I. 


13,5,, 


86,8 „ 


j,ü ,, 


22,4,, 


„ gewone. 


14,7,, 


88,3 „ 


7,8 „ 


22,0,, 


Tjiseroepan. 


15,8,, 


84,2,, 


7,6 „ 


23, „ 


Malejbar. 


16,6,, 


83,4,, 


6,3 „ 


22 9 


Lembang. 


14,4,, 


85,6 „ 


9,1 „ 


22 9 


Tjiroke. 


14,5,, 


88,8 „ 


7,8 „ 


22,8,, 


Genting. 


13,7,, 


86,3,, 


8,1 „ 


21,3,, 


Tjiwalen. 


16,1 „ 


83,9,, 


6,8 „ 


22,2,, 



Gemiddeld 22,4°/ fl 



S02 



Daaruit is af te leiden, dat bij blootstelling der koffij aan de 
ruime inwerking der dampkriogslucht, in een besloten gebouw, 
de oorspronkelijke verschillen in het watergehalte geringer wor- 
den. Vooral blijkt dit uit de koffij van Sisir, die in negen 
dagen geheel gelijk is gekomen aan het gemiddelde der Che- 
ribonsche, zoo dat het verschil van 33% geheel verdwenen is. 
Daarbij wordt dan een maximum bereikt, verre boven het 
geen de koffij op dezelfde plaats, doch in massa's bijeenge- 
pakt , kan opnemen. 

De in verschillenden graad slechte uitwerkselen van deze 
ongehinderde wateropneming zullen straks nader worden aan- 
gewezen. 

Bij langere blootstelling aan de lucht, verloren zij allen aan 
gewigt, dat is aan water, blijkens de ondervolgende op- 
gave. 



Hoeveelheid icater , door langere blootstelling aan de 
lucht behouden. 





p. — © 


'r> O 


CU c ó 


i 




° o r ^> _i. 


cz T* 


o o^ A 


9 


Namen. 


■« !2 "^ : -"- 5 
•- 3 2 


£ 5 • 

2 <U 


•SPSS 5 






© S te Ja 


O) '■*> ï_ 

il © 


Gew 
den! 

dag ( 
bru 


p 


Sisir. 


9,7'iOO gr. 




9,1910 gr. 


2,56% 


Malang W. I. 


8,-170* „ 


0,39%, 


8,0604 „ 


1.3* „ 


„ gewone. 


7.8750 „ 


0,64 „ 


7,7420 „ 


IJ0 „ 


Tjiseroepan. 


10,4220 „ 




10,2410 „ 


1.7* „ 


JVlalejbar. 


8,1950 „ 


0,49,, 


8,0260 „ 


•2,06 „ 


Lembang. 


10,1590 „ 


0,56,, 


9,9ï00 „ 


2,07 „ 


Tjiroke. 


9,9440 „ 




9,7610 „ 


1 ,8* „ 


Genting. 


9,7720 „ 


0,29 „ 


9,5460 „ 


2,40 „ 


Tjiwalen. 


9,5900 „ 


0,59,, 


9,3960 „ 


2,02 „ 



Den 9den dag, op de vorige bladz. als eindterm opgegeven , 
viel op den 13den Februarij. 
Moeijelijk is het, juiste rekenschap te geven van de oorzaak 



503 



waardoor èn de aanvang èn de hoeveelheid van het latere vocht- 
verlies zoo verschillend was bij deze 9 koffijsoorten. Zij on- 
dergingen toch allen gelijktijdig en op dezelfde plaats den in- 
vloed der lucht. Ongetwijfeld staat het in verband met den 
gang der schimmelvorming. 

Van hoeveel belang eene goede, digte afpakking is, onmid- 
dellijk na de drooging, om het weder opnemen van water te 
belemmeren, bleek mij uit de koffij van Sisir. Deze had, in 
eene blikken bus alhier bewaard, na 16 maanden, slechts een 
watergehalte van 13,7% bereikt. 

Digte afpakking in balen, of nog beter in vaten, is eene toe- 
nadering tot het sluiten in eene blikken bus, en de vertraging 
in het wateropnemen wordt er dus evenzeer bij nadering 
door bewerkt. 

Het kwam mij voor, dat, hetzij ten gevolge van den oor- 
spronkelijken droogingsgraad, of wel van de plaats van af- 
komst, bij deze koffijsoorten een verschil in de vastheid van 
struktuur moest bestaan , dat de latere wateropneming eenigzins 
bepaalde. Om dit te ontdekken, heb ik de volgende soorten, na 
op 100° C. gedroogd te zijn, gelijktijdig van af den 20sten Januarij, 
onder ligte bedekking aan den invloed der lucht blootgesteld, 
en in achtereenvolgende perioden de wateropneming door het 
gewigt bepaald. 

Ik zal hieronder slechts de uitkomsten voor de laatste peri- 
oden opgeven. 

Vermeerdering van watergehalte na drooging bij 100° C. na 
18 dagen (20 Januarij tot 7 Februarij). 

Namen. Watergehalte in 100 deelen koffij. 



Sisir. 21.2% 

„ gewone. 20,8 „ 

Lembang. 20,8 „ 

Tjiseroepan. 20,6 „ 



£04 



Namen. Waterge! 


halte in 10 


Malejbar. 


20,3 „ 


Pengilingan. 


20,6 „ 


Soekasahari. 


23,0,, 


Tjiwalen. 


17,3,, 


Genting. 


20,5,, 


Tjigoegoer. 


18,9,, 


Tjiroke. 


16,6,, 


Mandirantjan. 


21,1,, 


Baijoening. 


20,1 „ 


Gemiddeld. 


'20,1 „ 



Zij toonen, onvolledig als zij zijn, aan: 
Ie. Dat, zelfs na een veel langer tijdsverloop, onder overigens 
dezelfde omstandigheden, een geringer maximum van wa- 
terdeelen was aangetrokken, dan voordat de koffij bij 
100° C. gedroogd, dat is, bijna watervrij gemaakt was. 

Zie hiervoren bladz. 501. 

Bij de laatste was, na negen dagen, het gemiddelde gehalte 
22,4%; bij dezelfde soorten op 100 o G. gedroogd , na achttien pla- 
gen slechts 20,1%. De wateropneming was hier tevens veel 
trager geschied. 

2e. Dat bij de vier Preanger soorten een bijna gelijk waterge- 
halte bereikt was. 

De uiteenloopende cijfers bij de Cheribonsche soorten schij- 
nen niet enkel in verband te staan met haar verschillend 
voorkomen. In de tweede afdeeling zal ik daarom berigt doen 
van de uitkomsten van een gelijksoortig onderzoek, ingesteld met 
Buitenzorgsche koffij, die door mij zei ven is bereid op eene met 
de W. I. overeenkomstige wijze, ten einde te doen blijken, waar- 
uit dit verschillend water-opnemend vermogen bepaaldelijk kan 
afgeleid worden. 

Een te hoog watergehalle in de versch bereide koffij geeft 
aanleiding tot beschimmeling, kleurverlies, vlekken, vermindering 
van soortelijk gewigt (ligte koffij) , en waarschijnlijk ook, einde- 
lijk, tot vermindering of verandering van geur en smaak. 



305 



I. Het beschimmelen der Koffij. 

Beschimmeling van organische voorwerpen is niets anders, 
dan eene vegetatie, een wasdom van de laagste plantensoor- 
ten, schimmels genaamd. 

Deze verschillen naar de hoeveelheden van vocht, licht en 
warmte, en waarschijnlijk ook naar de struktuur en zamenstel- 
ling der voorwerpen, waarop zij groeijen; maar één voor- 
waarde geldt voor allen; er moet genoegzaam vocht zijn, om 
aan de stoffen, waaruit de schimmelplantjes zullen ontstaan en 
gevoed worden, de vereischte bewegelijkheid te geven. Zon- 
der deze, kunnen zij zich niet tot nieuwe plantenvormen rang- 
schikken, maar blijven zamenstellende deelen van het organi- 
sche voorwerp. 

In de koffijzaden vinden wij alle stoffen, in eene groote ma- 
te, vereenigd, die, bij aanwezigheid van genoegzaam vocht, 
schimmels kunnen voortbrengen, van , zoo als ik bevonden heb,' 
allengs veranderende vormen. Dit proces gaat gepaard met eene 
trapswijze vernietiging der eigenschappen , ten laatste met die 
van den vorm der koffij zelve. 

De koffij monsters uit Cheribon en de Preanger-Regentschap- 
pen hebben zich, in dit opzigt, verschillend gehouden. 

De acht van Cheribon waren allen in zakjes of haaltjes ge- 
pakt ; van de vier Preanger soorten was die van Tjiseroepan 
in eene geslotene verzegelde flesch, en kon alleen die van Lem- 
bang in het baaltje bewaard blijven. 

De eerste zijn sedert 23 December 1851, de laatste sedert 
16 Januarij II. in mijn bezit. 

Den 12den April waren deze 9 monsters allen reeds beschim- 
meld, die van Genting het meest; zij waren dit reeds omtrent 
de helft van Februarij. Die van Lembang had een donker asch- 
graauw voorkomen door het schimmelachtige stof, waarmede 
zij overdekt was. Eindelijk die van Sisir, bijna 1 ] / 2 jaar lang 
in eene blikken bus bewaard, waartoe de lucht langzaam toe- 
gang had, was nog niet zigtbaar beschimmeld; zij had echter 
niet meer de kleur, welke een ander gedeelte, in eene witte 



506 



glazen stopflesch aan het licht blootgesteld , nog behouden had. 
Boven (pag. 503) is reeds gezegd, hoeveel die koffij in waterge- 
halte was toegenomen. 

Den 22sten Februarij II. heb ik het gedeelte der 13 koffijsoor- 
ten, dat van den dag der ontvangst afin glazen stopflesschen 
gedaan was, met elkander vergeleken, ten opzigte der beschim- 
meling. 

Dit was omstreeks zestien maanden, nadat de monsters van 
Malang, bijna twee maanden, nadat die van Cheribon, en 1 V 2 
maand nadat die der Preanger-Regentschappen ontvangen wa- 
ren. Zie hier de uitkomsten. 



Van Sisir. 



Malang bevolk. W. I 
„ gewone 
Tjigoegoer. 
Genting. 
Lingadjati. 
Mandirantjan. 
Tjiwaleo. 
Baijoening- 
Lembang. 
Soekasahari. 
Pengilingan. 
Mal ej bar. 
Tjiroke. 
Tjiseroepan. 



Geen spoor van beschimmeling; volko- 
men los. 
Idem, doch zamenklevend. 

Twijfelachtig, en zamenklevend. 
Idem. idem. 

Begon te beschimmelen. 
Idem. idem. 

Idem. idem. 

Iets meer. 

Aanmerkelijk beschimmeld. 
Als de vorige. 
Iets meer. 
Als de vorige. 
Als de vorige. 
Meer. 
Meest van alle. 



Deze opgave vergelijkende met die van 
dezer koftïjsoorten , blijkt het, dat sommige , 



het watergehalte 
alhoewel minder 



droog, minder 



beschimmeld waren dan andere droogere. 



Doch die droogere waren tevens donkerder van kleur, dat 
is, rijker aan bladgroen , hetwelk een vereischte tot rassche be- 
schimmeling schijnt te zijn. De twee graauw- en roodachtig 
gele uit Malang, door de bevolking bereid, hadden genoeg- 
zaam al het bladgroen verloren. 



807 



Eene meer opzettelijke proef omtrent de snelheid en graad 
van beschimmeling , bij ongehinderden, ruimen toegang der lucht , 
heeft dit nog meer doen uitkomen. 

Deze uitkomst is te beschouwen in verband met die der 
wateropneming, vermeld op bladz, 501. De meest beschim- 
melde is onderaan geplaatst; en zoo opklimmend, even als 
op genoemde bladzijde , de na negen dagen, het meest water- 
houdende onderaan geplaatst was. 



1. 


Van 


Sisir 


Een weinig. 




2. 


?? 


Malang. W. I, 


Bijna gelijk. 




3. 


>? 


„ gewone 


Idem. 




4. 


?> 


Tjiwalen. 






5. 


>? 


Tjiroke. 


Weinig verschil. 


Van Lembang rondom 


6. 


» 


Lembang. 


ld. 


[beschimmeld. 


7. 


•» 


Tjiseroepan. 


ld. 




8. 


?? 


Malejbar. 


Iets meer. 




9. 


>j 


Genting. 


Meest. 





Bij de koffij van Tjiroke, Tjiseroepan en Genting, begon 
de beschimmeling op den 2den dag; bij die van Tjiwalen en Malej- 
bar op den 3den dag ; bij die van Malang W. I. bereiding op den 
4den; bij do. gewone bereiding en bij die van Lembang op den 
5den, en bij die van Sisir op den 8sten dag. Men heeft slechts 
hierop te letten, dat de bleeke , gevlekte koffij van Tjiwalen, 
ofschoon eerder beschimmeld dan die van Lembang, zulks op den 
9den dag veel minder was. 

Hierbij is de invloed van het bladgroen bemerkbaar, even als, 
bij vergelijking van die van Tjiwalen met die van Sisir, de gunstige 
invloed der meerdere droogte nog daarenboven blijkbaar was. 

Doch elf dagen later was de zoo gelijkmatig gekleurde en 
drooge koffij van Sisir, het meest van allen beschimmeld, en 
werd daarin bijna geëvenaard door die van Lembang en Ma- 
lejbar, terwijl de twee andere soorten uit Malang van de bevolking 
slechts in geringen graad beschimmeld waren. 

Geen wonder, de twee laatste waren dit reeds bij of kort 



S08 



na de bereiding in hoogen graad geweest, de drie eerste niet. 
Wij zien hieruit mede het verband tusschen de kleur der kof jij , 
en hare neiging tot beschimmeling , en tevens de noodzakelijk- 
heid om, bij goede drooging, ook voor goede, digte afpakking 
te zorgen. (1) 

Als slotsom van dit gedeelte mijner onderzoekingen, meen 
ik de drie volgende punten als zeker te mogen stellen: 

1°. Bij even groene of even donker gekleurde koffijsoorten 
ontstaat beschimmeling het eerste in de meest water- 
houdende. 
2°. Bij even waterhoudende koffijsoorten ontstaat beschim- 
meling het eerste in de meest groene of meest donker 
gekleurde, 
3°. Gele veel waterhoudende koffij beschimmelt minder en 
minder snel, dan groene of donker gekleurde droogere. 
Hoe drooger , des te donkerder kan zij zijn , zonder spoedig 
te beschimmelen. 
Onwillekeurig is hierbij, even -als vroeger het waterge- 
halte, de beschimmeling in verband gebragt met de kleur der 
koffij. Dit onderwerp verdient thans eene nadere ontwikke- 
ling. 



II. De kleur der koffij. 

De stof, die hier, gelijk aan alle bladen en van bladen ge- 
transformeerde planten -organen, de eigenaardige kleur geeft, 
is het bladgroen. 



(1) Uit een wetenschappelijk oogpunt, is liet tevens merkwaardig, dat 
de schimmel plantjes, bij deze gelegenheid gevormd, niet alle van de- 
zelfde soort waren. 

De tijd verbood mij, dit in voldoende mate mikroskopisch te onderzoe- 
ken. Ik voer hier hier slechts aan, dat de koffij van Lembang rondom 
gelijkmatig bedekt was , met blaauwgroene, lange schimmels; die van Tjiroke 
stonden meer in af 'zonder lijk & bosjes bijeen, waren korter en niet blaauwachtig; 
die van Genting zuiver groen, en die van Tjiwalen waren kort, graauwwit en 
meerendeels van kleine ronde knopjes voorzien (sporangia). 



509 









In anders dan groen gekleurde deelen, b. v. de bloemen 
en de schillen der vruchten, komt zij wel niet als bladgroen 
voor, maar zij is er toch de oorspronkelijke bouwstof van. 

Gelijk reeds uit de groote verscheidenheid der kleuren in 
het plantenrijk is op te maken , is deze stof voor velerlei ver- 
anderingen vatbaar, dat is, uiterst ligt ontleedbaar, waarbij 
chemische invloed en chemische veranderingen plaats hebben. 

Immers het feit alleen, dat de kleur anders wordt, duidt 
op eene verandering van stof; want zonder deze, zou de te- 
rugwerking op het licht, de ontleding de zonnestralen, niet 
kunnen veranderd worden. 

Het is de invloed van het zonnelicht, die de vorming, en, bij 
de groeijende plantendeelen , het blijvend bestaan der groene 
plantenkleur bewerkt. 

Door behulp der vochten in de planten, bij vrije inwer- 
king des lichts, wordt er onophoudelijk nieuw bladgroen ge- 
vormd. 

Die nieuwe hoeveelheid staat, bij volwassene bladen , onge- 
veer gelijk met die, welke onophoudelijk uit dezelfde bla- 
den verwijderd wordt, door den ontledenden invloed des 
lichts; eene verwijdering, die voor het leven der planten 
noodig is. Bij jonge bladen wordt steeds meer bladgroen 
gevormd, dan verloren; dit is noodig voor het toenemen van 
den groei. 

Vruchten zijn getransformeerde bladen. Jonge vruchten ver- 
houden zich ten opzigte van het bladgroen, als jonge bladen; 
ouder wordende , bevatten zij hoe langer hoe meer van deze 
stof. Onrijpe koffijzaden worden dus minder donker groen, 
en moeten, onder gelijke omstandigheden, de kleur eerder ver- 
liezen, dan rijpe. 

Bij verre de meeste vruchten , gaat het bladgroen bij de 
rijpwording, in eene andere kleur over; zoo ook in het be- 
kleedsel der koffijvrucht. 

Maar in de kern, die tot het laatste toe van den dadelijken 
toegang des lichts is afgesloten, blijlt de grondstof van het 
bladgroen, zelfs tot aan de rijp wording toe, in den toestand, 



510 



waarin zij nog voor groen worden vatbaar is. Versch gepelde 
koffijzaden zijn bijna wit, doch worden spoedig parelkleurig: 
die kleur kunnen zij lang behouden , zoo men ze op eene 
koele, volkomen donkere plaats bewaart. 

Alzoo vermeld hebbende de groote veranderlijkheid dier stof 
en tevens die van hare kleur, is het naauwelijks noodig te 
zeggen, dat zij, bij organische voorwerpen, die niet meer 
in staat van groeijing zijn, allengs eene andere kleur aan- 
neemt; te eerder naarmate de oorzaken harer verandering, 
(vocht en zonnelicht) te zamen, in ruime mate, op haar kun- 
nen inwerken. Zoo lang de koffij aan den boom bevestigd 
is, krijgt zij er aanhoudend nieuwen toevoer van; afgeplukt 
zijnde, houdt die toevoer op; en de kleur, die de koffij 
na het droogen en gedurende het bewaren, allengs aanneemt, 
is een uitwerksel van de wijze, waarop het bladgroen verder 
ontleed wordt. Geschiedt die ontleding snel, dat is, onder 
medewerking van veel vocht, dan heeft er beschimmeling 
plaats ten koste van de hoedanigheid van het bladgroen , waar- 
bij de groene kleur in eene vuilwitte of geelachtige overgaat. 
Pas afgevallene bladen nemen , langzaam verdroogende en 
droog blijvende , meestal eene bruine of bruinachtig gele 
kleur aan, die echter bij koffijbladen zeer langzaam tot stand 
komt; maar op vochtige plaatsen, vooral in het donker, 
beschimmelen zij spoedig, en doorloopen verschillende nuancen 
van kleuren. 

Uit het bovenstaande blijkt, welk verband er bestaat 
tusschen de beschimmeling en de kleurverandering der koffij. 
Eenige eenvoudige waarnemingen, die ik daaromtrent gedaan 
heb , zullen de waarheid van het gezegde als handtastelijk 
maken. 

Zij volgen hieronder. 

De negen koffijsoorten , waarvan op bladz. 501 de gang dei- 
verandering in vochtgehalte, en op bladz. 507 die der schimmel- 
vorming is aangegeven , hadden op laatstgenoemde datum (24 
Februarij), dus na 20 dagen, de volgende veranderingen in 
kleur ondergaan. 



Sll 



Van Sisir. 



„ Malang W. I. 



„ gewone. 
„ Tjiseroepan. 

„ Maïejbar. 
„ Lembang. 
„ ïjiroke. 

„ Genting. 
„ ïjiwalen. 



Slechts groene vlekjes overgebleven; gea- 
derd ; het donkere ineensmeltend met 
geelachtig groen. 

Geen spoor van groene tint meer; hooger 
geel; geringe overblijfsels van groen aan 
eene zijde. 

Geel , hooger van tint, dan de vorige. 

Het blaauwachtige in zuiver graauw ver- 
anderd, met gele en geelbruine vlekken. 

Graauw wit, nog een weinig blaauwe tint; 
de lichtere partijen zijn geel of geelach- 
tig geworden- 

Het bruinachtig graauw overgegaan in ver- 
schillende lichtere nuancen , met geel- 
achtige puntjes. 

Enkele boontjes onveranderd; bij de mees- 
te zijn de bleekgroene vlekken licht- 
groenachtig tot oranje-geel geworden, 
en meer uitgebreid. 

Bijna alleboonen vuil oranje geel, met licht- 
groenachtig - graauw deels vermengd 
deels gevlekt. 

Zeer gevlekt, witgeel, met graauwgroen; 
deels de gele, deels de groenachtige 
tint in overmaat. 



In het algemeen hadden de donker gekleurde de meeste ver- 
andering ondergaan, waarschijnlijk, omdat de lichtere die ver- 
anderingen reeds vroeger hadden doorloopen. 

Alles duidt hier op eene verandering, welligt ook vermin- 
dering van de stof, die de oorzaak is van de groene kleur 
der koffij en wel ten gevolge der beschimmeling, onder den 
invloed van het ingesloten vocht. 

Dat het wel wezenlijk het laatste en niet het licht is, waar- 
door dat verlies van kleur ontstaat, blijkt uit de eenvoudige 
daadzaak, dat de koffij van Sisir, met slechts 77 water, 16 



512 



maanden lang in eene geslotene witte flesch aan het licht bloot- 
gesteld, niet merkbaar in kleur verloren had, terwijl een an- 
der gedeelte, even lang in eene blikken bus bewaard, een' geel- 
achtigen tint had aangenomen , en tevens tot een watergehalte 
van 13,7% geklommen was. 

Onder de 14 andere monsters (waaronder de Cheribonsche 
en de Preanger slechts ongeveer 2 maanden lang, evenzeer in- 
geslotene witte flesschen, aan het licht waren blootgesteld), had 
bij al de Cheribonsche het geel de overhand gekregen. Linga- 
djati en Baijoening, maar vooral Mandirantjan, waren bijna ge- 
heel vuilgeel geworden. 

Ook de Preanger hadden gele tinten gekregen; het meest 
Tjisoeroepan, het minst Lembang en Pengilingan. Lembang 
had, bij de laatste vergeleken , nog een' bruinachtigen tint; de 
laatste was, op de donkere plaatsen, zuiver graauw. 

Nog een ander opmerkelijk verschil bestaat er bij dezelfde 
koffijsoort, tusschen de groote en kleine boonen , namelijk, 
dat de laatste steeds donkerder en minder gevlekt zijn. Hier- 
bij komt nog , dat dit verschil, in den regel , geringer is, naar- 
mate de boonen zelve minder ongelijk van grootte zijn (ik zal 
de hiertoe betrekkelijke beschrijving kortheidshalve terughou- 
den). 

Hoe minder verschil in kleur tusschen groote en kleine boonen 
(dat in zekere mate met het verschil in grootte zamenhangt) , 
hoe beter de koffij gedroogd is geweest. 

Echter is, bij slechte drooging voor koffij van een warmer 
klimaat, steeds grooter verschil in dit opzigt te wachten. 

Maar door beschimmeling ontstaan ook veranderingen in de 
stof der koffij, die zich niet door de kleur verraden en er 
toch mede in verband staan, Is beschimmeling eene vegetatie , ten 
koste van de hoedanigheid der koffij, waarbij het bladgroen 
van kleur verandert, dan moet daarbij eene volume- verandering 
plaats hebben in het celweefsel, dat als het ware het skelet 
van het zaad uitmaakt. Dit moet zich verraden door eene ver- 
andering van 



513 



III. Het soortelijk geioigt der kof jij. 

Over dit onderwerp heb ik eene reeks van onderzoekingen 
gedaan, die voor bijna alle de behandelde monsters verschillende 
uitkomsten gaven (1). Daarbij vertoonde zich een doorgaand ver- 
band tusschen de grootte of het zoogenoemde absoluut gewigt, 
de kleur, de beschimmeling en het water gehalte. 

Ik zal eerst naar de uilkomsten verwijzen , verkregen van de 
koffijsoorten, zoo als ze mij zijn toegezonden, dat is, gemengd, 
en ook van de groote en kleine boonen afzonderlijk. 



tv> Door el- ^ , «•, . 

Namen. , , Groote. Kleine, 
kander. 

g>( Pelmolen te Sisir. 124,1 124,5 

E) Malang W. I. 106,3* 101,3 

gewone. 100,0* 91,3 

G enting. 113,3 110,0 



= i Tjigoegoer. 115,0 114,9 

°\ Tjiroke. 113,3 108, 



Lingadjati. 106,1* 100,9 

Baijoening. 108,2* 110,1 

Tjiwalen. 110,2- 108,9 

vj Soekasahari. 111,6 111,1 

Mandirantjan. 107,6 103,1 

t ( Pengilingan. 120,5 121,2 

SVLembang. 119,5 121,2 

| J Malejbar. 119,8 118,7 

fc( Tjiseroepan. 116,9* 112,8 

De met* geteekende gaven onzekere uitkomsten, deels meer, 
deels minder dan de hier medegedeelde cijfers, en wel tus- 
schen de limiten van 1 — 3. De ongelijke verhouding van groote 




(l) Hierbij moet ik mededeelen, dat de getallen, op de tabel voorkomende, 
slechts betrekkelijk juist zijn, dat is ten opzigte van elkander, en daarvan heb 
ik mij door herhaalde proeven verzekerd. 

Naarmate men water, olie of alkohol bezigt om deze wegingen te doen, 
bekomt men bij herleiding op gedestilleerd water , voor dezelfde koffij door- 
gaans verschillende uitkomsten. 

De bovengenoemde zijn, op een paar uilzonderingen na, door weging in 
gedestilleerd water verkregen. 

III. 38 



314 



en kleine boonen in de onderzochte hoeveelheid , was daarvan 
de oorzaak ; en bij deze was dan ook het onderscheid in soor- 
telijk gewigt van de groote en kleine zeer aanmerkelijk. 

Er is eene niet te miskennen toenadering tot een gemid- 
deld soortelijk gewigt, dat verschillend is voor de koffij der drie 
residentiën, afgeleid uit dat der kleine boonen, die bij de on- 
volkomen gedroogde in den regel meer bestendig van hoe- 
danigheid zijn gebleven. 

De twee Malangsche soorten, van de bevolking, als beneden 
alle vergelijking slecht bereid, heb ik hierbij buiten rekening 
gelaten. 

De vraag, of dit verschil is toe te schrijven aan de struktuur 
der nog groeijende koffij , en dus aan den invloed van het kli- 
maat op de plant, dan wel aan dien invloed gedurende de be- 
reiding der koffij, of ook aan de bereidingwijze zelve, deze 
vraag heb ik getracht te beantwoorden , door versche roode koffij 
uit Buitenzorg, op verschillende wijze en tot een verschillend 
watergehalte door mij gedroogd, op het soortelijk gewigt te 
onderzoeken (rie 2de Afdeeling.) 

Het is opmerkelijk, in verband hiermede , dat blijkens bladz. 
501 ook het watergehalte voor de koffij der drie residen- 
tiën eene verschillende grens heeft, en dat de koffij, van de 
Preanger-Regentschappen zich door eene blaauwachtige tint ken- 
merkt. Deze twee eigenaardigheden zijn ongetwijfeld het uit- 
werksel van den invloed van het klimaat op de koffij, onder 
bereiding zijnde. 

Het verschil tusschen het soortelijk gewigt van de groote en 
kleine boonen, is in de koffij van ïjiseroepan veel grooter dan 
in de drie andere Preanger soorten en tevens in omgekeerde 
orde van twee daarvan. Zij is ook de meest gevlekte van de 
vier. En toch ligt Tjiseroepan op veel geringere hoogte dan 
Pengilingan. 

Ofschoon al de onderzochte koffijsoorten, op een na, zwaar- 
der dan water waren, was toch bijna in alle eene zeer 
verschillende hoeveelheid van drijvende boonen. Ik heb bevon- 
den dat de verhouding, kort na de ontvangst, was als volgt: 



S13 



Onder 200 stuks waren 




Koffij van 


o «° 1 


Sisir. 


Malang W. I. 


«O 

/ 




„ gewone. 


Genting. 


= ( 


Tjigoegoer. 


° \ 


ïjiroke. 


£ 


Lingadjati. 


£ 1 


Baijoening. 


* / 


ïjiwalen. 


» r 


Soekasahari. 


l 


Mandirantjan. 


*h / 


Malejbar. 




Pengilingan. 


P i 


Lembang. 


£ ' 


ïjiseroepan. 



Drijvende Zinkende 






200 


44 • 


156 


127 


73 


5 


195 


3 


197 


33 


167 


22 


178 


3i 


169 


40 


160 


12 


188 


42 


158 


3 


197 


1 


199 





200 


3 


197 



Hierbij zij aangemerkt, dat ten tijde van dit onderzoek, 
de koffij monsters uit Cheribon en de Preanger Regentschappen 
pas ontvangen, en dus in veel gunstiger omstandigheden wa- 
ren, dan de overige drie, welke reeds meer dan eenjaar 
aan het Laboratorium bewaard waren. 

Blijkens de opgave op bladz. 497 en 498, hadden Genting en 
Tjigoegoer de donkerst gekleurde koffij geleverd, onder de 
Cheribonsche, en ook ten opzigte der zwaarte kwamen zij met 
de Preanger bijna overeen. 

Doch even als de koffij van Lembang, ofschoon al de boon- 
tjes in 't water zonken gelijk die van Sisir, en in het geheel 
de Preanger koffij (blijkens bladz. 513), minder soortelijk ge- 
wigt had dan die van Sisir, zoo was die van Genting en 
Tjigoegoer op hare beurt minder zwaar dan de Preanger- 
soorten. 

Om te ontdekken, of dit verschil bestendig was, ofwel 
het gevolg van eene voortgaande vermindering in zwaarte, deed 
ik den 13den Mei , dat is ruim 2V 2 maanden later , op nieuw de 
verhouding van drijvende en zinkende boontjes bepalen (de koffij 
van Sisir , waarvan ik het soortelijk gewigt zoo lang na de 
bereiding bepaald heb, mag geacht worden , daarin niet merk- 



S16 



baar verloren te hebben : zulks zal nader blijken bij vergelij- 
king met de door mij zelven versch bereide en goed gedroog- 
de koffij van Buitenzorg). 

De uikomsten van dit tweede onderzoek waren als volgt : 

Onder 200 stuks waren: 

Koffij van Drijvende. Zinkende. 



i i f 


Sisir. 


S 3 


Malang W I. 


CS O I 




£> '~ ( 


„ gewone 


( 


Genling. 


ó y 


ïjigoegoer. 


O 1 


Tjiroke. 


"° ) 


Lingadjati. 


'~ ] 


Buijoening. 


JS f 


Tjiwalen. 


Soekasahari. 


\ 

f 


Mandirantjan. 


o 1 


Malejbar. 


g> < 


Pengilingan. 


1 ) 


Lembamg. 


£ f 


Tjiseroepan. 






200 


104 


96 


126 


74 


40 


160 


84 


116 


52 


148 


90 


110 


40 


160 


82 


118 


114 


86 


58 


142 


2 


198 





200 


2 


198 


16 


184 



Deze cijfers spreken duidelijk. 

De koffij van Sisir is bestendig gebleven ; drie der Preanger- 
soorten mede ; doch het zeer korte tijdsverloop , met den duur 
van bestendigheid der Sisir-koffij vergeleken , in aanmerking 
nemende, en ook de blijkbare zwaarte-vermindering van die 
van Tjiseroepan , is eene langzame afneming bij al deze soor- 
ten meer dan waarschijnlijk. Eene proef met zout water zou 
dit bewezen hebben. 

Eindelijk , de Cheribonsche hebben alle in zwaarte verloren ; het 
meest die van Genting, Tjigoegoer, Lingadjati en Soekasahari , 
welke vroeger de zwaarste onder deze waren. 

Het verband tusschen deze vermindering, het kleurverlies 
en de b